Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:29

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
24-01-2014
Datum publicatie
11-04-2014
Zaaknummer
13/02271
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:897, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Onteigening. Vervroegde onteigening nadat opneming door deskundigen heeft plaatsgevonden. Verzuim rechtbank conform art. 54j lid 2 Onteigeningswet datum te bepalen voor nederlegging deskundigenrapport. Gevolgen, herstelmogelijkheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

13/02271

mr. J.C. van Oven

Zitting 24 januari 2014

CONCLUSIE

inzake:

1. [eiseres 1]

2. [eiser 2] en

3. [eiser 3],

eisers tot cassatie

(mr. P.J.L.J. Duijsens)

tegen

de gemeente Terneuzen,

verweerster in cassatie

(mr. J.A.M.A. Sluysmans)

Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis waarin vervroegde onteigening is uitgesproken van een gedeelte van een aan eisers tot cassatie toebehorend perceel. Eisers tot cassatie hebben het betreffende perceel hangende de uniforme openbare voorbereidingsprocedure voor het Koninklijk Besluit tot onteigening in eigendom verkregen. Het eerste middel klaagt dat de rechtbank heeft miskend dat het Koninklijk Besluit tot onteigening ondeugdelijk is omdat de Kroon de door de rechtsvoorganger van eisers tot cassatie in de voorbereidingsprocedure ingediende zienswijze buiten beschouwing heeft gelaten en dat derhalve de Gemeente in haar vordering tot onteigening niet-ontvankelijk behoort te worden verklaard. Het tweede middel is gericht tegen de verwerping van het verweer dat de noodzaak tot onteigening ontbreekt. Het derde middel laakt het bestreden vonnis omdat de rechtbank heeft nagelaten daarin (conform art. 54j lid 2 Ow) een datum te bepalen waarop de nederlegging ter griffie van het deskundigenbericht uiterlijk dient plaats te vinden.

1 Procesverloop in feitelijke instantie en in cassatie

1.1

Bij Koninklijk Besluit van 3 september 2012, nr. 12.002028, gepubliceerd in de Staatscourant van 20 september 2012 (nr. 18749), is - op verzoek bij besluit van de raad van verweerster in cassatie (hierna: de Gemeente) van 14 april 2011 - ter onteigening ten behoeve van de uitvoering van het bestemmingsplan “Glastuinbouwgebied Kanaalzone” aangewezen een gedeelte ter grootte van 05.49.65 ha van de onroerende zaak kadastraal bekend gemeente Sas van Gent, sectie [A], nr. [001], groot 06.40.95 ha (hierna: het perceelsgedeelte).

1.2

In het hiervoor bedoelde Koninklijk Besluit zijn eisers tot cassatie (hierna: [eiser] c.s.) als eigenaren van voornoemd perceelsgedeelte aangewezen, elk voor een onverdeeld derde deel.

1.3

De Gemeente heeft [eiser] c.s. op 24 oktober 2012 gedagvaard voor de rechtbank Middelburg en gevorderd dat bij vonnis van de rechtbank vervroegd wordt uitgesproken de onteigening ten name van de Gemeente en ten algemenen nutte van het perceelsgedeelte.

1.4

Bij vonnis van 19 december 2012 heeft de rechtbank [betrokkene 1], pachter van het perceelsgedeelte, toegestaan tussen te komen in de hoofdzaak.

1.5

[eiser] c.s. en [betrokkene 1] hebben verweer gevoerd tegen de vordering tot onteigening en - onder meer - de rechtbank verzocht de dagvaarding tot vervroegde onteigening nietig te verklaren, althans de vordering van de Gemeente niet-ontvankelijk te verklaren, althans de Gemeente haar vordering te ontzeggen.

1.6

De zaak is op 5 maart 2013 door (de advocaten van) partijen bepleit, onder overlegging van pleitnotities.

1.7

Bij vonnis van 3 april 2013 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant vervroegd de onteigening ten name van de Gemeente uitgesproken van het perceelsgedeelte met bepaling van het voorschot op de schadeloosstelling voor [eiser] c.s. op € 439.720 en van het voorschot op de schadeloosstelling voor [betrokkene 1] op nihil.

1.8

Bij akte van 16 april 2013 hebben [eiser] c.s. en [betrokkene 1] (tijdig)1 cassatieberoep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank van 3 april 2013. [eiser] c.s. hebben de cassatieakte bij exploot van 1 mei 2013 (tijdig)2 aan de Gemeente laten betekenen met dagvaarding in cassatie.

1.9

De Gemeente heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.

1.10

De advocaten van partijen hebben de zaak schriftelijk toegelicht. [eiser] c.s. hebben gerepliceerd. De Gemeente heeft afgezien van dupliek.

2 Inleiding en kernpunten van het debat, oordeel van de rechtbank

2.1

De casus van deze onteigeningsprocedure vertoont een bijzonderheid. Ten tijde van het verzoekbesluit van de raad van de Gemeente (14 april 2011)3 was het perceel Sas van Gent, sectie [A], nr. [001] eigendom van [betrokkene 2], de vader van [eiser] c.s. Zoals vermeld is in het hierboven onder 1.1 bedoelde Koninklijk Besluit, heeft [betrokkene 2] op de voet van art. 3:15 Awb (dat deel uitmaakt van de in art. 78 lid 2 Ow bedoelde afdeling 3.4 Awb) schriftelijk zijn zienswijze over het ontwerp-Kroonbesluit naar voren gebracht. Nadien, en nadat de termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen was verstreken4, hebben [eiser] c.s. op 2 april 2012 de eigendom van het perceel ten titel van schenking van hun vader verworven. Deze eigendomsovergang is aan de orde gesteld op de hoorzitting ex art. 78 lid 4 Ow die plaatsvond op 21 mei 2012, alwaar [betrokkene 2] was verschenen. De Kroon is vervolgens tot de conclusie gekomen dat [betrokkene 2] niet langer als eigenaar een rechtstreeks bij het besluit tot aanwijzing ter onteigening betrokken belang heeft en daarom niet meer als belanghebbende in deze onteigeningsprocedure kan worden aangemerkt. Nu [betrokkene 2] ook niet had meegedeeld en aangetoond dat hij namens zijn rechtsopvolgers optrad, liet de Kroon zijn zienswijze “hier verder buiten beoordeling”.

2.2

In hun verweer tegen de onteigeningsvordering hebben [eiser] c.s. en [betrokkene 1] het standpunt ingenomen, kort gezegd, dat de Kroon ten onrechte en met doorkruising van het systeem van de Onteigeningswet en de strekking van art. 39 Ow niet [betrokkene 2] maar [eiser] c.s. als eigenaar heeft aangewezen en dat het Koninklijk Besluit in strijd met de wet tot stand gekomen is omdat de Kroon de zienswijze van [betrokkene 2] inhoudelijk niet heeft beoordeeld en in plaats daarvan [eiser] c.s. als eigenaar heeft aangewezen. De Gemeente zou daarom niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in haar vordering.5 Voorts hebben zij aangevoerd, kort gezegd, dat de noodzaak van de onteigening ontbreekt omdat een omzetting van de bedrijfsvoering op het perceelsgedeelte, thans in gebruik voor akker- en tuinbouw, naar glastuinbouw conform het bestemmingsplan eenvoudig te realiseren is, en dat zelfrealisatie momenteel zelfs meer zekerheid met betrekking tot de uitvoering van het bestemmingsplan biedt dan het oorspronkelijke plan van de Gemeente, nu Bio Glas Terneuzen B.V., de partij die de tuinbouwkassen zou exploiteren, failliet is verklaard.6

2.3

Hieromtrent heeft de rechtbank in rov. 2.5 en de eerste alinea van rov. 2.6 het volgende overwogen:

2.5

Ten aanzien de rechtmatigheid van het Koninklijk Besluit overweegt de rechtbank als volgt.

Door [eiser] c.s. en [betrokkene 1] is niet betwist dat de betreffende aanduidingen in het ontwerp-KB en het definitieve KB op zichzelf feitelijk juist zijn. De rechtbank gaat hier dan ook vanuit.

De stelling van [eiser] c.s. en [betrokkene 1] dat [betrokkene 2] in het definitieve KB als eigenaar had moeten worden aangeduid, volgt niet uit de Onteigeningswet en evenmin uit het systeem van die wet.

Uit de Onteigeningswet noch uit het systeem daarvan blijkt dat - in geval van een wisseling van eigenaar van het betreffende perceel tijdens de administratieve procedure - voor de eigendomssituatie zoals die in het definitieve KB dient te worden vermeld, relevant is de situatie zoals die geldt ten tijde van de tervisielegging. Evenmin volgt dit uit de strekking van artikel 39 Onteigeningswet. De strekking van artikel 39 Onteigeningswet is te voorkomen dat de onteigenaar schadevergoeding moet betalen als gevolg van bepaalde handelingen, die door de onteigende in het vooruitzicht van de onteigening zijn verricht. Niet valt in te zien dat op grond van dit artikel geen rekening zou mogen worden gehouden met (feitelijke of juridische) veranderingen tot stand gebracht nà de tervisielegging, die geen invloed hebben op de uiteindelijk toe te kennen schadeloosstelling.

Gesteld noch gebleken is dat de omstandigheid dat de Onteigeningswet niet voorziet in de situatie van een “eigenaarswissel” gedurende de administratieve procedure, in het onderhavige geval onredelijke consequenties heeft voor de onteigende partij.

[betrokkene 2] heeft het betreffende perceel geschonken aan zijn kinderen. Zij moeten geacht worden destijds op de hoogte te zijn geweest van de onteigeningsprocedure. Het moet dan ook voor hun eigen risico blijven dat zij als nieuwe eigenaar geen zienswijzen hebben ingediend. Dit geldt temeer omdat [betrokkene 2] in die fase reeds beschikte over bijstand door een advocaat.

De gemeente heeft overigens gemotiveerd betwist dat de zienswijzen ingesteld door [betrokkene 2] niet door de Kroon zijn beoordeeld.

[betrokkene 1] was in de betreffende periode al pachter, zodat wat hem betreft een zelfde situatie bleef bestaan.

De rechtbank verwerpt dan ook de stelling dat sprake is geweest van gebreken in de administratieve procedure die zouden moeten leiden tot niet ontvankelijkheid van de gemeente.

2.6.

Met betrekking tot het verweer van zelfrealisatie overweegt de rechtbank als volgt. De Kroon heeft het onteigeningsbesluit van de gemeente (gedeeltelijk) goedgekeurd. De rechtbank heeft met betrekking tot dit onteigeningsbesluit een beperkte toetsingsmogelijkheid. De onteigeningsrechter is bevoegd de goedkeuring van het onteigeningsbesluit inhoudelijk te toetsen, als de stellingen van de te onteigenen partij daartoe aanleiding geven. Voorwaarde voor toetsing is dat de te onteigenen partij haar bezwaren al in de administratieve procedure heeft kenbaar gemaakt. Gesteld noch gebleken is dat [betrokkene 2], [eiser] c.s. en/of [betrokkene 1] in een eerder stadium van de onteigeningsprocedure een beroep hebben gedaan op zelfrealisatie, Het beroep is derhalve tardief en moet reeds om die reden worden verworpen.

3 Bespreking van de cassatiemiddelen

3.1

De cassatiedagvaarding bevat drie middelen.

3.2

Het eerste middel borduurt voort op het niet-ontvankelijkheidsverweer op grond van de stelling dat het Koninklijk Besluit van 3 september 2012 onrechtmatig is (totstandgekomen). Volgens het middel en de schriftelijke toelichting van mr. Duijsens is het middel gericht tegen rov. 2.6 van het bestreden vonnis, maar ik houd het ervoor dat dat een vergissing is en dat bedoeld is rov. 2.5.

3.3

Ik stel voorop dat de bezwaren die [eiser] c.s. in cassatie tegen het Koninklijk Besluit aanvoeren van enigszins andere aard zijn dan de bezwaren die zij en [betrokkene 1] daartegen in de procedure voor de rechtbank hebben aangevoerd. Niet meer wordt aangevoerd dat het systeem van de Onteigeningswet en de strekking van art. 39 Ow meebrengen dat de Kroon in zijn Besluit [betrokkene 2] als eigenaar had moeten aanwijzen. [eiser] c.s. betogen thans (zie de nrs. 6-9 van de cassatiedagvaarding) dat het Koninklijk Besluit niet deugt omdat (1) vaste lijn in de jurisprudentie van de hoogste bestuursrechters is dat een rechtsopvolger onder bijzondere titel de door de rechtsvoorganger opgebouwde aanspraken kan overnemen, met name in die gevallen waarin de rechtsbescherming verloren zou gaan door de rechtsopvolging, (2) de Kroon derhalve de zienswijze van [betrokkene 2] niet verder buiten beoordeling had mogen laten en in ieder geval [eiser] c.s. in de gelegenheid had moeten stellen aan te geven of zij de procedure wensten voort te zetten na de rechtsopvolging, en dat de rechtbank dit heeft miskend en aldus het recht heeft geschonden althans haar oordeel onbegrijpelijk heeft gemotiveerd. Nu het middel niet verwijst naar een betoog van dien aard in de procedure voor de rechtbank, houd ik deze klacht voor een novum in cassatie. Waar de klacht een juridisch punt aan de orde stelt, komt die naar ik meen wèl voor behandeling in aanmerking.

3.4

Alvorens de klacht inhoudelijk te bespreken breng ik nog even in de herinnering hetgeen de advocaat-generaal Rank-Berenschot over de toetsing van het onteigeningsbesluit door de onteigeningsrechter heeft geschreven in nr. 2.10.1 van haar conclusie voor Uw arrest van 13 februari 2009, ECLI:NL:PHR:BG7409 (de bij het hierna volgende citaat staande noten zijn noten bij de conclusie van mr. Rank-Berenschot):

Tot de nauwkeurig afgebakende taak van de onteigeningsrechter behoort niet de beoordeling van de vraag naar - onder meer - de noodzaak van de onteigening. Deze beoordeling is overgelaten aan het bestuur 7 . Zoals recentelijk door A-G Keus is geïnventariseerd in zijn conclusie vóór HR 15 februari 2008, RvdW 2008, 232, LJN BB7030, 8 wordt er na de uitspraak van het Europese Hof voor de rechten van de mens in de zaak van Benthem tegen Nederland 9 echter vanuit gegaan dat de onteigeningsrechter bevoegd is een onteigeningsbesluit inhoudelijk te toetsen als de stellingen van de te onteigenen partij daartoe aanleiding geven 10 . Daarbij dient de rechter de rechtmatigheid van het onteigeningsbesluit te toetsen, en wel in beginsel naar de situatie ten tijde van het besluit (ex tunc). In beginsel is voorwaarde voor een dergelijke toetsing dat de te onteigenen partij haar bezwaren al in de aan het onteigeningsgeding voorafgaande administratieve procedure heeft kenbaar gemaakt 11 . De burgerlijke rechter dient zich evenwel te beperken tot een marginale toetsing. Zo dient de toetsing zich, voor zover het de afweging van de bij een besluit ex art. 72a Ow betrokken belangen betreft, te beperken tot de vraag of de Kroon bij die afweging in redelijkheid heeft kunnen komen tot het oordeel dat onteigend dient te worden 12 . Voor een zelfstandige rechterlijke beoordeling van de noodzaak tot onteigening is in beginsel evenmin plaats 13 . Zo heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 27 oktober 1999, NJ 1999, 819 (Overkerk e.a./Dordrecht, rov. 3.3.2.) overwogen dat nu de Kroon het bezwaar had verworpen dat onteigening niet noodzakelijk was omdat de eigenaren zelf bereid en in staat waren het plan op de door de Gemeente voorgestane wijze uit te voeren 14 , de onteigeningsrechter slechts de vraag had te beantwoorden of de Kroon in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat dit niet het geval was. Ook in het arrest van 9 februari 2000, NJ 2000, 418 (Strijpse Kampen BV e.a./Eindhoven e.a., rov. 4.2.1) is overwogen dat indien in een onteigeningsgeding het verweer wordt gevoerd dat de noodzaak tot onteigening ontbreekt op grond van de stelling dat de betrokken partij, al dan niet samen met anderen, bereid en in staat is de beoogde bestemming zelf te realiseren, de rechter slechts de vraag te beantwoorden heeft of de onteigenende partij bij het nemen van het onteigeningsbesluit in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat die bereidheid of mogelijkheid niet bestaat 15.

Zie thans ook het overzicht met betrekking tot deze materie in de vierde druk (2013) van het Handboek onteigening van mr. J.E.F.M. den Drijver-van Rijckevorsel e.a., § 3.11.

3.5

Het middel betoogt dat het onteigeningsbesluit van 3 september 2012 onrechtmatig is door de wijze van totstandkoming daarvan. Het uitgangspunt van het middel (onder 6) dat ingeval van rechtsopvolging onder bijzondere titel aanleiding kan zijn voor de overname door de rechtsopvolger van door de rechtsvoorganger opgebouwde aanspraken op rechtsbescherming in die gevallen waarin zonder die overname de rechtsbescherming als gevolg van de rechtsopvolging verloren zou gaan, lijkt mij, gezien de hierna nog te vermelden bestuursrechtelijke uitspraken, juist.16 Echter, uit de overwegingen van de rechtbank valt niet af te leiden dat de rechtbank daar anders over dacht, laat staan dat haar beslissing is ingegeven door een miskenning van de opvatting die het middel tot uitgangspunt neemt. Weliswaar heeft de rechtbank geen uitdrukkelijke overwegingen gewijd aan de mogelijkheid van overname van de rechtspositie door een rechtsopvolger onder bijzondere titel van door zijn rechtsvoorganger opgebouwde aanspraken op rechtsbescherming, maar daarvoor was ook geen aanleiding, nu het processuele debat daartoe geen aanleiding gaf.

3.6

Ik voeg hieraan, ten overvloede, nog het volgende toe. Indien [eiser] c.s. bij de rechtbank zouden hebben betoogd dat het Koninklijk Besluit niet deugt omdat de Kroon in het Koninklijk Besluit van 3 september 2012 heeft miskend dat ingeval van rechtsopvolging onder bijzondere titel aanleiding kan zijn voor de overname door de rechtsopvolger van door de rechtsvoorganger opgebouwde aanspraken op rechtsbescherming in die gevallen waarin zonder die overname de rechtsbescherming als gevolg van de rechtsopvolging verloren zou gaan, had de rechtbank dat betoog naar mijn mening moeten verwerpen. Uit het Besluit blijkt immers dat de Kroon niet is toegekomen aan de beoordeling van de mogelijkheid voor [eiser] c.s. op overname van de rechtspositie van [betrokkene 2] in de uniforme openbare voorbereidingsprocedure omdat [eiser] c.s. in die procedure niet te kennen hebben gegeven dat zij de rechtspositie die [betrokkene 2] door indiening van een zienswijze had verkregen wilden overnemen. Zie in dit verband het Koninklijk Besluit, waar wordt overwogen: “Reclamant 1 heeft ook niet meegedeeld en aangetoond dat hij namens zijn rechtsopvolgers optreedt.”

3.7

De door het middel (zie nr. 9) gehuldigde opvatting dat de Kroon, nadat op de hoorzitting was gebleken dat het perceel in eigendom was overgegaan op [eiser] c.s., de procedure had moeten aanhouden teneinde [eiser] c.s. als belanghebbenden (nogmaals) gelegenheid te geven om de rechtspositie van hun vader over te nemen, lijkt mij onjuist. Een dergelijke verplichting valt volgens mij uit de bestuursrechtelijke jurisprudentie waarop [eiser] c.s. een beroep doen17 niet af te leiden. Ik wijs er voorts op dat art. 78 lid 6 Ow bepaalt dat het koninklijk besluit genomen wordt binnen zes maanden na afloop van de termijn van tervisielegging van het ontwerp-besluit. Daarmee valt bezwaarlijk te verenigen dat de besluitvorming zou moeten worden vertraagd doordat potentiële belanghebbenden die niets van zich hebben laten horen een nieuwe gelegenheid voor inspraak zou moeten worden gegeven.

3.8

In de nrs. 4 en 5 van het middel klagen [eiser] c.s. over het oordeel van de rechtbank dat het voor hun eigen risico moet blijven dat [eiser] c.s. als nieuwe eigenaren geen zienswijzen hebben ingediend. Hier lijkt de rechtbank inderdaad, zoals onder nr. 5 wordt geklaagd, te miskennen dat [eiser] c.s., die de eigendom van het perceel hebben verworven na afloop van de termijn voor indiening van zienswijzen (zie hierboven bij 2.1), geen gelegenheid meer hadden om als rechtsopvolgers een zienswijze in te dienen. Echter [eiser] c.s. hebben bij deze klacht geen belang, omdat de rechtbank niet tot een andere beslissing zou hebben kunnen komen als zij voor ogen zou hebben gehad dat [eiser] c.s. weliswaar geen zienswijze meer konden indienen, maar ook niet te kennen hebben gegeven dat zij de rechtspositie van hun rechtsvoorganger [betrokkene 2] wilden overnemen. Uiteraard moet het voor hun risico blijven dat zij zulks hebben nagelaten.

3.9 Nr. 10 van het middel klaagt over de constatering van de rechtbank (rov. 2.5) dat de Gemeente gemotiveerd heeft betwist dat de zienswijzen ingesteld door [betrokkene 2] niet door de Kroon zijn beoordeeld. Deze klacht richt zich tegen een overweging ten overvloede, zoals onmiskenbaar valt af te leiden uit het door de rechtbank gebruikte woord “overigens”. De klacht kan daarom niet tot cassatie leiden.

3.10

Het tweede middel klaagt over de wijze waarop de rechtbank heeft beslist over het zelfrealisatieverweer. Voorts bevat het tweede middel klachten over het ontbreken van het noodzakelijke publieke belang en een voldoende mate van urgentie.

3.11

De rechtbank heeft het beroep op zelfrealisatie door [eiser] c.s. verworpen (in de hierboven in 2.3 weergegeven rov. 2.6) op de grond dat dat beroep niet voor het eerst bij de rechtbank kan worden gedaan in een onteigeningsprocedure. Dit oordeel lijkt mij in overeenstemming met de door Uw Raad aanvaarde beginselen van toetsing van het onteigeningsbesluit, zoals hierboven in nr. 3.4 verwoord. Het middel voert weliswaar aan (nr. 17) dat in de zienswijze van [betrokkene 2] van 21 maart 2012 een beroep op zelfrealisatie is gedaan, maar daarmee kunnen we in cassatie niets beginnen om twee redenen, n.l. (1) omdat het middel niet aanwijst waar in de stukken van de procedure voor de rechtbank een beroep is gedaan op de stelling dat [betrokkene 2] reeds in zijn zienswijze een beroep heeft gedaan op zelfrealisatie, terwijl uit de weergave van die zienswijze in het Koninklijk Besluit van 3 september 2012 niet valt op te maken dat de Kroon daarin een beroep op zelfrealisatie heeft gelezen en (2) omdat de zienswijze van [betrokkene 2] door de Kroon (terecht) “verder buiten beoordeling” is gelaten, nu [betrokkene 2] geen belanghebbende (meer) was.

Bij de rechtmatigheidstoetsing van het onteigeningsbesluit gaat het om marginale toetsing van dat besluit, meer in het bijzonder om de vraag of de Kroon in redelijkheid heeft kunnen komen tot het oordeel dat onteigend dient te worden. Naar ik meen zal een belang dat de Kroon buiten beschouwing heeft gelaten omdat de partij die daarop een beroep deed geen belanghebbende (meer) was niet alsnog bij de marginale toetsing van het besluit door de onteigeningsrechter gewicht in de schaal kunnen werpen. Het tweede middel deelt dan ook, denk ik, het lot van het eerste middel. De vraag of met een beroep op zelfrealisatie in de bewoordingen die nr. 17 van de cassatiedagvaarding aanhaalt, een voldoende concreet plan voor zelfrealisatie zou zijn gepresenteerd om (door de Kroon) serieus te worden genomen, behoeft hier geen beantwoording.

3.12

Voorts klaagt het tweede middel (onder nr. 19) dat door de rechtbank is miskend het betoog van [eiser] c.s. dat de Gemeente een onvoldoend publiek belang heeft voor de onteigening, omdat de ontwikkelaar aan wie de uit de onteigening verkregen gronden zullen worden geleverd, failliet is gegaan.

3.13

Ook deze klacht faalt naar mijn mening. Aan het slot van rov. 2.6 heeft de rechtbank overwogen:

“Voorzover [eiser] c.s. en [betrokkene 1] hebben aangevoerd dat de vordering moet worden afgewezen bij gebrek aan belang, omdat Bio Glas Terneuzen BV failliet is verklaard, slaagt dit verweer evenmin nu de gemeente onbetwist heeft gesteld dat Zeeland Seaports de partij zal zijn die het glastuinbouwgebied tot ontwikkeling gaat brengen.”

Hiermee heeft de rechtbank het door [eiser] c.s. gevoerde verweer behandeld en verworpen. Het middel klaagt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat onbetwist is gebleven dat Zeeland Seaports de partij zal zijn die het glastuinbouwgebied tot ontwikkeling gaat brengen. Een betwisting van deze stelling door [eiser] c.s. heb ik evenwel in de pleitnota van [eiser] c.s. niet aangetroffen. Het middel vermeldt ook niet waar elders in de gedingstukken deze stelling van de Gemeente door [eiser] c.s. is betwist. Nu het ervoor moet worden gehouden dat deze stelling van de Gemeente niet voldoende (kenbaar) is betwist, bestond er ook geen aanleiding voor de rechtbank om nader te onderzoeken, en daarvan in haar overwegingen rekenschap te geven, of er voldoende urgentie is voor de onteigening.

Volledigheidshalve wijs ik nog op art. 61 Ow (ingevolge art. 80 Ow van overeenkomstige toepassing op Titel IV-onteigeningen), dat [eiser] c.s. recht geeft op teruglevering van het onteigende indien binnen drie jaar nadat het vonnis van onteigening kracht van gewijsde heeft gekregen, nog geen aanvang is gemaakt met het werk waarvoor werd onteigend, of indien uit andere omstandigheden blijkt dat het werk niet tot stand zal worden gebracht.

3.14

Het derde middel klaagt dat in het vonnis waarin de vervroegde onteigening is uitgesproken ten onrechte is nagelaten een datum te bepalen waarop het deskundigenrapport ter griffie van de rechtbank dient te zijn neergelegd. Het middel wijst daarbij op het bepaalde in art. 54j lid 2 Ow (ingevolge art 80 Ow van overeenkomstige toepassing op Titel-IV onteigeningen) dat voorschrijft dat ingeval een vervroegde descente heeft plaatsgevonden de rechtbank (in het vonnis van vervroegde onteigening) een datum dient te bepalen waarop nederlegging van het deskundigenrapport zal moeten plaatsvinden18.

3.15

In rov. 2.8 van het bestreden vonnis vermeldt de rechtbank dat de descente19 heeft plaatsgevonden op 4 februari 2013. De rechtbank had dus inderdaad in haar vonnis een datum moeten bepalen voor nederlegging van het deskundigenrapport. De klacht van het derde middel is dus gegrond.

3.16

Of dat ook tot cassatie moet leiden is een andere vraag. Ik heb niet de indruk dat de wetgever het vonnis waarbij vervroegd de onteigening is uitgesproken (impliciet) met nietigheid bedreigt als verzuimd is daarin een datum te bepalen voor nederlegging van het deskundigenrapport. Dit is naar mijn mening een verzuim dat voor herstel door de rechtbank vatbaar is. Weliswaar staat - volgens de in rov. 5.2 van Uw beschikking van 28 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:38, NJ 2013/521 tot uitdrukking gebrachte beginselen - art. 399 Rv niet in de weg aan de ontvankelijkheid van het onderhavige beroep voor zover het gaat om het derde cassatiemiddel, echter vernietiging kan naar mijn mening achterwege blijven nu de partijen, of één van hen, de rechtbank kunnen verzoeken alsnog, een datum te bepalen voor nederlegging van het deskundigenrapport (na conform art. 54j lid 3 Ow te hebben onderzocht of de opneming van deskundigen betrekking heeft gehad op het in de dagvaarding ter onteigening aangewezen goed). Uw Raad zou ook zelf een zodanige datum kunnen bepalen, maar het lijkt mij doelmatiger als dat aan de rechtbank wordt overgelaten.

3.17

Er zit, ik kan niet nalaten dit nog even op te merken, ook een mooie kant aan deze gang van zaken. Het cassatieberoep heeft, als Uw Raad het verwerpt, tot effect dat het vonnis van vervroegde onteigening circa een jaar later in kracht van gewijsde gaat en voor inschrijving vatbaar zal worden (zie art. 59 lid 1 jo art. 80 Ow), zodat ook de door de deskundigen te hanteren peildatum (art. 40a jo art. 80 Ow) verschuift. Het verzuim van de rechtbank om een datum voor nederlegging van het rapport te bepalen schaadt dus niet omdat die datum (zie hierboven, noot 19) als gevolg van het cassatieberoep onhaalbaar zou zijn geweest.

4 Publicatie

4.1

Art. 54 lid 1 Ow regelt de publicatie van het in art. 37 bedoelde vonnis nadat dat “gezag van gewijsde heeft verkregen” (lees: in kracht van gewijsde is gegaan).20 Lid 2 belast - als ik het goed zie - de griffier van de Hoge Raad met de taak het in art. 37 bedoelde vonnis bij uittreksel in een of meer van de in het vonnis aangewezen nieuws- of advertentiebladen te plaatsen, indien de voorziening in cassatie tegen het vonnis waarbij de onteigening werd uitgesproken verworpen is. Art. 80 Ow verklaart onder meer de art. 37 en 54 van overeenkomstige toepassing op Titel IV-onteigeningen. Ik heb mij afgevraagd of de wet Uw griffier óók met die taak belast indien het gaat om een vonnis als bedoeld in art. 54i Ow (d.w.z. een vonnis van vervroegde onteigening). Uw Raad heeft zich in zijn arrest van 11 februari 1976, NJO 1976/12 gebogen over de vraag hoe het zit met de publicatieplicht als het gaat om vervroegde onteigening. Ik citeer:

O. aangaande de in art. 54 bedoelde openbaarmaking van het vonnis, waarbij de onteigening wordt uitgesproken:

dat hetgeen in voormeld art. 54 is voorgeschreven geldt voor het vonnis, waarbij zowel de onteigening is uitgesproken, als de schadeloosstelling is vastgesteld;

dat indien bij een vervroegd uitgesproken onteigening het desbetreffende vonnis, bedoeld in art. 54i, tevens de vaststelling van de schadeloosstelling behelst21, hetzelfde geldt voor dit vonnis;

dat, nu ervan moet worden uitgegaan, dat met betrekking tot de publicatie in alle onteigeningen hetzelfde is voorgeschreven, in het geval dat de onteigening wordt uitgesproken bij vonnis als bedoeld in art. 54i en de schadeloosstelling wordt vastgesteld bij het vonnis bedoeld in art 54t, in elk van beide vonnissen de nieuws- of advertentiebladen moeten worden aangewezen, waarin het vonnis door toedoen van de Griffier bij uittreksel wordt geplaatst.

4.2

Dienovereenkomstig wees Uw Raad in het dictum van zijn arrest - waarin hij een vonnis als bedoeld in art. 54t (vaststelling van de schadeloosstelling na vervroegde onteigening) vernietigde en zelf de zaak afdeed en de schadeloosstelling vaststelde - in overeenstemming met lid 2 van art. 54 een dagblad aan waarin het arrest door de griffier van de Hoge Raad bij uittreksel zou moeten worden geplaatst. Uw Raad deed in 2010 hetzelfde in het arrest van 9 juli van dat jaar, ECLI:NL:HR:2010:BL6267, NJ 2010/632. De rechtbanken plegen in hun vonnissen van vervroegde onteigening een nieuws- of advertentieblad aan te wijzen waarin een uittreksel van het vonnis geplaatst moet worden, en dat heeft ook de rechtbank in de onderhavige zaak gedaan. Uw Raad pleegt echter in arresten waarin hij een cassatieberoep tegen een vonnis van vervroegde onteigening verwerpt, niet een nieuws- of advertentieblad aan te wijzen waarin de griffier van de Hoge Raad het vonnis van vervroegde onteigening bij uittreksel moet laten plaatsen.

4.3

Ik ben er niet zeker van dat dit strookt met de hierboven geciteerde overwegingen van het arrest van 11 februari 1976, maar denk toch dat Uw Raad er goed aan zou doen zijn gedragslijn in deze te bestendigen. Het blijft dan op de weg liggen van de griffier van de rechtbank die het vergeefs in cassatie bestreden vonnis van vervroegde onteigening heeft gewezen, om dat vonnis, zodra dat door de verwerping van het daartegen gerichte cassatieberoep kracht van gewijsde heeft gekregen, alsnog op de voet van lid 1 van art. 54 Ow bij uittreksel te publiceren in het in het vonnis aangewezen nieuws- of advertentieblad.

5 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Waarnemend Advocaat-Generaal

1 Immers binnen de termijn van twee weken van art. 52 lid 2 Ow.

2 Immers binnen de termijn van twee plus twee weken van art. 52 lid 2 jo de art. 53 lid 1 en 54l lid 1 Ow.

3 Zie art.78 lid 1 Ow. Het verzoekbesluit is door [eiser] c.s. bij conclusie van antwoord tevens houdende verzoek om pleidooi in het geding i.e.a. overgelegd.

4 Zie art. 3:11 lid 4 jo art. 3:16 Awb. Afgaande op het Koninklijk Besluit liep die termijn van 9 februari tot en met 21 maart 2012.

5 Zie rov. 2.3 en 2.3.1 (in cassatie niet bestreden) van het vonnis van 3 april 2013.

6 Zie rov. 2.3.2 (in cassatie niet bestreden) van het vonnis van 3 april 2013.

7 HR 9 februari 2000, NJ 2000, 418 m.nt. PCEvW (Strijpse Kampen e.a./Eindhoven e.a.), rov. 4.2.2.

8 Zie voorts het overzicht bij Zie J.E.F.M. den Drijver-van Rijckevorsel en A.W. van Engen, Onteigening, derde druk, 2003, par. 2.14, 3.11.

9 23 oktober 1985, NJ 1986, 102 m.nt. EAA; AB 1986, 1 m.nt Hirsch Ballin.

10 Zie in het bijzonder met betrekking tot een onteigening op grond van art. 72a Ow: HR 25 mei 1988, NJ 1988, 928 m.nt. MS (Van der Sloot/Boxtel), rov. 3.2.

11 HR 9 februari 2000, NJ 2000, 418 m.nt. PCEvW, rov. 4.2.2.

12 HR 25 mei 1988, NJ 1988, 928, rov. 3.4.

13 Zie ook de conclusie (onder 3.6) van A-G Ilsink vóór HR 20 december 2002, NJ 2003, 427 m.nt. PCEvW.

14 Het ging om een bestemmingsplanonteigening (art. 77 e.v. Ow).

15 Voor een zelfstandige beoordeling door de onteigeningsrechter naar het tijdstip van zijn uitspraak (ex nunc) is bijvoorbeeld wel plaats als is aangevoerd en blijkt dat de onteigening in het licht van na het onteigeningsbesluit gewijzigde of aan het licht gekomen omstandigheden niet meer geschiedt ten behoeve van het doel waarvoor volgens het onteigeningsbesluit onteigend wordt of omdat ten gevolge van gewijzigde inzichten met betrekking tot de uitvoering van een aan de onteigening ten grondslag liggend (bestemmings)plan niet meer kan worden gezegd dat de onteigening geschiedt ter uitvoering van dat plan (rov. 4.2.3 van het arrest, met verwijzing naar jurisprudentie). De rechtbank heeft vastgesteld dat zich zulks hier niet voordoet (rov. 4.8).

16 Die uitspraken hebben overigens betrekking op door de rechtsvoorganger opgebouwde aanspraken op rechtsbescherming in de bestuursrechtelijke rechtsgang, terwijl de in afdeling 3.4 Awb bedoelde openbare voorbereidingsprocedure (waarom het nu gaat) – als ik mij niet vergis – geen bestuursrechtelijke rechtsgang regelt, maar de inspraak in het kader van de voorbereiding van een besluit van een bestuursorgaan. Ik wil echter voorshands wel aannemen dat ook daarbij een rechtsopvolger onder bijzondere titel de inspraakpositie van zijn rechtsvoorganger onder bepaalde omstandigheden kan overnemen.

17 ABRvS 27 november 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AF1139 en CRvB 5 januari 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AS3450. Zie voorts (b.v.) ABRvS 10 september 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BF0306: “Onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 10 oktober 2007 in zaak nr. ….) kan worden aanvaard dat in geval van rechtsopvolging onder bijzondere titel, ook de hoedanigheid van aanlegger van een eenmaal in bezwaar of beroep aanhangig gemaakt geschil overgaat van de vervreemder op de rechtsverkrijgende. Blijkens de stukken waren [appellante] en [vergunninghouder] beiden eigenaar van de woning waar de geweigerde vrijstelling en bouwvergunning betrekking op heeft. In 2007 heeft [appellante] de volledige eigendom van de woning verkregen. In een brief van 5 september 2007 heeft [appellante] de rechtbank te kennen gegeven dat zij de beroepen tegen de besluiten van 23 september 2004 en 31 januari 2006 met betrekking tot de woning wenste voort te zetten. Gelet hierop heeft de rechtbank het beroep van [appellante] terecht ontvankelijk geacht.”

18 Art. 34 lid 4 Ow (dat ingevolge art. 80 Ow in Hoofdstuk IV-onteigeningen van overeenkomstige toepassing is) regelt dat de dag van nederlegging van het deskundigenrapport niet later wordt bepaald dan uiterlijk zes maanden na de descente.

19 De Gemeente had, zoals vermeld is in de inleidende dagvaarding, op de voet van art. 54a Ow een vervroegde descente verzocht, die bij beschikking van 11 oktober 2012 is bevolen.

20 Zie over de publicatie ook het Handboek onteigening van mr. J.E.F.M. den Drijver-van Rijckevorsel e.a. (2013), § 3.37.

21 (noot JCvO:) Dat gebeurt indien het aanbod wordt aanvaard, zie art. 27 lid 4 Ow.