Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:340

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
11-04-2014
Datum publicatie
06-06-2014
Zaaknummer
14/01290
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:1349, Gevolgd
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. WSNP. Niet-ontvankelijkheid in hoger beroep. Ontbreken van gronden van beroep; art. 359 en 278 Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

14/01290

Mr. L. Timmerman

Zitting 11 april 2014

Conclusie inzake:

1. [verzoeker 1],

2. [verzoekster 2],

verzoekers tot cassatie,

(hierna [verzoeker] c.s.).

1. [verzoeker] c.s. zijn door het gerechtshof Den Haag bij arrest van 4 maart 2014 niet-ontvankelijk verklaard in het door hen ingestelde hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 3 december 2013. In dat vonnis was het verzoek van [verzoeker] c.s. tot het uitspreken van de toepassing van de schuldsaneringsregeling afgewezen, omdat zij niet aannemelijk hadden gemaakt dat zij ten aanzien van het ontstaan van diverse fiscale schulden te goeder trouw zijn geweest.

2 Het gerechtshof heeft zijn oordeel samengevat als volgt gemotiveerd. Het ingediende beroepschrift voldoet niet aan het uit art. 259 jo. 278 Rv voortvloeiende vereiste dat het de gronden dient te bevatten waarop het hoger beroep berust, nu daarin slechts is aangevoerd dat maar niet waarom het oordeel van de rechtbank in onjuist is. De enkele stelling dat de rechtbank onvoldoende onderzoek heeft verricht naar de verwijtbaarheid en het bestaan van eventuele bijzondere omstandigheden kan niet gelden als voldoende toelichting, nu [verzoeker] c.s. op de voet van art. 288 lid 1 Fw als voorwaarde voor toelating aannemelijk moeten maken dat zij te goeder trouw zijn geweest ten aanzien van het ontstaan van (een deel van) de schulden (rov. 5). Ten overvloede wordt overwogen dat er geen feiten of omstandigheden zijn gesteld of gebleken die bij een inhoudelijke beoordeling van de zaak tot vernietiging van het bestreden vonnis hadden kunnen leiden, omdat [verzoeker] c.s. zeer forse schulden aan de Belastingdienst hebben doen ontstaan door het over een lange periode onterecht verkrijgen van huur- en zorgtoeslag en het niet afdragen van inkomstenbelasting, terwijl [verzoeker] c.s. niet aannemelijk hebben gemaakt dat hen te dien aanzien geen verwijt treft (rov. 6).

3 Het cassatieverzoekschrift dat namens [verzoeker] c.s. op 11 maart 2014 en derhalve tijdig is ingediend, omvat twee onderdelen, die m.i. tevergeefs zijn voorgesteld. Onderdeel 2 gaat stuk op een gebrek aan belang aangezien het klaagt over een ten overvloede gegeven overweging. Onderdeel 1 keert zich tegen rechtsoverweging 5 van het arrest van 4 maart 2014 en betoogt dat de inhoud van het beroepschrift – te weten: de stelling dat de rechtbank niet heeft onderzocht of sprake is van verwijtbaarheid of van bijzondere omstandigheden – wel degelijk voldoet aan de eisen van art. 359 jo. 278 lid 1 Rv, mede omdat het complete overzicht van de schuldenrapportages is overgelegd. Dit betoog miskent dat het aan een schuldenaar zelf is om de in art. 288 lid 1 onder b Fw bedoelde goede trouw en eventuele gronden voor toepassing van de in art. 288 lid 3 Fw neergelegde hardheidsclausule aannemelijk te maken (GS Faillissementswet, artikel 288 Fw, aant. 7.3.1 en 11.6; Wessels, Insolventierecht Deel IX, 2009, par. 9066m en t, par. 9067o en q; par. 2.5.1-2.5.5), welk uitgangspunt in overeenstemming is met de door de wetgever beoogde verzwaring van de aan het verzoekschrift gestelde eisen (Kamerstukken 2004/05, 29 942, nr. 3, p. 14). Op de rechter rust in dit verband geen verplichting tot ambtshalve onderzoek. In hoger beroep kon daarom niet worden volstaan met de stelling dat de rechtbank verzuimd had te onderzoeken of toelating tot de schuldsaneringsregeling toch nog mogelijk was. Daarbij teken ik aan dat niet kan worden volgehouden dat uit de schuldenrapportages, nog daargelaten dat het beroepschrift daar niet naar verwijst, reeds volgt dat voldoende aannemelijk is dat [verzoeker] c.s. ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van die schulden te goeder trouw zijn geweest.

Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het verzoek.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G