Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:342

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
18-04-2014
Datum publicatie
27-06-2014
Zaaknummer
13/04378
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:1540, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie. Draagkracht. Grenzen van de rechtsstrijd. Mocht het hof bij de vaststelling van de draagkracht in het midden laten of de man inmiddels met een derde samenwoont? Onbegrijpelijk oordeel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Zaaknr. 13/04378

mr. E.M. Wesseling-van Gent

Zitting: 18 april 2014 (bij vervroeging)

Conclusie inzake:

1. [verzoekster 1] (de vrouw)

2. [verzoekster 2]

3. [verzoekster 3]

tegen

[de man] (de man)

In deze kinderalimentatiezaak gaat het om de vraag of het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden en een innerlijk tegenstrijdig oordeel heeft gegeven.

1. Feiten1 en procesverloop2

1.1 Het huwelijk van de man en de vrouw is op 18 november 2005 ontbonden door echtscheiding.

1.2 De man en de vrouw zijn de ouders van verzoekster in cassatie onder 2, hierna: [verzoekster 2], geboren op [geboortedatum] 1991, verzoekster in cassatie onder 3, hierna: [verzoekster 3], geboren op [geboortedatum] 1993, [betrokkene 1], geboren op [geboortedatum] 1995, en [betrokkene 2], geboren op [geboortedatum] 1997.

Bij beschikking van 10 augustus 2005 heeft de rechtbank Utrecht bepaald dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van deze kinderen € 60,- per kind per maand zal voldoen. Deze bijdrage bedraagt met ingang van 1 januari 2011 ingevolge de wettelijke indexering € 67,55 per kind per maand.

1.3 De man is gehuwd met [betrokkene 3] (hierna: [betrokkene 3]).

Uit dit huwelijk zijn geboren [betrokkene 4], op [geboortedatum] 2009, en [betrokkene 5], op [geboortedatum] 2011.


1.4 Het belastbare loon van de man bedraagt volgens de jaaropgave van 2011 € 39.792,- in dat jaar en volgens de jaaropgave over 2012 € 39.864,- in dat jaar. Zijn lasten bedragen per maand € 1.386,36 aan aftrekbare hypotheekrente, € 95,- aan overige eigenaarslasten, € 98,80 aan ziektekosten in 2011, en € 44,04 aan premie overlijdensrisicoverzekering.

De WOZ-waarde van de woning bedraagt in 2010 € 315.000.

1.5 Het belastbare loon in 2011 van [betrokkene 3] bedraagt volgens de jaaropgave van 2011 € 34.197,- in dat jaar en volgens de jaaropgaven over 2012 € 5.185,- en € 25.278,- in dat jaar. Haar lasten bedragen per maand € 478,19 aan huur en € 101,85 aan ziektekosten in 2011.

1.6 Bij inleidend verzoekschrift, ingediend bij de rechtbank Utrecht op 31 oktober 2011, hebben de vrouw en de – ten tijde van dat verzoekschrift – jongmeerderjarigen [verzoekster 2] en [verzoekster 3] (hierna gezamenlijk: de vrouw c.s.) de rechtbank – voor zover thans van belang – verzocht de eerder tussen partijen in de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank Utrecht van 10 augustus 2005 vastgelegde kinderalimentatie te wijzigen. De vrouw heeft daarbij verzocht de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen te bepalen op een bedrag van € 200,- per kind per maand, met ingang van 1 januari 2011, althans 1 november 2011. [verzoekster 2] en [verzoekster 3] hebben, na aanvulling van het verzoek van de vrouw bij faxbericht van 22 maart 2012, hetzelfde bedrag verzocht als bijdrage in levensonderhoud en studie, met dezelfde ingangsdatum.

1.7 De vrouw c.s. hebben aan hun verzoek ten grondslag gelegd dat sprake is van een wijziging van omstandigheden. Daartoe hebben zij aangevoerd dat het inkomen van de man moet zijn toegenomen nu hij een woning heeft gekocht terwijl hij in 2007 nog werkloos was, dat daarmee tevens sprake is van een verandering in de woonlasten van de man, en dat de man geen gevolg geeft aan de zorg- en contactregeling zodat die kosten niet langer ten laste van zijn draagkracht kunnen worden gebracht.

1.8 De man heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

1.9 De rechtbank heeft bij beschikking van 11 juli 2012 – samengevat – (i) haar eerdere beschikking van 10 augustus 2005 met ingang van 1 januari 2011 gewijzigd en met ingang van 1 januari 2011 de kinderalimentatie voor de minderjarige kinderen, alsmede de bijdrage aan [verzoekster 2] en [verzoekster 3] tot verzorging en opvoeding bepaald op € 150,- per kind per maand, (ii) de beschikking van 10 augustus 2005 voor het overige gehandhaafd, (iii) de beschikking van 11 juli 2012 uitvoerbaar bij voorraad verklaard, en (iv) het anders of meer verzochte afgewezen.

1.10 De man is, onder aanvoering van drie grieven, van deze beschikking in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden en heeft daarbij het hof verzocht de beschikking waarvan beroep te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de vrouw c.s. niet ontvankelijk te verklaren in hun verzoeken, althans deze aan hen te ontzeggen.

1.11 De vrouw c.s. hebben in principaal appel de grieven bij verweerschrift bestreden en het hof verzocht de man in zijn beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans dit beroep af te wijzen. Daarnaast hebben zij, onder aanvoering van één grief, incidenteel appel ingesteld en het hof verzocht de beschikking van de rechtbank te vernietigen en in plaats daarvan de verzoeken van de vrouw c.s., zoals in eerste aanleg geformuleerd, geheel toe te wijzen, althans de bijdrage hoger vast te stellen dan € 150,- per kind per maand.

1.12 De man heeft bij verweerschrift in het incidenteel beroep het hof verzocht de vrouw3 in haar incidenteel appel niet ontvankelijk te verklaren, althans het beroep af te wijzen.

1.13 Het hof heeft de zaak op 5 maart 2013 behandeld in aanwezigheid van partijen en hun advocaten en heeft vervolgens bij beschikking van 13 juni 2013 in het principaal en incidenteel hoger beroep de beschikking van de rechtbank van 11 juli 2012 vernietigd, en in zoverre opnieuw beschikkende, de beschikking van de rechtbank Utrecht van 10 augustus 2005 gewijzigd en – zakelijk weergegeven – bepaald:

- dat met ingang van 1 november 2011 tot 21 november 2011 de kinderalimentatie voor de minderjarige kinderen € 83,- per kind per maand bedraagt en dat de man hetzelfde bedrag per kind per maand aan [verzoekster 2] en [verzoekster 3] als bijdrage in de kosten van hun levensonderhoud zal betalen;

- dat de hoogte van deze bijdragen met ingang van 21 november 2011 tot 27 oktober 2012 voor elk kind € 69,- per maand zullen zijn, en

- met ingang van 27 oktober 2012 € 82,- per maand voor de minderjarige kinderen en [verzoekster 3].

Het hof heeft deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders verzochte afgewezen.

1.14 De vrouw c.s. hebben tegen deze beschikking tijdig4 cassatieberoep ingesteld.

Het cassatieverzoekschrift bevat op pagina 1 een voorbehoud tot aanvulling van het cassatiemiddel nadat het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van het hof van 5 maart 2013 zal zijn ontvangen.

Van dat voorbehoud is gebruik gemaakt5.

De man heeft een verweerschrift ingediend.

Het cassatieverweerschrift bevat op pagina 2 een voorbehoud tot aanvulling van het cassatiemiddel nadat het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van het hof van 5 maart 2013 zal zijn ontvangen.

Van dat voorbehoud is geen gebruik gemaakt6.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel bevat negen onderdelen (klachten I.1-I.9) en richt zich in de kern7 tegen de rechtsoverwegingen 5.4 en 5.7 van de beschikking van 13 juni 2013, waarin het hof als volgt heeft geoordeeld:

“5.4 Het hof is van oordeel dat, wat er ook zij van het al dan niet samenwonen van de man en [betrokkene 3], de man voldoende aangetoond heeft dat hij en [betrokkene 3] voor twee huizen woonlasten hebben. Het hof zal daarom als volgt rekening houden met de helft van de totale woonlasten van de man en [betrokkene 3].

Het hof houdt rekening met de hypotheekrente van € 1.386,36 per maand en brengt daarop in mindering het door de man te behalen fiscale voordeel dat aan betaling van hypotheekrente verbonden is. Vervolgens telt het hof daarbij op het forfait eigenaarslasten van € 95,- per maand, de premie overlijdensrisicoverzekering van € 44,04 per maand en de huur van de woning van El Hamd[i]oui van € 478,- per maand en het hof deelt dit resultaat door twee. Aldus komt het hof op een woonlast voor de man van € 741,- netto per maand hetgeen het hof gezien het inkomen van de man een redelijke woonlast acht.

(…)

5.7

Gesteld noch gebleken is welke behoefte de kinderen van de man en [betrokkene 3], gelet op de gescheiden huishoudens, hebben. Partijen hebben ter zake geen uitgewerkte stellingen ingenomen. Bij gebreke van duidelijke stellingen en onderbouwing van de behoefte en gelet op de inkomens van de man en zijn echtgenote, gaat het hof er van uit dat de behoefte van deze kinderen niet afwijkt van de behoefte van de overige kinderen8.”

2.2

Onderdeel 1 klaagt in de eerste plaats dat het hof door in rechtsoverweging 5.4 voor twee huizen woonlasten in aanmerking te nemen bij de draagkrachtberekening van de man buiten het rechtsdebat is getreden en daarmee ook een ontoelaatbare verrassingsbeslissing heeft gegeven door partijen niet in de gelegenheid te stellen zich over de kwestie uit te laten. De man heeft als draagkrachtverweer aangevoerd dat hij niet met zijn nieuwe echtgenote samenwoont zodat sprake is van gescheiden huishoudens en zijn woonlasten niet gehalveerd dienen te worden, maar de man heeft – aldus het onderdeel – geen beroep gedaan op het feit dat hij en [betrokkene 3] met ‘dubbele woonlasten’ te maken hebben en dat daarmee rekening moet worden gehouden door die totale woonlasten te halveren9.

Het onderdeel klaagt, zakelijk weergegeven, daarnaast – mede bij aanvullend verzoekschrift – dat het partijdebat noopte tot beantwoording van de vraag of de man al of niet samenwoont, zodat het hof dit niet in het midden had mogen laten10.


2.3 Onderdeel 3 klaagt dat het oordeel van het hof in rechtsoverweging 5.7 dat sprake is van gescheiden huishoudens tussen de man en [betrokkene 3] innerlijk tegenstrijdig is met rechtsoverweging 5.4 waarin het hof overweegt dat het al of niet samenwonen er niet toe doet.

2.4

De man heeft in het beroepschrift zijn tweede grief gericht tegen het oordeel van de rechtbank in rechtsoverweging 4.14 dat de man onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat hij niet samenwoont met [betrokkene 3] en dat de rechtbank om die reden rekening houdt met de helft van de door de man aangevoerde maandelijkse woonlast met betrekking tot de koopwoning, te weten € 715,-11.

In de toelichting op deze grief (verzoekschrift onder 8-9) heeft de man – voor zover thans van belang – het volgende gesteld:

“8. (…) Overgelegd wordt een aan duidelijkheid niets te wensen verklaring van zijn nieuwe echtgenote (PROD. 1), waarvan de man verzoekt de inhoud als hier herhaald en ingelast te beschouwen, met – nadrukkelijk – alle ter zake dienende bewijzen dat de man en zijn nieuwe echtgenote gescheiden huishoudens voeren. De stukken verschaffen tevens inzicht in de financiële situatie van zijn huidige vrouw, die dus eigen woonlasten heeft en een eigen volledig huishouden heeft te draaien van haar inkomen. Zij heeft simpelweg niet de draagkracht om bij te dragen aan de woonlasten van de man. (…)

9. De man acht het derhalve onjuist dat slechts rekening wordt gehouden met de helft van zijn woonlasten. Wel erkent hij dat zijn woonlasten – in theorie – onredelijk hoog zouden kunnen zijn. Hij hoopt aan de hand van een nog in het geding te brengen draagkrachtberekening aan te tonen dat de bruto-hypotheeklast niet onredelijk hoog is in verhouding tot zijn inkomen.”

2.5

De vrouw c.s. hebben in hun verweerschrift, tevens beroepschrift in incidenteel appel (onder 14 en 16) het volgende aangevoerd:

“14. De vrouw is primair van oordeel dat de feitelijke situatie niet relevant is. Voor de alimentatiebeschikking wordt uitgegaan van de aanname dat de woonlasten worden gedeeld met een nieuwe partner waarmee iemand samenwoont of getrouwd is. Dat de man uit de vrije ruimte andere lasten aangaat, zoals dubbele woonlasten, kan niet worden meegenomen in een draagkrachtberekening, omdat de consequenties van die keuze niet ten laste mogen komen van de onderhoudsgerechtigden.

(…)

16. De man geeft al aan dat zijn woonlasten mogelijk onredelijk hoog zullen blijken te zijn als hij die niet met zijn partner kan delen. Ook hier dient te gelden dat de belangen van de onderhoudsgerechtigden zwaarder wegen en dat met onredelijk hoge woonlasten geen rekening kan worden gehouden.”

2.6

De man heeft daarop ter zitting van het hof op 5 maart 2013 als volgt gereageerd12:

“ (…) In punt 14 van het verweerschrift wordt namens de vrouw gesteld dat de man dubbele woonlasten zou zijn aangegaan, doordat zijn vrouw eigen woonlasten heeft. Omdat er sprake zou zijn van dubbele woonlasten, zou hier geen rekening mee mogen worden gehouden in de draagkrachtberekening. De man stelt dat dit een onjuiste aanname is: hij voert immers helemaal geen dubbele woonlasten op. De vraag is enkel of, gegeven het feit dat hij een eigen huishouding voert, in redelijkheid kan worden geoordeeld dat zijn vrouw geacht kan worden de helft van de woonlasten op zich te nemen. Dit lijkt de man stellig niet het geval. (…)”

2.7

Uit het proces-verbaal van de zitting van 5 maart 2013 (p. 3) blijkt dat ter zitting voorts het volgende ter sprake is gekomen:

“Mr. Aartsen [advocaat man, W-vG] verklaart (…) verklaart voorts:

De man voert geen dubbele woonlasten op. De vraag is enkel, gegeven het feit dat hij een eigen huishouding voert, of in redelijkheid kan worden geoordeeld dat zijn vrouw geacht kan worden de helft van zijn woonlasten op zich te nemen. De man vindt van niet. (…)

Mr. Zwaan [advocaat vrouw, W-vG]:

(…)

Als ik de verklaring van de echtgenote van de man lees dan zegt zij dat zij daar staat ingeschreven maar dat zij daar woont durft zij niet zwart op wit te zeggen. Primair deelt de echtgenote in de woonlasten. Je hoeft daar formeel niet voor samen te wonen volgens Trema. Zij kan prima meebetalen aan de woning. De twee kinderen staan daar ingeschreven. Volgens de belastingaangifte staat de echtgenote daar ook ingeschreven. (…)”

2.8

Het hof heeft het betoog van de man en de vrouw in rechtsoverweging 5.3 van de in cassatie bestreden beschikking als volgt samengevat:

“ (…) De man stelt in zijn tweede grief dat hij – zoals bekend bij zijn oudste dochters – niet samenwoont met [betrokkene 3] en dat hij nooit met haar heeft samengewoond. Het enkele feit dat sprake is van een huwelijk maakt dit niet anders. [betrokkene 3] heeft een volledig eigen huishouding en eigen woonlasten. Zij kan niet bijdragen in zijn woonlasten. Hij verzoekt dan ook rekening te houden met zijn volledige woonlasten. In verhouding tot zijn inkomen is zijn bruto hypotheeklast niet onredelijk hoog, aldus de man.

De vrouw betwist dat en stelt primair dat de feitelijke situatie van de man niet relevant is en dat moet worden uitgegaan van de aanname dat de woonlasten worden gedeeld met een nieuwe partner waarmee iemand samenwoont of gehuwd is. Dat de man uit de vrije ruimte andere lasten aangaat, zoals dubbele woonlasten, kan niet worden meegenomen in een draagkrachtberekening, omdat de gevolgen van die keuze niet ten koste mogen komen van de onderhoudsgerechtigden.”

2.9

Uit het hiervoor weergegeven partijdebat in appel13 blijkt dat de man alleen de woonlasten met betrekking tot de koopwoning als zijn woonlasten heeft opgevoerd. Uit de reactie van de man op het betoog van de vrouw omtrent de ‘dubbele woonlasten’ blijkt voorts dat de man de informatie over de woonlasten van [betrokkene 3] met betrekking tot de huurwoning uitsluitend in het geding heeft gebracht ter onderbouwing van zijn betoog dat zij niet in staat is bij te dragen aan de woonlasten van de man en dat zijn woonlasten met betrekking tot de koopwoning om die reden niet mogen worden gehalveerd. De man heeft de woonlasten van [betrokkene 3] niet opgevoerd als woonlasten die (ook) op zijn draagkracht drukken.

2.10

De rechtsstrijd in appel betrof derhalve de vraag of de woonlasten van de man met betrekking tot de koopwoning in zijn geheel mochten worden opgevoerd (standpunt van de man) dan wel voor de helft (standpunt van de vrouw c.s.). Uit de berekening van het hof blijkt dat het daarbij ging om een bedrag van € 1.004,- per maand (2x € 741,-= € 1.482,- minus € 478,- = € 1.004,-14 dan wel de helft daarvan. Het ging dus niet over de totale woonlasten met betrekking tot de koopwoning én de huurwoning (€ 1.004,- + € 478,-=) € 1.482,- dan wel de helft daarvan.

Daaruit volgt dat het hof met zijn oordeel in rechtsoverweging 5.4 dat de man en [betrokkene 3] voor twee huizen woonlasten hebben en het hof daarom rekening houdt met de helft van de totale woonlasten van de man en [betrokkene 3] buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden en slaagt de eerste klacht van onderdeel 1.

2.11

Dat geldt m.i. ook voor de tweede klacht van onderdeel 1. Gelet op de essentiële stelling van de vrouw c.s. dat bij samenwoning van de man met zijn nieuwe echtgenote het aanhouden van een huurhuis een vrijwillig aangegane schuld is die niet ten laste van de draagkracht van de man kan worden gebracht, mocht het hof niet in het midden laten of de man al dan niet samenwoont met zijn nieuwe echtgenote.

2.12

Daarnaast slaagt m.i. ook onderdeel 3. Uitgangspunt van het oordeel in rechtsoverweging 5.7 over de behoefte van de kinderen van de man en zijn nieuwe echtgenote is de omstandigheid dat zij gescheiden huishoudens hebben. Daarmee is niet verenigbaar het oordeel van het hof in rechtsoverweging 5.4 dat het hof voor de berekening van de woonlasten in het midden heeft gelaten of de man en zijn nieuwe echtgenote al dan niet samenwonen.

2.13

Onderdeel 2, dat op onderdeel 1 voortbouwt, klaagt dat gegrondbevinding van één of meer van de voorgaande klachten ook de berekening van de totale woonlasten van de man raakt alsmede de slotoverweging van het hof in rechtsoverweging 5.4 dat een bedrag van € 741,- redelijk is gelet op het inkomen van de man.

Nu onderdeel 1 slaagt, geldt dit ook voor onderdeel 2.

De overige onderdelen 4-9 behoeven geen bespreking meer.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging en verwijzing.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Voor zover in cassatie van belang. Zie rov. 3.1-3.5 van de beschikking van het hof Arnhem-Leeuwarden van 13 juni 2013. Nu de draagkracht van de vrouw en de behoefte van de kinderen niet in geschil is, laat ik vermelding van de onder 3.6-3.9 vastgestelde feiten achterwege.

2 Voor zover thans van belang. Zie voor de procedure in eerste aanleg de beschikking van de rechtbank Utrecht van 11 juli 2012 rov. 1.1-1.3. Zie voor de procedure in hoger beroep de beschikking van het hof Arnhem-Leeuwarden van 13 juni 2013, rov. 2.1-2.6.

3 De man noemt in het petitum van het verweerschrift niet de meerderjarigen.

4 Het cassatieverzoekschrift is op 10 september 2013 ingekomen bij de griffie van de Hoge Raad.

5 Het aanvullend cassatieverzoekschrift is op 17 december 2013 ingekomen bij de griffie van de Hoge Raad en betreft een aanvulling van de onderdelen 1 en 8 zoals hierna weergegeven.

6 De (cassatieadvocaat van de) man is in de gelegenheid gesteld zijn verweerschrift aan te vullen vanwege het proces-verbaal en het aanvullend verzoekschrift, maar heeft van beide mogelijkheden geen gebruik gemaakt.

7 In het cassatieverzoekschrift wordt ook met voortbouwende klachten geklaagd over rov. 5.12, 5.18, 6.1, 6.2, 7 en het dictum van de beschikking van het hof.

8 In rov. 5.6 van de beschikking is de behoefte voor alle kinderen vastgesteld op € 200,- per kind per maand.

9 Verwezen wordt naar het verweerschrift van de man in eerste aanleg (onder 6, 7, 10 en 12), het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank van 14 juni 2012, (p. 3-4) en de beschikking van de rechtbank van 11 juli 2012 p. 6 eerste woordblok.

10 Het aanvullend cassatieverzoekschrift verwijst daarbij ook naar de uit het proces-verbaal van de zitting bij het hof van 5 maart 2013 (p. 3) blijkende betwisting van de vrouw c.s. dat de man niet samenwoont met zijn nieuwe echtgenote.

11 Aldus heeft de rechtbank de Trema-normen toegepast.

12 Zie alinea 6 van de pleitnotities van de advocaat van de man, die aan het proces-verbaal van de zitting van het hof zijn gehecht.

13 Alsmede in eerste aanleg, zie zijn verweerschrift (onder 6 en 9), het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank van 14 juni 2012 (p. 3-4) en de weergave in de beschikking van de rechtbank (rov. 4.14 onder a en b).

14 Anders dan het hof heeft de rechtbank bij de bepaling van de woonlasten geen rekening gehouden met eventueel fiscaal voordeel dat aan betaling van hypotheekrente verbonden is en heeft de rechtbank rekening gehouden met de helft van de door de man aangevoerde woonlast, te weten € 715,-. (rov. 4.14 onder a en b).