Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:349

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
25-04-2014
Datum publicatie
06-06-2014
Zaaknummer
14/00694
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:1352, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 80a RO. Kort geding tussen ziekenhuis en specialist. Onmiddellijke voorziening bij voorraad. Motiveringsplicht. Art. 254 Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

14/00694

Mr. F.F. Langemeijer

25 april 2014 (80a RO)

Conclusie inzake:

[eiseres]

tegen

Stichting Bronovo-Nebo

1. Tussen eiseres tot cassatie, vrijgevestigd medisch specialist, en verweerster in cassatie, de Stichting die een ziekenhuis exploiteert, is een geschil gerezen. Op vordering van eiseres heeft de voorzieningenrechter te ’s-Gravenhage bij vonnis van 16 oktober 2009 (samengevat) de Stichting bevolen eiseres toe te laten om haar praktijk uit te oefenen op woensdagen en donderdagen in de polikliniek van het ziekenhuis, locatie Den Haag, totdat een definitieve oplossing zal zijn bereikt m.b.t. de roulatie van de aan dit ziekenhuis verbonden oogartsen over de locaties Den Haag en Wassenaar. Aan het bevel is een dwangsomsanctie verbonden. Tevens heeft de voorzieningenrechter de Stichting veroordeeld tot betaling aan eiseres van het overeengekomen maandbedrag, te voldoen zolang de overeenkomst tussen partijen voortduurt.

2. Op het hoger beroep van de Stichting heeft het gerechtshof Den Haag bij arrest van 3 december 2013 het vonnis van 16 oktober 2009 vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de Stichting veroordeeld tot betaling van het overeengekomen bedrag per maand, bij wijze van bevoorschotting, te voldoen zolang de toelatingsovereenkomst voortduurt. Het hof heeft het gevorderde bevel alsnog afgewezen.

3. Eiseres heeft − tijdig − beroep in cassatie ingesteld. Haar klachten zijn gericht tegen de afwijzing van het gevorderde bevel tot toelating (rov. 4 - 8). Het cassatiemiddel neemt, terecht, tot uitgangspunt dat elke rechterlijke beslissing, ook in kort geding, ten minste zodanig moet worden gemotiveerd dat zij voldoende inzicht geeft in de aan haar ten grondslag liggende gedachtegang om de beslissing zowel voor partijen als voor derden − in geval van openstaan van hogere voorzieningen: de hogere rechter daaronder begrepen − controleerbaar en aanvaardbaar te maken. Deze regel noopt de rechter echter niet op ieder aangevoerd argument gedetailleerd in te gaan; wel kan een beslissing onbegrijpelijk worden indien de rechter essentiële stellingen of essentiële verweren onbesproken laat1.

4. Onderdeel 1.1 klaagt dat het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd in appel treedt door de feiten zoals opgesomd door de voorzieningenrechter onder 1.1 - 1.16, niet op te nemen in het bestreden arrest en door niet van die feiten uit te gaan. Deze klacht mist feitelijke grondslag: blijkens rov. 2 is het hof van die feiten uitgegaan. Hetgeen het hof onder 2.1 - 2.9 daarop doet volgen is slechts een samenvatting van die feiten.

5. Onderdeel 1.2 klaagt dat de feitelijke oordelen in rov. 5 onbegrijpelijk zijn, omdat het hof nalaat in zijn oordeel te betrekken:

a. de vaststelling van de voorzieningenrechter dat eiseres in beginsel er aanspraak op had dat de werkzaamheden in de locatie Wassenaar gelijkelijk tussen de oogartsen worden verdeeld, naar rato van hun aanstelling;

b. de (volgens eiseres niet toereikend door de Stichting bestreden) vaststelling van de voorzieningenrechter, onder 3.4, dat eiseres schriftelijk heeft ingestemd met het beleidsplan van prof. Luyten. Ter toelichting heeft eiseres erop gewezen dat zij zich nog niet had kunnen verenigen met de verdere uitwerking van het plan, omdat deze nog niet gereed was. Om dezelfde reden kon zij zich niet akkoord verklaren met het vakgroepreglement. Ten slotte wordt aangevoerd dat zij bij het hof naar voren had gebracht dat zij van de Stichting nooit enig verwijt heeft gekregen over haar gedrag of adequaat acteren als oogarts.

6. Het hof heeft zich niet uitgesproken over de juistheid of onjuistheid van de onder a genoemde vaststelling. Dat was ook niet nodig: het hof behoefde slechts te beslissen of, gelet op de belangen van partijen, een onmiddellijke voorziening bij voorraad is vereist (art. 254 Rv). In rov. 6 heeft het hof de weigering van de gevorderde voorlopige voorziening naar behoren omkleed met redenen die deze beslissing kunnen dragen. Ook de feitelijke oordelen in rov. 5 zijn niet onbegrijpelijk. De klacht onder b bestrijdt niet de vaststelling dat het overleg over het voorstel van prof. Luyten (te weten: een hervatting door eiseres van haar werkzaamheden door in aanvang één dag in Den Haag en één dag in Wassenaar te werken) niet tot overeenstemming heeft geleid. Het hof wijst ter verklaring van zijn beslissing op de precaire verhoudingen binnen de vakgroep en op het belang dat het werk van prof. Luyten (het “orde op zaken stellen” in de vakgroep) eerst wordt afgerond. In dit verband was het hof van oordeel dat van eiseres mocht worden verwacht dat zij, bij het weer opstarten van haar werkzaamheden, vooralsnog zich zou schikken naar de regie van prof. Luyten als vakgroepvoorzitter. De motiveringsklachten onder 1.2 falen.

7. De drie motiveringsklachten van onderdeel 2 falen om dezelfde redenen als in de vorige alinea vermeld. Het hof heeft niet overwogen dat de gevorderde voorziening uitsluitend kan worden toegewezen bij een patstelling. In de redenering van het hof was het te vroeg voor een voorlopige voorziening als gevorderd (“prematuur”). Dát oordeel is gemotiveerd met het argument dat er nog geen patstelling was en daarnaast met het argument dat toewijzing een te forse inbreuk zou zijn op het werk van prof. Luyten en de precaire verhoudingen binnen de vakgroep. Aan het argument van de toezegging van Bronovo over afronding van de reorganisatie vóór 1 juli 2009 heeft het hof in rov. 5 aandacht besteed.

8. Onderdeel 3 klaagt dat rov. 7 blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting over de mogelijkheid om nieuwe feiten in het geding te betrekken. Hieromtrent is het uitgangspunt dat partijen in hoger beroep nieuwe feiten mogen aanvoeren, zij het dat de eisen van een goede procesorde in beginsel meebrengen dat zij daarvoor maar éénmaal gelegenheid krijgen. De appellant moet de nieuwe feiten waarop hij zich in appel wil beroepen aanvoeren bij memorie van grieven2. In dit geval faalt de klacht omdat het hof rekening heeft gehouden met nieuwe feiten die de Stichting in haar memorie van grieven had aangevoerd3. Voor het overige is het oordeel niet onbegrijpelijk. Het hof beoordeelde niet of er oorzakelijk verband is tussen de in eerste aanleg getroffen maatregel en de geconstateerde verslechtering van de verhouding tussen partijen. Het hof beoordeelde, overeenkomstig de wet, opnieuw de noodzaak van een voorlopige voorziening en heeft die noodzaak niet aanwezig geacht.

9. De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep met toepassing van art. 80a RO.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

a. - g.

1 Onder meer: HR 4 juni 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0986, NJ 1993/659; HR 29 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2376, NJ 2001/495. Vgl. EHRM 27 september 2001 (Hirvisaari/Finland, appl.no. 49684/99), EHRC 2001/77 m.nt. A.W. Heringa, rov. 30.

2 Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein en Wesseling-van Gent, 4, 2012, nrs. 162-163.

3 In rov. 7 doelt het hof kennelijk op hetgeen bij memorie van grieven d.d. 3 augustus 2010 (nrs. 27 - 53) is aangevoerd over verslechterde verhoudingen, resulterend in de opzegging op 29 juni 2010.