Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:336

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
04-02-2014
Datum publicatie
25-04-2014
Zaaknummer
13/03578
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:1021
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Poging moord. Voorwaardelijk opzet. Het Hof heeft als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat verdachte welbewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het s.o. door het door hem, verdachte, tot ontploffing gebrachte explosief om het leven zou komen. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en is toereikend gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VA 2015/8
M.L.C.C. de Bruijn-Lückers annotatie in JIN 2014/118

Conclusie

Nr. 13/03578

Zitting: 4 februari 2014

Mr. Knigge

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden, zitting houdende te Arnhem heeft bij arrest van 27 juni 2013 verdachte wegens 1. “diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld, gepleegd tegen personen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning en het feit zwaar lichamelijk letsel tengevolge heeft”, 2. “verkrachting”, 3. “de eendaadse samenloop van poging tot moord en opzettelijk een ontploffing een teweegbrengen, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is”, 4. “opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is”, 5. “bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht”, 6. “diefstal door twee of meer verenigde personen”, 7. “diefstal”, 8. “diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak” en 9. “poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van veertien jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft het Hof de teruggave gelast van de inbeslaggenomen voorwerpen en de vordering van de benadeelde partij toegewezen, een en ander als vermeld in het bestreden arrest.

2. Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld.

3. Namens verdachte heeft mr. M.J. Lamers, advocaat te Utrecht, vijf middelen van cassatie voorgesteld.

4 Het eerste middel

4.1.

Het middel klaagt dat het oordeel van het Hof dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de onder 1 tot en met 4 bewezenverklaarde feiten niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan volgen, althans dat het Hof deze beslissing en/of een daarmee samenhangend (Meer en Vaart)verweer onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd heeft (verworpen). Blijkens de toelichting op het middel wordt in het bijzonder geklaagd dat ’s Hofs oordeel dat het de verdachte (en niet een ander) is geweest die de bewezenverklaarde feiten 1 tot en met 4 heeft gepleegd, onbegrijpelijk is.

4.2.

Ten laste van de verdachte is onder feit 1 tot en met 4 bewezenverklaard dat:

“1:

hij op 2 december 2011 en 3 december 2011 te Amersfoort met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning gelegen aan de [a-straat 1] gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd heeft weggenomen

een laptop en

een mobiele telefoon (merk Motorola, type C140) en

een geluidsset (merk Bose, type Wave Music System) en

een camera (merk Sony, type DSC-P72) en

een blikje (met inhoud, te weten: oude munten en

een trouwring (goud/zilver) en

een paspoort en

een sleutelbos geheel toebehorende aan [slachtoffer],

welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer],

gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren

welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, verdachte

-[slachtoffer] met een mes heeft bedreigd, en

-de handen van [slachtoffer] op de rug heeft vastgebonden en

-de benen van [slachtoffer] heeft vastgebonden en

-[slachtoffer] heeft geblinddoekt en

-na het verlaten van voornoemde woning een vlinderbom, in elk geval een (geïmproviseerd) explosief (voorzien van een of meer metalen kogels) heeft bevestigd aan of op de voordeur van voornoemde woning (waarachter dan wel in de onmiddellijke nabijheid waarvan [slachtoffer] stond) en dit tot ontploffing heeft gebracht, tengevolge waarvan [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel (beschadiging van de schedel en hersenletsel) heeft bekomen;

2:

hij op 2 december 2011 en 3 december 2011 te Amersfoort, door geweld en door bedreiging met geweld bestaande uit

-het bedreigen van [slachtoffer] met een mes en

-het vastbinden van de handen van [slachtoffer] op de rug en

-het plaatsen van een doek over het hoofd van [slachtoffer]

[slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die hebben bestaan uit of mede hebben bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, immers heeft hij, verdachte, bij [slachtoffer] een buttplug ingebracht in de anus;

3 primair:

hij op 3 december 2011 te Amersfoort, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, een vlinderbom, in elk geval een (geïmproviseerd) explosief (voorzien van een of meer metalen kogels) heeft bevestigd op of aan de voordeur van een woning aan de [a-straat 1] (waarachter dan wel in de onmiddellijke nabijheid waarvan [slachtoffer] stond) en tot ontploffing heeft gebracht, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

4:

hij op 3 december 2011 te Amersfoort, opzettelijk een ontploffing te weeg heeft gebracht in een perceel gelegen aan de [a-straat 1], immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk

- een vlinderbom, in elk geval een (geïmproviseerd) explosief (voorzien van een of meer metalen kogels) bevestigd op of aan de voordeur van de woning gelegen aan voornoemd perceel en

- opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met een vlinderbom, in elk geval een (geïmproviseerd) explosief, ten gevolge waarvan een of meer ruiten van de deur en een (hardhouten) deur en het kozijn van voornoemde woning geheel of gedeeltelijk is beschadigd,

terwijl daarvan gemeen gevaar voor (de zich in) voornoemd perceel (bevindende goederen), in elk geval gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor de zich in de hal van voornoemd perceel en de in de directe nabijheid van die deur bevindende [slachtoffer] te duchten was”

4.3.

Deze bewezenverklaringen berusten op de in de aanvulling op het verkorte arrest opgenomen bewijsmiddelen, voor zover deze betrekking hebben op deze feiten.

4.4.

Ter terechtzitting in hoger beroep van 13 juni 2013 heeft de raadsman van de verdachte gepleit overeenkomstig zijn aldaar overgelegde pleitnota. Blijkens die pleitnota heeft hij aldaar onder meer – en kort gezegd – aangevoerd dat de verdachte voor de feiten 1 tot en met 4 moet worden vrijgesproken, omdat niet buiten redelijke twijfel vaststaat dat hij in de woning is geweest en ook niet nauw en bewust heeft samengewerkt met een of meer anderen. In het bestreden arrest heeft het Hof naar aanleiding van het in het middel bedoelde verweer het volgende overwogen:

“Oordeel van het hof

Het hof overweegt het volgende.

Onderzoek gegevensdrager

In het kader van het onderzoek naar de betrokkenheid van verdachte en zijn vriendin [betrokkene 1] doorzoekt de politie de woning van [betrokkene 1] te Purmerend. Daar treft de politie onder andere een computer aan. Uit onderzoek aan die computer is het volgende gebleken. Op 29 november 2011 werd een advertentie van een zekere [alias slachtoffer] op de website www.homodate.nl bezocht, met daarin het telefoonnummer van aangever. Aangever heeft verklaard dat zijn accountnaam op internet [alias slachtoffer] is.

Ook is er op voornoemde datum via de website www.google.nl gezocht op de combinatie van de trefwoorden homo en date. De internetgeschiedenis van 30 november 2011 en 1 en 2 december 2011 is niet aanwezig. Uit het onderzoek blijkt echter dat wel kan worden vastgesteld dat middels Google Maps is gezocht naar de [a-straat 1] te Amersfoort en dat deze zoekopdracht voor 2 december 2011 23:37:08 uur heeft plaatsgevonden.

DNA-onderzoek

Bij de doorzoeking van de [b-straat 1] te Purmerend treft de politie in de badkamer handschoenen aan. Eén handschoen ligt in de wasmand en een andere in de douchehoek. Deze handschoenen zijn in beslag genomen en door het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) onderzocht. De DNA-hoofdprofielen van de bemonsteringen van de buitenzijde van de handschoenen matchen met het DNA-profiel van aangever. De kans dat het profiel van een willekeurig gekozen man matcht met deze afgeleide hoofdprofielen is kleiner dan één op één miljard.

Ook van de binnenzijde van beide handschoenen zijn bemonsteringen genomen. Uit dit onderzoek volgt dat er DNA-mengprofielen zijn verkregen, waarin de DNA-kenmerken zichtbaar zijn van minimaal drie personen. De DNA-profielen van verdachte en aangever matchen met deze DNA-mengprofielen. Dit betekent dat verdachte en aangever donoren kunnen zijn van het celmateriaal in de bemonsteringen.

Onderzoek telecom

Aangever verklaart voorafgaand aan de overval tweemaal telefonisch contact te hebben gehad met de man, die hem in zijn woning heeft overvallen. Uit een onderzoek naar telecomgegevens is gebleken dat het nummer 06-[001], dat in gebruik is bij aangever, op de avond van 2 december 2011 tussen 20:03 uur en 23:34 uur een aantal keren contact heeft met het nummer 06-[002]. Om 20:03 uur belt het telefoonnummer 06-[002] naar het nummer van aangever. Daarbij wordt een mast aangestraald in Purmerend. Uit de telecomgegevens blijkt vervolgens op grond van de aangestraalde masten dat de gebruiker van het nummer 06-[002] zich van Purmerend verplaatst naar Amersfoort. Om 23:24 uur straalt de telefoon met het nummer 06-[002] voor het eerst die avond een telefoonmast in Amersfoort aan. Ten tijde van de overval worden door dat telefoonnummer de cellid's 2562 en 2563 van Vodafone aangestraald, welke zijn geplaatst op masten in Amersfoort en vanuit de woning van aangever kunnen worden aangestraald. Op 3 december 2011, direct na de overval, straalt het telefoonnummer 06-[002] geen masten meer aan. Ter zitting heeft verdachte verklaard dat het telefoonnummer 06-[002] van hem is en dat hij de telefoon de bewuste avond bij zich had.

Uit de historische gegevens van het nummer 06-[002] volgt dat dit nummer in de periode tussen 23:27 uur en 01:34 uur 13 keer contact heeft met het nummer 06-[003]. Het telefoonnummer 06-[003] staat op naam van [betrokkene 1]. Deze verklaart bij de politie reeds 11 jaar een relatie met verdachte te hebben en dat zij samen een dochter hebben. Ook verklaart zij dat verdachte vaak in haar woning aan de [b-straat 1] te Purmerend verblijft.

Op grond van de uitkomsten van het telecomonderzoek constateert het hof dat met de telefoon van verdachte vanaf 2 december 2011 20.03 uur tot en met 3 december 2011 01:34 uur alleen contacten zijn geweest met [betrokkene 1] en met aangever.

Verklaring verdachte

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij op 2 december 2011 's avonds met een vriend naar Amersfoort is gegaan, alwaar hij op een bankje bij stadsschouwburg De Flint op zijn vriend heeft gewacht, die iets in Amersfoort moest ophalen. Voor de contacten die zijn telefoon met de telefoon van aangever heeft gehad, geeft verdachte de verklaring dat hij die avond waarschijnlijk zijn telefoon aan deze vriend heeft uitgeleend en dat die vriend mogelijk met aangever heeft gebeld. Wat betreft de telefonische contacten met [betrokkene 1] verklaart verdachte dat hij zelf die avond contact met [betrokkene 1] heeft gezocht met het verzoek om hem op te halen omdat er geen treinen meer reden.

Verdachte heeft voorts ter terechtzitting verklaard dat hij in Purmerend regelmatig mensen over de vloer kreeg en dat het goed mogelijk dat zijn vriend in de computer gegevens heeft opgezocht.

Verdachte wil de naam van zijn vriend om hem moverende redenen niet noemen.

Buiten de verklaring van verdachte zijn er in het dossier geen feiten of omstandigheden voorhanden die de lezing van verdachte ook maar op enigerlei wijze ondersteunen. Door het niet willen noemen van de naam van zijn vriend, maakt verdachte het voor het hof onmogelijk om zijn verklaring te controleren. Daarbij overweegt het hof het volgende.

Aangever heeft telefonisch contact gehad met de man, die hem in zijn woning heeft overvallen tot vlak voordat deze bij hem in zijn woning kwam. Hij verklaart immers dat hij hem het laatste deel van de route heeft uitgelegd door de telefoon. Gedurende de overval hoort aangever dat de man telefonisch contact zoekt. Aannemelijk is dat dit is gebeurd met dezelfde telefoon als waarmee de man eerder met aangever contact heeft gehad. Aangever verklaart dat hij een vrouwenstem aan de andere kant van de lijn hoort. Gelet op de uitkomsten van het telecomonderzoek moet dat [betrokkene 1] zijn geweest. Het is naar het oordeel van het hof uitgesloten dat de zogenaamde vriend, die zich -naar het hof begrijpt- volgens verdachte in de woning van aangever heeft moeten bevinden, met de telefoon van verdachte ook met [betrokkene 1] heeft gebeld, terwijl verdachte zegt zelf die avond met [betrokkene 1] te hebben gebeld. Daar komt bij dat verdachte geen verklaring heeft voor het gegeven dat eerder op de avond de telefonische en sms-contacten met enerzijds aangever en anderzijds [betrokkene 1] elkaar in korte tijd opvolgen en afwisselen.

Daarnaast blijkt uit het dossier dat op de computer van [betrokkene 1] is gezocht naar gay-sites, contactgegevens en dat er op de computer is gezocht met trefwoorden vuurwerk en zelf gemaakte explosieven. Ook zijn er op de computer You tube-filmpjes bekeken over de effecten van zwaar vuurwerk. [betrokkene 1] heeft bij de politie verklaard dat in beginsel alleen verdachte, zijzelf en hun dochter gebruik maakten van de onderzochte computer. Wanneer visite gebruik maakte van deze computer, was daar altijd één van hen bij aanwezig. Onaannemelijk is dat derhalve dat derden met de computer van [betrokkene 1] hebben gewerkt, zonder dat zij daar gewag van zou hebben gehad. Gelet op het voorgaande acht het hof de verklaring van verdachte dat niet hij maar een vriend deze strafbare feiten zou hebben gepleegd, ongeloofwaardig.

Geen medeplegen

Uit de bewijsmiddelen volgt naar het oordeel van het hof niet dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit samen met een ander heeft gepleegd. Van enige bewuste en nauwe samenwerking met een ander is niet gebleken. Het hof zal verdachte dan ook van dit deel van de tenlastelegging vrijspreken.

Tussenconclusie

Op grond van het hierboven overwogene naar aanleiding van de uitkomsten van het telecomonderzoek, het onderzoek aan de computer en het DNA-onderzoek concludeert het hof dat verdachte de man is die de afspraak met aangever heeft gemaakt en in de avond van 2 december 2011 naar de woning van aangever is gegaan en aangever in zijn woning heeft overvallen.”

4.5.

Hetgeen in de cassatieschriftuur wordt ingebracht tegen het oordeel van het Hof is een herhaling van en aanvulling op hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep reeds is aangevoerd. Meer dan een vorm van napleiten kan ik in dit betoog niet zien. Het middel komt tevergeefs op tegen de niet onbegrijpelijke gevolgtrekkingen van het Hof hieruit bestaande “dat verdachte de man is die de afspraak met aangever heeft gemaakt en in de avond van 2 december 2011 naar de woning van aangever is gegaan en aangever in zijn woning heeft overvallen”.

4.6.

Het middel faalt.

5 Het tweede middel

5.1.

Het middel klaagt dat het onder 3 bewezenverklaarde opzet op de dood onbegrijpelijk dan wel ontoereikend is gemotiveerd. Mede gelet op de daarop gegeven toelichting klaagt het middel in het bijzonder dat het Hof het ter terechtzitting gevoerde verweer dat er geen sprake is geweest van a) een aanmerkelijke kans dat de aangever het leven zou verliezen en b) het door de verdachte bewust aanvaarden van een dergelijke kans, onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen.

5.2.

Ik herhaal nogmaals dat het Hof onder 3 ten laste van de verdachte heeft bewezenverklaard dat:

“hij op 3 december 2011 te Amersfoort, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, een vlinderbom, in elk geval een (geïmproviseerd) explosief (voorzien van een of meer metalen kogels) heeft bevestigd op of aan de voordeur van een woning aan de [a-straat 1] (waarachter dan wel in de onmiddellijke nabijheid waarvan [slachtoffer] stond) en tot ontploffing heeft gebracht, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid”

5.3.

Deze bewezenverklaring berust, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, op de volgende bewijsmiddelen:

“3.

Het relaas van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2], respectievelijk agent en hoofdagent, in het door hen op 3 december 2011 op respectievelijk ambtseed en ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal, dossierpagina 748, onder meer inhoudende:

Op 3 december 201 1 omstreeks 01.50 uur werden wij gestuurd naar de [a-straat 1] te Amersfoort. Daar zou een ontploffing zijn geweest. Ter plaatse gekomen zagen wij dat er twee glazen ruiten van de voordeur eruit lagen. Wij zagen dat het kozijn en de deur ter hoogte van de deurgreep zwaar beschadigd waren. Wij zagen dat er een vrouw uit de brandgang kwam lopen. Deze vrouw bleek getuige [getuige] te zijn.

4.

De verklaring van [getuige] van 3 december 2011 als opgenomen in het door de verbalisant [verbalisant 3], brigadier, 3 december 2011 op ambtseed opgemaakt proces-verbaal, dossierpagina's 695 en 696, onder meer inhoudende:

Op 3 december 2011 omstreeks 01.41 uur hoorde ik buiten een harde knal. Gelijk of direct na de knal zag ik ook een lichtflits. Direct daarop hoorde ik mijn buurman [slachtoffer], [a-straat 1] te Amersfoort, kreunen. Hierop ben ik direct naar mijn buurman gelopen. Ik zag een ravage in de woning. Ik zag [slachtoffer] in de keuken staan, lk zag dat [slachtoffer] zijn hoofd onder het bloed zat en dat hij zijn bebloede handen aan het wassen was.

8.

Het relaas van de verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5], voornoemd, in het door hen op 13 december 2011 op ambtseed opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van het horen van [slachtoffer] op 13 december 2011, dossierpagina's 650 tot en met 652, onder meer inhoudende:

V: Vraag

A: Antwoord

(…)

Hij heeft mij toen voorzichtig naar beneden gedaan.

Ik kan mij dan herinneren dat wij in het halletje zijn. Op een gegeven moment voelde ik de buitenlucht. Ik vond dat raar, want toen dacht ik nu ben jij buiten en ik binnen. Ik vond dat dom. Ik heb toen snel de deur dicht gedaan. Ik heb toen snel de deur dicht gedaan.

Toen hebben wij via de brievenbus gepraat. Ik wilde namelijk mijn sleutels terug. Toen zag ik op een gegeven moment iets van een lontje. Iets van een gloed. Ik kan mij herinneren dat hij met iets bezig was aan de buitenkant. Ik zag dat door het mat glas heen. Dit bij de deurklink.

10.

Het relaas van de verbalisanten [verbalisant 4], voornoemd en [verbalisant 6], inspecteur, in het door hen op 7 april 2012 op ambtseed opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van het horen van [slachtoffer] op 7 april 2012, dossierpagina's 687 tot en met 692, onder meer inhoudende:

Ik sta in het halletje met mijn jas aan. De persoon is buiten. Ik heb de deur dicht gegooid. Ik zie zijn gezicht vervormd door het matglas. Ik zag ook iets branden.

14.

Het relaas van de verbalisant [verbalisant 9], hoofdagent, als opgenomen in het door hem op 23 januari 2013 op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal, dossierpagina's 815 tot en met 831, onder meer inhoudende:

Het onderzoek 094EXPO betreft het onderzoek naar een overval waarbij het slachtoffer werd zwaar verwond werd middels een vuurwerkbom.

Binnen dit onderzoek zijn als verdachten aangemerkt:

Achternaam : [achternaam verdachte]

Voornamen : [voornamen]

en

Achternaam : [betrokkene 1]

Voornamen : [voornamen]

In het kader van dit onderzoek is door de Rechter-commissaris, van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam op 7 december 2011 een doorzoeking ter inbeslagneming ingesteld in het perceel [b-straat 1] te Purmerend, zijde de woning van verdachte [betrokkene 1].

Bij de zoeking werd een personal computer in beslag genomen

Ik, verbalisant, heb onderzoek gedaan naar de bovenstaande gegevensdrager. Het onderzoek vond plaats, nadat de gegevensdrager door Bureau Digitale Techniek was veilig gesteld. Het onderzoek werd gedaan naar de aanwezigheid van gegevens, betrekking hebbende op het onderzoek. Hierbij werd onder andere gezocht naar gewiste gegevens, internetgegevens, algemene gebruiksgegevens, chatlogs, tekstbestanden en opgegeven zoekvragen.

Door mij, verbalisant, is de voor het onderzoek mogelijk belangrijke informatie geselecteerd in zogenaamde bookmarks.

In de onderzochte computer is op het internet gezocht via Wikipedia. Dit betreft een online encyclopedie. Er is onder andere gezocht naar schietkatoen, tijdbom, vuurwerk, vuurwerk/chemie en op zelfgemaakte explosieven.

Op het internet is middels de site Youtube.com gezocht naar filmpjes die voldoen aan de zoekwoorden plastic en Explosif. (Noot verbalisant: Engelse vertaling voor explosief is explosive.)

In de computer is op het internet, via de site Youtube gekeken naar filmpjes van vuurwerk, en de uitwerking hiervan. Tevens is op dezelfde internetsite gezocht naar filmpjes die voldoen aan de zoekvraag vuurwerk + bom.

Op de internetsite Wikipedia.nl is gekeken en of gezocht naar onderwerpen welke in directe of indrecte relatie staan tot ontploffingen.

Op de internetsite youtube is gezocht naar de combinatie mortier + vuurwerk en op napalm

Via de computer is op het internet gezocht/gekeken op de site Wikipedia naar het onderwerp Mortierbom en op Chemie vuurwerk

Op de internetsite youtube is gezocht naar de combinatie mortier + vuurwerk.

Via de computer is op de internetsite youtube gekeken naar filmpjes over zwaar vuurwerk.

16.

Het relaas van de verbalisant [verbalisant 9], hoofdagent, als opgenomen in het door hem op 24 april 2012 op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal, dossierpagina's 838 tot en met 855, onder meer inhoudende:

Het onderzoek 094EXPO betreft het onderzoek naar een overval waarbij het slachtoffer werd zwaar verwond werd middels een vuurwerkbom.

Binnen dit onderzoek zijn als verdachten aangemerkt:

Achternaam : [achternaam verdachte]

Voornamen : [voornamen]

en

Achternaam : [betrokkene 1]

Voornamen : [voornamen]

In het kader van dit onderzoek is door de rechter-commissaris, van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam op 7 december 2011 een doorzoeking ter inbeslagneming ingesteld in het perceel [b-straat 1] te Purmerend, zijde de woning van verdachte [betrokkene 1].

Bij de zoeking werd een personal computer in beslag genomen.

Ik, verbalisant, heb onderzoek gedaan naar de bovenstaande gegevensdrager. Het onderzoek vond plaats, nadat de gegevensdrager door Bureau Digitale Techniek was veilig gesteld. Het onderzoek werd gedaan naar de aanwezigheid van gegevens, betrekking hebbende op het onderzoek. Hierbij werd onder andere gezocht naar gewiste gegevens, internetgegevens, algemene gebruiksgegevens, chatlogs, tekstbestanden en opgegeven zoekvragen.

Door mij, verbalisant, is de voor het onderzoek mogelijk belangrijke informatie geselecteerd in zogenaamde bookmarks.

In de onderzochte computer is op het internet gezocht via Wikipedia. Dit betreft een online encyclopedie. Er is onder andere gezocht naar de woorden schietkatoen, tijdbom, vuurwerk, vuurwerk/chemie en op zelfgemaakte explosieven.

Op het internet is middels de site www.Youtube.com onder andere gezocht naar filmpjes die voldoen aan het zoekwoord vuurwerk.

In de computer is op het internet, via de site Youtube gekeken naar filmpjes van vuurwerk, en de uitwerking hiervan. Tevens is op dezelfde internetsite gezocht naar filmpjes die voldoen aan de zoekvraag vuurwerk + bom.

Op de internetsite Wikipedia.nl is gekeken en of gezocht naar onderwerpen welke in directe of indrecte relatie staan tot ontploffingen.

23.

Het relaas van de verbalisanten [verbalisant 7] en [verbalisant 8], beiden brigadier, als opgenomen in het door hen op 134 januari 2012 op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal sporenonderzoek, dossierpagina's 11 tot en met 59, onder meer inhoudende:

Op zaterdag 3 december te 03.20 uur kwam ik, verbalisant [verbalisant 7] ter plaatse, [a-straat 1] te Amersfoort. Bij het verlaten van mijn dienstvoertuig, welke ik, verbalisant [verbalisant 7], buiten de afzetting plaatste, zag ik, verbalisant [verbalisant 7], op de grond, een object liggen. Ik, verbalisant [verbalisant 7], zag dat het een metalen of loden balletje was.

Tijdens de eerste schouw van de voorzijde van de woning, zag ik, verbalisant [verbalisant 7], dat er grove schade aan de voordeur en het kozijn was ontstaan.

Wij zagen dat de voordeur en het kozijn ernstig was beschadigd. De ruiten van de deur waren vernield en het kozijn net boven het slot was ernstig ontzet en beschadigd.

Verder zagen we inslagen van kleine bolvormige objecten in de deur en het kozijn. Wij zagen dat er diverse delen versplinterd hout op de openbare weg voor de woning lagen. Wij zagen verder dat er diverse stukken hout afkomstig van het kozijn en de deur op de openbare weg lagen. Verder zagen we dat er meerdere metalen of loden bolletjes werden aangetroffen op de openbare weg.

In de woning werden door ons, op de vloer tussen de keuken en de woonkamer eveneens een metalen of loden bolletje aangetroffen. Op de vloer in de hal en in een opbergbak in de hal werden eveneens metalen of loden bolletjes aangetroffen.

Wij zagen verder dat de binnenzijde van de deur en het kozijn ernstig beschadigd waren. Wij zagen dat er diverse splinters van het kozijn in de hal en de woonkamer lagen. Tevens lag er glas en bloed op de grond.

28. Het deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 15 maart 2012, zaaknummer 2011.12.19.007, opgesteld door ing. E.M. Kok, inhoudende explosievenonderzoek naar aanleiding van een explosie in Amersfoort op 3 december 2001, onder meer inhoudende, dossierpagina's 12, 15, 18 en 19:

Spoor

Identificatie

Nummer Omschrijving politie

AADL4122NL Resten van kunststof dop (uit vuurwerkbom?)

AADL4123NL Stukje blauw kunststof (mogelijk onderdeel explosief)

AADL4124NL Restant vuurwerk (karton) met vermoedelijk stukje tape

AADL4129NL Stukje blauw kunststof (mogelijk restant vuurwerk)

AADL4132NL Restant vuurwerk met mogelijk stukje tape

AADL4133NL Stukje blauw kunststof

AADL413SNL Stukjes karton met 3 metalen balletjes (onderdelen vuurwerkbom?)

AADL4136NL Kruitbemonsteringen (nat/droog/blanco)

AADL413BNL Diverse vuurwerkresten.

De op de foto's waargenomen schade is te verwachten wanneer zich zo'n 10 cm boven de voordeurgreep een explosie van een deflagrerende lading heeft voortgedaan.

Gezien de schade aan en bij de voordeur ten opzichte van de stukken karton en kunststof heeft dit materiaal zich dicht tegen de explosieve lading aan bevonden. Deze schade aan karton en kunststof is te verwachten wanneer deze onderdeel van de explosieve constructie hebben uitgemaakt.

De resultaten van de chemische analyse passen goed bij de oorspronkelijke aanwezigheid van een lading op basis van aluminium, zwavel en een perchloraatverbinding. Het hiervoor genoemde mengsel is in de regel makkelijk tot ontsteking te brengen. Veelal volstaat een vuurwerklont.

Gezien de waargenomen schade was de oorspronkelijke constructie zonder meer geschikt om te worden gebruikt als voorwerp bestemd voor het treffen van personen of zaken door middel van ontploffing, zoals vermeld in de WWM.

Afsteken van het vuurwerk tegen een voordeur ben ik nog nooit in een gebruiksinstructie tegengekomen. Als inderdaad gebruik is gemaakt van onderdelen van vuurwerk of gemodificeerd vuurwerk, is het oorspronkelijke vuurwerk dus bewerkt.

Op grond van de onderzoeksresultaten wordt het volgende geconcludeerd:

1. De chemische analyseresultaten zijn te verwachten wanneer een lading op basis van aluminium, zwavel en een perchloraatverbinding tot ontploffing is

gekomen.

2. Voor het beantwoorden van vraag 2 is de volgende hypotheseset

beschouwd:

Hypothese A1: de oorspronkelijke constructie was (vrijwel volledig) zelfgemaakt.

Hypothese A2: de oorspronkelijke constructie was fabrieksmatig gemaakt.

Hypothese A3: de oorspronkelijke constructie was fabrieksmatig gemaakt en vervolgens gemodificeerd.

De bevindingen (kenmerken op de foto's en van het onderzoeksmateriaal en de chemische analyseresultaten) zijn veel waarschijnlijker wanneer Hypothese A1 juist is, dan wanneer Hypothese A2 juist is. Tevens zijn de bevindingen veel waarschijn/ijker wanneer Hypothese A3 juist is, dan wanneer Hypothese A2 juist is.

De bevindingen zijn waarschijnlijker wanneer Hypothese A3 juist is, dan wanneer Hypothese A1 juist is.

3. Door de primaire en secundaire effecten die bij een ontploffing van de achterhaalde constructie optreden, ontstaat gevaar voor lichamelijk letsel, zoals brandwonden, gehoorschade en doorboring van de huid. De ernst van dit letsel is onder meer afhankelijk van waar iemand door hitte en/of een scherf wordt geraakt, de energie die een scherf op dat moment heeft, de locatie van die persoon ten opzichte van de ontploffing.

Bij (vrijwel) direct contact met de explosieve constructie kan het letsel fataal zijn.”

5.4.

Het Hof heeft ten aanzien van het opzet op de levensberoving het volgende overwogen:

“Het hof dient vervolgens de vraag te beantwoorden of verdachte met het tot ontploffing laten komen van het explosief het opzet had om aangever [slachtoffer] van het leven te beroven.

Gelet op het verbale contact kort voor de explosie tussen verdachte en aangever door de brievenbus van de voordeur, over de sleutelbos, moet verdachte zich bewust zijn geweest van de positie van aangever ten opzichte van het explosief. Desondanks heeft verdachte het explosief tot ontploffing gebracht. Uit het explosievenonderzoek van het NFI volgt dat bij vrijwel direct contact met de explosieve constructie kan het letsel fataal zijn. Uit voornoemde omstandigheden volgt naar het oordeel van het hof dat verdachte de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat aangever door het tot ontploffing gebrachte explosief om het leven zou kunnen komen.”

5.5.

Blijkens de ter terechtzitting in hoger beroep van 13 juni 2013 overgelegde pleitnota heeft de raadsman van de verdachte aldaar onder meer het volgende aangevoerd:

Feit 3:

Poging moord/doodslag;

Idem; niet medeplegen, maar plegen; dus alleen als vaststaat dat cliënt in de woning was.

(…)

Subsidiair geldt met betrekking tot zowel de poging moord als poging doodslag het volgende.

Technisch onderzoek verricht naar de aard en omvang van de explosie, in het bijzonder in relatie tot het daarmee veroorzaakte gevaar. Dat gevaar zou zodanig moeten zijn geweest dat er een aanmerkelijke kans is geweest dat aangever [slachtoffer] het leven zou verliezen.

Resultaten van technisch onderzoek:

Oorzaak letsel; mogelijk onderdeel deursluiting tegen hoofd (p. 1120), niet geheel duidelijk op basis van dossier. Conclusie is dat letsel zeer waarschijnlijk is veroorzaakt door explosie, hetgeen door de verdediging niet wordt betwist.

Vraag is of er zich door het afsteken van het explosief een aanmerkelijke kans heeft voorgedaan dat aangever zou komen te overlijden. Als dit zo is dient in de tweede plaats te worden vastgesteld of bewust de kans is aanvaard dat dit gevolg zou intreden. = invulling van vw opzet.

Bewuste aanvaarding kans?

Bewust zijn gebeurd. Zie hierover onder kopje moord voor feitelijk handelen. Lijkt in een impuls en bij snel gewijzigde omstandigheden te hebben plaatsgevonden. Niet blijkt uit dossier van een bewuste aanvaarding van enige kans. Niet blijkt van stil staan bij mogelijke gevolgen en het dan toch doen. Juist in kort tijdsbestek en snel handelen. Opzet kan niet worden bewezen, derhalve vrijspraak.

Aanmerkelijke kans dat dood zou intreden?

Bevindingen FO:

p. 1160 (deskundigenonderzoek): er ontstaat door de ontploffing gevaar voor lichamelijk letsel. De ernst van het letsel is onder meer afhankelijk van waar iemand door de hitte en of scherf wordt geraakt, de energie die een scherf op dat moment nog heeft, de locatie van de persoon ten opzichte van de ontploffing.

p. 1089: Bij (vrijwel) direct contact kan fataal zijn. In dit geval geen sprake geweest van vrijwel direct contact. Was eenvoudigweg niet mogelijk omdat de deur er tussen zat.

Belangrijk zijn specifieke omstandigheden van dit geval, in het bijzonder waar het explosief is afgestoken.

Zie foto's 1165/1168: lijkt er op alsof explosief op handvat van de deur is gelegd of is geklemd tussen deurpost en handvat. Gezien schade aan de deur mag er redelijkerwijs van uit worden gegaan dat het explosief zich daar bevond toen het tot ontploffing werd gebracht.

Van belang om vast te stellen omdat op het moment van de ontploffing er een deur aanwezig was tussen het explosief en aangever. Stevige houten deur is 3 a 4 cm breed.

Daarvan mag worden aangenomen dat het een (groot) deel van de energie van de explosie tegenhoudt, waardoor aangever daar niet wordt blootgesteld. Daardoor sprake van minder groot risico voor aangever dat dood in zal treden als hij op deze wijze aan explosie wordt blootgesteld.

p. 1121: geen gehoorbeschadiging opgetreden. Aanwijzing dat de impact van de explosie, door de aanwezigheid van de houten deur sterk verminderd is. Deel van de energie van de explosie is kennelijk geabsorbeerd door de deur en/of de andere kant opgegaan en daaraan is aangever niet bloot gesteld. Onderbouwing voor de stelling dat er in deze zaak feitelijk geen situatie is geweest waarin redelijkerwijs zou moeten worden gevreesd voor het leven van aangever.

Ook overigens geen aanwijzingen dat de impact van de ontploffing naar binnen toe (dus de woning in) is geweest. Geen schade in portiek aangetroffen die duidt op het met (fatale of aanzienlijke) kracht naar binnen toe vliegen van harde voorwerpen. Bijvoorbeeld geen deukjes van balletjes in de portiek, zoals p. 1167. Dat is enkel aan de buitenzijde van de woning waargenomen. Ook aanwijzing dat grootste deel van de energie van de ontploffing naar buiten toe is bewogen.

Getuige-deskundige Kok bevestigt dat ook bij de RHC op p. 2 van verklaring. “Mocht de deur zo sterk zijn dat hij niet wordt vernield, dan zal de drukgolf teruggekaatst worden". Nu in deze zaak de deur niet (in aanmerkelijke mate) is vernield, is het aannemelijk dat een groot deel van de druk/energie van de explosie door het hout van de deur is geabsorbeerd/teruggekaatst. Hierdoor is aangever hier niet aan blootgesteld en is de impact van de explosie niet zodanig geweest dat hij zou komen te overlijden.

Wat de impact dan wel precies zou zijn geweest (in relatie tot te verwachten letsel) ook verder niet genoegzaam uit dossier. Uit eerder genoemde opmerking dat bij direct contact fataal kan zijn geldt dat deze situatie niet aan de orde is geweest.

Voor overige kan Kok er niets over zeggen. Maximale lading van 100gr. bij gestrekte arm niet direct dodelijk, tegen hoofd aan wel (zonder dat er iets tussen zit). Hoe zit dat als lading 20-30 gram was geweest? nog minder snel dodelijk. Dergelijke lading zou voor zelfde schadebeeld buiten kunnen zorgen, terwijl impact in het halletje dan minder zou zijn.

Uit dossier blijkt derhalve niet genoegzaam dat sprake is van een aanmerkelijke kans dat aangever het leven zou laten als gevolg van de explosie.

Een en ander stekt tot de conclusie dat de impact van de ontploffing naar binnen toe, dus in de richting van de aangever, door de aanwezigheid van de houten deur, zodanig beperkt is geweest, dat redelijkerwijs niet hoefde te worden gevreesd dat eventueel letsel dodelijk zou zijn geweest. Geen aanmerkelijke kans op het intreden van de dood.

Geen bewijs voor bestanddeel 'opzettelijk van het leven te beroven', derhalve vrijspraak.”

5.6.

Blijkens de gebezigde bewijsmiddelen heeft het Hof het volgende vastgesteld. Het in de bewezenverklaring bedoelde explosief is – waarschijnlijk zo’n 10 cm boven de voordeurgreep - aan de buitenzijde van de buitendeur bevestigd terwijl de deur op dat moment dicht was. Deze deur was van hout en bevatte twee (mat)glazen ruiten. Het latere slachtoffer bevond zich op dat moment aan de andere kant van de deur en praatte via de brievenbus met de verdachte. Hij zag verdachtes gezicht (vervormd) door het matglas heen en zag dat de verdachte bij de deurklink met iets bezig was en zag iets van een lontje branden. Na de ontploffing van het explosief lagen twee glazen van de deur eruit en was het kozijn en de deur net boven de deurgreep zwaar beschadigd, waren er inslagen van kleine bolvormige objecten in de deur en het kozijn, lagen op de openbare weg voor de woning meerdere metalen of loden bolletjes en diverse delen versplinterd hout afkomstig van de deur en het kozijn. De binnenzijde van de deur en het kozijn was eveneens ernstig beschadigd en er lagen diverse splinters van het kozijn in de hal en in de woonkamer, tevens lag er glas en bloed op de grond. Eveneens zijn in de woning, op de vloer tussen de keuken en de woonkamer en in de hal en in een opbergbak in de hal metalen of loden bolletjes aangetroffen. In de bij de verdachte aangetroffen computer is op het internet gekeken naar filmpjes van vuurwerk en de uitwerking hiervan. Bij ontploffing van het door de verdachte gebruikte explosief ontstaat gevaar voor lichamelijk letsel zoals brandwonden, gehoorschade en doorboring van de huid. De ernst van dit letsel is onder meer afhankelijk van waar iemand door hitte en/of een scherf wordt geraakt, de energie die een scherf op dat moment heeft en de locatie van die persoon ten opzichte van de ontploffing. Bij (vrijwel) direct contact met de explosieve constructie kan het letsel fataal zijn.

5.7.

Het Hof lijkt er gelet op zijn bewijsoverweging vanuit te gaan dat slechts bij vrijwel direct contact met de explosieve constructie het letsel fataal kan zijn. Zijn kennelijke oordeel dat er derhalve in de onderhavige zaak sprake was van een aanmerkelijke kans dat de aangever door het tot ontploffing gebrachte explosief om het leven zou (kunnen) komen, acht ik gelet op de voorgaande vaststellingen niet zonder meer begrijpelijk en ontoereikend gemotiveerd. Dat het Hof uit de deskundigenverklaring dat het letsel bij vrijwel direct contact met de explosieve constructie fataal kan zijn, kennelijk heeft afgeleid dat de kans ook aanmerkelijk is dat het letsel bij een dergelijk contact fataal is, acht ik niet onbegrijpelijk. Dat is anders met het kennelijke oordeel van het Hof dat in het onderhavige geval gesproken kan worden van vrijwel direct contact. Het explosief is immers afgestoken aan de buitenzijde van een dichte deur terwijl de aangever zich op dat moment aan de binnenzijde van die deur bevond. Gelet daarop behoeft het oordeel dat desondanks van vrijwel direct contact kan worden gesproken nadere verklaring. Mogelijk heeft het Hof in aanmerking genomen dat de deur – gelet op de verklaring van de aangever dat hij verdachtes gezicht door het glas heen zag en zag dat verdachte bij de deurklink met iets bezig was – deels uit (mat)glas bestond.1 Maar ook dan is het oordeel niet zonder meer begrijpelijk. Ik merk daarbij op dat het Hof over de precieze constructie van de deur noch over de precieze posities van het explosief en het (gezicht van het) slachtoffer ten opzichte van elkaar en ten opzichte van de matglazen onderdelen van de deur iets heeft vastgesteld. Belangrijker is nog dat een deskundigenverklaring over het remmend effect van matglas op het explosieve geweld ontbreekt.

5.8.

Nu het bewezenverklaarde (voorwaardelijk) opzet reeds daarom ontoereikend is gemotiveerd, is het middel terecht voorgesteld en ga ik niet in op het – zowel in feitelijke aanleg als in cassatie – betwiste bewust aanvaarden van de door het Hof gestelde aanmerkelijke kans.

5.9.

Het middel slaagt.

6 Het derde middel

6.1.

Het middel klaagt dat de onder 3 bewezenverklaarde voorbedachten rade, mede gelet op het dienaangaande ter terechtzitting in hoger beroep gevoerde verweer, onbegrijpelijk dan wel ontoereikend is gemotiveerd.

6.2.

Het middel behoeft, nu het tweede middel slaagt, geen bespreking. Uiteraard ben ik bereid om, indien de Hoge Raad van oordeel is dat het tweede middel geen doel treft, desgewenst nader te concluderen.

7 Het vierde middel

7.1.

Het middel klaagt dat het Hof bij de strafmotivering heeft laten meewegen dat verdachte in het geheel niet zou hebben stilgestaan bij de mogelijke gevolgen voor het slachtoffer, terwijl bij de bewezenverklaring van de voorbedachte raad is aangenomen dat hij zich rekenschap heeft gegeven van de consequenties van zijn handelen, welke overwegingen onverenigbaar zijn, althans zonder nadere motivering onbegrijpelijk.

7.2.

Het Hof heeft de strafoplegging als volgt gemotiveerd:

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld voor de feiten 1 tot en met 5 en 7 tot en met 8 tot een gevangenisstraf van 14 jaren met aftrek van het voorarrest.

De verdediging heeft bepleit dat bij een bewezenverklaring van de feiten een gevangenisstraf van 7 tot 8 jaren niet onredelijk is.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een woningoverval, waarbij hij goederen heeft weggenomen en het slachtoffer heeft bedreigd met een mes, hem heeft vastgebonden en geblinddoekt en hem anaal heeft verkracht, waarna hij door het bewust tot ontploffing brengen van een explosief heeft geprobeerd het slachtoffer van het leven te beroven. Het slachtoffer heeft aan de handelingen van verdachte zeer ernstig letsel overgehouden. Dat het slachtoffer niet om het leven is gekomen is in het geheel niet aan verdachte te danken.

Verdachte heeft buitengewoon ernstige misdrijven gepleegd, waarmee hij de lichamelijke integriteit en het gevoel van veiligheid van het slachtoffer ernstig heeft aangetast, zoals blijkt uit de slachtofferverklaring. Het slachtoffer heeft zeer angstige momenten gekend en ziet zich door toedoen van verdachte zowel fysiek als geestelijk gesteld voor een lange herstelperiode en kan vermoedelijk zijn werkzaamheden zoals die hij had voor de overval niet meer uitoefenen.

Het spreekt voor zich dat een dergelijke gewelddadige overval voor het slachtoffer een bijzonder traumatische ervaring moet zijn geweest. Hierbij heeft verdachte kennelijk in het geheel niet stilgestaan en zijn financieel gewin laten prevaleren boven de gevolgen voor het slachtoffer.

Daarnaast heeft verdachte zijn vriendin met de dood bedreigd, twee diefstallen en twee inbraken gepleegd. Ook uit deze door verdachte gepleegde feiten blijkt dat hij het gebruik van geweld niet schuwt en alleen denkt aan zijn eigen (financiële) gewin.

Wat betreft de persoon van de verdachte is gelet op het uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 27 mei 2013, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor een woningoverval.

De feiten worden verdachte dan zwaar aangerekend. Gezien de ernst van het feit komt geen andere straf in aanmerking dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Alhoewel het hof meer bewezen acht dan de advocaat-generaal acht het hof voor afdoening van de bewezenverklaarde feiten een gevangenisstraf voor de duur van veertien jaren passend en geboden.”

7.3.

Het Hof bedoelt met zijn overweging “dat verdachte bij de omstandigheid dat een dergelijke gewelddadige overval voor het slachtoffer een bijzondere traumatische ervaring moet zijn geweest, kennelijk in het geheel niet heeft stilgestaan en dat hij zijn financieel gewin heeft laten prevaleren boven de gevolgen voor het slachtoffer” kennelijk dat de verdachte zich door de consequenties van zijn daden voor het slachtoffer niet heeft laten weerhouden om het feit te plegen. Zo gelezen is er geen tegenstrijdigheid in ’s Hofs overwegingen, waardoor het middel feitelijke grondslag mist.

7.4.

Het middel faalt.

8 Het vijfde middel

8.1.

Het middel klaagt blijkens de toelichting dat het Hof op gronden die deze beslissing niet kunnen dragen heeft geoordeeld dat ten tijde van de aanhouding buiten heterdaad sprake was van een redelijk vermoeden van een strafbaar feit, althans dat het Hof die beslissing onbegrijpelijk en/of ontoereikend heeft gemotiveerd.

8.2.

Ten laste van de verdachte heeft het Hof onder 6 bewezenverklaard dat:

“hij op 21 april 2011 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een winkelpand (perceel Buikslotermeerplein 123) heeft weggenomen dameskleding en een portemonnaie toebehorende aan Vroom en Dreesmann”

8.3.

Deze bewezenverklaring berust op de navolgende bewijsmiddelen:

“35.

Een schriftelijk bescheid zijnde een aangifte namens V en D door [betrokkene 2] op 21 april 2011, als opgenomen in het aangifte formulier winkeldiefstal, dossierpagina's 985 en 986, opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 10], van regiopolitie te Amsterdam, onder meer inhoudende:

[betrokkene 2] heeft gezien dat de vrouw grote hoeveelheden kleding aan de man gaf die in de paskamer was. Ik zag dat de man de paskamer uitkwam zonder kleding. Ik zag dat de vrouw ook de paskamer uitkwam zonder kleding.

Ik heb gezien dat de vrouw tot 2x toe kleding in de paskamer aan de man heeft gegeven. Ik zag dat de man met de tas de paskamer inging en de vrouw met de volle tas de paskamer uitkwam. Ik zag dat zij de winkel verlieten zonder te betalen.

Goederenbijlage:

1 spijkerbroek dames;

1 spijkerjas

1 roze hemd

1 portemonnee

1 zwart jurkje

1 jurkje

1 spijkerbroek

1 zwarte jas

1 zwart T-shirt

1 groen T-shirt.

36.

Het relaas van de verbalisanten [verbalisant 11], brigadier en [verbalisant 12], aspirant, als opgenomen in het door hen op 22 april 2011 op respectievelijk ambtsbelofte en ambtseed proces-verbaal, dossierpagina's 996 tot en met 998, onder meer inhoudende:

Op 22 april 2011 (naar het hof begrijpt 21 april 2011. Abusievelijk is ook deze datum in het arrest opgenomen) werd ik, verbalisant [verbalisant 11], op dag, datum, tijdstip, voornoemd gebeld door een beveiligingsbeambte [betrokkene 2], welke op dat moment in burger dienst deed in de Vroom en Drees, Buikslotermeerplein 123 te Amsterdam.

Hij deelde mij telefonisch mede dat er twee mensen, een negroïde man en een blanke vrouw, vermoedelijk voorbereidingen aan het treffen waren voor een winkeldiefstal.

Hij vertelde mij dat de negroïde man zich op de begane grond in een paskamer bevond. Hij vertelde mij verder dat de blanke vrouw tot drie keer toe een stapel dure merkkleding aanleverde aan de negroïde man. Ik hoorde dat de negroïde man de paskamer niet uitgeweest was en dat [betrokkene 2] het vermoeden had dat zij deze kleding zouden ontvreemden.

Ik hoorde dat [betrokkene 2] mij verzocht om "aan te leunen", daar de Vroom en Dreesman twee uitgangen heeft. Tevens gaf [betrokkene 2] het signalement door van de man en vrouw.

Na ongeveer 5 minuten belde [betrokkene 2] mij weer op en vertelde mij dat de negroïde man met een grote tas de paskamer uitgelopen was en dat hij in het gezelschap van de blanke vrouw naar de voorzijde van Vroom en Dreesman liep.

Ik, verbalisant [verbalisant 11], had inmiddels collega's [verbalisant 13] en [verbalisant 14] telefonisch verzocht de voorzijde van de Vroom en Dreesmann in de gaten te houden.

Wij, verbalisanten zagen de negroïde man en vrouw in de richting van de uitgang lopen. Ik zag en hoorde dat [betrokkene 2] deze twee mensen aan wees en mij vertelde dat het om deze twee ging.

Wij, verbalisanten, zagen dat beide verdachten buiten de Vroom en Dreesman voor de deur stonden. Op dat moment waren zij door [betrokkene 2] en zijn collega aangesproken. Wij zagen dat zij de winkel hadden verlaten, zonder de meegenomen goederen, die zich op dat moment in de tas bevonden, af te rekenen.

Hierop heb ik, verbalisant [verbalisant 11], de vrouwelijk verdachte aangehouden. De mannelijke verdachte werd door collega [verbalisant 13] aangehouden.

In de tas van de verdachte, alwaar de gestolen goederen zich bevonden, troffen wij een kniptang aan. Wij hoorden dat de verdachte [verdachte] verklaarde dat hij met deze tang kledinglabels en beveiligingslabels had afgeknipt in de kleedkamer.

37.

De verklaring van verdachte van 21 april 2011 als opgenomen in het door de verbalisanten [verbalisant 15], aspirant, en [verbalisant 16], aspirant, op 21 april 201 1 op respectievelijk ambtseed en ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal, dossierpagina's 1007 tot en met 1010, onder meer inhoudende:

V: U wordt verdacht van winkeldiefstal. Ik moet u erbij zeggen dat er camerabeelden zijn, wat wilt u verklaren over deze diefstal?

A: Ja dat ik ben aangehouden met spullen die ik niet heb afgerekend.

V: Hoe komt dat u dat niet heeft afgerekend?

A: Het zijn spullen voor mijn zusje. Ik had al heel lang beloofd om kleding voor haar te halen. Ik wilde een goede daad stellen.

V: Hoe had je dat gedaan?

A: Ik had een tang gehaald bij de Hema. Toen had ik die alarm daarmee afgehaald.

V: Wat voor kleding was het?

A: Dameskleding van het merk Jane Woman.”

8.4.

Blijkens de ter terechtzitting in hoger beroep van 13 juni 2013 overgelegde pleitnota heeft de raadsman van de verdachte aldaar, voor zover van belang, het volgende aangevoerd:

Feit 6:

diefstal V&D 21 april 2011; 16/124437-11

sprake van onrechtmatige aanhouding. Melding bij verbalisanten dat er een persoon kleding aan een andere persoon geeft in een pashok. Op zichzelf geen omstandigheid waaruit een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit voortvloeit.

Vervolgens verlaten beide personen de winkel met een grote tas. Worden aangesproken op het moment dat de winkel is verlaten. Kennelijk winkel verlaten zonder dat alarmpoortjes een diefstalsignaal hebben afgegeven.

Dus nog steeds geen objectieve aanwijzing voor diefstal. Zou anders zijn indien in het pashokje zou zijn gekeken of de kleding daar nog lag. Als de kleding daar niet zou liggen kan redelijkerwijs worden vermoed dat kleding is weggenomen. Nu is dat niet aan de orde en wordt cliënt dus aangehouden zonder dat er een redelijk vermoeden van schuld aan ten grondslag ligt.

Betreft vormverzuim in voorbereidend onderzoek, als bedoeld in art. 359a Sv; Onherstelbaar en cliënt wordt daardoor in zijn belang geschaad. Norm strekt ter voorkoming van het zomaar/willekeurig aanhouding en beperken van vrijheden van burgers. Is een strafvorderlijk voorschrift van grote importantie, reden waarom sanctie op dit vormverzuim bewijsuitsluiting moet zijn. Geldt voor al hetgeen aan bewijs is verkregen als gevolg van de onrechtmatige aanhouding. Aantreffen goederen en verklaring cliënt uitsluiten; voor overige onvoldoende wettig (en overtuigend) bewijs voor diefstal. Derhalve vrijspraak.”

8.5.

Het Hof heeft ten aanzien van dit verweer het volgende overwogen:

“Verdachte heeft dit feit bij de politie bekend.

Ten aanzien van feit 6 stelt de verdediging echter dat er sprake is van een onrechtmatige aanhouding. Verdachte werd aangehouden zonder dat er een redelijk vermoeden van schuld aanwezig was. De verdediging stelt dat een dergelijk vormverzuim onherstelbaar is en dat verdachte daardoor in zijn belang is geschaad, waardoor al hetgeen aan bewijs (verklaringen en aantreffen van goederen) is verkregen als gevolg van de onrechtmatige aanhouding van de bewijsvoering moet worden uitgesloten. Derhalve dient vrijspraak voor dit feit te volgen, aldus de verdediging.

Ten aanzien van feit 6 stelt de advocaat-generaal dat het onduidelijk is of er bij de aanhouding van verdachte voldoende verdenking van schuld was zodat verdachte van dit feit dient te worden vrijgesproken.

Het hof acht het feit wettig en overtuigend bewezen.

Op 22 april 2011 werden agenten van de politie Amsterdam-Amstelland gebeld door een beveiligingsbeambte, welke werkzaam was bij Vroom en Dreesmann te Amsterdam. Deze deelde de verbalisanten mede dat er twee mensen vermoedelijk voorbereidingen aan het treffen waren voor een winkeldiefstal. Het betrof een man en een vrouw. De man in de paskamer kreeg tot drie keer toe een stapel dure merkkleding aangereikt door de vrouw. De man is daarbij de paskamer niet uit geweest. Na vijf minuten belde de beveiligingsbeambte wederom naar de agenten en deelde mede dat de twee personen naar de voorzijde van Vroom en Dreesmann liepen. Hierop werden de twee personen, nadat zij Vroom en Dreesmann hadden verlaten zonder te betalen door de agenten aangehouden.

Naar het oordeel van het hof kan op grond van de voornoemde feiten en omstandigheden naar objectieve maatstaven in redelijkheid worden geconcludeerd dat sprake was van een redelijk vermoeden van schuld jegens verdachte aan een strafbaar feit, zodat de aanhouding van verdachte rechtmatige is geweest en kunnen de verklaringen van verdachte en zijn medeverdachte en de aangetroffen goederen voor het bewijs worden gebezigd.”

8.6.

Het Hof heeft onder meer tot het bewijs gebezigd de aangifte namens V&D door [betrokkene 2], zijnde de door het Hof bedoelde beveiligingsbeambte. In deze aangifte verklaart de beveiligingsbeambte onder meer dat hij heeft gezien dat de man met de tas de paskamer inging en de vrouw met de volle tas de paskamer uitkwam. Zijn – kennelijke – waarneming dat de man met een ‘lege’ tas de paskamer inging en dat de vrouw weer met een volle tas de paskamer uitkwam, lijkt mij, tezamen met de door hem aan de agenten doorgegeven waarneming dat de man in de paskamer tot drie keer toe een stapel kleding kreeg aangereikt door de vrouw, dat de man de paskamer niet is uit geweest en dat zij vervolgens naar buiten liepen zonder te betalen, voldoende voor een redelijk vermoeden van schuld. Dat deze informatie niet in deze precieze vorm aan de agenten die de verdachte aanhielden, was doorgegeven, maakt naar mijn mening niet dat zij ten tijde van de aanhouding niet het redelijk vermoeden hadden dat de verdachte zich aan diefstal had schuldig gemaakt. Ik meen namelijk dat de agenten bij hun oordeel dat sprake was van een redelijk vermoeden van schuld mochten betrekken dat de summiere informatie afkomstig was van een beveiligingsbeambte die geacht mag worden te beschikken over specifieke ervaring en deskundigheid als het om het herkennen van winkeldiefstal gaat en die ook geacht mag worden de politie niet zonder reden in te schakelen.

8.7.

Ten overvloede merk ik nog op dat de beveiligingsbeambte de verdachte op grond van art. 53 Sv in elk geval zelf mocht aanhouden. In welk belang de verdachte is getroffen door het feit dat hij niet door de beveiligingsbeamte zelf, maar door de door hem ingeschakelde opsporingsambtenaren is aangehouden, maakt het gevoerde verweer niet duidelijk. Gelet daarop had het Hof het beroep op bewijsuitsluiting slechts kunnen verwerpen.

8.8.

Het middel faalt.

9. Het eerste, vierde en vijfde middel falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering. Het tweede middel slaagt, het derde middel behoeft daarom geen bespreking.

10. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

11. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde feit en de strafoplegging, tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 Bevestiging hiervoor vind ik in het zich bij de stukken bevindende Rapport van het NFI betreffende het explosievenonderzoek naar aanleiding van de bewezenverklaarde ontploffing. Uit de zich in dat Rapport bevindende foto’s van de plaats delict blijkt dat de deur uit (mat)glas bestond, op de houten ‘omlijsting’ van de deur (waarop de deurklink bevestigd was) en de horizontale balk in de deur (waarin de brievenbus zich bevond) na.