Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:3

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
10-01-2014
Datum publicatie
28-03-2014
Zaaknummer
13/02653
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:769, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie. Art. 1:401 lid 1 BW van toepassing bij hoger beroep tegen eerste vaststelling kinderalimentatie?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2014/109
Verrijkte uitspraak

Conclusie

13/02653

mr. Keus

Zitting 10 januari 2014

Conclusie inzake:

[de man]

(hierna: de man)

verzoeker tot cassatie

advocaat: mr. J.C.J. Smallenbroek

tegen

[de vrouw]

(hierna: de vrouw)

verweerster in cassatie

advocaat: mr. S. Kousedghi

In deze alimentatiezaak tracht de man te bewerkstelligen dat de partner- en kinderalimentatie op nihil worden gesteld. De kinderalimentatie is aan de orde, zowel in verband met een nadere en definitieve vaststelling van die alimentatie in het kader van de echtscheidingsprocedure, als in een procedure tot wijziging van de eerder in de echtscheidingsprocedure vastgestelde, maar nog voorlopige kinderalimentatie. De partneralimentatie speelt slechts een rol in het kader van de bedoelde wijzigingsprocedure, waarin de man tevens wijziging van de in de echtscheidingsprocedure vastgestelde partneralimentatie verzoekt. Het geding in cassatie spitst zich toe op de wijze waarop het hof het hoger beroep van de man tegen de nader en definitief vastgestelde kinderalimentatie heeft behandeld, alsmede op het oordeel van het hof in de wijzigingsprocedure dat de vrouw met het door haar bijgebrachte tegenbewijs in voldoende mate heeft weerlegd dat zij is gaan samenwonen met een ander als waren zij gehuwd.

1. Feiten en procesverloop 1

1.1 Partijen zijn op 10 oktober 1989 met elkaar gehuwd. Bij beschikking van 13 februari 2008, hersteld bij beschikking van 22 oktober 2008, heeft de rechtbank Zutphen de echtscheiding tussen hen uitgesproken.

1.2 Uit het huwelijk van partijen zijn geboren:

- [kind 1] (hierna: [kind 1]), op [geboortedatum] 1995;

- [kind 2] (hierna: [kind 2]), op [geboortedatum] 1997 en

- [kind 3] (hierna: [kind 3]), op [geboortedatum] 2001.

De vrouw heeft sinds de beschikking van de rechtbank Zutphen van 17 maart 2010 alleen het gezag over [kind 2] en [kind 3]. [kind 1] is inmiddels meerderjarig. Volgens vermelding in rov. 3.2 van het tussenarrest van 31 mei 2011 hadden partijen gezamenlijk het gezag over [kind 1] en woont [kind 1] feitelijk sinds november 2008 bij de man.

1.3 Bij de echtscheidingsbeschikking heeft de rechtbank onder meer bepaald dat de man met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand dient bij te dragen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw met € 1.000,- per maand en in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen (voorlopig) met € 300,- per kind per maand. Voorts heeft de rechtbank de behandeling ten aanzien van de gewone verblijfplaats van de kinderen, de omgangsregeling tussen de man en de kinderen, de kinderalimentatie en de afwikkeling van de vermogensrechtelijke gevolgen van de ontbinding van het huwelijk pro forma aangehouden.

1.4 Bij beschikking van 14 oktober 2008 heeft het hof Arnhem in hoger beroep bepaald dat de man aan de vrouw met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand als bijdrage € 875,- per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen en de echtscheidingsbeschikking (voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen) voor het overige bekrachtigd.

1.5 Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank Zutphen op 25 november 2009, heeft de man verzocht de beschikking van het hof van 14 oktober 2008 te wijzigen in die zin dat de partneralimentatie met ingang van april 2009 op nihil wordt gesteld, althans op een bedrag dat de rechtbank juist acht en de kinderalimentatie met ingang van 1 november 2008 op nihil te stellen, althans op een bedrag dat de rechtbank juist acht.

1.6 Bij verweerschrift, tevens zelfstandig verzoek, heeft de vrouw verzocht de verzoeken van de man af te wijzen en de bijdrage van de man in de kosten van haar levensonderhoud te wijzigen en te verhogen naar € 2.165,- bruto per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, dan wel te verhogen tot een zodanige bijdrage als de rechtbank juist acht, met veroordeling van de man in de kosten van de procedure.

1.7 Bij verweerschrift tegen het zelfstandig verzoek heeft de man verzocht het zelfstandig verzoek zijdens de vrouw ongegrond te verklaren, althans haar verzoek af te wijzen.

1.8 Bij beschikking van 17 maart 2010 in de echtscheidingsprocedure heeft de rechtbank overwogen:

“het is de rechtbank ambtshalve bekend dat de man een afzonderlijk verzoekschrift heeft ingediend tot wijzing van de bij de beschikking van 13 februari 2008 voorlopig vastgestelde bijdrage. De behandeling van dit verzoek, is inmiddels vastgesteld op 11 mei 2010. Uit oogpunt van proceseconomie zal daarom ook de nadere behandeling (…) ter definitieve vaststelling van de bijdrage voor de kinderen in de onderhavige zaak tot die datum worden aangehouden.”

Voorts is in die beschikking de hoofdverblijfplaats van [kind 1] bij de vader bepaald.

1.9 Bij - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking van 9 juni 2010 heeft de rechtbank in de echtscheidingsprocedure bepaald dat de man als bijdrage in de kosten van [kind 2] en [kind 3] aan de vrouw € 300,- per kind per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen en dat de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] met ingang van 1 november 2008 op nihil bepaald.

1.10 Bij - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking van 15 juni 2010 heeft de rechtbank in de wijzigingsprocedure de man niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek, de vrouw niet-ontvankelijk verklaard in haar zelfstandige verzoek, de man veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van de vrouw, begroot op € 1.338,-, en het meer of anders verzochte afgewezen.

1.11 Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof Arnhem op 9 september 2010, heeft de man hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van 9 juni 2010. Hij heeft verzocht die beschikking te vernietigen en de bijdrage in de kosten van [kind 2] en [kind 3] vast te stellen op nihil, althans op een bedrag dat het hof juist acht. De vrouw heeft verweer gevoerd en verzocht de man niet-ontvankelijk te verklaren dan wel zijn verzoeken af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen, alsmede de man in de werkelijke kosten van het hoger beroep, begroot op € 3.000,-, exclusief BTW en kosten, te veroordelen, dan wel een zodanige beslissing te nemen als het hof juist acht.

1.12 Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof Arnhem op 15 september 2010, heeft de man hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van 15 juni 2010. Hij heeft verzocht die beschikking te vernietigen voor zover zij de niet-ontvankelijkheid betreft en het verzoek tot opnihilstelling van de partner- en kinderalimentatie toe te wijzen, onder aanvulling van de rechtsgrond de partneralimentatie te beëindigen, althans de alimentatie te stellen op een bedrag dat het hof juist acht. De vrouw heeft verweer gevoerd en verzocht de man niet-ontvankelijk te verklaren dan wel zijn verzoeken af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen, alsmede de man in de werkelijke kosten van het hoger beroep, begroot op € 3.500,-, exclusief BTW en kosten, te veroordelen, dan wel een zodanige beslissing te nemen als het hof juist acht.

1.13 Het hof heeft in (rov. 3.11-3.12 van) zijn beschikking van 31 mei 2011 verder ten aanzien van de man vastgesteld dat:

- de man met [kind 1] een gezin vormt;

- de man geen inkomen heeft uit arbeid, maar uit verhuur en vermogen; en

- de lasten van de man minimaal € 600,- per maand bedragen.

1.14 Ten aanzien van de vrouw heeft het hof in (rov. 3.13 van) zijn beschikking van 31 mei 2011 vastgesteld dat de vrouw met [kind 2] en [kind 3] een gezin vormt.

1.15 In zijn beschikking van 31 mei 2011 heeft het hof de man toegelaten tot het leveren van bewijs van zijn stelling dat de vrouw is gaan samenleven met een ander ([betrokkene]) als waren zij gehuwd of als hadden zij hun partnerschap laten registreren, in verband waarmee zijn onderhoudsplicht jegens de vrouw op grond van art. 1:160 BW zou zijn geëindigd.

1.16 Ingevolge deze tussenbeschikking hebben op 8 augustus 2011 en op 19 oktober 2011 getuigenverhoren plaatsgevonden2. Op 12 januari 2012 is de mondelinge behandeling voortgezet3.

1.17 In (rov. 2.7 van) zijn tussenbeschikking van 8 maart 2012 heeft het hof overwogen dat het tot het vermoeden komt dat de vrouw samenwoont in de zin van artikel 1:160 BW. Voorts heeft het in die beschikking de vrouw in de gelegenheid gesteld dit vermoeden te ontzenuwen door het leveren van tegenbewijs. Voorts heeft het hof in (rov. 2.9-2.12 van) die tussenbeschikking in het hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank van 9 juni 2010 geoordeeld dat het verzoek van de man in hoger beroep ten aanzien van de onderhoudsbijdragen voor [kind 2] en [kind 3] zal worden afgewezen4.

1.18 Ingevolge voormelde tussenbeschikking hebben op 26 juni 2012, op 31 augustus 2012 en op 26 oktober 2012 getuigenverhoren plaatsgevonden5.

1.19 In zijn beschikking van 28 februari 2013 heeft het hof geoordeeld dat de vrouw voldoende tegenbewijs heeft geleverd tegen het vermoeden dat zij en [betrokkene] samenleven als bedoeld in art. 1:160 BW, nu aan de in dat artikel genoemde criteria niet is voldaan, te weten het voeren van een gemeenschappelijk huishouding en het wederzijds verzorgen van elkaar. Volgens het hof dient het verzoek van de man ten aanzien van de onderhoudsbijdrage voor de vrouw te worden afgewezen6.

1.20 Bij verzoekschrift van 28 mei 2013, op diezelfde dag per telefax ingekomen ter griffie van de Hoge Raad, heeft de man (tijdig) cassatieberoep ingesteld tegen de beschikking van het hof van 28 februari 2013 (en die van 8 maart 2012; zie hierna onder 2.3). Op 22 juli 2013 heeft de man - na ontvangst en kennisname van het proces-verbaal van de zitting van 12 januari 2012 - het eerder ingediende verzoekschrift aangevuld. De vrouw heeft verweer gevoerd.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

Het verzoekschrift van de man omvat vier middelen van cassatie.

2.2

Middel I klaagt dat het hof in rov. 2.10 van zijn beschikking van 8 maart 2012 ten onrechte heeft geoordeeld dat met betrekking tot de door de rechtbank bij beschikking van 9 juni 2010 vastgestelde bijdrage van de man van € 300,- per kind per maand in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 2] en [kind 3] de vraag aan de orde is of zich een relevante wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan in de zin van art. 1:401 lid 1 BW.

2.3

Bij de beoordeling van deze klacht stel ik voorop dat, alhoewel blijkens het gestelde op p. 1 van het cassatierekest het cassatieberoep (slechts) is gericht tegen de beschikking van het hof van 28 februari 2013, het cassatieberoep van de man onmiskenbaar mede tegen de tussenbeschikking van 8 maart 2012 is gericht. Dat blijkt niet alleen uit de tegen deze tussenbeschikking geformuleerde cassatiemiddelen (I en II), maar ook uit de vermelding in het cassatierekest onder 1.10, dat “(t)evens (…) cassatie (wordt) ingesteld tegen de beschikking van 8 maart 2012, waar een beslissing is genomen over de kinderalimentatie (bladzijde 4 t/m 5 van die beschikking - zie boven).”

2.4

De rechtbank Zutphen heeft in haar beschikking van 13 februari 2008, welke beschikking is hersteld bij beschikking van 22 oktober 2008, de echtscheiding tussen partijen is uitgesproken. Voorts heeft de rechtbank daarbij bepaald dat de man met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand dient bij te dragen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw met een bedrag € 1.000,- per maand en heeft zij de door de man in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen verschuldigde bijdrage op € 300,- per kind per maand vastgesteld. In de echtscheidingsbeschikking (p. 4) heeft zij daaromtrent overwogen:

“Het verzoek van de vrouw te bepalen dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen € 300,00 per maand per kind zal betalen betwist de man niet, zodat de rechtbank die bijdrage (voorlopig) als volgt zal vaststellen in afwachting van de definitieve beslissing omtrent de gewone verblijfplaats van de kinderen.”

2.5

Bij beschikking van 14 oktober 20087 heeft het hof Arnhem de echtscheidingsbeschikking voor zover daarbij de bijdrage van de man in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw was vastgesteld, vernietigd en heeft het, opnieuw beschikkende in hoger beroep, bepaald dat de man aan de vrouw met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud € 875,- per maand zal betalen. Voor het overige (ook wat betreft de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen, die - voorlopig - was vastgesteld op € 300,-, per maand per kind) heeft het hof de echtscheidingsbeschikking bekrachtigd.

2.6

Bij verzoekschrift van 25 november 2009 heeft de man de rechtbank Zutphen wijziging verzocht van de beschikking van 14 oktober 2008 van het hof Arnhem, zowel wat betreft de partner- als de kinderalimentatie. Aan de betrokken zaak is door de rechtbank zaaknummer 108488 FARK 09-2338 toegekend.

2.7

Op 11 mei 2010 heeft een comparitie van partijen plaatsgevonden, zowel in zaak 108488 FARK 09-2338 als in de onder zaaknummer 87001 FARK 07-1244 nog aanhangige echtscheidingsprocedure, waarin de behandeling van de (definitieve) kinderalimentatie bij tussenbeschikking van 17 maart 2010 (laatstelijk) was aangehouden tot de terechtzitting van 11 mei 2010.

2.8

De beschikking van de rechtbank van 9 juni 2010 draagt als zaaknummer slechts het zaaknummer van de echtscheidingsprocedure en strekt tot vaststelling in die procedure van de definitieve alimentatiebijdrage voor de kinderen op € 300,- per kind per maand (zie ook het gestelde op p. 2 van die beschikking: “Gelet op het voorgaande zal de rechtbank thans als definitieve bijdrage voor de kinderen in de onderhavige procedure bepalen dat de man ten behoeve van [kind 2] ([kind 2]; LK) en [kind 3] een bijdrage van € 300,- per kind per maand dient te voldoen.”).

2.9

Bij beschikking van 15 juni 2010 heeft de rechtbank in de procedure die was ingeleid met het wijzigingsverzoek van 25 november 2009 de man in dat verzoek niet-ontvankelijk verklaard.

2.10

De man heeft bij afzonderlijke rekesten van respectievelijk 9 en 15 september 2010 zowel tegen de beschikking van 9 juni 2010 als tegen die van 15 juni 2010 hoger beroep ingesteld. Het hof Arnhem heeft aan de beide appelprocedures de zaaknummers 200.074.894 respectievelijk 200.074.898 toegekend. In het eerste rekest heeft de man het hof verzocht de kinderalimentatie alsnog op nihil vast te stellen, in het tweede rekest heeft hij het hof onder meer verzocht “het inleidende verzoek van de man strekkende tot nihilstelling van de partner- en kinderalimentatie” alsnog toe te wijzen. Alhoewel de man (ook) in zijn hogerberoepschrift van 9 september 2010 heeft gerefereerd aan het feit dat naar zijn mening reeds de vaststelling van de (voorlopige) kinderalimentatie in de beschikking van 13 februari 2008 niet aan de wettelijke maatstaven voldeed en dat zich naar zijn oordeel een wijziging van omstandigheden had voorgedaan die met zich bracht dat een herbeoordeling van zijn draagkracht was gerechtvaardigd, heeft hij zich daarin (in elk geval op p. 3 in fine) ook op het standpunt gesteld dat de rechtbank in haar beschikking van 9 juni 2010 in het geheel geen rekening met zijn actuele draagkracht heeft gehouden; dat laatste is overigens juist, nu de rechtbank van een herberekening van de kinderalimentatie heeft afgezien en daartoe in die beschikking (op. 2) heeft overwogen:

“Uit de inhoud van de beschikking van 13 februari 2008 kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden afgeleid dat beoogd is na de definitieve beslissing omtrent de verblijfplaats van de kinderen een herberekening van de kinderalimentatie te maken. De grond voor het feit dat sprake is van een voorlopige beslissing is gelegen in de omstandigheid dat nog niet definitief over de hoofdverblijfplaats van de kinderen was beslist.”

De kinderalimentatie die op 9 juni 2010 (ruim twee jaar na de beschikking van 13 februari 2008) nader en definitief werd vastgesteld, diende, wat overigens van de oorspronkelijke bedoelingen van de rechtbank zij, echter op dat moment aan de wettelijke maatstaven te beantwoorden.

2.11

Ook in het hoger beroep tegen de beschikking van 9 juni 2010 was uiteindelijk slechts aan de orde of de door de rechtbank nader en definitief vastgestelde kinderalimentatie, beoordeeld naar de actuele situatie, al dan niet in overeenstemming met de wettelijke maatstaven was. Als het hof dat heeft miskend, heeft het van een onjuiste rechtsopvatting blijk gegeven. In dat geval slaagt de klacht van het middel.

2.12

Middel II (cassatierekest onder 2.4) klaagt onder verwijzing naar de door de man overgelegde financiële gegevens (onder meer zijn brief aan het hof van 2 januari 2012, bij welke brief zich een op 30 december 2011 gedateerd overzicht “Vermogenssituatie en lasten/schulden overzicht per heden” bevindt, omvattende een opgaaf huidige vermogenssamenstelling en hieraan gerelateerde bruto opbrengsten, overzicht exploitatielasten woonhuis [a-straat 1] te Ugchelen, overzicht exploitatielasten kamerverhuurpand [b-straat 1] te Apeldoorn, overzicht persoonlijke lasten en overzicht uitstaande schulden), dat niet duidelijk is welke gedachtegang het hof heeft geleid tot zijn beslissing dat het geschil aan de hand van artikel 1:401 leden 1 en 4 moest worden beoordeeld.

2.13

Ik acht de motiveringsklacht van het tweede middel gegrond, en wel in die zin dat, als het hof zou hebben bedoeld dat het bij gebreke van actuele gegevens omtrent de inkomenspositie van de man tot een bepaling van diens actuele draagkracht niet in staat was en zich daarom noodgedwongen tot een onderzoek naar de aanwezigheid van gronden tot wijziging van de in 2008 vastgestelde kinderalimentatie heeft moeten beperken, zulks, gelet op de voorhanden stukken en mede gelet op hetgeen blijkens rov. 3.11 reeds vaststond, te weten dat de man geen inkomen uit arbeid, maar (slechts) inkomsten uit verhuur en vermogen heeft, althans zonder nadere toelichting, die ontbreekt, onbegrijpelijk zou zijn. Als het hof inderdaad van oordeel zou zijn geweest dat het buiten staat was de door de rechtbank nader en definitief vastgestelde kinderalimentatie aan de actuele draagkracht van de man te toetsen, had het minst genomen op zijn weg gelegen zulks uitdrukkelijk te overwegen en nader te motiveren.

2.14

Middel III keert zich tegen ’s hofs oordeel dat de vrouw het vermoeden heeft weerlegd dat de vrouw en [betrokkene] een zodanige financiële verbondenheid met elkaar hebben dat sprake is van een wederzijdse verzorging en een gemeenschappelijke huishouding.

2.15

Over hetgeen het hof op zijn aanvankelijke oordeel heeft doen terugkomen heeft het hof het volgende overwogen:

(i) Uit de door de vrouw overgelegde stukken blijkt dat de vrouw ten tijde van de aankoop van haar huidige woning, anders dan het hof eerder had aangenomen, redelijkerwijs in staat kon worden geacht om haar hypotheeklasten van € 1.388,83 bruto (€ 780,- netto) per maand voor de door haar afgesloten hypotheek van € 300.000,- (7/10 deel van de volledige koopsom) te financieren met haar toenmalige inkomsten. Het hof heeft vastgesteld dat de vrouw destijds uit een vast dienstverband een salaris genoot van € 1.870,- netto per maand en daarnaast aanspraak had op de haar ten laste van de man toegekende onderhoudsbijdrage van € 875,- bruto per maand, omgerekend € 526,- netto per maand, derhalve in totaal € 2.396,- netto per maand. Daarnaast heeft de vrouw een verklaring van de man overgelegd waaruit blijkt dat hij bereid is de vrouw € 200.000,- te schenken. Aan het voorgaande heeft het hof de conclusie verbonden dat het aannemelijk is geworden dat de bank de vrouw geen hypotheek had verstrekt ter grootte van het bedrag dat is verstrekt, indien de vrouw hiertoe niet redelijkerwijs financieel in staat zou zijn geacht (rov. 2.10).

(ii) Verder blijkt uit de door de vrouw overgelegde stukken dat [betrokkene] een hypotheek van € 153.000,- op zijn woning in Ouderkerk aan den IJssel heeft gevestigd, waarvan een gedeelte zijn oude lening op zijn eigen woning betrof (€ 32.000,-) en het resterende gedeelte door [betrokkene] is gebruikt om de vrouw te helpen bij de financiering van haar huidige woning. [betrokkene] heeft verklaard dat hij de vrouw hiermee tijdelijk wilde en kon helpen en dat gelet op de persoonlijke verschillen tussen hem en de vrouw hij niet de bedoeling heeft met de vrouw in Apeldoorn te gaan samenwonen. Uit de overgelegde aangifte inkomstenbelasting 2011 blijkt dat [betrokkene] de voornoemde hypotheek heeft opgegeven als hypotheek ter zake van een tweede woning (rov. 2.11).

(iii) Bij de beoordeling van de financiële verbondenheid heeft het hof voorts in aanmerking genomen dat de vermelding in de hypotheekakte van de toekomstige woonplaats van [betrokkene] bij de vrouw in een notarieel proces-verbaal van 26 maart 2012 is verbeterd (rov. 2.12).

(iv) De vrouw heeft met verklaringen van de medische behandelaars en werkgeversverklaringen van [betrokkene] ook voldoende duidelijk gemaakt dat [betrokkene] economisch gebonden is aan de regio rondom zijn woonplaats Ouderkerk aan den IJssel.

2.16

Het middel keert zich specifiek tegen de hiervoor onder (i) en (ii) genoemde vaststellingen door het hof. Volgens het middel is - kort gezegd - onbegrijpelijk dat het hof aannemelijk heeft geacht dat de vrouw financieel in staat kan worden geacht haar hypotheeklasten zelfstandig te dragen.

2.17

In de eerste plaats klaagt het middel (onder 3.3) dat het hof heeft miskend dat het aanbod van de man om de vrouw € 200.000,- te betalen een geclausuleerd aanbod betrof. De man heeft als voorwaarde gesteld dat de vrouw zou afzien van welke financiële vordering dan ook. Nu deze voorwaarde niet is vervuld, is daarmee ook het aanbod vervallen.

2.18

Deze klacht kan mijns inziens niet tot cassatie leiden. De vrouw heeft betoogd dat de man bereid was haar € 200.000 te schenken; vervolgens heeft het hof niet meer overwogen dan dat de vrouw een productie in het geding heeft gebracht waaruit zulks blijkt. Waar ook het hof niet zal zijn ontgaan dat het bedoelde aanbod zich kennelijk niet heeft gematerialiseerd, ligt het voor de hand dat voor ’s hofs oordeel dat de vrouw financieel in staat kan worden geacht haar hypotheeklasten zelfstandig te dragen, niet van wezenlijk belang was of het bedoelde aanbod haar al dan niet geclausuleerd is gedaan. Onbegrijpelijk is dat niet, omdat een aanbod zoals bedoeld, ook als het geclausuleerd is gedaan, in elk geval indicatief is voor de financiële aanspraken die de vrouw mogelijk op de man kon doen gelden. Daarbij komt dat de overige door het hof in aanmerking genomen financiële gegevens met betrekking tot de vrouw het bestreden oordeel zeer wel ook zelfstandig kunnen dragen.

2.19

In de tweede plaats klaagt het middel (onder 3.4) dat - anders dan het hof heeft overwogen - de financiële bijdrage die [betrokkene] bij de aankoop van het huis door de vrouw heeft geleverd - door het afsluiten van een nieuwe hypotheek op zijn huis en door de daarmee vrijkomende € 121.000,- in het huis van de vrouw te investeren, in ruil waarvoor hij voor 29% eigenaar van dat huis is geworden - niet als tijdelijk kan worden gezien.

2.20

Ook deze tweede klacht kan niet tot cassatie leiden. Ook al zou de constructie een meer permanent karakter hebben, dan betekent dat niet meer en niet minder dan dat [betrokkene] voor 29% eigenaar is - en blijft - van het huis waarin de vrouw woonachtig is. Die enkele omstandigheid dwingt niet tot het aanvaarden van de conclusie dat sprake is van een zodanige financiële verwevenheid tussen de vrouw en [betrokkene] dat sprake is van een wederzijdse verzorging en een gemeenschappelijke huishouding.

Ook de omstandigheid dat uit de hypotheekakte blijkt dat [betrokkene] naast de vrouw hoofdelijk aansprakelijk is voor de verplichtingen van de vrouw maakt het voorgaande niet anders, nu het hof heeft vastgesteld dat de vrouw in beginsel geacht moet worden het op haar rustende deel van de hypotheeklast zelfstandig te kunnen dragen. Anders dan het middel (onder 3.6) aanvoert is het hof daarbij niet uitgegaan van een onjuist bedrag. Blijkens hetgeen het hof heeft overwogen in rov. 2.10 is ook het hof ervan uitgegaan dat de vrouw de rentelasten draagt over een bedrag van € 300.000,-, zijnde (afgerond) 7/10 deel van de volledige koopsom. Voorts miskent het middel onder 3.6 dat de vrouw naast haar inkomen recht heeft op een bijdrage van de man in de kosten van haar levensonderhoud en op een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de (twee) kinderen die bij haar wonen.

2.21

In verband met het derde middel dient ten slotte te worden bedacht dat art. 1:160 BW restrictief moet worden uitgelegd8. Daarbij past dat hoge eisen worden gesteld aan het bewijs van de toestand dat de vrouw met een ander is gaan samenwonen als waren zij gehuwd, en dat, tegenover zulk bewijs, eerder van toereikend tegenbewijs sprake zal zijn.

2.22

Middel IV klaagt dat het hof heeft verzuimd voldoende inzichtelijk te maken waarom de omstandigheid dat de oudste dochter van de man en de vrouw ([kind 1]) bij de man is komen wonen, niet een wijziging van omstandigheden vormt die tot een herberekening van de draagkracht ten behoeve van de partneralimentatie en de kinderalimentatie voor de twee jongste kinderen noopt. Het middel klaagt dat het hof niet heeft mogen volstaan met de overweging dat daarmee al rekening is gehouden in de beschikking van de rechtbank Zutphen van 9 juni 2010.

2.23

Voor het bestreden oordeel is niet dragend dat de rechtbank in haar beschikking van 9 juni 2010 reeds ermee rekening heeft gehouden dat [kind 1] bij de man is gaan wonen, maar dat “de man zijn stelling, dat de verhuizing van [kind 1] naar hem een wijziging van zijn draagkracht kan opleveren, niet nader heeft onderbouwd” (rov. 2.16). Daarop heeft het hof zijn oordeel gebaseerd “dat geen sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden op grond waarvan een hernieuwde beoordeling van de draagkracht van de man gerechtvaardigd is” (rov. 2.16).

2.24

Het cassatieverzoekschrift is door de man aangevuld bij brief van 22 juli 2013 na kennisname van het proces-verbaal van de zitting van 12 januari 2012.

2.25

Onder 3.10 keert het (aangevulde) rekest zich tegen de rov. 2.10 en 2.11 van de eindbeschikking met de klacht het hof bij het berekenen van de belastingdruk van de vrouw (haar netto hypotheeklasten) van foute aannamen is uitgegaan. Deze klacht houdt niet specifiek verband met de inhoud van het proces-verbaal en is daarom tardief voorgesteld.

2.26

Voor zover voorts nog klachten worden geformuleerd over de door het hof vastgestelde bereidheid van de man om de vrouw € 200.000,- te schenken en wordt geklaagd dat het hof heeft miskend dat de financiële hulp van [betrokkene] aan de vrouw geen tijdelijk karakter heeft, kunnen deze klachten niet tot cassatie leiden op de gronden zoals hiervoor reeds bij de behandeling van middel III is uiteengezet.

2.27

Voor het overige worden in het aangevulde cassatierekest vooral passages in het proces-verbaal becommentarieerd, zonder dat dit uitmondt in klachten met een voldoende bepaaldheid en precisie, die aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv9 voldoen.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging en verwijzing.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal

1 Rov. 3.1- 3.12 van de (tussen)beschikking van het hof Arnhem van 31 mei 2011.

2 Rov. 1.2 van de beschikking van het hof van 8 maart 2012.

3 Rov. 1.5 van de beschikking van het hof van 8 maart 2012

4 Die afwijzing is overigens niet opgenomen in het dispositief, noch van de tussenbeschikking van 8 maart 2012, noch van de eindbeschikking van 28 februari 2013.

5 Rov. 1.2 van de beschikking van het hof van 28 februari 2013.

6 Het dispositief van de (eind)beschikking bevat weliswaar een vernietiging van de beschikking van de rechtbank Zutphen van 15 juni 2010 voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, een compensatie van kosten van het geding in beide instanties en een afwijzing van “het meer of anders verzochte”, maar niet een uitdrukkelijke afwijzing van het verzoek van de man.

7 Prod. 7 bij het verzoekschrift wijziging partner- en kinderalimentatie van 25 november 2009.

8 Recent bevestigd in HR 15 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1246, NJ 2013/542 (rov. 3.6: “(…) Het uitzonderlijke en onherroepelijke karakter van de in art. 1:160 BW besloten liggende sanctie vergt dat deze bepaling restrictief wordt uitgelegd, hetgeen meebrengt dat niet snel mag worden aangenomen dat is voldaan aan de door deze bepaling gestelde eisen voor de beëindiging van de verplichting levensonderhoud te verschaffen (vgl. HR 13 juli 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZC3603, NJ 2001/586; HR 3 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS5961, NJ 2005/381).”), alsmede in HR 20 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2058.

9 Zie daarover recent HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA1727, RvdW 2013/892, rov. 3.1.