Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:321

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
04-03-2014
Datum publicatie
23-04-2014
Zaaknummer
13/00305
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:972, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanhoudingsverzoek. HR herhaalt ECLI:NL:HR:1999:ZD1314. Uit ’s Hofs motivering van de afwijzing van het verzoek tot aanhouding blijkt niet dat het Hof de vereiste afweging van belangen heeft gemaakt, terwijl het ook niet is ingegaan op hetgeen aan het aanhoudingsverzoek ten grondslag is gelegd. De afwijzing van het verzoek is ontoereikend gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 13/00305

Mr. Machielse

Zitting 4 maart 2014

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het gerechtshof Arnhem heeft verdachte op 28 december 2012 voor: overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994, veroordeeld tot een boete van € 500 en tot een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van vier maanden. Voorts heeft het hof de tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde ontzegging voor zes maanden gelast.

2. Verdachte heeft cassatie doen instellen. Mr. R.F. Ronday, advocaat te Mijdrecht, heeft een schriftuur ingezonden houdende een middel van cassatie.

3.1. Het cassatiemiddel komt op tegen de afwijzing van het verzoek om aanhouding van het onderzoek. Ten tijde van de terechtzitting in hoger beroep heeft de niet-gemachtigd advocaat aan het hof medegedeeld dat verdachte op Malta verbleef in het kader van een afkickprogramma. Verdachte wilde zelf aanwezig zijn bij de terechtzitting. Het hof heeft ten onrechte aangenomen dat verdachte geen gebruik wenst te maken van zijn aanwezigheidsrecht.

3.2. Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep houdt het volgende in:

"De voorzitter deelt voorts mondeling mede de korte inhoud van een brief van mr Ronday, gedateerd 14 december 2012, waarin hij verzoekt om aanhouding van de behandeling.

De raadsman voegt hier aan toe – zakelijk weergegeven –:

Mijn cliënt verblijft bij kennissen van zijn ouders op Malta. Hij is nu vijf maanden clean. Ik heb de vader van mijn cliënt pas vorige week gesproken hierover. Mijn cliënt wil graag komen vertellen hoe het nu met hem gaat. Het hoger beroep is gericht tegen de door de politierechter opgelegde straf.

De advocaat-generaal voert het woord – zakelijk weergegeven –:

De betekening van de dagvaarding in hoger beroep is in orde. Ik heb geen bijzondere reden gehoord voor aanhouding van de behandeling. De verdachte heeft vrijwillig afstand gedaan van zijn recht om aanwezig te zijn ter terechtzitting. Ik verzet mij tegen aanhouding van de behandeling.

De raadsman merkt op – zakelijk weergegeven –:

Het standpunt van de advocaat generaal vind ik teveel gericht op productie. Mijn cliënt verdient het om persoonlijk te komen vertellen hoe het met hem gaat. Als er een datum bekend is voor een volgende behandeling, dan kan ik hem dat laten weten en dan kan hij ervoor zorgen dat hij dan wel in Nederland is.

Het hof trekt zich terug voor beraad.

Na gehouden beraad deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat het verzoek om aanhouding van de behandeling wordt afgewezen. De raadsman heeft onvoldoende onderbouwd waarom zijn cliënt heden ter terechtzitting niet aanwezig zou kunnen zijn. Het hof houdt het ervoor dat hij kennelijk geen gebruik wenst te maken van zijn aanwezigheidsrecht. Het onderzoek wordt aanstonds voortgezet."

3.3. Hetgeen blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep aldaar door de advocaat naar voren is gebracht met betrekking tot de afwezigheid van de verdachte kan niet anders worden verstaan dan als een namens de verdachte gedaan beroep op diens recht om in zijn aanwezigheid te worden berecht.1 Naar vaste jurisprudentie dient de rechter bij de beslissing op een verzoek tot aanhouding van het onderzoek op de terechtzitting een afweging te maken tussen alle daarvoor in aanmerking komende belangen, waaronder het aanwezigheidsrecht van de verdachte, het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een spoedige berechting en het belang van een goede organisatie van de rechtspleging.2De redenen die aan het verzoek ten grondslag worden gelegd, zijn van belang voor de beslissing die de rechter heeft te nemen. Het staat ter beoordeling van de rechter of hij de aan het verzoek om aanhouding ten grondslag gelegde redenen aannemelijk en van voldoende gewicht acht en of het belang van een behoorlijke strafvordering de voorrang moet hebben boven het belang van de verdachte bij aanhouding.3 Een dergelijke beoordeling is in cassatie slechts beperkt toetsbaar.

3.4. Uit hetgeen de advocaat ter terechtzitting in hoger beroep heeft aangevoerd, is af te leiden dat verdachte zich op het moment van die terechtzitting in Malta bevond en dat hij als de zaak zou worden aangehouden alsdan ter terechtzitting zou kunnen verschijnen. Klaarblijkelijk is er geen sprake van onvindbaarheid van verdachte.4 De behandeling van de zaak behoeft niet op de lange baan te worden geschoven. Weliswaar is de dagvaarding in hoger beroep klaarblijkelijk regulier betekend maar over de mogelijkheid voor verdachte om op tijd terug te keren naar Nederland om bij de behandeling van zijn zaak aanwezig te zijn heeft het hof zich niet uitgelaten. De enkele overweging van het hof dat verdachte kennelijk geen gebruik wenst te maken van zijn aanwezigheidsrecht acht ik daarom ontoereikend.

4. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 HR 26 januari 1999, NJ 1999, 294; HR 8 februari 2005, NJ 2005, 229;

2 HR 5 januari 2010, NJ 2010, 176 m.nt. Schalken; HR 18 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6127; HR 8 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU7334; HR 6 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX6732.

3 HR 9 mei 2000, NJ 2002, 466 m.nt. Knigge.

4 Zoals in HR 19 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ2176.