Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:357

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
02-04-2014
Datum publicatie
09-05-2014
Zaaknummer
13/03812 en 13/03813
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:3120, Gevolgd
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:3121, Gevolgd
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Belanghebbenden - beiden met de Turkse nationaliteit - zijn op 14 september 2011 vanuit Turkije op Schiphol aangekomen. Bij het verlaten van de aankomsthal hebben zij het groene kanaal gekozen. Op de vraag van de douaneambtenaar of zij nog iets aan te geven hadden, hebben zij elk ontkennend geantwoord. Bij de daarop volgende controle heeft de douaneambtenaar gouden sieraden in de bagage van belanghebbenden aangetroffen. Met dagtekening 14 september 2011 heeft de Inspecteur uitnodigingen tot betaling van douanerechten (en omzetbelasting) aan belanghebbenden uitgereikt.

In deze procedure staat de vraag centraal of het bestaan van een douane-unie tussen Turkije en de Europese Unie (hierna: EU) in de weg staat aan heffing van douanerechten.

Rechtbank Haarlem en Hof Amsterdam (hierna: het Hof) zijn van oordeel dat belanghebbenden de sieraden niet op de voorgeschreven wijze hebben aangegeven, waardoor de goederen niet vrij van douanerechten kunnen worden overgebracht van Turkije naar de EU.

Allereerst geeft A-G Van Hilten aan dat de EU een douane-unie omvat. Deze douane-unie houdt in dat goederen die zich in het vrije verkeer van deze unie bevinden c.q. die van oorsprong zijn uit de lidstaten zich vrij van heffingen op het grondgebied van de lidstaten kunnen bewegen. Turkije behoort niet tot het grondgebied van de EU, maar heeft met de EU - destijds nog de Europese Economische Gemeenschap - een associatieovereenkomst gesloten, waarbij op 31 december 1995 een douane-unie tussen de EU en Turkije tot stand is gekomen. Hierdoor kunnen goederen (uitgezonderd landbouwgoederen, waarvoor afzonderlijk bepalingen zijn opgenomen in Besluit nr. 1/95) vrij van douanerechten tussen de EU en Turkije (en vice versa) bewegen. De A-G meent dat het echter niet de bedoeling is dat goederen vanuit Turkije ongecontroleerd - althans: zonder tussenkomst van de douane - het grondgebied van de EU (of omgekeerd) binnenkomen. Zo geldt voor handelsgoederen dat goederen alleen vrij van douanerechten de EU kunnen betreden wanneer door middel van een A.TR.-certificaat wordt bewezen dat zij voldoen aan de voorwaarden om zonder rechten binnen te komen.

Voor reizigers geldt niet de verplichting tot het overleggen van een A.TR.-certificaat, maar ook zij kunnen volgens de A-G goederen vrij van douanerechten overbrengen van Turkije naar de EU (en vice versa), mits zij bij invoer (geloofwaardig) aangifte doen en bewijs leveren dat de goederen aan alle voorwaarden voldoen om vrij van rechten te worden overgebracht, dat wil zeggen herkomstig zijn uit Turkije.

Met betrekking tot reizigers afkomstig uit derde landen (waaronder Turkije) komt de A-G tot de slotsom dat zij aangifte mogen doen door gebruikmaking van het groene kanaal op Schiphol voor de invoer van goederen die zij in hun persoonlijke bagage bij zich hebben tot een totale waarde van maximaal € 430, mits die invoer geen handelskarakter heeft. In alle andere gevallen moet aangifte mondeling, dan wel schriftelijk geschieden. In de praktijk gebeurt dat door bij de uitgang van de aankomsthal te kiezen voor het rode kanaal en aldaar de meegebrachte goederen (mondeling) bij de douane aan te geven (en te tonen). Het komt de A-G voor dat een reiziger die aanstalten maakt het groene kanaal te kiezen en door de douane wordt gevraagd of hij ‘iets aan te geven heeft’ alsnog mondeling aangifte kan en moet doen indien hij goederen bij zich heeft waarvoor het doen van mondelinge aangifte aan de orde is. Indien een reiziger gebruik maakt van het groene kanaal terwijl hij niet aan de voorwaarden heeft voldaan worden volgens de A-G de goederen op onregelmatige wijze binnengebracht.

De A-G komt dan ook tot de conclusie dat belanghebbenden mondeling (of schriftelijk, maar in ieder geval niet door gebruikmaking van het groene kanaal) aangifte hadden moeten doen van de door hen meegevoerde sieraden. Dat hebben zij, ook desgevraagd, niet gedaan. Zij meent dan ook dat belanghebbenden, ondanks het bestaan van een douane-unie tussen de EU en Turkije, douanerechten verschuldigd zijn over de sieraden. Het Hof heeft haars inziens op goede gronden en voldoende gemotiveerd geoordeeld dat ter zake van het binnenbrengen van de sieraden douanerechten zijn verschuldigd.

Ten aanzien van het cassatiemiddel is de A-G van mening dat het gestelde discriminatieverbod en de juistheid van de heffing van omzetbelasting in cassatie niet meer aan de orde kunnen komen, nu belanghebbenden uitdrukkelijk en ondubbelzinnig in de procedure voor het Hof hebben verklaard hun grief inzake het discriminatieverbod te laten vallen en het geschil te beperken tot de douanerechten.

Het middel kan niet tot cassatie leiden.

A-G van Hilten adviseert de beroepen in cassatie van belanghebbenden ongegrond te verklaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-1077
V-N Vandaag 2014/880
V-N 2014/27.20

Conclusie

Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden

mr. M.E. van Hilten

Advocaat-Generaal

Conclusie van 2 april 2014 inzake:

HR nrs. 13/03812 en 13/03813

[X2] en [X1]

Hof nrs. 12/01128 en 12/01129

Rb nrs. AWB 12/1266 en AWB 12/1276

Derde Kamer A

tegen

Douanerechten

2011

staatssecretaris van Financiën

1 Inleiding

1.1 “

Heeft u nog iets aan te geven?

Deze vraag werd aan de belanghebbenden - die vanuit Turkije op Schiphol zijn aangekomen - gesteld toen zij via het groene kanaal de aankomsthal van die luchthaven wilden verlaten. Zij hebben die vraag ontkennend beantwoord, waarna een douaneambtenaar hun bagage heeft gecontroleerd en daarin gouden sieraden heeft aangetroffen. Een uitnodiging tot betaling van douanerechten (en omzetbelasting) volgde. Ten onrechte, zo menen belanghebbenden. Zij stellen zich op het standpunt dat het bestaan van een douane-unie tussen Turkije en de Europese Unie (hierna: EU) in de weg staat aan heffing van douanerechten.

1.2

Naar ik meen zijn belanghebbenden, ondanks het bestaan van een douane-unie tussen de EU en Turkije, douanerechten verschuldigd over de sieraden, omdat zij niet hebben voldaan aan de voorwaarden om de sieraden vrij van douanerechten van Turkije naar de EU over te kunnen brengen.

1.3

Deze conclusie betreft twee procedures: één die is geïnitieerd namens [X2] (HR nr. 13/03812), en één die namens [X1] wordt gevoerd (HR nr. 13/03813). In een geval waarin dezelfde problematiek twee verschillende belanghebbenden betreft, zou ik normaliter twee afzonderlijke conclusies nemen. Dat ik dit in casu niet doe, is ingegeven door de volgende omstandigheden: de belanghebbenden wonen1 op hetzelfde adres, zijn op dezelfde dag (en vermoedelijk met dezelfde vlucht) op Schiphol aangekomen, worden vertegenwoordigd door dezelfde gemachtigde, waarbij alle gedingstukken nagenoeg identiek zijn, terwijl hun zaken bij de Rechtbank Haarlem (hierna: de Rechtbank) en Hof Amsterdam (hierna: het Hof) gezamenlijk ter zitting zijn behandeld. Het kan niet anders zijn dan dat zij van elkaars procedures op de hoogte zijn. Deze conclusie heeft dan ook te gelden als de in één geschrift vervatte conclusies in elk van beide zaken.

2 Feiten en procesverloop

2.1

Op 14 september 2011 zijn belanghebbenden, elk met de Turkse nationaliteit2, vanuit Turkije op het vliegveld Schiphol Amsterdam Airport (hierna: Schiphol) aangekomen. Bij het verlaten van de aankomsthal hebben zij het groene kanaal gekozen. Op de vraag van de ter plaatse aanwezige douaneambtenaar of zij nog iets aan te geven hadden, hebben zij elk ontkennend geantwoord. Bij de hierop volgende controle van de bagage van belanghebbenden heeft de douaneambtenaar gouden sieraden aangetroffen.

2.2

Bij [X2] (zaak nr. 13/03812) ging het om een gouden armband en een gouden ketting, waarvan de douaneambtenaar de totale waarde heeft bepaald op € 3.387. In de bagage van [X1] (zaak nr. 13/03813) is een gouden armband aangetroffen. Deze armband is door de douaneambtenaar gewaardeerd op € 2.332.

2.3

De in 2.2 bedoelde sieraden zijn - naar in de bezwaarfase is komen vast te staan3 - herkomstig uit Turkije. Zogenoemde A.TR-certificaten (zie ook punt 5.15 van deze conclusie) zijn niet overgelegd.4

2.4

Met dagtekening 14 september 2011 heeft de Inspecteur5, op grond van artikel 202 van het Communautair Douanewetboek (hierna: CDW)6 junctis de artikelen 1 en 18 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB), uitnodigingen tot betaling van douanerechten en omzetbelasting (hierna: utb’s) aan belanghebbenden uitgereikt.7

2.5

Belanghebbenden hebben bezwaar gemaakt tegen de utb’s. Bij uitspraken op bezwaar van dagtekening 27 januari 2012 heeft de Inspecteur de bezwaren afgewezen en de utb’s gehandhaafd.

3 Geding voor de Rechtbank en het Hof

3.1

De Rechtbank

3.1.1

Belanghebbenden zijn tegen de uitspraken op bezwaar in beroep gekomen bij de Rechtbank. Voor de Rechtbank was, voor zover in cassatie van belang, in geschil of belanghebbenden zich terecht beroepen op het Besluit nr. 1/95 van de Associatieraad EG-Turkije van 22 december 1995 inzake de tenuitvoerlegging van de slotfase van de douane-unie (hierna: Besluit nr. 1/95).8

3.1.2

De Rechtbank heeft deze vraag ontkennend beantwoord, daartoe overwegende:9

“9. (…) in het Besluit [zijn] de voorwaarden voor de daadwerkelijke werking van de douane-unie tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije (…) uitgewerkt, welke voorwaarden onder ander[e] (kort gezegd) inhouden dat Turkije het CDW (en de uitvoeringsregelingen) overneemt. Het douanegebied van de douane-unie omvat het douanegebied van de Europese Economische Gemeenschap en het douanegebied van Turkije.

10. Bij Besluit Nr. 1/2006 van het comité douanesamenwerking EG-Turkije (hierna: het Uitvoeringsbesluit) zijn ter uitvoering van het Besluit bepalingen vastgesteld.

11. (…) dat om als reiziger van Turkije naar de Europese Economische Gemeenschap gebruik te kunnen maken van het vrije verkeer van de douane-unie tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije, als bedoeld in het Besluit, onder andere de voorwaarde geldt dat de meegevoerde goederen op de juiste wijze worden aangegeven. Nu evenwel vaststaat dat de sieraden niet op de voorgeschreven wijze zijn aangegeven, kan eiseres zich niet op het Besluit beroepen.

12. Eiseres is derhalve op grond van artikel 202, eerste lid, van het CDW juncto artikel 18 van de Wet OB over de invoer van deze sieraden douanerecht en omzetbelasting verschuldigd. De UTB is daarom terecht opgelegd.

(…)”

3.1.3

Bij uitspraken van 12 oktober 2012, nrs. AWB 12/1266 en AWB 12/1276, niet gepubliceerd, heeft de Rechtbank de beroepen ongegrond verklaard.

3.2

Het Hof

3.2.1

Belanghebbenden hebben tegen de uitspraken van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Voor het Hof was in geschil of het bestaan van een douane-unie tussen de EU en Turkije aan heffing van douanerechten in de weg staat.10

3.2.2

Het Hof overwoog als volgt:11

“6.1. Op grond van de douane-unie tussen de Europese Unie (hierna: EU) en Turkije kunnen goederen in beginsel vrij van douanerechten worden overgebracht van Turkije naar de EU, mits zij herkomstig zijn uit het vrije verkeer van Turkije. In het Besluit nr. 1/2006 van het Comité douanesamenwerking EG-Turkije van 26 september 200612 is bepaald dat de herkomst dient te worden aangetoond door overlegging van een A.TR-certificaat, afgegeven door de Turkse douane-autoriteiten.

6.2.

In artikel 20 van het hiervoor onder 6.1. vermelde besluit is voorzien in een vereenvoudigde wijze van aantonen van de herkomst uit het Turkse vrije verkeer, voor zover het niet voor handelsdoeleinden bestemde goederen betreft die door reizigers worden meegevoerd. Deze vereenvoudiging houdt in dat het overleggen van een A.TR-certificaat achterwege kan blijven, mits de meegevoerde goederen worden aangegeven als goederen die voldoen aan de voorwaarden die gelden voor het vrije verkeer tussen Turkije en de EU en aan de juistheid van die aangifte geen twijfel bestaat.

6.3.

Belanghebbende heeft van de sieraden op de luchthaven Schiphol schriftelijk noch mondeling aangifte gedaan. In plaats daarvan heeft zij bij het verlaten van de aankomsthal gebruik gemaakt van het groene kanaal "niets aan te geven". De onderwerpelijke goederen komen op grond van de artikelen 230 en 232 van de Uitvoeringsverordening communautair douanewetboek, (hierna: UCDW) daarom niet voor deze vereenvoudigde wijze van aangeven in aanmerking. Daarbij zij nog daargelaten dat het bij gebruik van het groene kanaal niet mogelijk is om kenbaar te maken dat sprake is van goederen die voldoen aan de voorwaarden voor het vrije verkeer tussen Turkije en de EU.

6.4.

Door gebruik te maken van het groene kanaal heeft belanghebbende de door haar meegevoerde sieraden niet aangegeven zodat, waar nodig met toepassing van artikel 234, tweede lid, van de UCDW, een douaneschuld is ontstaan op de voet van artikel 202 van het Communautair Douanewetboek.

6.5.

Hieraan doet niet af dat belanghebbende achteraf alsnog heeft verklaard dat de sieraden herkomstig (…) [zijn] uit het vrije verkeer van Turkije en de inspecteur heeft verklaard niet aan de Turkse herkomst te twijfelen. Buiten de in artikel 20 van het Besluit nr. 1/2006 genoemde situatie kan de Turkse herkomst uitsluitend worden aangetoond door overlegging van een A.TR-certificaat. Vast staat dat belanghebbende niet over een dergelijk certificaat beschikt, zodat de inspecteur op goede gronden tot uitreiking van de bestreden UTB is overgegaan.”

3.2.3

Bij uitspraken van 4 juli 2013, nr. 12/01128, ECLI:NL:GHAMS:2013:1837 en nr. 12/01129, ECLI:NL:GHAMS:2013:1836, heeft het Hof de hoger beroepen ongegrond verklaard en de uitspraken van de Rechtbank bevestigd.

4 Het geding in cassatie

4.1

Belanghebbenden hebben tijdig en op regelmatige wijze beroep in cassatie ingesteld.

4.1.1

In hun cassatieberoepschriften voeren belanghebbenden als grief aan:

“Schending, althans verkeerde toepassing van het recht, in het bijzonder van het bepaalde in artikel 9 Raadsbesluit 1/80 Associatieovereenkomst EEG-Turkije, waarvan niet inachtneming tot nietigheid leidt, in het bijzonder van het in artikel 8:77 Awb vervatte motiveringsvereiste doordat het Gerechtshof Amsterdam ten onrechte geen gevolg heeft gegeven aan artikel 9 Raadsbesluit 1/80 EEG-Turkije.”

4.1.2

Ter toelichting voeren belanghebbenden aan dat uitdrukkelijk een beroep is gedaan op artikel 9 van - naar ik begrijp - de Associatieovereenkomst EEG-Turkije.13 Volgens belanghebbenden mag geen discriminatie plaatsvinden naar nationaliteit. Turkse onderdanen hoeven goederen dan ook niet aan te geven, aangezien zij ook een beroep kunnen doen op vrij verkeer van goederen. Belanghebbenden zijn van mening dat zij op grond van voormeld artikel 9 jo. artikel 4 van het Besluit nr. 1/95 geen douanerechten en omzetbelasting zijn verschuldigd.

4.2

De staatssecretaris van Financiën (hierna: Staatssecretaris) heeft een verweerschrift ingediend.

4.3

Van belanghebbenden zijn geen conclusies van repliek ingekomen.

5 Het douanegebied van de Europese Unie en de douane-unie met Turkije

5.1

De EU omvat, zo weten wij uit 28, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de EU (hierna: VWEU), een douane-unie. Deze unie strekt zich - nog steeds volgens artikel 28, lid 1, van het VWEU - uit over het gehele goederenverkeer en brengt zowel een verbod mee van in- en uitvoerrechten en heffingen van gelijke werking in het verkeer tussen de lidstaten onderling, als de invoering van een gemeenschappelijk douanetarief voor de betrekkingen van de lidstaten met derde landen. In algemene bewoordingen uitgedrukt houdt de douane-unie in dat goederen die zich in het vrije verkeer van deze unie bevinden c.q. die van oorsprong zijn uit de lidstaten (zie artikel 28, lid 2, van het VWEU) zich vrij van heffingen door de (Europese) unie kunnen bewegen.

5.2

Bepalingen inzake het handelsverkeer (goederenverkeer) tussen de EU en derde landen zijn opgenomen in het CDW. Ingevolge artikel 2, lid 1, van het CDW zijn deze bepalingen op eenvormige wijze van toepassing in het gehele douanegebied van de EU.14 Het moge geen verbazing wekken dat het grondgebied van alle lidstaten tot het douanegebied van de EU behoort (artikel 3, lid 1, van het CDW). Daarnaast zijn enkele gebieden aangewezen, die weliswaar buiten het grondgebied van de lidstaten zijn gelegen, maar die desalniettemin tot het douanegebied worden gerekend. Het gaat daarbij - vide artikel 3, lid 2, van het CDW - om het grondgebied van het Vorstendom Monaco en het grondgebied van Akrotiri en Dhekelia (zones van Cyprus).15

5.3

Turkije behoort niet tot het douanegebied van de EU. Dat wil echter niet zeggen dat tussen Turkije en de EU geen bijzondere banden bestaan.

5.4

Reeds in 1963 sloot de EU - destijds nog de Europese Economische Gemeenschap - in Ankara een associatieovereenkomst met Turkije (hierna: de Associatieovereenkomst).16 Het doel van de Associatieovereenkomst is, zo blijkt uit artikel 2, lid 1, van de Associatieovereenkomst:

“(…) de gestadige en evenwichtige versterking van de commerciële en economische betrekkingen tussen de Partijen te bevorderen, met volledige inachtneming van de noodzaak de versnelde ontwikkeling van de economie van Turkije en de verruiming van de werkgelegenheid en de verbetering der levensomstandigheden van het Turkse volk te verzekeren.”

5.5

Teneinde deze doelstellingen te verwezenlijken werd voorzien in een geleidelijke totstandbrenging van een douane-unie (artikel 2, lid 2, van de Associatieovereenkomst). Daartoe werden drie fasen onderscheiden: een voorbereidende fase, een overgangsfase en een definitieve fase.17

5.6

Met betrekking tot de ‘tenuitvoerlegging van de overgangsfase’ (titel II van de Associatieovereenkomst) is onder meer een non-discriminatiebepaling opgenomen. Ingevolge artikel 9 van de Associatieovereenkomst is elke discriminatie op grond van nationaliteit verboden:

“De Overeenkomstsluitende Partijen erkennen, dat binnen de werkingssfeer van de Overeenkomst, en onverminderd de bijzondere bepalingen die krachtens artikel 8 zouden kunnen worden vastgesteld, elke discriminatie uit hoofde van nationaliteit is verboden, overeenkomstig het in artikel 7 van het Verdrag tot oprichting van de Europese18 Gemeenschap vermelde beginsel.”

5.7

Wat betreft de uiteindelijk tussen de EU en Turkije tot stand te brengen douane-unie bepaalt artikel 10 van de Associatieovereenkomst dat deze zich uitstrekt over het gehele goederenverkeer en dat deze inhoudt (artikel 10, lid 2; cursivering MvH):

“- het verbod tussen de Lid-Staten van de Europese Gemeenschap en Turkije, bij invoer en bij uitvoer, van douanerechten, van heffingen van gelijke werking en van kwantitatieve beperkingen, alsmede van alle andere maatregelen van gelijke werking, die ten doel hebben aan de nationale produktie een bescherming te verlenen, die in strijd is met de doelstellingen van de Overeenkomst;

- het aanvaarden, in de betrekkingen van Turkije met derde landen, van het gemeenschappelijk douanetarief van de Europese Gemeenschap, alsmede een aanpassing aan de overige door de Europese Gemeenschap op het gebied van de buitenlandse handel toegepaste regelingen.”

5.8

De hiervóór in punt 5.5 reeds genoemde ‘definitieve fase’ ging op 31 december 1995 in met de inwerkingtreding van het eerder vermelde Besluit nr. 1/95. In dit Besluit zijn de regels van de in de Associatieovereenkomst voorziene douane-unie vastgesteld en kwam een douane-unie tussen de EU en Turkije tot stand.19

5.9

In hoofdstuk I van Besluit nr. 1/95 is bepaald dat - vanaf het van kracht worden van dit besluit - tussen de EU en Turkije een vrij verkeer bestaat van goederen20 die in de Unie of in Turkije zijn voortgebracht dan wel zich in het vrije verkeer van de EU of Turkije bevinden.21 Artikel 4 van Besluit nr. 1/95 bepaalt:

“De in- en uitvoerrechten en heffingen van gelijke werking als een douanerecht tussen de Gemeenschap en Turkije worden bij het van kracht worden van dit besluit volledig opgeheven. De Gemeenschap en Turkije onthouden zich er vanaf die datum van nieuwe in- en uitvoerrechten of heffingen van gelijke werking in te voeren. Deze bepalingen gelden eveneens voor de douanerechten van fiscale aard.”22

5.10

Bepalingen van Besluit nr. 1/95 vergden uitwerking. In dit verband valt bijvoorbeeld te wijzen op artikel 3, lid 6, van Besluit nr. 1/95:

“Het (…) Comité voor samenwerking op douanegebied stelt de methoden voor administratieve samenwerking inzake de toepassing van de leden 1, 2 en 4 vast.”23

Voor zover in casu van belang kan die uitwerking worden gevonden in het Besluit nr. 1/2006 van het Comité Douanesamenwerking EG-Turkije van 26 juli 2006 (hierna: Besluit nr. 1/2006).24

5.11

Titel II van Besluit nr. 1/2006 (de artikelen 3 tot en met 21) is gewijd aan ‘douanebepalingen betreffende de handel in goederen tussen de twee delen van de douane-unie’. Het begrip ‘handel’ moet in deze context kennelijk ruim worden opgevat, nu in titel II ook een bepaling over niet voor handelsdoeleinden bestemde goederen een plek heeft gevonden (zie punt 5.16 hierna).

5.12

Hoe dan ook, het van titel II uitmakende artikel 3 van Besluit nr. 1/2006 bepaalt (cursivering MvH):

“Onverminderd de in het basisbesluit opgenomen bepalingen inzake vrij verkeer, zijn het communautair douanewetboek en de uitvoeringsbepalingen daarvan, die van toepassing zijn in het douanegebied van de Gemeenschap, (…) van toepassing op de handel in goederen tussen de twee delen van de douane-unie, onder de voorwaarden die in dit besluit zijn vastgesteld.”

5.13

Uit artikel 1 van Besluit nr. 1/2006 volgt dat in dit verband met ‘basisbesluit’ wordt gedoeld op Besluit nr. 1/95. Uit artikel 2, lid 2 blijkt dat de ‘delen van de douane-unie’ bestaan uit:

“(…) het douanegebied van de Gemeenschap, enerzijds, en het douanegebied van Turkije, anderzijds.”

5.14

Uit de artikelen 5 en verder van Besluit nr. 1/2006 volgt dat het niet de bedoeling is dat goederen vanuit Turkije ongecontroleerd - althans: zonder tussenkomst van de douane - het grondgebied van de EU (of omgekeerd) binnenkomen. Alleen wanneer bewezen wordt dat ingevoerde goederen voldoen aan de voorwaarden om zonder rechten binnen te komen, kunnen goederen vrij van douanerechten de EU ‘betreden’. Ik citeer artikel 5 van Besluit nr. 1/2006:

“Onverminderd het bepaalde in de artikelen 11 en 1725 wordt het bewijs dat aan de voorwaarden voor de toepassing van de bepalingen van het basisbesluit betreffende het vrije verkeer is voldaan, geleverd door middel van de bewijsstukken die op verzoek van de exporteur door de douaneautoriteiten van Turkije of van een lidstaat worden afgegeven”

5.15

Blijkens artikel 6 van Besluit nr. 1/2006 is het hier bedoelde bewijsstuk het zogenoemde certificaat inzake goederenverkeer A.TR. (hierna: A.TR-certificaat). Dit certificaat moet ingevolge artikel 10, lid 1, van Besluit nr. 1/2006 worden overgelegd aan de douaneautoriteiten van de staat26 van invoer, volgens de procedures die in dat land van toepassing zijn. Bovendien mag de douane van de staat van invoer verlangen dat:

“(…) de aangifte ten invoer vergezeld gaat van een verklaring van de importeur dat de goederen aan de voorwaarden voor het in het vrije verkeer brengen voldoen.”27

5.16

Voor goederen die door reizigers worden meegenomen geldt niet de verplichting tot overlegging van een A.TR.-certificaat. Maar ook Europese reizigers die goederen meenemen naar Turkije of – zoals in casu – Turkse reizigers die goederen meenemen naar de EU kunnen het meegebrachte niet ‘zo maar’ binnenbrengen in het andere deel van de douane-unie. Artikel 20 van Besluit nr. 1/2006 bepaalt in dit verband (cursivering MvH):

“Op niet voor handelsdoeleinde[n] bestemde goederen die door reizigers van het ene deel van de douane-unie naar het andere deel van de douane-unie worden medegevoerd, zijn de bepalingen inzake vrij verkeer van het basisbesluit van toepassing zonder dat gebruik wordt gemaakt van het in hoofdstuk 2 bedoelde certificaat [MvH: het A.TR.-certificaat], mits zij worden aangegeven als goederen die aan de voorwaarden voor het in het vrije verkeer brengen voldoen en aan de juistheid van de aangifte geen twijfel bestaat.”

5.17

Ook reizigers moeten derhalve aangifte doen en bewijzen dat de door hen meegebrachte goederen voldoen aan de eisen waaronder die goederen vrij van rechten binnen kunnen komen. In wezen lijkt deze op reizigers rustende verplichting wat op de voorwaarde die in de slotzinsnede van artikel 10 van het Besluit nr. 1/2006 aan importeurs van handelsgoederen kan worden gesteld (die laatsten moeten echter ook een A.TR-certificaat overleggen). Dat betekent dat goederen – ook reizigersgoederen – vrij van douanerechten van Turkije naar de EU (of vice versa) kunnen worden overgebracht, mits ten tijde van de invoer het bewijs wordt geleverd dat de goederen in kwestie inderdaad vrij van douanerechten binnen mogen komen. Daartoe moet aangifte worden gedaan bij de douane van de (lid)staat van invoer.

5.18

De vraag is of de belanghebbenden in elk van de onderhavige zaken hebben voldaan aan deze aangifteplicht. Dat brengt ons terug op Schiphol.

6 Aangifte op de luchthaven Schiphol

6.1

Naar valt af te leiden uit het eerder in deze conclusie (punt 5.12) geciteerde artikel 3 van Besluit nr. 1/2006, geldt dat op de handel in goederen tussen de twee delen van de douane-unie het CDW en de uitvoeringsbepalingen daarvan – belichaamd in de Uitvoeringsverordening CDW (hierna: UCDW)28 – van toepassing zijn. Naar ik afleid uit de plaatsing van de bepaling over niet-handelsgoederen in titel II van Besluit nr. 1/2006, meen ik dat gesteld moet worden dat dit ook geldt voor goederen zonder handelskarakter die door reizigers vanuit Turkije naar de EU worden gebracht, als bedoeld in artikel 20 van Besluit nr. 1/2006.

6.2

Daarvan uitgaande moet worden vastgesteld dat aangifte dient te worden gedaan conform de bepalingen in het CDW en de UCDW. Immers, voor goederen die bestemd zijn om onder een douaneregeling29 - zoals brengen in het vrije verkeer - te worden geplaatst, moet een aangifte tot plaatsing onder deze douaneregeling worden gedaan (zie artikel 59, lid 1, CDW). Omtrent de vormen waarin aangifte kan worden gedaan, bepaalt artikel 61 van het CDW (cursivering MvH):

“De douaneaangifte wordt gedaan:

a) hetzij schriftelijk;

b) hetzij met gebruikmaking van automatische gegevensverwerking, wanneer in de volgens de procedure van het Comité vastgestelde bepalingen in deze mogelijkheid is voorzien of wanneer zulks door de douaneautoriteiten is toegestaan;

c) hetzij door middel van een mondelinge aangifte of enige andere handeling waarmee de houder van de goederen de wens te kennen geeft deze onder een douaneregeling te plaatsen (…)

6.3

Wanneer het de aangifte van door reizigers in hun bagage meegenomen goederen betreft, is met name onderdeel c van artikel 61 CDW van belang. Aan deze bepaling is uitwerking gegeven in de artikelen 225 en verder van de UCDW. In die bepalingen is niet bepaald - het lijkt mij ook wel evident wat daaronder moet worden verstaan - wat moet worden verstaan onder het doen van ‘mondelinge aangifte’. De ‘andere handeling’ door middel waarvan op grond van artikel 61, onderdeel c, van het CDW aangifte kan worden gedaan, is daarentegen wel nader omschreven.

6.4

Voor zover voor de onderhavige zaken van belang bestaat de vorenbedoelde ‘andere handeling’ op luchthavens als Schiphol - waar bij de uitgang van de aankomsthal door de reiziger een keuze moet worden gemaakt voor het ‘rode kanaal’ (goods to declare/goederen aan te geven) en het ‘groene kanaal’ (nothing to declare/niets aan te geven) - uit:

“- het gebruik van het groene kanaal ‘niets aan te geven’, bij de douanekantoren waar een dubbel controlekanaal aanwezig is”.30

6.5

De vraag is dan onder welke omstandigheden mondeling aangifte kan worden gedaan en in welke situaties dat door middel van een ‘andere handeling’ (lees: gebruikmaking van het groene kanaal) mag.

6.6

Een mondelinge aangifte voor het vrije verkeer kan, zo schrijft artikel 225, aanhef en onderdeel a, van de UCDW voor, worden gedaan voor onder meer:

“a) goederen waaraan elk handelskarakter vreemd is:

- hetzij vervat in de persoonlijke bagage van reizigers,

- (…)”

6.7

Voor geoorloofd aangifte doen door middel van gebruik van het groene kanaal gelden extra voorwaarden en is (dus) niet voldoende dat het betreft goederen waaraan elk handelskarakter vreemd is die door een reiziger in zijn bagage worden meegenomen. Uit artikel 230, aanhef en onder a, van de UCDW blijkt dat aangifte door middel van ‘enige andere handeling’ (lees: gebruikmaking van het groene kanaal) - voor zover in casu relevant - kan plaatsvinden voor (cursivering MvH):

“goederen waaraan ieder handelskarakter vreemd is, die in de persoonlijke bagage van reizigers zijn vervat en voor vrijstelling in aanmerking komen, hetzij ingevolge hoofdstuk I, titel XI, van Verordening (EEG) nr. 918/83 van de Raad, hetzij als terugkerende goederen

6.8

Uit de vorengeciteerde bepaling volgt dat niet in alle gevallen waarin een meegebracht goed voor een vrijstelling in aanmerking komt, gebruik mag worden gemaakt van het groene kanaal, maar alleen als het gaat om de vrijstelling voor terugkerende goederen - hetgeen in casu niet aan de orde is - en als het gaat om een vrijstelling op basis van ‘hoofdstuk I, titel XI van verordening (EEG) nr. 918/83’ (hierna kortweg: verordening 918/83).

6.9

De verwijzing in artikel 230, aanhef en onder a, van de UCDW naar verordening 918/83 lijkt achterhaald, in die zin dat verordening 918/83 inmiddels is ingetrokken en vervangen door Verordening (EG) nr. 1186/2009 van de Raad (hierna: verordening 1186/2009).31 Artikel 133, tweede alinea van laatstgenoemde verordening bepaalt evenwel expliciet dat verwijzingen naar de ingetrokken verordening 918/83 gelden als verwijzingen naar verordening 1186/2009, gelezen volgens de in bijlage VI bij deze verordening opgenomen concordantietabel. De verwijzing is dus niet ‘outdated’, maar moet gelezen worden als verwijzing naar de overeenkomstige bepalingen in verordening 1186/2009. Dat blijkt er in casu overigens maar één te zijn.

6.10

Hoofdstuk I, titel XI, van verordening 918/83 omvatte namelijk maar één artikel: 45. Deze bepaling is blijkens eerdergenoemde concordantietabel in verordening 1186/2009 opgenomen in artikel 41, die - voor zover hier van belang - luidt:

“Goederen die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van reizigers komende uit een derde land, worden van rechten bij invoer vrijgesteld, op voorwaarde dat deze invoer is vrijgesteld van btw krachtens bepalingen van nationaal recht die zijn vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van Richtlijn 2007/74/EG van de Raad van 20 december 2007 betreffende de vrijstelling van belasting over de toegevoegde waarde en accijnzen op goederen die worden ingevoerd door reizigers komende uit derde landen.

(…)”

6.11

Voor de vrijstelling van rechten bij invoer - en daarmee voor toegestane gebruikmaking van het groene kanaal - moet derhalve een sprong worden gemaakt naar de (unierechtelijke) regeling inzake invoervrijstellingen in de btw, zoals deze (richtlijnconform) in nationale regelgeving is verwerkt.

6.12

In Nederland is richtlijn 2007/74/EG32 geïmplementeerd in de artikelen 21a en 21b van de Wet OB. Artikel 21a geeft begripsomschrijvingen, artikel 21b regelt de vrijstelling zelf. Voor zover van belang luidt laatstgenoemde bepaling als volgt (cursivering MvH):

“1. Voor de invoer van goederen wordt vrijstelling verleend indien deze invoer geen handelskarakter heeft en deze goederen deel uitmaken van de persoonlijke bagage van reizigers komende uit derde-landen. De vrijstelling wordt verleend voor:

a. goederen, niet zijnde goederen bedoeld in de onderdelen b tot en met e, waarvan de totale waarde niet meer dan € 430 per reiziger bedraagt. Voor de toepassing van dit onderdeel wordt de waarde van een afzonderlijk goed niet gesplitst;

b. (…)”

6.13

Met voormelde bepalingen heeft Nederland mijns inziens richtlijn 2007/74/EG correct omgezet (zie voor een vergelijking met name de artikelen 6 en 7 van die richtlijn).

6.14

Alle hiervóór gemaakte hink-stap-sprongen door de regelgeving samenvattend, kom ik tot de slotsom dat reizigers, afkomstig uit derde landen (waaronder Turkije, dat immers geen deel uitmaakt van het grondgebied van de EU), aangifte mogen doen door gebruikmaking van het groene kanaal voor de invoer van goederen die zij in hun persoonlijke bagage bij zich hebben tot een totale waarde van maximaal € 430 en vooropgesteld dat die invoer geen handelskarakter heeft.33 In andere gevallen moet aangifte mondeling of schriftelijk geschieden (zie punten 6.2 en 6.6 van deze conclusie). In de praktijk gebeurt dat door bij de uitgang van de aankomsthal te kiezen voor het rode kanaal en aldaar de meegebrachte goederen (mondeling) bij de douane aan te geven (en te tonen). Ik verwijs in dit verband naar het arrest van 10 april 2009, nr. 07/10432, ECLI:NL:HR:2009:BC9538, BNB 2009/146 (hierna: HR BNB 2009/146). Het komt mij overigens voor dat een reiziger die aanstalten maakt het groene kanaal te kiezen34 en door de douaneambtenaar wordt gevraagd of hij ‘iets aan te geven heeft’ alsnog mondeling aangifte kan en moet doen – vooropgesteld dat hij goederen bij zich heeft waarvoor het doen van mondelinge aangifte mogelijk is (dat wil zeggen voor goederen waaraan ieder handelskarakter vreemd is).

6.15

Indien aan de voorwaarden voor gebruikmaking van het groene kanaal is voldaan, geldt op grond van artikel 234, lid 1, van de UCDW:

“(…), worden de betrokken goederen geacht bij de douane te zijn aangebracht in de zin van artikel 63 van het Wetboek en wordt de aangifte geacht te zijn aanvaard en de vrijgave geacht te zijn verleend op het tijdstip waarop de in artikel 233 bedoelde handeling wordt verricht.”

6.16

Een reiziger die evenwel van het groene kanaal gebruik maakt met goederen waarvoor de aangifte niet door middel van ‘een andere handeling’ mag plaatsvinden - gedacht kan worden aan goederen met een waarde van meer dan € 430, goederen die voor handelsdoeleinden zijn meegebracht35, of goederen die onder een andere vrijstelling dan die van artikel 41 van verordening 1186/2009 jo. richtlijn 2007/74/EG kunnen worden ingevoerd - wordt geacht deze goederen op onregelmatige wijze te hebben binnengebracht. Artikel 234, lid 2 van de UCDW bepaalt dienaangaande:

“ Indien bij een controle blijkt dat de in artikel 233 bedoelde handeling [MvH: waaronder gebruikmaking van het groene kanaal] wordt verricht zonder dat de binnenkomende (…) goederen voldoen aan de voorwaarden van de artikelen 230 (…), worden deze goederen geacht op onregelmatige wijze te zijn binnengebracht (…).”

7 De sieraden van belanghebbenden en de aangifte

7.1

In cassatie moet ervan worden uitgegaan dat de sieraden die de belanghebbenden in hun bagage bij zich hadden, niet met commerciële doeleinden zijn ingevoerd. Het tegendeel is althans gesteld, noch gebleken. Voorts staat vast - er is in beroep, noch in hoger beroep of cassatie daartegen opgekomen - dat de waarde van de sieraden die elk van de belanghebbenden bij zich hadden, hoger was dan € 430. Ik verwijs naar punt 2.2 van deze conclusie.

7.2

Dat laatste aspect - de waarde van de ingevoerde sieraden – noopt, gelet op hetgeen ik in onderdeel 6 heb betoogd, tot de conclusie dat belanghebbenden mondeling (of schriftelijk, maar in ieder geval niet door gebruikmaking van het groene kanaal) aangifte hadden moeten doen van de door hen meegevoerde sieraden. Dat hebben zij, ook desgevraagd, niet gedaan. Ten onrechte dus. Gelet op artikel 20 van Besluit nr. 1/2006, aangehaald in punt 5.16 van deze conclusie, moet mijns inziens dan ook worden vastgesteld dat de sieraden niet zijn aangegeven als goederen die aan de voorwaarden voor het in het vrije verkeer brengen voldoen – en dat de douane (dus) ook niet de gelegenheid heeft gehad om aan die aangifte (al dan niet) te twijfelen (zie de slotzinsnede van genoemd artikel 20). Dat betekent weer dat de bepalingen inzake het vrije verkeer van goederen niet van toepassing zijn en dat douanerechten zijn verschuldigd, ondanks het bestaan van een douane-unie tussen de EU en Turkije. Naar het mij voorkomt volgt gevoeglijk uit artikel 3, lid 6, van Besluit nr. 1/95 - zoals daaraan uitvoering is gegeven in Besluit nr. 1/2006 - dat in gevallen waarin goederen niet (‘geloofwaardig’) worden aangegeven als goederen die voldoen aan de voorwaarden voor het vrije verkeer (d.w.z. herkomstig zijn uit Turkije, dan wel uit de EU) ervan moet worden uitgegaan dat de desbetreffende goederen niet voldoen aan die voorwaarden, zodat de bepalingen voor het vrije verkeer - waaronder artikel 4 van Besluit nr. 1/95 - geen toepassing vinden.

7.3

Aan het voorgaande doet niet af - hoe ‘sneu’ dat voor belanghebbenden ook moge zijn - dat de Inspecteur in de bezwaarfase te kennen heeft gegeven er niet aan te twijfelen dat de sieraden herkomstig zijn uit Turkije, zodat - zou (correct) aangifte zijn gedaan - de sieraden zonder heffing van douanerechten de EU zouden hebben kunnen binnenkomen.

7.4

Naar ik meen heeft het Hof op goede gronden en voldoende gemotiveerd geoordeeld dat ter zake van het binnenbrengen van de sieraden douanerechten verschuldigd zijn.

8 Het cassatiemiddel

8.1

In de toelichting op hun cassatiemiddel betogen belanghebbenden dat het Hof ten onrechte artikel 9 van het Besluit nr. 1/80 van de Associatieovereenkomst EEG-Turkije niet in zijn uitspraken heeft betrokken, terwijl uitdrukkelijk een beroep op dat artikel is gedaan. Belanghebbenden stellen zich op het standpunt dat deze bepaling alsmede artikel 4 van het Besluit nr. 1/95 in de weg staan aan heffing van douanerechten en omzetbelasting.

8.2

Naar ik aanneem bedoelen belanghebbenden een beroep te doen op artikel 9 van de Associatieovereenkomst (opgenomen in punt 5.6 van deze conclusie). Artikel 9 van het Besluit nr. 1/80 van de Associatieraad bevat geen discriminatieverbod en kan geen rol spelen in de onderhavige procedure. Het artikel luidt namelijk:36

“Turkse kinderen die legaal in een lidstaat van de Gemeenschap wonen bij hun ouders die aldaar legaal tewerkgesteld zijn of zijn geweest, hebben in die lidstaat toegang tot het algemeen onderwijs, opleiding in het kader van een leerlingenstelsel en beroepsopleiding op basis van dezelfde toelatingseisen ter zake van genoten onderwijs en opleiding als kinderen van onderdanen van die lidstaat. Zij kunnen in die lidstaat de door de nationale wetgeving op dit gebied geboden voordelen genieten.”

8.3

Ik ga er derhalve van uit dat de verwijzing naar Besluit nr. 1/80 een verschrijving is en gelezen moet worden als een verwijzing naar (artikel 9 van) de Associatieovereenkomst.

8.4

Voor een beroep op artikel 9 van de Associatieovereenkomst is in deze cassatieprocedure evenwel geen plaats meer, evenmin als de klacht dat (artikel 4 van) Besluit nr. 1/95 aan heffing van omzetbelasting in de weg staat, in cassatie nog aan de orde kan zijn.

8.5

Immers, naar volgt uit de uitspraak van het Hof en de weergave van het verhandelde ter zitting van het Hof, hebben belanghebbenden hun grieven inzake schending van het discriminatieverbod van artikel 9 van de Associatieovereenkomst en inzake de heffing van omzetbelasting uitdrukkelijk en ondubbelzinnig laten varen.

8.5.1

Het Hof heeft het geschil in beide zaken als volgt omschreven (cursivering MvH):

“3.1. Ter zitting heeft belanghebbende haar hoger beroep beperkt tot de heffing van douanerechten. De heffing van omzetbelasting bij invoer is niet meer in geschil.

3.2.

Uiteindelijk is slechts nog in geschil het antwoord op de vraag of het bestaan van een douane-unie tussen Turkije en de Europese Unie in casu aan heffing van douanerechten in de weg staat (…)”

8.5.2

Blijkens het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting van 23 mei 201337 voor het Hof heeft gemachtigde van belanghebbenden verklaard dat hij (cursivering MvH):

“De stelling inzake het schenden van het discriminatieverbod (…) bij nader inzien [laat] vallen.”

8.5.3

Daarnaast heeft de gemachtigde blijkens voormeld proces-verbaal ter zitting voor het Hof verklaard dat:

“(…) ten gevolge van voortschrijdend inzicht, de heffing van omzetbelasting niet meer in geding is, hij (…) zijn stellingen ten aanzien van de omzetbelasting [laat] vallen. Het geschil beperkt zich tot de vraag of de heffing van douanerechten, gelet op het Besluit nr. 1/2006 van het Comité douanesamenwerking EG-Turkije van 26 september 2006 op goede gronden heeft plaatsgevonden. (…)”

8.6

Het is vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dat een ingetrokken grief in beginsel38 niet wederom in hogere instantie mag worden opgevoerd. Uit dezelfde jurisprudentie kan ook worden afgeleid dat - teneinde misverstanden te voorkomen of een grief wel of niet is ingetrokken - een grief slechts dan als ingetrokken kan worden aangemerkt, indien de belanghebbende uitdrukkelijk en ondubbelzinnig heeft verklaard de grief in te willen trekken. Ik verwijs hier naar het arrest van 14 augustus 2009, nr. 08/00066, ECLI:NL:HR:2009:BJ5125, BNB 2010/19,39 waarin de Hoge Raad het volgende overweegt:

“3.4. In verband met de mogelijkheid van misverstand of onberadenheid, en in verband met de regel dat een ingetrokken grief in beginsel niet wederom in hogere instantie mag worden opgevoerd, kan een grief slechts dan als ter zitting ingetrokken worden aangemerkt indien de belanghebbende uitdrukkelijk en ondubbelzinnig verklaart die grief in te trekken (vgl. HR 17 maart 2006, nr. 40770, LJN AV5026, BNB 2006/250).”

8.7

Uit het voorgaande volgt dat - nu belanghebbenden uitdrukkelijk en ondubbelzinnig hebben verklaard hun grief inzake het discriminatieverbod te laten vallen en het geschil te beperken tot de douanerechten - in casu het gestelde discriminatieverbod en de juistheid van de heffing van omzetbelasting in cassatie niet meer aan de orde kunnen komen.

8.8

Het middel kan derhalve niet tot cassatie leiden.

9 Conclusie

De conclusie strekt ertoe dat de beroepen in cassatie van belanghebbenden ongegrond dienen te worden verklaard.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

Advocaat-Generaal

1 Zie de hoger beroepschriften. Ik vermoed dat belanghebbenden moeder en dochter (in ieder geval naaste familie van elkaar) zijn. De bij de controle aan het licht gekomen sieraden zijn namelijk door de broer respectievelijk de oom van belanghebbenden gekocht na het overlijden van de moeder respectievelijk de oma van belanghebbenden (zie bijvoorbeeld het verweerschrift van de Inspecteur in de procedure voor de Rechtbank).

2 Zie punt 8 uitspraak van de Rechtbank. Zie ook de hoger beroepschriften van belanghebbenden.

3 Zie blz. 2 van het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting van Hof Amsterdam van 23 mei 2013 en punt 6.5 van diens uitspraken van 4 juli 2013, nrs. 12/01128 en 12/01129.

4 Zie punt 6.5 van de nader te melden uitspraken van Hof Amsterdam.

5 MvH: Op de utb’s is als inspecteur de inspecteur van de Belastingdienst/Douane vermeld. De bezwaarschriften zijn behandeld door de inspecteur van de Belastingdienst/[P].

6 Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek, PB L 302, blz. 1.

7 In zaak 13/03812 ([X2]) heeft de Inspecteur een utb uitgereikt voor een bedrag van € 84,68 aan douanerechten en een bedrag van € 659,68 aan omzetbelasting. In zaak 13/03813 ([X1]) is een utb uitgereikt voor een bedrag van € 58,30 aan douanerechten en een bedrag van € 454,10 aan omzetbelasting.

8 PB L 35, blz. 1.

9 Het citaat is ontleend aan de uitspraak van de Rechtbank met kenmerk AWB 12/1276 (HR 13/03812). In zaak AWB 12/1266 overweegt de Rechtbank in gelijke bewoordingen, met dien verstande dat in punt 12 van die uitspraak wordt gesproken over ‘de armband’ en niet over ‘deze sieraden’.

10 Ter zitting bij het Hof hebben belanghebbenden hun hoger beroep beperkt tot de douanerechten, tot betaling waarvan zij waren uitgenodigd. Hun grieven tegen de (na)heffing van omzetbelasting hebben zij laten varen. Dat betekent dat de heffing van omzetbelasting ter zake van de invoer van de sieraden niet meer in geschil is. Verwezen zij naar de geschilomschrijving zoals deze blijkt uit de uitspraak van het Hof. In de punten 8.5 en verder van deze conclusie kom ik hierop nog terug.

11 MvH: Het citaat is ontleend uit de uitspraak van het Hof met kenmerk 12/01129 (HR 13/03812). Opgemerkt zij dat de zaak van het Hof met kenmerk 12/01128 (HR 13/03813) betrekking had op een gouden armband. Voor het overige zijn de uitspraken van het Hof gelijkluidend.

12 De datum van dit besluit is gerectificeerd (naar 26 juli 2006), zie PB L 267, blz. 48.

13 Artikel 9 van het Besluit nr. 1/80, waarop belanghebbenden zich beroepen bevat geen discriminatieverbod. Ik neem dan ook aan dat zij bedoeld hebben zich te beroepen op artikel 9 van de hierna nog te (be)noemen Associatieovereenkomst EEG-Turkije. Zie de punten 8.1 tot en met 8.3 van deze conclusie.

14 In de artikelen 1 en 2 van het CDW wordt de Unie ‘Gemeenschap’ genoemd.

15 Tot het douanegebied van de Unie behoren eveneens de territoriale zee, de maritieme binnenwateren en het luchtruim van de lidstaten en van de genoemde ‘bijzondere gebieden’ (artikel 3, lid 3, van het CDW).

16 Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije, 12 september 1963, Trb. 1963, nr. 184. Zie ook het PB 217 van 29 december 1964, blz. 3687. Deze overeenkomst is ook bekend onder de naam ‘Overeenkomst van Ankara’. Bij besluit 64/732/EEG van de Raad van 23 december 1963 is de Associatieovereenkomst goedgekeurd, PB 1964, 217, blz. 3685.

17 Artikel 2, lid 3, van de Associatieovereenkomst.

18 In de eerste versie van de Associatieovereenkomst was alleen de ‘Gemeenschap’ vermeld. Naar aanleiding van het Besluit van de Raad van 13 juni 2005 inzake de ondertekening van het Aanvullend Protocol waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije naar aanleiding van de uitbreiding van de Europese Unie, PB L 254, blz. 57, is ‘Gemeenschap’ gewijzigd in ‘Europese Gemeenschap’.

19 PB L 35, blz. 1. In de aanloop naar de totstandkoming van de douane-unie waren al eerder stappen genomen. Zo is op 23 november 1970 een Aanvullend Protocol getekend. Op 29 december 1972 zijn de methoden van administratieve samenwerking vastgesteld.

20 Uitgezonderd landbouwproducten als omschreven in artikel 11 van de Associatieovereenkomst, voor welke producten in Hoofdstuk II van Besluit nr. 1/95 bijzondere bepalingen zijn opgenomen. Zie artikel 2 van Besluit nr. 1/95.

21 Artikel 3, leden 1 tot en met 3 van Besluit nr. 1/95.

22 MvH: Ik verwijs in dit verband ook naar het arrest van het Hof van Justitie (hierna: HvJ) van 13 december 2007, Asda Stores, C-372/06, in punt 11 van welk arrest het HvJ overwoog: “Besluit nr. 1/95 voert een douane-unie in tussen de Gemeenschap en de Republiek Turkije, die in beginsel van toepassing is op andere producten dan landbouwproducten. Het voorziet in de afschaffing van de douanerechten en heffingen van gelijke werking alsook in de opheffing van kwantitatieve beperkingen en maatregelen van gelijke werking.”

23 Genoemd lid 1 ziet - kortgezegd - op producten van oorsprong uit de EU c.q. Turkije, lid 2 definieert wanneer goederen in het vrije verkeer zijn. Lid 4 betreft goederen die in de EU of Turkije zijn verkregen bij de vervaardiging waarvan producten uit derde landen zijn gebruikt die zich noch in de EU noch in Turkije in het vrije verkeer bevinden.

24 Besluit nr. 1/2006 van het Comité Douanesamenwerking EG-Turkije van 26 juli 2006 tot vaststelling van toepassingsbepalingen van Besluit nr. 1/95 van de Associatieraad EG-Turkije, PB L 265, blz. 18. Aanvankelijk had dit besluit als datum 26 september 2006. Een dag na de publicatie is de datum gerectificeerd en gewijzigd in 26 juli 2006. Zie PB L 267, blz. 48. Met de inwerkingtreding van dit besluit zijn de Besluiten nr. 1/1999, nr. 1/2000 en nr. 1/2001 van het Comité douanesamenwerking ingetrokken. Zie ook artikel 52 van het Besluit nr. 1/2006. In de aanhef van de considerans van Besluit nr. 1/2006 wordt verwezen naar het geciteerde artikel 3, lid 6, van Besluit nr. 1/95.

25 MvH: Op grond van artikel 17 van Besluit nr. 1/2006 kan ook een certificaat van oorsprong dienst doen als bewijs, terwijl onder omstandigheden ook een vereenvoudigde procedure kan worden toegepast (artikel 11 Besluit nr. 1/2006). Het bepaalde in deze artikelen speelt in de onderhavige zaken geen rol.

26 Het begrip ‘staat’ is in artikel 2, lid 3 van Besluit nr. 1/2006 gedefinieerd als ‘een lidstaat van de Gemeenschap of Turkije’.

27 Slotzin van artikel 10, lid 1, van Besluit nr. 1/2006.

28 Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek, PB L 253, blz. 1.

29 Zie artikel 4, leden 15 tot en met 17 CDW.

30 Artikel 233, lid 1, aanhef, en onderdeel a, eerste gedachtestreepje, van de UCDW.

31 Verordening (EG) nr. 1186/2009 van de Raad van 16 november 2009 betreffende de instelling van een communautaire regeling inzake douanevrijstellingen; PB L 324, blz. 23.

32 PB L 346, blz. 6.

33 Dat wil zeggen: invoer die a) een incidenteel karakter heeft b) uitsluitend betrekking heeft op goederen, bestemd voor persoonlijk gebruik van reizigers dan wel voor gebruik door hun gezinsleden of bestemd om ten geschenke te worden gegeven. Uit de aard of hoeveelheid van de goederen moet blijken dat aan die invoer geen commerciële overwegingen ten grondslag liggen. Zie artikel 6 van richtlijn 2007/74/EG, respectievelijk artikel 21a, aanhef en onder b, van de Wet OB.

34 Zie het arrest HR BNB 2009/146, punt 3.3.2. Daar overweegt de Hoge Raad dat van (onregelmatige) invoer (in de zin van artikel 1, aanhef en onderdeel d jo. artikel 18 van de Wet OB) sprake is “(…) op het tijdstip waarop het groene kanaal wordt betreden, dat wil zeggen op het tijdstip waarop de reiziger het bord met de aanduiding "Niets aan te geven" dan wel de kenbare, ter plaatse daartoe aangebrachte scheidslijn (groene streep of iets dergelijks) passeert.”.

35 In welk geval ook mondelinge aangifte in beginsel niet mogelijk is (tenzij voldaan is aan de voorwaarden van artikel 225, lid 1, onder b, van de UCDW).

36 Op 19 september 1980 heeft de Associatieraad dit besluit vastgesteld. Dit besluit is niet in het publicatieblad van de Unie. De inhoud van de door belanghebbende vermelde bepaling uit besluit nr. 1/80 heb ik afgeleid uit de conclusie van A-G Geelhoed van 2 december 2004 voor het arrest van het Hof van Justitie van 7 juli 2005, Gürol, C-374/03.

37 Partijen hebben ingestemd met een gezamenlijke mondelingen behandeling van de zaken. Zie de pleitnota van het Hof.

38 Zie in dit verband HR 14 augustus 2009, nr. 08/00066, ECLI:NL:HR:2009:BN5125, BNB 2010/19, NTFR 2009, 1793 m.nt. Van Arnhem en V-N 2009/38.15 en HR 10 december 2010, nr. 09/05017, ECLI:NL:HR:2009:BO6786, BNB 2011/72, FED 2011/35 m.nt. Smit, NTFR 2010, 2877 m.nt. Jansen en V-N 2010/64.8. In zijn arrest van 4 oktober 2013, nr. 11/03207, ECLI:NL:HR:2013:781, BNB 2013/241 m.nt. Van Slooten en V-N 2013/53.17 oordeelde de Hoge Raad dat: wanneer echter de wederpartij de rechter uitdrukkelijk en ondubbelzinnig te kennen geeft ermee in te stemmen dat een eerder ingetrokken grief wordt toegelaten, een rechtbank of een gerechtshof die grief alsnog kan behandelen, indien een goede procesorde zich daartegen naar het oordeel van de rechter niet verzet.

39 Zie ook NTFR 2009, 1793 m.nt. Van Arnhem en V-N 2009/38.15.