Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:348

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
18-04-2014
Datum publicatie
27-06-2014
Zaaknummer
13/03764
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:1558, Contrair
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Verzekeringsrecht. Aansprakelijkheidsverzekering voor bedrijfsactiviteiten. Zijn ook dochtermaatschappijen verzekeringnemer? Wijziging van activiteiten. Is dekkingsweigering naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar? Premierestitutie (art. 7:938 BW).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

13/03764

mr. J. Spier

Zitting 18 april 2014 (bij vervroeging)

Conclusie inzake

[eiseres 1]

[eiseres 2]

(hierna afzonderlijk: [eiseres 1] respectievelijk [eiseres 2] en tezamen [eiseres])

tegen

Aegon Schadeverzekering N.V.

(hierna: Aegon)

1 Feiten

1.1

In cassatie kan worden uitgegaan van de navolgende klaarblijkelijk door het Hof Den Haag in zijn arrest van 9 april 2013 vastgestelde feiten. Hetgeen door het Hof in rov. 1 onder b als feit wordt vermeld, wordt in cassatie bestreden.

1.2

[eiseres 1] is bestuurder en enig aandeelhouder van de besloten vennootschap [A] B.V. (hierna: [A]). [A] is bestuurder en enig aandeelhouder van [eiseres 2]. [betrokkene] is bestuurder van [eiseres 1].

1.3

[A] is eigenaar van loodsen te [vestigingsplaats] (hierna: de loodsen). [eiseres 2] heeft in opdracht van [A] - in ieder geval - twee loodsen aan derden verhuurd.

1.4

De met Aegon gesloten aansprakelijkheidsverzekering is met ingang van 1 januari 2006 aangepast. In de gewijzigde polis werd als verzekeringnemer “[eiseres 1]” vermeld en als verzekerd risico de aansprakelijkheid van de verzekeringnemer in de hoedanigheid van “eigenaar/exploitant van een uitzendbureau, tevens verhuur van onroerend goed”.

1.5

Op 17 november 2007 is in twee loodsen van [A] brand uitgebroken. In die loodsen bevinden zich zaken van huurders van deze loodsen. Deze huurders hebben [eiseres 2] aansprakelijk gesteld voor de schade die zij als gevolg van de brand hadden geleden.

1.6

Aegon heeft geweigerd dekking onder de polis te verlenen.

2 Procesverloop

2.1

Op 27 oktober 2009 heeft [eiseres] Aegon gedagvaard voor de Rechtbank Den Haag. Zij heeft een verklaring voor recht gevorderd dat [eiseres 2] aanspraak kan maken op dekking onder de hiervoor onder 1.4 genoemde polis en veroordeling tot vergoeding van de “schade van derden, die [eiseres 2] hebben aangesproken”, een en ander met nevenvorderingen. Kort samengevat heeft [eiseres] aan haar vordering ten grondslag gelegd dat de hiervoor onder 1.5 genoemde brand in de loodsen door de verzekering is gedekt. In de weergave van de Rechtbank baseert [eiseres] deze vordering op “een redelijke uitleg”, de contra proferentem-regel en de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid.1

2.2

In haar onder 2.1 genoemde vonnis heeft de Rechtbank de vordering afgewezen. Weliswaar neemt de Rechtbank aan dat de bedoeling van [eiseres 1] was dat [eiseres 2] onder de dekking zou vallen, maar onvoldoende is onderbouwd dat dit voor Aegon kenbaar was of had moeten zijn. Aegon heeft onweersproken gesteld dat de premie zou zijn verhoogd als [eiseres 2] zou zijn meeverzekerd in de hoedanigheid van opslagbedrijf voor particulieren nu die hoedanigheid meer risico meebrengt (rov. 4.4).

2.3

[eiseres] heeft beroep ingesteld.

2.4

In zijn arrest van 9 april 2013 heeft het Hof het bestreden vonnis bekrachtigd. Daartoe heeft het Hof overwogen:

“5. Gelet op deze stellingen, lag het op de weg van [eiseres] om feiten en omstandigheden te stellen die, mits bewezen, kunnen leiden tot de conclusie dat zij redelijkerwijs heeft mogen aannemen dat Aegon bekend was of kon zijn met de bedoeling van [eiseres] om per 1 januari 2006 onder dezelfde polis naast activiteiten van [eiseres 1] ook de onderhavige activiteiten van haar dochtermaatschappen [A] en [eiseres] als “[eiseres] Groep” te doen verzekeren.

6. Anders dan [eiseres] stelt, acht het hof daarbij niet beslissend of de daadwerkelijk verrichte activiteiten moeten worden geduid als het voeren van een opslagbedrijf, waarbij goederen voor derden worden opgeslagen en beheerd, dan wel als verhuur van (opslag)ruimte aan derden. De aard van het risico waarvoor Aegon op grond van de polis dekking bood bepaalt of schade in een concreet geval door de verzekering wordt gedekt.

7. De omstandigheid dat aan het verzoek van [eiseres] de verzekerde hoedanigheid per 1 januari 2006 te wijzigen, het beëindigen van de exploitatie van koelhuizen en het voeren van een groothandel in poot- en consumptieaardappelen ten grondslag lag, duidt op zichzelf geenszins op een aan Aegon kenbare bedoeling van [eiseres 1] om evenals voorheen ook de activiteiten van haar dochtermaatschappijen te verzekeren, maar nu op basis van verhuur van opslagruimte door of namens deze dochtermaatschappijen. [eiseres] heeft ook overigens geen feiten of omstandigheden gesteld die kunnen leiden tot de conclusie dat een dergelijke bedoeling van [eiseres 1] voor Aegon voldoende kenbaar was. Het hof passeert het betoog van [eiseres] dat Aegon ervan had dienen uit te gaan dat de werkzaamheden van [eiseres 1] feitelijk werden verricht door haar dochtervennootschappen, omdat het een feit van algemene bekendheid zou zijn dat een holding dochtervennootschappen onder zich heeft en een holding geen andere werkzaamheden dan beheersactiviteiten verricht. Het gaat niet om de vraag of een holding al dan niet activiteiten pleegt te verrichten, maar op de informatie die [eiseres] - door middel van een zelfstandig tussenpersoon - aan Aegon heeft verstrekt. Gesteld noch gebleken is dat Aegon daarop niet heeft mogen afgaan. Het hof laat dan nog daar dat niet gebleken is dat Aegon wist of kon weten dat niet [eiseres 1] de loodsen verhuurde, maar [eiseres 2] in opdracht van [A].

8. Evenmin is gebleken dat Aegon zich zodanig heeft gedragen dat [eiseres] daaruit heeft mogen begrijpen dat volgens Aegon ook [eiseres 2] en [A] als verzekeringnemer hadden te gelden. De omstandigheid dat Aegon de premie heeft berekend op basis van de jaarlijks verstrekte omzetcijfers van alle vennootschappen, waaronder [eiseres 2] als feitelijk verhuurder, is onvoldoende, nu niet is komen vast te staan dat [eiseres] deze omzetcijfers per (dochter)maatschappij aan Aegon heeft verstrekt. Gelet op het verweer van Aegon op dit punt, is evenmin komen vast te staan dat het Aegon duidelijk was of kon zijn dat de door [eiseres] opgegeven loonsom - door

middel van naverrekeningsformulieren - geen betrekking had op [eiseres 1] maar op de activiteiten van [eiseres 2] en [A]. Dit blijkt in ieder geval niet uit het door Aegon overgelegde formulier en dit volgt evenmin uit de stelling van [eiseres] dat de premie steeds werd berekend aan de hand van de loonsom van de “[eiseres] Groep”. Hetgeen Aegon na het intreden van het risico wist of kon weten, is, anders dan [eiseres] betoogt, niet beslissend.

9. [eiseres] beroept zich er voorts op dat Aegon zich niet tegen het verlenen van dekking van aansprakelijkheid van de dochtermaatschappijen van [eiseres 1] op de overeengekomen voorwaarden zou hebben verzet. Het hof passeert deze stelling. Anders dan [eiseres] stelt, volgt uit het feit dat Aegon op verzoek van (de tussenpersoon van) [eiseres] in 2009 [eiseres 2] en [A] zonder premieverhoging als verzekeringnemer op de polis heeft bijgeschreven niet zonder meer dat Aegon daarmee ook per 1 januari 2006 de activiteiten van [eiseres 2] en [A] als verhuurder respectievelijk eigenaar van opslagruimte aan particulieren en van opslag van boten zou hebben verzekerd. Nu Aegon heeft aangevoerd dat in 2009 niet de hoedanigheid van [eiseres 2] of [A] als verhuurder van opslagruimten aan derden is verzekerd en [eiseres] op dit punt alleen heeft gesteld dat op 18 februari 2009 de premie ongewijzigd is gebleven, heeft [eiseres] onvoldoende gesteld om te kunnen concluderen dat Aegon per 1 januari 2006 geen redenen zou hebben gehad zich tegen het verlenen van dekking op de met [eiseres 1] overeengekomen voorwaarden te verzetten. Dit betekent dat het hof niet tot het oordeel kan komen dat het vermelden van [eiseres 2] en [A] op de polis per 1 januari 2006 enkel een formaliteit zou zijn geweest. Het vorenstaande leidt het hof tot de conclusie dat er, zoals Aegon betoogt en [eiseres] betwist, geen sprake is van een verzekerd evenement.

10 Voor zover [eiseres] na het ontstaan van schade door de brand op 17 november 2007 heeft moeten vaststellen dat per 1 januari 2006 niet het risico was verzekerd dat zij had willen verzekeren kan het hof niet tot de conclusie komen dat dit is veroorzaakt door een omstandigheid die voor rekening of risico van Aegon komt. Anders dan [eiseres] stelt - zoals althans het hof de stelling van [eiseres] op dit punt begrijpt - heeft [eiseres] niet mogen verwachten dat Aegon aan de hand van de uittreksels uit het handelsregister zou hebben gecontroleerd of [eiseres 1] blijkens dit handelsregister al dan niet personeel in dienst had. Aegon mocht afgaan op de informatie die [eiseres] - door middel van een zelfstandig tussenpersoon - aan Aegon heeft verstrekt, nu niet gebleken is dat zich bepaalde onduidelijkheden voordeden waaromtrent Aegon als redelijk handelende verzekeraar nadere informatie had behoren in te winnen. Dit betekent dat het hof eveneens voorbijgaat aan de stelling van [eiseres] dat Aegon bij deze tussenpersoon navraag had moeten doen over de aard van het gebruik van de onderhavige opslagruimten.

11 Beslissend is evenmin of [eiseres] jarenlang premie heeft betaald wegens een risico dat - naar zij achteraf moet vaststellen - niet heeft bestaan doordat [eiseres 1] zelf geen activiteiten heeft verricht. Gesteld noch gebleken is immers dat dit aan Aegon is te wijten of voor haar rekening moet komen. Dit betekent dat aan de vraag of Aegon al dan niet daadwerkelijk risico heeft gelopen reeds hierom geen betekenis kan toekomen in het kader van het beroep van [eiseres] op artikel 6:248 lid 2 BW. Ook het hof kan derhalve niet tot het oordeel komen dat weigering van dekking door Aegon naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is en komt op dit punt niet tot een andere conclusie dan de rechtbank.”

2.5

[eiseres] heeft tijdig cassatieberoep ingesteld. Dat is door Aegon weersproken; zij heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld dat door [eiseres] is weersproken. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht, waarna nog is gere- en gedupliceerd.

3 Inleiding en mogelijke grond voor snelle afdoening

3.1.1

De onderhavige zaak vertoont een zekere gelijkenis met het arrest Wasserij de Blinde/Achmea.2 In die zaak had Wasserij de Blinde een aantal onroerende zaken verzekerd bij Achmea. De onroerende zaken werden later verkocht en geleverd aan een concernmaatschappij. Daarna zijn de panden door brand verwoest. De Wasserij had de verzekeraar niet, zoals zij op grond van de polisvoorwaarden wel had moeten doen, verwittigd van de eigendomsoverdracht. Achmea weigerde op deze laatste grond uitkering. Het Hof heeft – kort gezegd – een deel van de schade niet toewijsbaar geacht omdat het genoemde polisbeding niet in acht was genomen. Het achtte de weigering van Achmea ook niet in strijd met art. 6:248 lid 2 BW. Met betrekking tot de hiertegen gerichte klacht stelt Uw Raad voorop dat een beroep op een clausule als hier bedoeld

“niet reeds naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar [is] op de enkele grond dat de verzekeraar zijn standpunt dat hij de derde als nieuwe verzekerde zou hebben geweigerd, niet heeft gemotiveerd. Dit neemt niet weg dat art. 6:248 lid 2 BW een beroep op een dergelijke clausule kan beletten in verband met – door de verzekeringnemer of een derde te stellen en zo nodig te bewijzen – omstandigheden van het concrete geval. Bij de beoordeling kan meewegen dat de verzekeraar zijn voormelde standpunt niet heeft gemotiveerd.”3

3.1.2

Vervolgens overwoog Uw Raad:

“Het onderdeel doet een beroep op diverse in de feitelijke instanties door Wasserij de Blinde c.s. gestelde omstandigheden, die samengevat erop neerkomen dat de overgang van de gebouwen van dochtermaatschappij Wasserij De Blinde op moedermaatschappij Phrontos feitelijk geen enkele voor de onderhavige verzekeringsovereenkomst relevante wijziging heeft teweeggebracht, noch op het moment van die overgang, noch nadien. Meer in het bijzonder wijst het onderdeel op het concernverband tussen Wasserij De Blinde en Phrontos alsmede op het feit dat de premie steeds is doorbetaald en voert het aan dat van een hoger risico nimmer sprake is geweest. Het hof heeft in dit verband weliswaar overwogen dat ‘Achmea in het geheel geen argumenten heeft aangedragen op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd zou zijn dat zij haar toestemming om Phrontos als nieuwe verzekerde te accepteren zou hebben geweigerd als die toestemming tijdig door Phrontos zou zijn gevraagd’, maar het heeft de overige door Wasserij De Blinde c.s. ter onderbouwing van hun beroep op art. 6:248 lid 2 BW gestelde omstandigheden niet kenbaar in zijn beoordeling betrokken. Aldus heeft het zijn beslissing onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd. (...)”4

3.2.1

In hun s.t. onder 3.1.2 en 3.1.3 doen mrs. Bakels en Van Staden ten Brink beroep op het arrest Rentalease/Goudse5 zomede het arrest “Zweeftoestel” (Winterthur/Jansen).6

3.2.2

In het Rentalease-arrest is inderdaad, zoals zij schrijven, geoordeeld dat

“de essentie van de schadeverzekeringsovereenkomst is dat de verzekeraar het overeengekomen risico loopt. In de beoordeling van het door hem over te nemen risico voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst zal de verzekeraar doorgaans mede de persoon van de verzekerde betrekken. (...) Gelet op het belang van de persoon van de verzekerde voor de omvang van het door de verzekeraar overgenomen risico, zal deze in beginsel ervan moeten kunnen uitgaan dat verzekerd zijn de belangen van de bij het aangaan van de verzekering vermelde verzekerde. Het bepaalde bij art. 267 strekt ertoe dit te bewerkstelligen (zie ook art. 7.17.2.4 lid 1 van het wetsvoorstel tot vaststelling van Titel 7.17 BW (...)). Dit is anders indien verzekeraar en verzekeringnemer anders zijn overeengekomen.”7

3.3.1

Wanneer we de onder 3.2.2 geciteerde regel toepassen op de onderhavige zaak dan springt niet terstond in het oog waarom Aegon daarbij garen zou kunnen spinnen. Ze kende het risico, terwijl niet gesteld of gebleken is dat het er voor de omvang van dit risico toe deed of sprake was van [eiseres 1] of [eiseres 2].

3.3.2

Het verweer van Aegon loopt, met de onder 3.9 e.v. te bespreken niet onbelangrijke kanttekeningen, langs formele lijnen: de Holding is als verzekerde aangemeld en daarmee is de kous af.

3.3.3

De omstandigheid dat Aegon ná de brand voor dezelfde premie de andere concern-B.V.’s heeft meeverzekerd, doet a prima vista uitkomen dat het probleem niet was gelegen in het risico, noch ook in de verzekerden/verzekeringnemers. Als argeloze leek zou men kunnen denken dat een verzekeraar die inmiddels (als gevolg van de brand) van de hoed en de rand weet en die toch tegen dezelfde premie en met dezelfde dekkingsomschrijving aansprakelijkheid blijft dekken, daadwerkelijk dekking wil verlenen voor het risico waarvan hij inmiddels op de hoogte is en dat, naar hij moet hebben begrepen, de verzekeringnemers wilden dekken.

3.4

De vraag wat de gedekte belangen zijn in de zin van art. 7:946 BW vergt een uitleg van hetgeen partijen zijn overeengekomen.8 Het is dus geen wet van Meden en Perzen dat degene die in de polis als verzekerde staat vermeld de enige verzekerde is.

3.5

In het arrest Winterthur/Jansen heeft Uw Raad geoordeeld dat de verzekeraar met de dekkingsomschrijving de grenzen aangeeft waarbinnen hij bereid is dekking te verlenen.9 Maar ook die belangrijke regel betekent niet dat men zich steeds en zonder meer moet blindstaren op de vermelding in de polis; zie onder 3.4. Deze regel betekent, integendeel, dat een verzekeraar geen dekking kan worden opgedrongen die hij niet heeft gewild. Maar daarmee is nog niet de vraag beantwoord wat een verzekeraar in een concreet geval heeft gewild.

3.6

Ter vermijding van misverstand: ik zeg niet en bedoel evenmin dat hetgeen in de polis bestaat onbelangrijk is. Een verzekerde die betoogt dat hetgeen in de polis staat niet klopt omdat een ruimere dekking is overeengekomen, heeft wat uit te leggen. Dat heeft [eiseres] in deze procedure ook geprobeerd. De vraag of hetgeen zij te berde heeft gebracht en of de wijze waarop het Hof die stellingen heeft beoordeeld de toets der kritiek kunnen doorstaan, bespreek ik onder 4.

3.7

Maar ook wanneer de primaire stelling van [eiseres] geen hout snijdt, des dat [eiseres 2] niet als mede-verzekerde kan worden aangemerkt, is daarmee nog niet zonder meer gezegd dat het afweren van haar betalingsaanspraak de toets van de juridische kritiek kan doorstaan. Dat blijkt genoegzaam uit het arrest Wasserij de Blinde, al ging het daar om een feitelijk (en juridisch) enigszins andere situatie.

3.8

In rov. 8 heeft het Hof aangenomen dat niet is komen vast te staan dat [eiseres] de omzetcijfers “per (dochter)maatschappij aan Aegon heeft verstrekt.” Dat wordt in cassatie niet bestreden. Het is m.i. geen factor die van doorslaggevend belang is.

3.9.1

Rov. 9 is niet geheel duidelijk. Hetgeen daar wordt overwogen, kan zo worden gelezen dat onvoldoende aannemelijk is dat Aegon in 2006 het risico van “verhuurder van opslagruimte aan particulieren” en “de opslag van boten” (voor dezelfde premie) zou hebben willen verzekeren, terwijl de litigieuze schade(gebeurtenis) slechts zou zijn gedekt wanneer die hoedanigheid wél zou zijn verzekerd. Anders gezegd: zou [eiseres] Aegon juist hebben ingelicht, dan zou zij de onderhavige dekking niet voor dezelfde premie hebben verstrekt.

3.9.2

In haar notitie voor de comparitie in prima heeft [eiseres] opgemerkt dat er geen schade is geleden “in de hoedanigheid van opslagbedrijf”. Ook als dat juist zou zijn, is de onder 3.9.1 weergegeven stelling van Aegon nog niet gepareerd.

3.10

Op het eerste gezicht spreekt de zojuist genoemde stelling van Aegon, die het Hof in de onder 3.9.1 genoemde lezing overneemt, niet erg aan. Blijkens de overlegde polis van 2006 én 200910 is gedekt “verhuur van onroerend goed”. Enige beperking met betrekking tot de verhuur van opslagruimte kan ik er niet in lezen. Maar het betoog van Aegon was (dan ook) niet dat ze verhuur van opslagruimte (aan particulieren) niet wilde dekken, maar dat ze daarvoor een veel hogere premie zou hebben gevraagd.11

3.11.1

Wanneer rov. 9 wordt gelezen op de onder 3.9.1 genoemde wijze, is er veel voor te zeggen dat daarmee het doek valt over het principale beroep nu die lezing door [eiseres] niet wordt bestreden. In die lezing kan m.i., zo is goed verdedigbaar, ook moeilijk worden gezegd dat het niet uitkeren onaanvaardbaar is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid. Die gedachte sluit ook aan bij de onder 3.1.2 geciteerde passage uit het arrest Wasserij de Blinde. In de hier besproken lezing heeft Aegon immers uitgelegd waarom ze de dekking niet – in casu: voor dezelfde premie – zou hebben verstrekt.

3.11.2

Wellicht is nochtans denkbaar dat zelfs in een situatie als genoemd onder 3.11.1 een beroep op de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid onder omstandigheden kán slagen. Toegespitst op de onderhavige situatie zou dan de nadruk moeten worden gelegd op de omstandigheid dat de formulering van de dekkingsomschrijving ruim is en voor een kleine onderneming als [eiseres], gezien de omzetcijfers, kennelijk geen grond biedt om rekening te houden met mogelijke beperkingen en/of de noodzaak om nadere informatie aan Aegon te verstrekken. Daarbij zou tevens een rol kunnen spelen dat Aegon, als ik het goed zie, niet heeft gesteld dat ze navraag heeft gedaan naar de aard van de verhuur, terwijl ze, volgens eigen opgave, heel verschillende premies hanteerde voor de verschillende categorieën verhuur. Ook zou een rol kunnen spelen welke kennis de tussenpersoon had of behoorde te hebben en wat diens rol bij het aanpassen van de polis is geweest.

3.11.3

Met betrekking tot het navraag doen, heeft het Hof in rov. 10 geoordeeld dat Aegon daartoe niet gehouden was. Dat wordt in cassatie niet (op een wijze die aan de daaraan te stellen eisen voldoet) bestreden. Bij die stand van zaken zal de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid niet gemakkelijk meer met succes in stelling kunnen worden gebracht wanneer juist zou blijken te zijn dat Aegon voor activiteiten als de verhuur van opslagruimten aan particulieren en voor de opslag van boten wezenlijk hogere premies berekende.

3.11.4

Kort en goed: zelfs wanneer rov. 9 wordt gelezen als weergegeven onder 3.9.1 zou ik niet categorisch willen uitsluiten dat [eiseres] in casu met vrucht een beroep op art. 6:248 lid 2 BW zou kunnen doen. Maar gemakkelijk zal het niet zijn om tot een dergelijk oordeel te komen

3.12.1

Ik kies niet voor een lezing als bedoeld onder 3.9.1 omdat ik de uitkomst voor onbevredigend houd. Zo’n lezing is ook allerminst dwingend. In mijn lezing van rov. 9, die aansluit bij de bewoordingen van de voorlaatste volzin, zegt het Hof niet meer of anders dan dat het “bijschrijven” van [eiseres 2] (en [A]) geen formaliteit was. Het Hof laat zich niet uit over de juistheid van de stellingen van Aegon.12

3.12.2

M.i. zou van een professionele verzekeraar, zoals Aegon, kunnen worden gevergd dat ze navraag doet wanneer ze verschillende premiestellingen hanteert voor een bepaalde dekkingsvariant. Dat geldt m.i. zelfs en in zekere zin zelfs a fortiori voor kleine verzekeringen als de onderhavige.13 Om de onder 3.11.3 genoemde reden speelt die omstandigheid in deze zaak geen rol meer.

3.12.3

Zou Uw Raad rov. 9 lezen zoals hiervoor onder 3.9.1 vermeld en zou Uw Raad de onder 3.11.2 en 3.11.4 verwoorde gedachte te wild vinden, dan kan het beroep, zo nodig met toepassing van art. 81 RO, worden verworpen. Alle klachten stuiten dan immers af op het niet bestrijden van de onder 3.9.1 genoemde lezing.

3.13

Ik heb mij nog de vraag gesteld welk belang [eiseres 1] bij het cassatieberoep heeft. M.i. is ten minste zeer goed verdedigbaar dat zij daarin niet kan worden ontvangen.

4 Behandeling van de principale klachten

4.1

De kernklachten scharnieren om de twee pijlers waarop de vordering van [eiseres] steunde: uitleg en de (beperkende werking van) redelijkheid en billijkheid.

4.2.1

Ik acht het, met het Hof, een hele stap om te (moeten) construeren dat het Aegon duidelijk was of had moeten zijn dat [eiseres 1] bedoelde ook [eiseres 2] mee te verzekeren. Anders gezegd: dat het Aegon duidelijk was of had moeten zijn dat de uitdrukkelijke en anders luidende mededeling die (de tussenpersoon) van [eiseres] haar heeft gedaan, berustte op een vergissing of (waarschijnlijker) onnadenkendheid of wellicht niet gemakkelijk te begrijpen slordigheid. In dit verband zij gememoreerd dat, naar in cassatie niet wordt bestreden, Aegon op verzoek van [eiseres], waaronder het Hof blijkens het kopje van zijn arrest mede [eiseres 2] begrijpt, per 1 januari 2006 de aansprakelijkheid van [eiseres 1] heeft verzekerd (rov. 3), al valt niet uit te sluiten dat hier sprake is van een verschrijving van het Hof.

4.2.2

Hierbij valt nog te bedenken dat het gaat om een kleine verzekering met een premie van slechts ruim € 400 per jaar.14 Het ligt voor de hand dat dergelijke polissen bij verzekeraars door subalterne personen worden behandeld. Het lijkt mij heel onwaarschijnlijk dat zodanige personen zich bij de verwerking van verzoeken van verzekerden als de onderhavige bekommeren om, of zich verdiepen in achterliggende drijfveren of roerselen van de verzekeringnemer. Bij die stand van zaken is het moeilijk om rechtens aan te nemen dat de verzekeraar een bepaalde wetenschap of inzicht had of had moeten hebben. Dat kan wellicht als men zijn ogen voor de realiteit sluit (wat juristen niet zelden doen), maar het lijkt me, zeker in assurantibus, geen erg wenselijke koers.

4.3

Met name ook bij verzekeringsovereenkomsten is belangrijk dat duidelijkheid bestaat over de vraag wie verzekeraar en verzekerde zijn. Dat geldt niet alleen in hun onderlinge relatie maar ook ten opzichte van derden, zoals schuldeisers en financiers (gemeenlijk ook schuldeisers). Dat betekent nog niet dat nimmer van die hoofdregel kan worden afgeweken. De polis is belangrijk, maar niet steeds en zonder meer beslissend.15 Ook art. 6:248 lid 2 BW kan in voorkomende gevallen uitkomst bieden. Het artikel geldt algemeen en dus ook voor verzekeringsovereenkomsten, zoals de al genoemde zaak Wasserij de Blinde illustreert. Maar dan moet er, gezien de maatstaf van die bepaling, wel wat aan de hand zijn.

4.4

Het lijkt mij ook niet nodig om een tour de force als bedoeld onder 4.2.1 uit te halen. Het door [eiseres] gewenste resultaat kan m.i. worden bereikt via de weg van de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid. Daarom begin ik met de bespreking van de daarop toegespitste klachten.

4.5

In rov. 11 verwerpt het Hof het beroep op de derogerende werking van redelijkheid en billijkheid. Als ik het goed zie, dan wijdt het Hof geen woord aan de aanvullende werking van redelijkheid en billijkheid.

4.6

Onderdeel 2.3 komt op tegen rov. 9 en 11. Zoals hiervoor al vermeld, lijkt aangewezen om eerst de klacht tegen rov. 11, betrekking hebbend op de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid, te bespreken.

4.7

Onderdeel 2.3.3 acht, naar ik begrijp en met voorbijgaan aan eindeloze herhalingen, niet beslissend of het aan Aegon is te wijten dat [eiseres] jarenlang premie heeft betaald voor een risico dat, als het standpunt van Aegon juist zou zijn, niet zou hebben bestaan omdat [eiseres 1] geen (eigen) activiteiten verrichtte. [eiseres] wijst er in dit kader op dat:

a. a) de “[eiseres] Groep” al vanaf 2001 premie heeft betaald gebaseerd op de omzet/loonsom van alle vennootschappen, welke premie “past bij het verzekeren van alle vennootschappen en het daaraan verbonden risico”;

b) het uitdrukkelijk meeverzekeren van [A] en [eiseres 2] in 2009 geen wijziging van de premie meebracht, zodat de vermelding van beide vennootschappen een formaliteit was;

c) Aegon meent dat premierestitutie niet aan de orde is.

4.8

Voor zover dit onderdeel mede ziet op de aanvullende werking van redelijkheid en billijkheid (zoals de eerste volzin en andermaal de subonderdelen a, b en c doen vermoeden) mist het doel omdat het Hof daarover in rov. 11 niets zegt.

4.9

M.i. is het onderdeel gegrond. Onder de door het onderdeel geschetste omstandigheden, zoals weergegeven onder 4.7, lijkt mij zonder nadere toelichting inderdaad onaanvaardbaar dat Aegon zich aan betaling onttrekt; in elk geval behoeft dan gedegen nadere toelichting waarom dat niet onaanvaardbaar zou zijn, met de hiervoor onder 3.9 e.v. in het kader van rov. 9 al besproken kanttekeningen.

4.10

Daarbij valt nog te bedenken dat het in 2009 “bijschrijven” van onder meer [eiseres 2] voor onder andere “verhuur van onroerend goed” op de polis zonder premieverhoging plaatsvond na de onderhavige schade die Aegon niet kan zijn ontgaan.16 Daarom valt, met de onder 4.12 en 4.13 te maken kanttekening, aan te nemen dat Aegon van oordeel was dat het in 2009 uitdrukkelijk aanvaarde risico voor de onderhavige premie kon worden gedekt.

4.11

Er laten zich omstandigheden denken waaronder de posterieure dekking voor eenzelfde premie onvoldoende gewicht in de schaal legt. Ik noem slechts de omstandigheid dat de latere (gelijk blijvende) premie het gevolg is van marktomstandigheden (lees: harde concurrentie tussen verzekeraars)17 zodat er geen of weinig betekenis aan toekomt. Het had evenwel op de weg van Aegon gelegen om op dit punt iets concreets te stellen.18 Dat heeft zij niet gedaan; ook in haar s.t. kon daarover dus ook niets worden aangevoerd.

4.12

Onder 3.9 e.v. mocht ik er al op wijzen dat Aegon op het stuk van de premiestelling heeft aangevoerd, dat de premie voor “een opslagbedrijf” en “voor de opslag van boten” wezenlijk hoger ligt (cva onder 10). Het Hof heeft de juistheid van die stelling in mijn lezing van het arrest in het midden gelaten.

4.13.1

Hetgeen onder 4.12 is vermeld, brengt mee dat, als Uw Raad het bestreden arrest zou vernietigen, na verwijzing zal moeten worden onderzocht of deze stelling van Aegon juist is en zo ja of dat meebrengt dat het beroep door [eiseres] op de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid mislukt. Onder 3.11.2 - 3.11.4 heb ik daarop al een voorschot genomen.

4.13.2

Op de hiervoor onder 4.9 aangegeven grond meen ik dat ’s Hofs arrest niet in stand kan blijven. M.i. is het voor de uitkomst in een setting als de onderhavige niet van belang of (ook nog) een verzekeringsovereenkomst tussen Aegon en [eiseres 2] zou bestaan of kunnen worden geconstrueerd. Daarom mist [eiseres] m.i. belang bij bespreking van de overige klachten. Volledigheidshalve zal ik er toch kort op ingaan.

4.14

Onderdeel 2.1 voldoet m.i. niet aan de daaraan te stellen eisen. Het kant zich tegen “rov. 2 t/m 11” zonder aan te geven waar het Hof een oordeel zou hebben geveld als daarin bestreden. Daarmee is de klacht te vaag en te weinig nauwkeurig.

4.15

Voor zover Uw Raad zou menen dat dit onderdeel niet struikelt over art. 407 lid 2 Rv. het volgende. Het onderdeel komt erop neer dat het Hof ten onrechte ervan is uitgegaan dat – voor zover thans van belang – [eiseres 2] vóór 2006 wél en daarna niet meer als verzekerde “op de polis stond”.

4.16

[eiseres] ziet eraan voorbij dat:

a. het Hof in rov. 1 onder b heeft geoordeeld dat sinds 2001 tussen [eiseres 1], [A] en [eiseres 2] enerzijds en Aegon anderzijds een aansprakelijkheidsverzekering bestond. Dat oordeel wordt door [eiseres] niet bestreden;

b. de polis in 2006 is gewijzigd des dat als verzekeringnemer19 werd aangemerkt “[eiseres 1]” (rov. 1 sub d, volgens het Hof omdat “[eiseres]” enkele activiteiten had afgestoten).20

4.17.1

Het Hof heeft niets geoordeeld over de vraag wie vóór 2006 op de polis als verzekerde stonden vermeld, al zou rov. 1 onder d zo kunnen worden gelezen. Maar zelfs als dat zo zou zijn, kan het [eiseres] niet baten omdat rov. 1 niet wordt bestreden.

4.17.2

Volledigheidshalve stip ik nog aan dat [eiseres] in de inleidende dagvaarding zelf heeft betoogd dat vóór 2006 al een verzekeringsovereenkomst bestond tussen Aegon en een aantal van haar concernvennootschappen, zij het dan ook dat – voor zover thans van belang – [eiseres 2] “niet expliciet” als verzekerde werd aangemerkt (onder 6).

4.18

Onderdeel 2.2.1 strekt ten betoge dat het Hof ervan is uitgegaan dat [eiseres 2] vóór 2006 verzekerd was onder de polis en dat daarom niet valt in te zien waarom zij zou moeten uitleggen dat het verzekerd blijven haar bedoeling was. In dat verband wijst zij erop dat een eenmaal bestaande verzekering doorloopt.

4.19

Voor deze klacht valt wat te zeggen, maar er valt ook wel wat op af te dingen. Het sterkste argument te gunste van de klacht wordt m.i. niet genoemd. Te weten, de omstandigheid dat, volgens het Hof, de wijziging in 2006 verband hield met een beperking van de activiteiten. Daarvan uitgaande, is niet aanstonds duidelijk hoe Aegon heeft mogen denken dat het de bedoeling was om niet alleen een aantal activiteiten uit de dekking te halen, maar tevens een aantal verzekerden.

4.20

Ertegen pleit dat het hier gaat om een erg feitelijke kwestie die zich goeddeels onttrekt aan beoordeling in cassatie. Bovendien verwijst het onderdeel niet naar relevante passages in het partijdebat.

4.21

M.i. kan de vraag of de klacht slaagt, blijven rusten omdat, zoals hierna nog zal blijken, het fundament waarop ’s Hofs hier besproken oordeel rust in het incidentele beroep met vrucht wordt bestreden. Datzelfde geldt voor onderdeel 2.2. Volledigheidshalve zal ik het toch bespreken.

4.22

Onderdeel 2.2 gaat nog een stapje verder dan onderdeel 2.1. Het betoogt dat het Hof had “behoren te verklaren” waarom [eiseres 2] per 1 januari 2006 geen verzekerde/verzekeringnemer meer was.

4.23

De kernstelling lijkt me slechts juist voor zover het processuele debat daartoe aanleiding gaf. Daarbij zag het Hof zich gesteld voor de moeilijkheid dat partijen het, als ik het goed heb gezien, niet nodig hebben gevonden om polissen van vóór 2006 over te leggen.

4.24.1

Onderdeel 2.2.2.a veronderstelt dat de polis vanaf 2001 een gewijzigde “tenaamstelling” had. Die klacht kan ik niet beoordelen omdat niet wordt aangegeven waar iets zou zijn aangevoerd over die tenaamstelling “vanaf 2001”, noch ook waar het Hof daarover iets heeft vastgesteld. Anders gezegd: het onderdeel loopt vast in art. 407 lid 2 Rv.

4.24.2

Bovendien is het betoog in strijd met de meest voor de hand liggende lezing van de mvg onder 3.1.

4.25

Onderdeel 2.2.2.b noemt geen goede reden waarom het Hof had moeten uitleggen waarom [eiseres 2] na 2006 niet meer zou zijn verzekerd. Ik acht me ervan ontslagen om hier verder op in te gaan omdat het betoog in strijd is met de eigen stellingen van [eiseres] zoals deze redelijkerwijs moeten worden begrepen; zie onder 4.24.2.

4.26

Onderdeel 2.2.2.c laat ik rusten omdat stellingen als in het onderdeel genoemd niet zijn te vinden in de eerste genoemde vindplaats. Het Parket kan zijn tijd beter en vooral nuttiger besteden dan het nalopen van onjuiste verwijzingen (art. 21 Rv.).

4.27

Onderdeel 2.2.2.d noemt geen argument waarom het Hof uit had moeten leggen waarom [eiseres 2] niet meer onder de dekking viel vanaf 2006.

4.28

Ik begrijp onderdeel 2.2.2.e aldus dat het erover bedoelt te klagen dat het Hof in rov. 10 het betoog van [eiseres] heeft misverstaan. Zij heeft immers, anders dan het Hof meent, aangevoerd dat het wijzigingsverzoek in 2006 uitging van [eiseres 1] én de concernvennootschappen.

4.29

Ook over het slagen of stranden van deze klacht kan men verschillend denken, afhankelijk van de lezing van het betoog van [eiseres] en rov. 10.

4.30

In de meest plausibele lezing, die aansluit bij de bewoordingen, gaat het Hof in rov. 10 in op de vragen:

a) welke bedoeling [eiseres] in 2006 had;

b) of Aegon het handelsregister had moeten raadplegen en

c) of Aegon navraag had moeten doen over aard en gebruik van de onderhavige opslagruimten.

4.31

De kern van het onderdeel scharniert om de stelling dat de door [eiseres] verstrekte informatie niet meer behelsde dan “de wijziging van bedrijfsactiviteiten van de [eiseres] Groep”. In het kader van die stelling kunnen we hetgeen onder 4.30 onder b en c staat buiten beschouwing laten. De onder b en c genoemde kwesties hebben immers geen betrekking op de interpretatie van de door [eiseres] verstrekte gegevens.

4.32

In de inleidende dagvaarding heeft [eiseres] aangevoerd dat de polis in 2006 op verzoek van de [eiseres 1] en de dochtervennootschappen is gewijzigd (onder 6). Op de andere genoemde vindplaatsen kan ik niets nuttigs vinden.

4.33

Met enige goede wil kan een betoog als vermeld onder 4.32 worden geplaatst in het kader van de bedoeling van [eiseres], waarop het Hof in rov. 10 ingaat. Is ’s Hofs respons ook adequaat? Per saldo zegt het Hof niets over de bedoeling van [eiseres], maar wordt terstond overgegaan op de twee andere onder 4.30 genoemde themata. Toch komt het mij voor dat ’s Hofs oordeel de toets der kritiek kan doorstaan. De onder 4.32 weergegeven stelling biedt nauwelijks houvast zodat het Hof er redelijkerwijs niet inhoudelijk op in kon gaan. Daarom acht ik de klacht ongegrond.

4.34

Onderdeel 2.3 staat in het teken van de aanvullende werking van redelijkheid en billijkheid en de uitleg. Het draait om de volgende stellingen:

a. a) de “[eiseres] Groep” heeft al vanaf 2001 premie betaald, gebaseerd op de omzet/loonsom van alle vennootschappen, welke premie “past bij het verzekeren van alle vennootschappen en het daaraan verbonden risico”;

b) het uitdrukkelijk meeverzekeren van [A] en [eiseres 2] in 2009 bracht geen wijziging van de premie mee, zodat de vermelding van beide vennootschappen een formaliteit was;

c) als het standpunt van Aegon juist zou zijn, dan zou [eiseres] jarenlang premie hebben betaald voor een risico dat niet zou hebben bestaan;

d) Aegon meent dat premierestitutie niet aan de orde is.

4.35

Onderdeel 2.3.1 komt er, geparafraseerd en korter weergegeven, op neer dat ’s Hofs oordeel niet ter zake doet en daarmee niet redengevend is. Het geschil waarover het Hof had te oordelen, draaide immers niet om activiteiten als de opslag van boten.

4.36

Het onderdeel miskent ’s Hofs gedachtegang. Het Hof gaat er, blijkens de laatste volzin van rov. 9, klaarblijkelijk veronderstellenderwijs vanuit dat (onder meer) [eiseres 2] in 2006 onder de dekking viel. Maar daarmee was in ’s Hofs visie het pleit evenwel nog niet ten voordele van [eiseres] beslecht. Omdat het in casu – naar in cassatie niet wordt bestreden – ging om verhuur van opslagruimte voor boten en omdat Aegon heeft betoogd dat ze daarvoor een veel hogere premie placht te berekenen, kon volgens het Hof niet worden gezegd dat vermelding op de polis van [eiseres 2] een formaliteit was. Met die vermelding was [eiseres] er immers nog niet omdat daarmee nog niet is gezegd dat er dekking bestond voor de onderhavige activiteit. Het onderdeel behelst geen op deze gedachtegang van het Hof toegespitste klacht. Het volgende onderdeel doet dat wel.

4.37.1

Onderdeel 2.3.2 komt op tegen rov. 5 en 9. Het veronderstelt dat ’s Hofs oordeel zo moet worden gelezen dat de onderhavige activiteiten hoe dan ook niet onder de dekking vallen.

4.37.2

Zoals al aangegeven onder 3.9 – 3.12 kan ’s Hofs arrest op verschillende manieren worden gelezen. Onder 3.12.1 gaf ik aan dat ik de door het onderdeel voorgestane lezing niet voor de juiste houd. Daarvan uitgaande mist de klacht, die op de onder 4.37.1 genoemde lezing voortbouwt, feitelijke grondslag; in die zin ook de s.t. van mrs. Bakels en Van Staden ten Brink onder 3.3.9.

4.38

Voor zover Uw Raad rov. 9 zo zou lezen dat het Hof heeft geoordeeld dat – kort gezegd – de onderhavige schade hoe dan ook niet onder de dekking valt (omdat het gaat om verhuur van opslagruimte voor boten), nog het volgende.

4.39.1

Het onderdeel voert op zich met juistheid aan dat de verhuur van opslagruimte voor boten, in elk geval naar de letter, onder de dekkingsomschrijving van de polis valt. Veronderstellenderwijs aannemend dat [eiseres 2] in 2006 onder de polis viel, behoeft daarom inderdaad nadere toelichting waarom de litigieuze verhuur niet zou zijn gedekt.

4.39.2

De vraag of hetgeen het Hof in rov. 10 in ander verband overweegt een toereikende motivering zou kunnen zijn voor een oordeel als hier besproken, endosseer ik, als Uw Raad op dit punt zou vernietigen, graag aan de verwijzingsrechter die bij dat oordeel ook de andere relevante omstandigheden zal moeten betrekken.

5 Bespreking van het voorwaardelijk incidentele beroep

5.1

Nu een aantal klachten van het principale beroep m.i. hout snijdt, acht ik de voorwaarde waaronder het incidentele beroep is ingesteld vervuld.

5.2

Onderdeel 1.1 ontbeert feitelijke grondslag. In rov. 1 noch ook in rov. 7 overweegt het Hof dat “de dochtermaatschappijen” “tot 2006” op de polis stonden vermeld als verzekerde of verzekeringnemer.

5.3

Onderdeel 1.2 gaat ervan uit dat het Hof heeft geoordeeld dat het Hof “(impliciet)” heeft geoordeeld dat “de dochtermaatschappijen” tot 1 januari 2006 als verzekeringnemer/verzekerde moesten worden aangemerkt. Het acht dat oordeel onjuist of onbegrijpelijk nu deze “dochtermaatschappijen”, in de eenparige visie van partijen, op de polis niet als verzekeringnemer stonden vermeld.

5.4

Als we heel erg scherp slijpen, mislukt de klacht. Het Hof heeft immers slechts een oordeel geveld voor de situatie vanaf 2001, terwijl volgens [eiseres] al veel langer sprake was van een verzekeringsdekking.21 “Tot 2006” is ruimer dan “vanaf 2001”. Maar een dergelijke op de letter gebaseerde lezing doet geen opgeld meer bij Uw Raad en dat is m.i. terecht.

5.5

De klacht snijdt m.i. hout. Het Hof legt inderdaad niet uit waarop het zijn oordeel (of eigenlijk moet ik zeggen: feitenvaststelling) baseert.

5.6

Mrs. Bakels en Van Staden ten Brink hebben er bij dupliek met juistheid op gewezen dat Aegon de stelling van [eiseres] dat er al vanaf 2001 dekking zou hebben bestaan heeft bestreden; zie onder 5 onder verwijzing naar de mva onder 28. Maar ik voeg daaraan toe dat het verweer nogal evasief is. Aegon blijft hangen in de stelling dat de andere [eiseres]-vennootschappen niet als mede-verzekerden waren vermeld en dat [eiseres] nimmer heeft aangegeven dat “ook de belangen van [eiseres 2] (...) verzekerd dienden te worden”, terwijl zij de namen van die vennootschappen en hun activiteiten niet kende.

5.7

Toch lijkt het onder 5.6 genoemde verweer van Aegon me voldoende om van het Hof een nadere toelichting te mogen vergen op zijn hier besproken oordeel. Als juist zou zijn dat Aegon van het bestaan van [eiseres 2] niets afwist, dan valt zonder nadere toelichting niet in te zien waarom Aegon deze vennootschap mede heeft gedekt.

Conclusie

Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest in het principale én het (voorwaardelijk) incidentele beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal

1 Rov. 3.2 van het vonnis van 22 december 2010.

2 HR 7 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3670, NJ 2013/511 M.M. Mendel. In zijn noot betuigt Mendel zijn instemming met het arrest. Ook M.H.J. Lubbers, Bb 2013/51 p. 168 is het met de benadering (voor het voorliggende geval) eens.

3 Rov. 3.3.2.

4 Rov. 3.3.3.

5 HR 11 mei 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1560, NJ 2001/364.

6 Waarvan de juiste gegevens zijn: HR 9 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV9435, NJ 2006/326.

7 Rov. 3.3.

8 Zie uitvoeriger mijn toenmalige ambtgenoot Bakels voor het arrest Rentalease sub 2.2.

9 Rov. 3.4.2.

10 Productie 3 en 5 bij inleidende dagvaarding.

11 Zie cva onder 10. Aegon kondigt aan dat zij, nu ze weet dat mede verhuur van opslagruimte wordt beoogd, de polis (premie) gaat aanpassen. Ik vind intussen bepaaldelijk intrigerend waarin het veel grotere risico bij dergelijke aansprakelijkheidsverzekeringen is gelegen.

12 Ik heb mij nog het hoofd gebroken over de vraag of rov. 6 in het hier besproken kader nog enige betekenis heeft. Rov. 6 is mij evenwel niet duidelijk. Voor zover het al licht werpt op hetgeen het Hof in rov. 9 heeft willen zeggen, kan ik het er niet in lezen, laat staan dat duidelijk zou zijn welk licht het dan op rov. 9 zou doen schijnen. Partijen hechten kennelijk evenmin betekenis aan rov. 6.

13 Dat is niet denigrerend bedoeld. Het is de conclusie die zich, gezien de hoogte van de premie, opdringt. Zie over de zorgplicht van verzekeraars C.W.M. Lieverse en M.M. van Asch, AV&S 2014/4 p. 20 e.v.

14 Rov. 2.3 van het vonnis in prima.

15 Zie nader Asser/Wansink/Van Tiggele-van der Velde & Salomons 7-IX* (2012) nr. 199 e.v.

16 Zie prod. 11 bij “Notitie” van [eiseres] voor de cvp in prima. Daaruit blijkt ook dat de tussenpersoon van [eiseres] heeft vermeld dat de “activiteiten, omzet en loongegevens” ongewijzigd blijven.

17 Bij wege van hypothetisch voorbeeld: in 2006 konden verzekeraars hun premies op een “reëel” niveau (wat dat ook precies moge betekenen) vaststellen. In 2009 was de concurrentie zó hevig dat ze moesten “vechten” om verzekeringen waardoor de premies sterk onder druk stonden. In een dergelijke setting zegt het gelijk blijven van de premie niet veel (of eigenlijk wél; het betekent dat deze in feite is verhoogd).

18 In een noot onder het arrest Wasserij de Blinde betoogt M.H.J. Lubbers dat een uitgebreide motivering van de verzekeraar niet direct voor de hand ligt, maar dat dit – kort gezegd –anders kan zijn als de verzekerde relevante stellingen poneert: Bb 2013/51 p. 168. Dat lijkt me juist.

19 Het Hof bedoelt m.i. (mede) verzekerde.

20 Zie rov. 7 eerste volzin.

21 Zie mvg onder 3.1; zie ook s.t. mrs Dempsey en Van der Kooij onder 3.6..