Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:3028

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
25-11-2014
Datum publicatie
18-03-2015
Zaaknummer
13/06338
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:635, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Motivering strafoplegging. Strafmaatverweer. Het Hof heeft kennelijk geoordeeld dat de omst. dat de verdachte in een kliniek een behandeling ondergaat, met welke omst. de Pr nog geen rekening kon houden, niet eraan in de weg staat het vonnis te bevestigen en hem ook in h.b. een taakstraf van 20 uren op te leggen. Dat oordeel is ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen dat het ondergaan van een taakstraf in het strafmaatverweer op zichzelf ook niet wordt uitgesloten. CAG: anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 13/06338

Zitting: 25 november 2014

Mr. Bleichrodt

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 13 december 2013 het vonnis van de politierechter in de Rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 25 juli 2013, waarbij de verdachte wegens het “opzettelijk niet voldoen aan een bevel of vordering krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast of door een ambtenaar belast met of bevoegd verklaard tot het opsporen of onderzoeken van strafbare feiten” is veroordeeld tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van twintig uren, subsidiair tien dagen hechtenis, bevestigd met overneming van gronden.

2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. C.M. Bast, advocaat te Veenendaal, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel behelst de klacht dat het hof in strijd met het in art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv bepaalde het verweer van de verdediging ten aanzien van de straftoemeting zonder nadere motivering niet heeft gevolgd.

4. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

“De raadsvrouw van verdachte voert aan, zakelijk weergegeven:

Mijn cliënt verblijft op dit moment in een kliniek in Den Haag. Dit is hem opgelegd als bijzondere voorwaarde in een andere zaak. Hij ondergaat daar een behandeling. Hij heeft ervoor gekozen om zich volledig op die behandeling te richten en is daarom niet ter terechtzitting aanwezig. Het gaat erg goed met mijn cliënt. Begin maart 2014 zal mijn cliënt overgaan naar een begeleid wonen-traject in Delft. Het is juist dat er meerdere hoger beroepzaken lopen van mijn cliënt. Ik wil uw hof vragen rekening te houden met de omstandigheid dat mijn cliënt in een kliniek verblijft en druk bezig is met een behandeling. Het is voor mijn cliënt daarom niet mogelijk om een werkstraf uit te voeren. Ik wil uw hof verzoeken een geheel voorwaardelijke straf dan wel een lagere taakstraf op te leggen.

De raadsvrouw legt aan het hof over een brief van [betrokkene], orthopedagoog bij Palier forensische en intensieve zorg, gedateerd 23 oktober 2013.

(…)

De raadsvrouw voert het woord tot verdediging, zakelijk weergegeven:

Sinds mijn cliënt in de kliniek verblijft, stelt hij zich open en begeleidbaar op. Het gaat goed met hem. Hij is bereid zijn leven een andere invulling te geven. Ik vraag uw hof om een geheel voorwaardelijke straf dan wel een lagere taakstraf op te leggen.”

5. Bij de stukken bevindt zich een brief van [betrokkene], die als orthopedagoog is verbonden aan ‘Palier, forensische & intensieve zorg’, van 23 oktober 2013. Daarin staat onder meer vermeld dat de verdachte met ingang van 16 augustus 2013 is opgenomen in de kliniek Weerlanden te Den Haag, dat het de afgelopen maanden is gelukt een positieve behandelrelatie met de verdachte op te bouwen en dat voorbereidingen worden getroffen voor een vervolgtraject, waarbij wordt gedacht aan plaatsing van de verdachte in een RIBW buiten de regio van oorsprong. Tevens bevat de brief een verzoek de klinische behandeling niet te onderbreken, waaraan nog wordt toegevoegd dat een nieuwe periode in detentie naar verwachting een negatief effect zal hebben op de motivatie en het gedrag van de verdachte.

6. Het hof heeft in de bestreden uitspraak geen afzonderlijke overweging gewijd aan (de verwerping van) het hiervoor weergegeven straftoemetingsverweer van de raadsvrouwe van de verdachte. Het hof heeft een onvoorwaardelijke werkstraf voor de duur van twintig uren opgelegd en ter motivering van de opgelegde straf - door het vonnis van de politierechter en de daarin opgenomen strafmotivering te bevestigen – overwogen:

“De strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is gepleegd, mede gelet op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De politierechter houdt ook rekening met voormeld uittreksel uit de justitiële documentatie, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, hetgeen hem er niet van heeft weerhouden de onderhavige feiten te plegen.”

7. De responsieplicht ex art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv strekt zich mede uit tot uitdrukkelijk onderbouwde standpunten die zien op de straftoemeting.1 Van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de hiervoor bedoelde zin is sprake in geval van een standpunt dat duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van het hof naar voren is gebracht.2 De Hoge Raad stelt zich bij de beoordeling van het - expliciete dan wel impliciete - oordeel van het hof over de vraag of het gaat om een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt terughoudend op. Toetssteen is of het aangevoerde bezwaarlijk anders kan worden verstaan dan als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv.3Bij de beoordeling of een standpunt noopt tot een antwoord komt betekenis toe aan de aard van het aan de orde gestelde onderwerp, alsmede aan de inhoud en indringendheid van de aangevoerde argumenten.4

8. Hetgeen de raadsvrouwe van de verdachte op de terechtzitting in hoger beroep heeft aangevoerd met betrekking tot de op te leggen straf kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan als een standpunt dat duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van het hof naar voren is gebracht. De raadsvrouwe heeft het standpunt, zoals blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep, op die terechtzitting uitdrukkelijk voorgedragen. Het standpunt bevat het verzoek om aan de verdachte geen taakstraf op te leggen, althans een lagere taakstraf dan in eerste aanleg is opgelegd. De raadsvrouwe heeft het standpunt onderbouwd door te wijzen op - kort gezegd - de recente ontwikkelingen ten aanzien van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, in het bijzonder de behandeling in een kliniek en de positieve wending daarvan. Die onderbouwing is niet algemeen van aard, maar toegespitst op de bijzondere omstandigheden van het geval, met daarbij gevoegd een brief van een orthopedagoog afkomstig van de behandelende instelling. Voorts heeft de raadsvrouwe aan het standpunt de - ondubbelzinnige - conclusie verbonden dat aan de verdachte geen werkstraf moet worden opgelegd, althans een lagere taakstraf dan in eerste aanleg.

9. Het door de verdediging aangevoerde kan aldus bezwaarlijk anders worden verstaan dan als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt als bedoeld in art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv. Het hof is in zijn arrest van dit uitdrukkelijk onderbouwde standpunt afgeweken door de verdachte te veroordelen tot een werkstraf voor de duur van twintig uren. Het hof heeft daarbij volstaan met een “kale bevestiging” van het vonnis van de politierechter. Het hof had naar mijn mening in geval van afwijking van het standpunt van de verdediging de oplegging van eenzelfde straf als die in eerste aanleg is opgelegd uitvoeriger en meer toegesneden op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte moeten motiveren en daarmee op de argumentatie van de verdediging moeten ingaan. Het hof behoefde niet op ieder detail van de argumentatie van de verdediging in te gaan. Het hof heeft echter in het geheel niet gereageerd op het verweer en is daarmee op geen enkel onderdeel van de argumentatie van de verdediging ingegaan. Het heeft volstaan met een kale bevestiging van het vonnis, terwijl het verweer juist inhield dat de verdachte sedert 16 augustus 2013 in een kliniek was opgenomen, de behandeling een positief verloop kende en het niet mogelijk was een taakstraf in de omvang als door de politierechter was bepaald uit te voeren. Daarmee is het standpunt toegesneden op de periode nadat het vonnis in eerste aanleg is gewezen. Door niettemin te volstaan met een kale bevestiging van het vonnis is naar mijn mening tekort gedaan aan het contradictoire karakter van de procesvoering, dat onlosmakelijk met de introductie van art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv is verbonden, en met het voortbouwend karakter van de procedure in hoger beroep.5In dit verband merk ik nog op dat sprake was van een strafmaatmaatappel. De raadsvrouwe heeft ter zitting in hoger beroep van 13 december 2013 desgevraagd aangegeven dat de verdachte de straf te zwaar acht. De advocaat-generaal bij het hof en de raadsvrouwe hebben blijkens het proces-verbaal op die terechtzitting slechts opmerkingen gemaakt over de op te leggen straf. De behandeling in hoger beroep heeft zich dan ook geconcentreerd op de straftoemeting, waarbij nieuwe argumenten zijn ingenomen en ontwikkelingen zijn betrokken die zich sedert de uitspraak in eerste aanleg hebben voorgedaan. Onder die omstandigheden kan een verantwoording van hetgeen die behandeling in de visie van het hof heeft opgeleverd niet worden gemist.6Door die verantwoording achterwege te laten heeft het hof in strijd gehandeld met het bepaalde in art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv. Dat verzuim heeft ingevolge art. 359, achtste lid, Sv nietigheid tot gevolg.7

10. Gelet op het bovenstaande, is het middel terecht voorgesteld.

11. Het middel slaagt. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

12. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, teneinde in zoverre op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 In twee conclusies van mijn hand van 30 september 2014, in de zaken met de nummers 13/05706 en 14/01275, ben ik uitvoeriger op deze kwestie ingegaan. Ik beperk mij in het vervolg van deze conclusie tot de kern van hetgeen ik in deze conclusies heb betoogd.

2 Vgl. HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393, m.nt. Buruma, rov. 3.7.1.

3 Zie hierover ook A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, zevende druk, p. 205-206.

4 Vgl. HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393, m.nt. Buruma, rov. 3.7.1.

5 Zie ook J.W. Fokkens, ‘De wijziging van artikel 359 lid 2 Sv: een stap op weg naar een contradictoir strafproces’, in: Systeem in ontwikkeling, Nijmegen 2005, p. 141-149. Zie over dit voortbouwend karakter van het hoger beroep ook HR 23 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:2753.

6 Aldus ook de conclusie van mijn ambtgenoot Harteveld (ECLI:NL:PHR:2014:1616; onder 3.8) voor HR 2 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2571.

7 Vgl. HR 25 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4987, rov. 2, HR 15 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5162, rov. 2, HR 28 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT1816, NJ 2012/640 m.nt. Schalken, rov. 2, HR 26 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6467, NJ 2011/360 m.nt. Schalken, rov. 2 en HR 9 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD4870, NJ 2009/226 m.nt. Buruma, rov. 2.