Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:324

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
04-03-2014
Datum publicatie
23-04-2014
Zaaknummer
13/00512
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:975, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Poging doodslag. Slagende bewijsklacht opzet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 13/00512

Mr. Machielse

Zitting 4 maart 2014

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het gerechtshof Arnhem heeft verdachte op 28 december 2012 wegens 08/710725-10 “poging tot doodslag” en 08/720976-10 “overtreding van artikel 163, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994” veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan 15 maanden voorwaardelijk. Hieraan heeft het hof een proeftijd van twee jaren en een aantal bijzondere voorwaarden verbonden. Tevens is verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen ontzegd voor de duur van negen maanden en is de onttrekking aan het verkeer bevolen van een in beslag genomen keukenmes.

2. Namens verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. J.O.A.N. de Vries, advocaat te Amersfoort, heeft een schriftuur ingezonden houdende één middel van cassatie.

3.1 Het middel klaagt dat het hof in strijd met art. 359, tweede lid, Sv heeft verzuimd in het bijzonder de redenen op te geven die hebben geleid tot afwijking van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat verdachte geen (voorwaardelijk) opzet had op de dood van het slachtoffer.

3.2 Blijkens een ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde pleitnota heeft de raadsvrouw van verdachte aldaar het volgende aangevoerd:

“Cliënt heeft niet willens en wetens zijn oom dood willen maken. Noch heeft cliënt door zijn handelen bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat zijn oom [betrokkene 1] fataal letsel zou oplopen. (…)

De Hoge Raad geeft (…) aan dat niet elk steken in de rug automatisch een aanmerkelijke kans op de dood oplevert, maar dat het onder meer van belang is waar en met welke kracht er is gestoken. (…)

Oom [betrokkene 1] kan niet verklaren hoe hij en cliënt stonden ten tijde van het steken.

Uit de medische verklaring in de onderhavige zaak blijkt dat snel medisch ingrijpen niet geboden was. Als gevolg van de steken met het mes zijn er geen vitale organen van oom [betrokkene 1] geraakt. De vraag of de kans aanmerkelijk was dat er vitale lichaamsdelen zouden worden geraakt, wordt in de medische verklaring niet beantwoord.

Op de foto’s op pagina 70 van het eindproces-verbaal is te zien dat er sprake is van een oppervlakkige snede van twee centimeter bovenaan het schouderblad en van twee sneden op de arm.

Cliënt had weliswaar een groot mes bij zich, maar is door zijn ervaring als slager behept hoe je iemand met een mes kunt doden en derhalve ook hoe je juist niet de fatale plekken raakt.

Dit doe je bijvoorbeeld niet door iemand met een scherpe punt een aantal keren te snijden in de arm en op het schouderblad, waardoor kleine sneden ontstaan.

De meest fatale plekken zijn de keel, het hart en de buikstreek.

Cliënt is bij deze plekken niet (…) in de buurt geweest, noch heeft hij de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij hier wel in de buurt zou komen met het mes.

Cliënt heeft niet per toeval slechts vrij gering letsel toegebracht.

Hij heeft niet ongecontroleerd uitgehaald. Hij heeft uiteindelijk - zonder het mes - voorkomen dat zijn oom zich kon bewapenen door zijn oom met zijn vlakke hand tegen het hoofd te slaan.

Dit gebeurde niet op een wijze waardoor blijvend hersenletsel zou ontstaan, laat staan dat zijn oom het leven zou laten.

Ook hiermee is dus niet de aanmerkelijke kans door cliënt aanvaard dat oom [betrokkene 1] zou komen te overlijden.

Te meer heeft cliënt deze kans niet aanvaard door vervolgens direct bij aankomst in de woning van [betrokkene 5] een ambulance te bellen om de nodige zorg voor zijn oom te bewerkstelligen.

De mededelingen die cliënt na zijn aanhouding volgens het proces-verbaal van bevindingen aan de politie zou hebben gedaan betreffende doodsverwensingen aan het adres van zijn oom, moeten gezien worden als uiting van jarenlang opgekropte frustraties en niet als een uiting van zijn opzet op dat moment.

Bij de eerste verhoren heeft cliënt ook steeds naar de gezondheid van zijn oom [betrokkene 1] geïnformeerd. De verhorende agenten beschrijven dat cliënt zichtbaar opgelucht was toen hij hoorde dat zijn oom niet in levensgevaar verkeerde.

Gelet op het voorgaande verzoek ik uw hof om de conclusie van de rechtbank over te nemen en cliënt wederom vrij te spreken van het primair tenlastegelegde.”

3.3 Desondanks is ten laste van verdachte onder 08/710725-10 primair bewezen verklaard dat:

“hij op 20 oktober 2010 te Almelo ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [betrokkene 1] van het leven te beroven, met dat opzet -met een mes- naar de woning van [betrokkene 1] is gegaan en vervolgens dat mes in de rug en het lichaam van [betrokkene 1] heeft gestoken, en [betrokkene 1] heeft geslagen en getrapt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”


3.4 Een uitdrukkelijke weerlegging van het ingenomen standpunt is in het arrest niet opgenomen. Blijkens de in de aanvulling op het verkort arrest opgenomen bewijsmiddelen heeft het hof bij zijn oordeel over het bewijs de volgende feiten en omstandigheden in aanmerking genomen:

Toen verdachte in de nacht van 19 op 20 oktober 2010 hoorde dat zijn oom, het latere slachtoffer [betrokkene 1], “weer de boel kort en klein had geslagen”, voelde verdachte haat, onmacht en boosheid richting het slachtoffer. Verdachte stak een vleesmes met een snijvlak van 20 tot 25 centimeter in zijn broekzak en is “met een flinke pas” naar de woning van het slachtoffer gelopen om te gaan “afhandelen met zijn oom”. Verdachte had op dat moment zes á zeven halve liters bier gedronken. Toen het slachtoffer de voordeur open deed en een gebalde vuist naar verdachte ophief, pakte verdachte direct het mes uit zijn broekzak en stak hij het slachtoffer één keer in diens lichaam. Daarbij heeft verdachte ook de arm van het slachtoffer geraakt. Vervolgens heeft verdachte het slachtoffer nog een klap tegen zijn slaap en een trap gegeven, waarna het slachtoffer op de grond viel en er bloed uit diens mond kwam (bewijsmiddelen 2, 6, 7 en 8). Even later is het slachtoffer bewusteloos en met een bebloed hoofd, liggend naast een plas bloed aangetroffen (bewijsmiddel 1). Op 20 oktober 2010 zijn bij het slachtoffer een steekverwonding van twee centimeter in de rechterbovenrug, twee steekwonden van één en twee centimeter in de linkerbovenarm en een scheurwond in het linkeroor geconstateerd. Er was sprake van een gering bloedverlies en met de genezing van de wonden zouden naar schatting tien dagen zijn gemoeid (bewijsmiddel 3).

3.5 Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg - zoals hier de dood - is aanwezig als de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. De verdachte moet wetenschap hebben gehad van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden en die kans ten tijde van de gedraging bewust hebben aanvaard. Of hiervan sprake is, hangt af van de omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder die is verricht. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het - afgezien van contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans heeft aanvaard.1 Die aanmerkelijke kans moet wel echt hebben bestaan. Als achteraf zou blijken dat de kans op het kwalijke gevolg naar ervaringsregels niet aanmerkelijk is geweest, kan volgens de Hoge Raad voorwaardelijk opzet niet worden bewezen.2

3.6 Uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat verdachte in opgefokte en beschonken toestand en gewapend met een groot vleesmes naar het huis van het slachtoffer is gegaan met de kennelijke bedoeling het slachtoffer een lesje te leren. Direct toen het slachtoffer de voordeur open deed en zich agressief jegens verdachte opstelde, stak verdachte met het mes in de richting van het slachtoffer. Uit het geconstateerde letsel aan de bovenrug van het slachtoffer kan worden afgeleid dat verdachte in de richting van de schouder heeft gestoken. Bovendien heeft verdachte geslagen tegen een kwetsbaar onderdeel van het hoofd van het slachtoffer, te weten diens slaap.

3.7 In de rechtspraak van de Hoge Raad is een aantal arresten aan te wijzen waarin het bewijs van het voorwaardelijk opzet op levensberoving van een verdachte die een ander in de rug heeft gestoken toereikend is geoordeeld. Een verdachte die tijdens een gevecht degene die op hem lag met een mes in de rug stak, was veroordeeld voor poging tot doodslag en klaagde over het bewijs van het opzet, ving bot omdat was vastgesteld dat de verdachte met kracht een diepe steekwond had veroorzaakt die reikte tot in de thorax en zeer fors bloedverlies had veroorzaakt. Een deel van een long moest operatief worden weggenomen. De verwondingen zouden volgens de medische verklaring zeker fataal zijn geweest als niet tijdig medische behandeling had kunnen plaatsvinden.3 In een andere zaak had de verdachte twee jongens met een mes in de rug gestoken. Een arts had tegen een van de slachtoffers gezegd dat iedere steek iets meer opzij aan welke kant dan ook fataal zou zijn geweest. Over het andere slachtoffer meldde een medische verklaring dat er een snijwond aan de rechterflank van de onderrug was van vier cm die met vier hechtingen moest worden gedicht.4 In weer een andere zaak had de verdachte wel succes. Het slachtoffer was gestoken aan de achterzijde van het rechterbovenbeen en in de rug. Deze steken hadden gapende, scherpgerande wonden veroorzaakt. De medische verklaring maakte geen melding van een noodzakelijk medisch ingrijpen. In die zaak vond de Hoge Raad het bewijs van het voorwaardelijk opzet op de dood ontoereikend omdat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kon worden afgeleid in welk deel van de rug en met welke kracht het slachtoffer is gestoken, terwijl het hof over de aard van de verwondingen slechts heeft vastgesteld dat het gapende, scherpgerande wonden betrof.5

3.8 Het kennelijke oordeel van het hof dat verdachtes gedragingen in casu op zijn minst duiden op voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer acht ik niet voldoende gemotiveerd. De geneeskundige verklaring over het slachtoffer houdt immers slechts in dat er een steekverwonding in de rug is aangetroffen (rechtsboven), van twee cm, dat twee steekwonden in de linkerbovenarm zijn gevonden, van één en twee centimeter, benevens een scheurwond in het linkeroor. Er is sprake van gering uitwendig bloedverlies en de genezing zal tien dagen duren. Er is geen melding gemaakt van de diepte van de steken, van de door deze steken in het leven geroepen risico's, of van enigerlei noodzaak van medisch ingrijpen. Hoe het hof tot het oordeel is kunnen komen dat er een aanmerkelijke kans bestond dat het slachtoffer het leven zou verliezen, is mij onder deze omstandigheden niet duidelijk geworden. Het middel treft naar mijn oordeel doel.

4. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor zover het betreft de beslissingen over het eerste ten laste gelegde feit en over de straftoemeting en tot verwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden teneinde in zoverre op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 HR 25 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9049, NJ 2003, 552 m.nt. Buruma, r.ov. 3.6; HR 29 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI4736, NJ 2010, 117 m.nt. Keijzer; HR 10 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU3460, NJ 2012, 503 m.nt. Keulen, r.ov. 2.3.

2 HR 6 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT2760; HR 20 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL6765; HR 14 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:54.

3 HR 8 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5982.

4 HR 6 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX8482.

5 HR 1 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT1871.