Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:290

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
04-04-2014
Datum publicatie
20-06-2014
Zaaknummer
13/01857
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:1489, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Erfrecht. Stilzwijgende aanvaarding nalatenschap? Art. 4:192 lid 1 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

13/01857

mr. De Vries Lentsch-Kostense

Zitting 4 april 2014

Conclusie inzake

[eiser]

tegen

VGZ Zorgkantoor B.V.

Inleiding

1.

In deze zaak gaat het in cassatie uitsluitend om de vraag of eiser tot cassatie [eiser] – die tezamen met zijn moeder [de moeder] en zijn zuster [de zuster] door verweerster in cassatie VGZ in zijn hoedanigheid van erfgenaam van zijn in 2008 overleden vader [de vader] is aangesproken tot betaling van een bedrag van € 64.370,08 (met rente en (na)kosten) – de erfenis van zijn vader stilzwijgend heeft aanvaard doordat hij in eerste aanleg tezamen met zijn moeder en zuster tegen het verstekvonnis waarbij zij hoofdelijk tot betaling waren veroordeeld, verzet heeft ingesteld en vervolgens tezamen met zijn moeder en zuster is verschenen ter comparitie van 28 januari 2011 en daar inhoudelijk verweer voerde en eerst daarna bij akte na comparitie het nieuwe verweer voerde dat de nalatenschap inmiddels door hem (en zijn zuster) bij “akte nalatenschap” d.d. 21 februari 2011 is verworpen.

De vordering betreft voorschotbetalingen die VGZ op grond van een aan de vader verstrekt persoonsgebonden budget (PGB) heeft gedaan, gedeeltelijk nadat de vader was overleden. Het hof heeft – in cassatie onbestreden – geoordeeld dat het litigieuze bedrag aan de vader onverschuldigd is betaald nu voor de besteding van de PGB-gelden geen verantwoording is afgelegd waarna VGZ de goedgekeurde bedragen op € 0,00 heeft gesteld, dat het bij de vordering uit onverschuldigde betaling gaat om een verknochte schuld die niet in de huwelijksgemeenschap van de vader en de moeder is gevallen, en dat de vordering ter zake van de na het overlijden van de vader gedane betalingen een schuld van de nalatenschap is geworden.

Het hof heeft de vraag of [eiser] de erfenis heeft aanvaard, bevestigend beantwoord en het heeft – evenals overigens de rechtbank – de vordering van VGZ toegewezen. [eiser] keert zich in cassatie tegen deze bevestigende beantwoording.

2.

In cassatie kan worden uitgegaan van feiten zoals vastgesteld door het gerechtshof Arnhem in rov. 2 van zijn in zoverre in cassatie niet bestreden eindarrest van 18 december 2012. Het gaat – kort samengevat en voor zover in cassatie van belang – om het volgende (zie ook de in cassatie niet bestreden rov. 3 van het eindarrest van het hof).

VGZ heeft in het jaar 2008 een persoonsgebonden budget (PGB) ten bedrage van € 72.443,13 toegekend aan [de vader], de vader van [eiser] en [de zuster] (hierna tezamen te noemen: [de familieleden] en afzonderlijk [eiser] en de zuster) en de echtgenoot van [de moeder] (hierna: [de moeder] of de moeder) met wie hij in gemeenschap van goederen was gehuwd. Dit budget is bestemd om de budgethouder in de gelegenheid te stellen zelf persoonlijke verzorging, verpleging, individuele begeleiding en groepsbegeleiding (al dan niet met vervoer) in te kopen. Op de door [de vader] opgegeven bankrekening zijn in het jaar 2008 voorschotten gestort ten bedrage van € 64.370,08. [de vader] is op 9 juni 2008 overleden. Een deel van deze voorschotbetalingen is nadien verricht. Omdat naar het oordeel van VGZ onvoldoende verantwoording was afgelegd over de besteding van het betaalde voorschot, heeft VGZ bij beschikking van 17 december 2008 het PGB van [de vader] op nihil bepaald en het bedrag van € 64.370,08 teruggevorderd. Ter zake van deze terugvordering heeft VGZ [de moeder] en [de familieleden] in hun hoedanigheid van erfgenamen aangesproken. [de moeder] en [de familieleden] hebben ondanks herhaalde sommatie het voorgeschoten PGB over 2008 niet terugbetaald.

3.

VGZ heeft bij dagvaarding van 23 juli 2010 gevorderd [de moeder] en [de familieleden] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van € 64.370,08, zijnde het bedrag dat VGZ aan voorschotten voor het persoonsgebonden budget van [de vader] heeft betaald, en tot betaling van € 1.788 wegens buitengerechtelijke kosten, met veroordeling van [de moeder] en [de familieleden] in de kosten van het geding en nasalaris, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente.

[de moeder] en [de familieleden] zijn niet verschenen. Tegen hen is verstek verleend. De rechtbank Arnhem heeft bij vonnis van 8 september 2010 het gevorderde toegewezen.

4.

Tegen dit verstekvonnis hebben [de moeder] en [de familieleden] verzet aangetekend. In hun verzetdagvaarding hebben zij zich verweerd tegen de vordering, daartoe onder meer betogend dat zij wel degelijk steeds hebben voldaan aan de verplichtingen voortvloeiend uit het persoonsgebonden budget.

De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 1 december 2010 een comparitie van partijen bevolen. De comparitie heeft plaatsgevonden op 28 januari 2011. De rechtbank heeft [de moeder] en [de familieleden] in de gelegenheid gesteld bij akte bewijsstukken over te leggen van de verantwoording voor de besteding van het PGB over 2008.

Vervolgens hebben [de moeder] en [de familieleden] bij akte na comparitie medegedeeld dat zij geen andere stukken meer kunnen overleggen dan de stukken die VGZ bij dagvaarding heeft overgelegd. Voorts betogen [de familieleden] dat zij bij de griffie van de rechtbank een volmacht hebben gedeponeerd strekkende tot het afleggen van een verklaring dat zij de nalatenschap van hun vader verwerpen zodat zij niet door VGZ kunnen worden aangesproeken ter zake van de schulden van hun vader. Zij hebben een “akte nalatenschap” d.d. 21 februari 2011 overgelegd waarin namens [de familieleden] door de daartoe gevolmachtigde ter griffie van de rechtbank Arnhem wordt verklaard dat [de familieleden] de nalatenschap van hun vader verwerpen.

De rechtbank heeft bij eindvonnis in verzet van 4 mei 2011 (ECLI:NL:RBARN:2011:BQ4775) het verstekvonnis bekrachtigd. Zij overwoog daartoe als volgt. De vordering van VGZ is, naar de rechtbank begrijpt, gebaseerd op wanprestatie van [de moeder] en [de familieleden] wegens het niet nakomen van de verplichting om verantwoording af te leggen over het ontvangen PGB. [de moeder] en [de familieleden] hebben hun verweer niet met nadere stukken kunnen onderbouwen zodat hun verweer dat zij wel verantwoording hebben afgelegd als onvoldoende gemotiveerd wordt gepasseerd. In hun akte hebben [de moeder] en [de familieleden] nieuwe verweren aangevoerd (waaronder het verweer van [de familieleden] dat zij de erfenis inmiddels hebben verworpen). In de rolverwijzing was haar slechts een akte houdende overlegging producties toegestaan. De rechtbank slaat geen acht op dit verweer dat in strijd is met de procesafspraken en ook met het vereiste van concentratie van verweer zoals neergelegd in art. 128 lid 3 Rv en met de eisen van de goede procesorde.

5.

[de familieleden] zijn van het vonnis van 4 mei 2011 in hoger beroep gekomen, onder aanvoering van zes grieven. [de moeder] heeft kennelijk in dat vonnis berust.

Het gerechtshof Arnhem heeft bij tussenarrest van 15 november 2011 een comparitie van partijen bevolen. Bij eindarrest van 18 december 2012 (ECLI:NL:GHARN:2012:3754) heeft het hof het vonnis waarvan beroep bekrachtigd, behoudens voor zover door dit vonnis de hoofdelijke veroordeling van [de familieleden] zoals uitgesproken bij het verstekvonnis van 8 september 2010 wordt bekrachtigd. Het hof heeft dit vonnis in zoverre vernietigd en in zoverre opnieuw recht doende heeft het hof [eiser] en zijn zuster veroordeeld om ieder voor zich aan VGZ te voldoen een bedrag van € 22.052,69, te vermeerderen met de wettelijke rente en een bedrag van € 596,- (een derde deel van de buitengerechtelijke kosten), te vermeerderen met de wettelijke rente.

Het hof heeft daartoe overwogen als volgt. De grondslag van de vordering van VGZ zoals bij eerste gelegenheid in appel gewijzigd, is onverschuldigde betaling van € 64.370,08. Dat bedrag is inderdaad onverschuldigd aan [de vader] betaald. Het gaat hier immers om voorschotten naar aanleiding van een toekenning van PGB-gelden voor de besteding waarvan, zoals de rechtbank onbestreden heeft vastgesteld, geen verantwoording is afgelegd. Naar het oordeel van het hof heeft VGZ derhalve op juiste gronden de goedgekeurde bedragen op € 0,00 gesteld, waardoor de rechtsgrond aan de betalingen is komen te ontvallen en het bedrag van € 64.370,08 als onverschuldigd betaald moet worden aangemerkt. De bijzondere wijze waarop deze betalingen met de budgethouder [de vader] zijn verknocht, verzet zich ertegen dat de betaalde voorschotten in de gemeenschap van goederen zijn gevallen. De schuld tot terugbetaling van de onverschuldigd betaalde voorschotten wordt daarom aangemerkt als een verknochte schuld die niet in de gemeenschap van goederen is gevallen. [de familieleden] zijn door VGZ aangesproken als erfgenamen van de nalatenschap van [de vader], waarvan de schuld in verband met de vordering van VGZ wegens onverschuldigde betaling deel uitmaakt. De bedragen die VGZ na het overlijden van [de vader] heeft voldaan in het kader van haar rechtsverhouding met laatstgenoemde, zijn onverschuldigd betaald en aldus een schuld van de nalatenschap geworden.

Vervolgens heeft het hof het verweer van [de familieleden] dat zij de nalatenschap rechtsgeldig hebben verworpen bij akte van 21 februari 2011, verworpen met de volgende overweging:

“3.14 [de familieleden] zijn -kort weergegeven- op vordering van VGZ bij verstekvonnis van 8 september 2010 hoofdelijk veroordeeld tot betaling van € 64.370,08, te vermeerderen met wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten. Tegen dit verstekvonnis hebben zij bij dagvaarding van 19 oktober 2010 verzet ingesteld en in de daarna volgende procedure zijn zij op 28 januari 2011 ter comparitie verschenen en hebben zij zich verweerd tegen de vordering van VGZ. Dit verweer, dat het standpunt impliceert dat [de familieleden] als erfgenamen van [de vader] aanspraak kunnen maken op de door VGZ onverschuldigd aan [de vader] betaalde bedragen en erop is gericht om als erfgenamen te kunnen (blijven) beschikken over deze bedragen, dient te worden opgevat als een daad van stilzwijgende aanvaarding van de nalatenschap van [de vader]. Aan de verwerping van die nalatenschap bij akte van 21 februari 2011, komt derhalve geen betekenis toe.”

Ten slotte heeft het hof overwogen dat de slotsom is dat VGZ op juiste gronden [de familieleden] als erfgenamen van [de vader], niet hoofdelijk zoals in het bestreden vonnis, maar naar rato van hun erfdeel, ieder aanspreekt tot betaling van een derde van het bedrag van € 64.370,08, te vermeerderen met de wettelijke rente en tot betaling van een derde van het bedrag aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

6.

[eiser] heeft (tijdig) cassatieberoep ingesteld tegen het eindarrest van het gerechtshof Arnhem. VGZ heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep. Partijen hebben de zaak schriftelijk toegelicht, waarna [eiser] nog heeft gerepliceerd.

Het cassatiemiddel

7.

Het cassatiemiddel komt op tegen rov. 3.14 (hiervoor geciteerd) van het eindarrest van het hof, waar het hof tot de slotsom kwam dat [de familieleden] de erfenis hebben aanvaard en dat de verwerping van de nalatenschap bij akte van 21 februari 2011 derhalve geen betekenis toekomt. Onderdeel 2 (onderdeel 1 bevat een inleiding) voert diverse cassatieklachten aan. Het onderdeel bevat twee (sub)onderdelen, genummerd 2.1 en 2.2. Onderdeel 2.1 is onderverdeeld in de onderdelen 2.1.1, 2.1.2 en 2.1.3. Het strekt ten betoge dat het rechtens onjuist dan wel onbegrijpelijk is dat het hof het verweer dat in de onderhavige zaak door [eiser] is gevoerd, heeft gekwalificeerd als een daad van zuivere aanvaarding. Onderdeel 2.2 bevat geen zelfstandige klacht.

Vooropstelling

8.

De erfgenaam die tot een nalatenschap geroepen wordt kan de nalatenschap aanvaarden of verwerpen. Een aanvaarding kan zuiver geschieden of onder voorrecht van boedelbeschrijving (art. 4:190 lid 1 BW). Een eenmaal gedane keuze is onherroepelijk en werkt terug tot het ogenblik van het openvallen der nalatenschap (art. 4:190 lid 4 BW). De keuze kan worden gedaan door het afleggen van een daartoe strekkende verklaring ter griffie van de rechtbank van het sterfhuis (art. 4:191 lid 1 BW). Er is dan sprake van een uitdrukkelijke (formele) aanvaarding of verwerping. Zuivere aanvaarding van de nalatenschap kan ook stilzwijgend geschieden. Art. 4:192 lid 1 BW bepaalt immers dat zuivere aanvaarding ook kan geschieden door iedere handeling waarbij een erfgenaam zich ondubbelzinnig en zonder voorbehoud gedraagt als een erfgenaam die zuiver heeft aanvaard, tenzij hij zijn keuze reeds eerder heeft gedaan.

In de parlementaire geschiedenis (TM, Parl. Gesch. Vaststellingswet Boek 4 BW, p. 932) wordt opgemerkt dat de nalatenschap zowel uitdrukkelijk als stilzwijgend kan worden aanvaard, doch dat het evenmin als bij andere rechtshandelingen nodig is dit met zoveel woorden nog eens te verklaren. Het enige nodige is, aldus de TM, dat de erfgenaam zich ondubbelzinnig en zonder voorbehoud als erfgenaam gedraagt. In de parlementaire geschiedenis (MvA II, Parl. Gesch. Vaststellingswet Boek 4 BW, p. 933-934) wordt verder erop gewezen dat van zuivere aanvaarding geen sprake is indien de erfgenaam daden van beheer verricht. Van zuivere aanvaarding is wel sprake indien de erfgenaam over de goederen der nalatenschap als heer en meester beschikt, of wanneer hij, eventueel in een andere vorm dan een verklaring ter griffie, duidelijk aan de schuldeisers der nalatenschap doet blijken dat hij de schulden der nalatenschap geheel voor zijn rekening neemt. Voorts wordt erop gewezen dat wanneer er twee of meer erfgenamen zijn, het in beginsel van de gedragingen van ieder van hen afzonderlijk afhangt of de nalatenschap moet worden aangemerkt als door een bepaalde erfgenaam zuiver aanvaard, beneficiair aanvaard of verworpen te zijn.

9.

Of uit een daad of gedraging de wil om zuiver te aanvaarden blijkt, is niet steeds zonder meer duidelijk. Strakke regels kunnen hier niet worden gegeven. Met betrekking tot de toetsing in cassatie geldt dat de vraag of een bepaalde daad of gedraging een stilzwijgende aanvaarding kàn opleveren, een rechtsvraag is, terwijl het antwoord op de vraag of een zodanige daad die een stilzwijgende aanvaarding kan opleveren in het gegeven geval ook daadwerkelijk een stilzwijgende aanvaarding oplevert, afhankelijk is van de waardering van de omstandigheden van het geval en daarmee in cassatie slechts op begrijpelijkheid is te toetsen. Zie ook HR 26 april 1968, ECLI:NL:HR:1968:AC4853, NJ 1969/322 m.nt. K.W.

10.

In de feitenrechtspraak is ten aanzien van de vraag of sprake is van zuivere aanvaarding van de nalatenschap als bedoeld in art. 4:191 lid 1 BW, sprake van een uitgebreide casuïstiek. Zie ook, met diverse voorbeelden: Pitlo/Van der Burght/Ebben, Erfrecht, Deventer: Kluwer 2004, nrs. 492-496; Asser/Perrick 4 2013/520; L.C.A. Verstappen, in: M.J.A. van Mourik (red.), Handboek Erfrecht, Deventer: Kluwer 2011, p. 437 e.v. en Groene Serie Erfrecht (B.E. Reinhartz), art. 4:192 BW, aant. 1-4. Ik geef hieronder enkele voorbeelden weer:

 Verhuur van de woning van erflater na haar overlijden aan een derde is niet een daad van beheer. Door het aangaan van de huurovereenkomst door de erfgenaam is als heer en meester beschikt over goederen van de nalatenschap. Hof Arnhem-Leeuwarden 5 maart 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:BZ4288.

 Toe-eigening van sieraden en banksaldi van de nalatenschap (waarna de erfgename de nalatenschap heeft verworpen) geldt als zuivere aanvaarding van de nalatenschap omdat de erfgename aldus als heer en meester over goederen van de nalatenschap heeft beschikt. Hof Arnhem-Leeuwarden 26 februari 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:BZ2833, NJF 2013/174.

 Verkoop van de onderneming van erflater door een gevolmachtigde van erfgenamen, geldt niet als zuivere aanvaarding van de nalatenschap, omdat de erfgenaam geen bemoeienis heeft gehad met de verkoop. De verwerping van de nalatenschap door de erfgenaam heeft daarom effect. Rb. ’s-Gravenhage 23 juni 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BX2012. De zaak wordt besproken door E.A.A. Luijten & W.R. Meijer, ‘Zuivere aanvaarding door handelingen van een gevolmachtigde?’, TE 2012/6, p. 115-119.

 Verkoop van het appartement van erflater door erfgenaam wordt aangemerkt als “heer en meester” over de nalatenschap beschikken, zodat sprake is van zuivere aanvaarding van de nalatenschap. Rb. Utrecht 21 april 2010, ECLI:NL:RBUTR:2010:BM1877.

 Het leeghalen van de woning en het weggeven van inboedelgoederen van erflater gelden als zuivere aanvaarding van de nalatenschap, waarna verwerping van de nalatenschap door erfgenamen niet meer mogelijk is. Rb. Alkmaar 17 februari 2009, ECLI:NL:RBALK:2009:BI1984, Prg. 2009/119. Vgl. ook Rb. Zutphen 22 april 2009, ECLI:NL:RBZUT:2009:BI7755, besproken door E.A.A. Luijten & W.R. Meijer, ‘De positie van de minderjarige erfgenaam, beheer van het vermogen van een erflater’, TE 2009/4, p. 66-71.

Uit deze voorbeelden blijkt dat een beschikkingshandeling van een erfgenaam ten aanzien van de nalatenschap al spoedig wordt gekwalificeerd als een zuivere aanvaarding van de nalatenschap, waarna aan een latere verwerping van de nalatenschap geen betekenis meer kan toekomen gelet op art. 4:190 lid 4 BW.

11.

Ook ten aanzien van de vraag of betrokkenheid van een erfgenaam in een gerechtelijke procedure moet worden aangemerkt als een zuivere aanvaarding van de nalatenschap, bestaat jurisprudentie van feitenrechters. Overzichten van deze rechtspraak worden gegeven in Groene Serie Erfrecht (B.E. Reinhartz), art. 4:192 BW, aant. 3 en L.C.A. Verstappen, in: M.J.A. van Mourik (red.), Handboek Erfrecht, Deventer: Kluwer 2011, p. 440. Zie over deze vraag ook Pitlo/Van der Burght/Ebben, Erfrecht, Deventer: Kluwer 2004, nr. 495 en Asser/Perrick 4 2013/520. Het volgende beeld komt hieruit naar voren.

 Het niet verschijnen na een dagvaarding wordt in beginsel niet als een daad van zuivere aanvaarding van de nalatenschap gezien.

 Het niet aanwenden van een rechtsmiddel tegen een verstekvonnis kan in beginsel niet als daad van aanvaarding worden aangemerkt.

 Van zuivere aanvaarding van de nalatenschap is in beginsel geen sprake indien de erfgenaam wel verschijnt, maar zich van ieder verweer onthoudt of zich aan het oordeel van de rechter refereert. Rb. Alkmaar 29 juni 1972, ECLI:NL:RBALK:1972:AC5248, NJ 1973/518 m.nt. DJV.

 Uit het instellen van rechtsvorderingen die een erfgenaam toekomen, kan in beginsel een wil tot zuivere aanvaarding worden afgeleid.

Bespreking van de cassatieklachten

12.

Onderdeel 2.1.1 klaagt dat het rechtens onjuist dan wel onbegrijpelijk is dat het hof het voeren van verweer in de onderhavige zaak door [eiser] als een daad van zuivere aanvaarding heeft aangemerkt, in het bijzonder met de daarvoor gegeven motivering dat het verweer het standpunt impliceert dat [de familieleden] aanspraak kunnen maken op de door VGZ aan de erflater betaalde bedragen en erop is gericht om als erfgenamen te kunnen blijven beschikken over deze bedragen. Het onderdeel voert daartoe aan dat het hof, aldus oordelend, om de volgende twee redenen uitgaat van een onjuist criterium (te lage drempel) ten aanzien van het zuiver aanvaarden van een nalatenschap door gedragingen of stilzitten als bedoeld in art. 4:192 lid 1 BW, welke bepaling vereist dat de erfgenaam zich ondubbelzinnig en zonder voorbehoud als zuiver aanvaard hebbende erfgenaam heeft gedragen.

Ten eerste kan – zo betoogt het onderdeel onder a – uit het verweer dat in eerste aanleg is gevoerd, niet worden afgeleid dat [eiser] zich heeft gedragen als erfgenaam die zonder voorbehoud en ondubbelzinnig de erfenis heeft aanvaard nu daarvoor is vereist dat bij de wederpartij geen enkele twijfel heeft bestaan dat de betrokken erfgenaam de erfenis heeft aanvaard. Ten tweede moet – aldus het onderdeel onder b – art. 4:192 BW met grote terughoudendheid worden toegepast wanneer een erfgenaam die nog geen keuze heeft gedaan (zuiver aanvaarden, beneficiair aanvaarden of verwerpen) door een schuldeiser van de boedel in rechte wordt betrokken. Het onderdeel verwijst in dat verband naar de gerechtelijke erkentenis als bedoeld in art. 154 Rv waarvoor is vereist dat een stelling van de wederpartij uitdrukkelijk en ondubbelzinnig wordt erkend. Gelet op de verstrekkende gevolgen van een zuivere aanvaarding zal op zijn minst de eis moeten worden gesteld dat uit het gevoerde verweer voldoende blijkt dat de betrokken erfgenaam zich gedraagt als ondubbelzinnig en zonder voorbehoud zuiver aanvaard hebbende erfgenaam. Van dit alles is in casu geen sprake, zeker gelet op het verweer bij de dagvaarding in oppositie en het verweer gevoerd ter comparitie, waarbij klaarblijkelijk de moeder aangeeft dat het mogelijk een fout bij VGZ is geweest en de broer eerst bij comparitie zelf aangeeft nooit iets te hebben ontvangen om dan vervolgens bij akte zich – onder meer – op verwerping te beroepen. Gelet op het feit dat een in hoedanigheid van erfgenaam in rechte aangesproken partij wel daden van beheer mag voeren, mocht de broer in casu in deze procedure (mede) het standpunt innemen dat er sprake is van een fout bij VGZ en vervolgens in de akte na comparitie primair dat de nalatenschap is verworpen.

Het middelonderdeel klaagt onder c dat aldus rechtens onjuist en onbegrijpelijk is dat het hof ten aanzien van [eiser] oordeelt dat aan de verwerping van de nalatenschap geen betekenis toekomt.

13.

Tegen de achtergrond van het hiervoor vooropgestelde moet dit middelonderdeel falen. Ik licht dit toe.

Zoals hiervoor aangegeven, bepaalt art. 4:192 lid 1 BW dat sprake is van een zuivere aanvaarding van een nalatenschap indien een erfgenaam zich ondubbelzinnig en zonder voorbehoud als een zuiver aanvaard hebbende erfgenaam gedraagt, tenzij hij zijn keuze reeds eerder heeft gedaan. Dit betekent dat niet is vereist dat de erfgenaam expliciet verklaart dat hij de nalatenschap zuiver aanvaardt doch dat zuivere aanvaarding ook stilzwijgend kan geschieden. Daarvoor is vereist maar ook voldoende een handeling of gedraging waarbij een erfgenaam zich ondubbelzinnig en zonder voorbehoud gedraagt als een erfgenaam die zuiver heeft aanvaard. Ingeval een erfgenaam in zijn hoedanigheid van erfgenaam in rechte wordt aangesproken, kan – anders dan het middelonderdeel onder a betoogt – het voeren door de erfgenaam van een inhoudelijk verweer dat hem in zijn hoedanigheid van erfgenaam toekomt en dat niet inhoudt (ook niet primair) dat hij niet kan worden aangesproken omdat hij de erfenis verwerpt (heeft verworpen) of beneficiair aanvaardt (of heeft aanvaard), worden gekwalificeerd als een gedraging waarbij de erfgenaam zich ondubbelzinnig en zonder voorbehoud gedraagt als een erfgenaam die zuiver heeft aanvaard.

Het hof heeft de vraag of [eiser] in casu de nalatenschap van zijn vader stilzwijgend zuiver heeft aanvaard, bevestigend beantwoord, overwegende dat [de familieleden] in de onderhavige procedure bij verzetdagvaarding (tezamen met hun moeder) verzet hebben aangetekend tegen het verstekvonnis waarbij zij in hun hoedanigheid van erfgenamen tezamen met de moeder waren veroordeeld tot (terug)betaling van de door VGZ onverschuldigd aan de erflater betaalde bedragen en dat zij in de daarop volgende procedure ter comparitie zijn verschenen en daar een verweer hebben gevoerd dat het standpunt impliceert dat zij als erfgenamen van [de vader] aanspraak kunnen maken op de door VGZ onverschuldigd aan [de vader] betaalde bedragen en dat erop is gericht om als erfgenamen te kunnen (blijven) beschikken over deze bedragen. Het hof heeft daarbij in aanmerking genomen dat dit verweer in dat stadium van het geding niet inhield dat [eiser] de erfenis verwierp (of beneficiair aanvaardde). Aldus oordelend, heeft het hof geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de maatstaf van art. 4:192 lid 1 BW. Het op de uitleg van de gedingstukken gebaseerde oordeel van het hof dat het in de verzetdagvaarding en het ter comparitie door [de familieleden] gevoerde verweer het standpunt impliceert dat [de familieleden] als erfgenamen van [de vader] aanspraak kunnen maken op de door VGZ onverschuldigd aan [de vader] betaalde bedragen en dat dit verweer erop is gericht om als erfgenamen te kunnen (blijven) beschikken over deze bedragen, is niet onbegrijpelijk.

Het middelonderdeel onder b beoogt kennelijk te betogen dat uit het gevoerde verweer niet kan worden afgeleid dat ook [eiser] zelf de erfenis zuiver heeft aanvaard. Het voert daartoe aan dat klaarblijkelijk de moeder heeft aangegeven dat sprake is geweest van een mogelijke fout bij VGZ en dat [eiser] zelf bij comparitie eerst heeft verklaard nooit iets te hebben ontvangen en dat [eiser] vervolgens bij akte na comparitie onder overlegging van de “akte nalatenschap” heeft aangevoerd dat hij de nalatenschap heeft verworpen. Dit betoog moet falen. Niet onjuist of onbegrijpelijk is het oordeel van het hof dat ook [eiser] zelf de erfenis stilzwijgend zuiver heeft aanvaard door tezamen met zijn zuster en zijn moeder bij dagvaarding verzet in te stellen tegen het verstekvonnis en vervolgens gezamenlijk met hen ter comparitie te verschijnen en aldaar gezamenlijk een verweer te voeren dat ertoe strekt dat de door VGZ betaalde bedragen niet aan VGZ behoeven te worden terugbetaald. Dat [eiser] mogelijk niets van het geld heeft ontvangen, zoals hij bij comparitie in eerste aanleg heeft gesteld, doet in dit verband niet terzake, omdat hij als erfgenaam van rechtswege schuldenaar is van de schulden van de erflater (art. 4:182 lid 2 BW). Nu [eiser] tezamen met zijn moeder en zuster inhoudelijk verweer heeft gevoerd met de strekking als door het hof aangenomen, moet worden geconcludeerd dat [eiser] niet alleen daden van beheer heeft verricht voordat hij de nalatenschap heeft verworpen nadat dat verweer is gevoerd.

Omdat zuivere aanvaarding van de nalatenschap ook kan blijken uit gedragingen, kan niet, zoals het middelonderdeel onder b kennelijk doet, ervan worden uitgegaan dat voor zover niet is gebleken van een expliciete aanvaarding van de nalatenschap door [eiser], art. 4:192 lid 1 BW met grote terughoudendheid althans met meer terughoudendheid dan het hof heeft gedaan, dient te worden toegepast. Ik teken hierbij aan dat de in het middelonderdeel voorgestane analogie met de gerechtelijke erkenning uit artikel 154 Rv reeds niet opgaat omdat een gerechtelijke erkenning uitdrukkelijk dient te geschieden, terwijl de zuivere aanvaarding van de nalatenschap ook door middel van gedragingen tot stand kan komen.

Het middelonderdeel onder c bevat geen zelfstandige klacht en faalt derhalve eveneens.

14.

Onderdeel 2.1.2 klaagt dat het hof in rov. 3.14 voorts miskent dat het per individuele erfgenaam moest onderzoeken of de betrokken erfgenaam zich heeft gedragen als ondubbelzinnig en zonder voorbehoud aanvaard hebbende erfgenaam en dat het hof derhalve had moeten onderzoeken of ook [eiser] de nalatenschap zuiver heeft aanvaard. Het onderdeel betoogt dat [eiser] bij de comparitie in eerste aanleg – onweersproken – heeft gesteld dat hij niets van het geld heeft ontvangen en de verzorging van zijn vader uit liefde heeft gedaan, dat hij geen daden van aanvaarding heeft gedaan en vervolgens de erfenis heeft verworpen. Het onderdeel betoogt dat aldus niet kan worden geconcludeerd dat [eiser] heeft beoogd de erfenis zuiver te aanvaarden nu immers een partij die in de hoedanigheid van erfgenaam wordt aangesproken ter zake van een schuld van de erflater, ter afwending daarvan voor meerdere ankers mag gaan liggen en vervolgens – voor zoveel nodig – materieel verweer voeren.

15.

Het onderdeel faalt. Het hof heeft niet miskend dat het per individuele erfgenaam moest onderzoeken of de betrokken erfgenaam zich heeft gedragen als ondubbelzinnig en zonder voorbehoud aanvaard hebbende erfgenaam. Het heeft beoordeeld of het voeren van gezamenlijk verweer door [de familieleden] en de moeder kon gelden als een zuivere aanvaarding van de nalatenschap door iedere erfgenaam afzonderlijk. Het hof heeft deze vraag bevestigend beantwoord en daarbij overwogen dat vanuit dit perspectief aan de verwerping van die nalatenschap door [eiser] en de zuster bij akte van 21 februari 2011 geen betekenis meer toekomt. Voor zover het onderdeel wil betogen dat ’s hofs oordeel dat het verweer een gezamenlijk verweer van [de familieleden] en de moeder betreft en dat uit het voeren van dit verweer kan worden afgeleid dat ook [eiser] de erfenis stilzwijgend heeft aanvaard, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting dan wel onbegrijpelijk is, bevat het in zoverre een herhaling van middelonderdeel 2.1.1 en faalt het evenals dat middelonderdeel.

16.

Onderdeel 2.1.3 betoogt dat het oordeel van het hof in rov. 3.14 bovendien onbegrijpelijk is waar het hof oordeelt dat het verweer van [de familieleden] erop is gericht dat zij als erfgenamen kunnen blijven beschikken over de onverschuldigd betaalde bedragen, nu [eiser] in het geheel niets heeft ontvangen en ook de nalatenschap heeft verworpen.

17.

Zoals hiervoor bij de bespreking van de onderdelen 2.1.1 en 2.1.2 reeds is aangegeven, is het door onderdeel 2.1.3 bedoelde oordeel van het hof niet onbegrijpelijk en doet de omstandigheid dat [eiser] mogelijk niets van het geld heeft ontvangen in dit verband niet terzake.

18.

Middelonderdeel 2.2 bevat geen zelfstandige klacht.

Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden