Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:329

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
04-04-2014
Datum publicatie
23-05-2014
Zaaknummer
14/01149
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:1214, Gevolgd
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. WSNP. Tussentijdse beëindiging schuldsaneringsregeling. Schending sollicitatieplicht; nieuwe schulden. Feitelijke grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

14/01149

Mr. L. Timmerman

Zitting 4 april 2014

Conclusie inzake:

[verzoekster],

verzoekster tot cassatie,

(hierna [verzoekster]).

1. De rechtbank Den Haag heeft bij vonnis van 12 december 2013 de toepassing van de schuldsaneringsregeling, die op 4 september 2012 ten aanzien van [verzoekster] was uitgesproken, op voordracht van de rechter-commissaris beëindigd. De rechtbank was onder meer van oordeel dat [verzoekster] nieuwe schulden had laten ontstaan en niet aan haar sollicitatieverplichting had voldaan. Met betrekking tot het laatste is de rechtbank ervan uitgegaan dat [verzoekster] arbeidsgeschikt was, nu er geen keuring had plaatsgevonden. Dat sprake was van een vrijstelling onder de Wet werk en bijstand (Stb. 2003/375), leidde volgens de rechtbank niet tot een andere beslissing.

2 [verzoekster] is op 19 december 2013 hiertegen in hoger beroep opgekomen. Zij heeft daarbij onder meer het volgende aangevoerd. Ten aanzien van de nieuwe schulden heeft zij gesteld dat deze binnen de looptijd van de schuldsaneringsregeling kunnen worden afgelost omdat er een surplus is op de boedelrekening en voor de andere schuld een betalingsregeling is getroffen. Wat betreft de sollicitatieverplichting heeft [verzoekster] naar voren gebracht dat een arbeidsgeschiktheidskeuring is aangevraagd maar nog niet heeft plaatsgevonden omdat de gemeente Den Haag daarvoor geen of nauwelijks geld beschikbaar heeft, en dat zij de bewindvoerder heeft ingelicht over de vrijstelling onder de Wet werk en bijstand maar niet door de bewindvoerder is geïnformeerd dat die vrijstelling niet voor de schuldsaneringsregeling geldt. Voorts heeft [verzoekster] een beroep gedaan op de bijzondere omstandigheden van haar geval. Mede uit [verzoeksters] toelatingsverzoek van 8 augustus 2012 blijkt dat zij te maken heeft gehad met gezins- en gezondheidsproblemen. In 1998 heeft haar partner zich van het leven beroofd door van het balkon te springen. [verzoekster] bleef achter met 2 minderjarige kinderen. In 2006 is er schildklierkanker geconstateerd, waarvoor [verzoekster] is geopereerd en nog onder controle staat. Daarnaast hebben de ernstige gedragsproblemen van haar zoon in 2011 tot een ondertoezichtstelling geleid.

3 De zaak is op 18 februari 2014 mondeling behandeld. Bij arrest van 25 februari 2014 heeft het gerechtshof Den Haag het bestreden vonnis bekrachtigd. Daartoe is onder meer het volgende overwogen:

“4. Vooropgesteld wordt dat van personen ten aanzien van wie de schuldsanering is

uitgesproken mag worden verwacht dat zij zich tot het uiterste inspanningen om te voldoen aan de daaraan verbonden verplichtingen. Op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof van oordeel dat [verzoekster] haar uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren is nagekomen. Daartoe overweegt het hof het volgende. Een van de hoofdverplichtingen van de schuldsaneringsregeling is het door middel van arbeid genereren van inkomen ten behoeve van de schuldeisers, behoudens in het geval van volledige arbeidsongeschiktheid. Gedurende de gehele regeling heeft [verzoekster] nagelaten aantoonbaar te solliciteren, dan wel een arbeidsongeschiktheidsverklaring over te leggen aan de bewindvoerder. Het verweer van [verzoekster], dat zij door haar medische en persoonlijke situatie kansloos is op de arbeidsmarkt, miskent dat de sollicitatieverplichting een inspanningsverplichting is en geen resultaatsverplichting. Wanneer een schuldenaar tot de schuldsaneringsregeling wordt toegelaten, geldt voor de schuldenaar de verplichting om zich tot het uiterste in te spannen om betaald werk te vinden. Het hof constateert dat [verzoekster], hoewel zij op de toelatingszitting heeft aangegeven wel in staat te zijn om te werken, in de nakoming van deze op haar rustende verplichting ernstig tekort is geschoten. Dat [verzoekster] arbeidsongeschikt is, is niet aannemelijk geworden. De rechter-commissaris heeft haar niet ontheven van de sollicitatieplicht. [verzoekster] heeft haar stelling dat zij arbeidsongeschikt is ook niet onderbouwd met een verklaring van een onafhankelijke arts.

Voorts heeft [verzoekster] gedurende de duur van de schuldsaneringsregeling twee nieuwe schulden laten ontstaan [verzoekster] heeft verzuimd met bewijsstukken voldoende aannemelijk te maken dat deze gedurende de looptijd van de schuldsaneringsregeling kunnen worden ingelopen.”

4 [verzoeksters] cassatieverzoekschrift, dat op 4 maart 2014 en derhalve binnen de door art. 351 lid 5 Fw genoemde cassatietermijn van acht dagen ter griffie van de Hoge Raad der Nederlanden is ingekomen, bevat twee middelen. Middel I kwalificeert als rechtens onjuist en/of onbegrijpelijk het oordeel dat [verzoekster] niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij arbeidsongeschikt is. Volgens het middel heeft het hof miskend dat [verzoekster] zich niet op het standpunt heeft gesteld niet gebonden te zijn aan de sollicitatieverplichting. Middel II bevat een motiveringsklacht tegen ’s hofs oordeel dat [verzoekster] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de nieuwe schulden gedurende de looptijd van de schuldsaneringsregeling kunnen worden ingelopen. Hiermee zou het hof niet alleen [verzoeksters] verweer ongemotiveerd terzijde hebben geschoven, maar ook het gelijkluidende standpunt van de bewindvoerder.

5 Beide middelen kunnen wegens een gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden. Middel I ziet over het hoofd dat het hof expliciet in zijn beoordeling heeft betrokken dat [verzoekster] op de toelatingszitting heeft aangegeven wel in staat te zijn om te werken. Anders dan middel II aanneemt heeft het gerechtshof niet miskend dat gesteld is dat de nieuwe schulden tijdens een verlenging kunnen worden ingelopen, maar veeleer geoordeeld dat verzuimd is deze stelling met bewijsstukken voldoende aannemelijk te maken. Dat oordeel is overwegend feitelijk van aard en niet onbegrijpelijk in het licht van hetgeen partijen hebben aangevoerd.

6 Ik hecht eraan ten overvloede nog het volgende op te merken.

7 Art. 350 lid 3 aanhef en onder c Fw verlangt – op straffe van beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling – dat de schuldenaar zich tot het uiterste inspant om te voldoen aan de verplichtingen die uit de schuldsaneringsprocedure voortvloeien. Een van deze verplichtingen betreft de inspanningsverplichting om zoveel mogelijk inkomsten te verwerven in het tijdvak waarop de schuldsaneringsregeling op de schuldenaar van toepassing is (art. 288 lid 1 aanhef en onder c Fw; Kamerstukken II 1992/93, 22 969, nr. 3, p. 6). Wanneer de schuldenaar op medische gronden niet in staat is werk te verrichten, kan de rechter-commissaris een ontheffing van de sollicitatieplicht verlenen (art. 3.5 van de Recofa-richtlijnen). Het regime waaronder een vrijstelling in het kader van de Wet werk en bijstand wordt verleend, wijkt hier enigszins van af. Zo bepaalt art. 9 lid 4 van die wet dat de verplichting om algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden voor de alleenstaande ouder met kinderen tot 12 jaar slechts geldt nadat het college van burgemeester en wethouders zich genoegzaam heeft overtuigd van de beschikbaarheid van passende kinderopvang, de toepassing van voldoende scholing en de belastbaarheid van de betrokkene. Tegen deze achtergrond kan een mededeling van het college van B en W over het (ontbreken van) een sollicitatieplicht onder de Wet werk en bijstand in het algemeen niet worden gelijkgesteld aan een vrijstelling onder de Faillissementswet (vgl. mijn conclusie vóór HR 28 oktober 2011, ECLI:NL:PHR:2011:BU2128). De rechter-commissaris zal in het kader van de schuldsaneringsregeling wel in aanmerking kunnen nemen dat het voor sommige schuldenaren niet altijd makkelijk is om diverse instanties uit elkaar te houden, en rekening kunnen houden met een eventueel beroep op het vertrouwensbeginsel (zie de conclusie van A-G Langemeijer vóór HR 19 januari 2007, ECLI:NL:PHR:2007:AZ2048, onder 3.10). De stukken van het geding en hetgeen de schuldenaar en de bewindvoerder naar voren hebben gebracht zullen daar wel voldoende feitelijke grondslag voor moeten bieden. Dat laatste is in deze zaak niet gebleken. Uit het dossier kan worden opgemaakt dat [verzoekster] al in een vroeg stadium is gewezen op haar sollicitatieverplichting, de noodzaak stukken over te leggen met betrekking tot de gestelde arbeidsongeschiktheid en de verstrekkende gevolgen van het niet nakomen van deze verplichtingen (vgl. de brief van de bewindvoerder van 25 maart 2013). Voorts heeft [verzoekster] tijdens de zitting in eerste aanleg van de rechter-commissaris kunnen vernemen dat het standpunt van de Dienst SZW over de sollicitatieverplichting niet samenvalt met het oordeel van de rechter-commissaris te dien aanzien (zie het proces-verbaal van 28 november 2013).

Conclusie

De conclusie luidt dat het verzoek verworpen moet worden.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G