Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:2896

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
16-12-2014
Datum publicatie
17-02-2015
Zaaknummer
13/02552
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:349, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Poging tot opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Gegronde motiveringsklacht. Gelet op het aangevoerde en in aanmerking genomen dat door het Hof tot het bewijs is gebezigd een verklaring van verdachte o.m. inhoudende “ik merkte niet dat het portier van de auto open ging en dat ik bij mijn gordel werd gepakt” is de bewezenverklaring v.zv. inhoudende dat verdachte heeft gehandeld ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om aan X opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 13/02552

Zitting: 16 december 2014

Mr. Aben

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het gerechtshof te ’s-Gravenhage heeft bij arrest van 6 mei 2013 de verdachte ter zake van “poging tot zware mishandeling, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 120 uren (subsidiair 60 dagen hechtenis). Voorts bevat het arrest enkele bijkomende beslissingen.

2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. J.S. Nan, advocaat te Dordrecht, bij schriftuur één middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel komt met een aantal deelklachten op tegen de motivering van de bewezenverklaring.

4. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“hij op 13 mei 2009 te Dordrecht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan personen genaamd [verbalisant 1] en [verbalisant 2], allen lid van het verkeershandhavingsteam van de politie Zuid-Holland Zuid, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet als bestuurder van een personenauto (Maserati),

toen die [verbalisant 1] – die hem, verdachte, een stopteken had gegeven, waaraan hij, verdachte, had voldaan en hem, verdachte, had medegedeeld dat hij was aangehouden – en die [verbalisant 2] – die [verbalisant 1] voornoemd assisteerde – gedeeltelijk met hun lichamen via het geopende linkerportier in die personenauto hingen,

vanuit stilstand accelererend is weggereden, waardoor die [verbalisant 1] en [verbalisant 2] met die personenauto werden meegesleurd/meegenomen door die auto,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”

5. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“1. De verklaring van de verdachte.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 22 april 2013 - kort en zakelijk weergegeven - verklaard:

Op 13 mei 2009 bevond ik mij in mijn auto in Dordrecht. Op het moment dat ik met mijn auto wilde optrekken, kwam verbalisant [verbalisant 1] vanaf de zijkant van mijn auto aanrennen. Ik merkte niet dat het portier van de auto open ging en dat ik bij mijn gordel werd gepakt.

2. Een proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 13 mei 2009 van de politie Zuid-Holland-Zuid met nr. PL1810/09-052031. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 61 e.v.):

als de op 13 mei 2009 afgelegde verklaring van de verdachte:

Ik was op 13 mei 2009 met mijn auto, een Maserati, onderweg naar de stad. Toen ik vlak voor de parkeerplaats bij het station reed, ging er een agent op de weg staan en die wees dat ik linksaf de weg af moest. Ik heb dat gedaan. Ik werd aangesproken door een dame en zij vroeg mij naar mijn papieren en vertelde mij dat ik te hard had gereden, 63 km per uur. Doordat ik een afspraak had en ik het idee had dat ik niet zo hard had gereden, was ik geïrriteerd. Ik heb de bekeuring in ontvangst genomen en ben weer richting de Provinciale weg gereden. Op het moment dat ik ging rijden, gaf ik iets te veel gas, daardoor drifte de auto een beetje. Op dat moment kwam er een agent aan lopen. Die agent sloeg met zijn hand op de motorkap. Ik dacht dat ik beter even langzaam door kon rijden, tot het midden van de weg. Toen ik dat wilde doen, zag ik dat er ineens nog een agent was. Die agent ging met zijn hand door de geopende ruit van mijn auto.

3. Een proces-verbaal van aangifte van [verbalisant 1], nr. PL1810/09-052031. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 19 e.v.):

als de op 13 mei 2009 afgelegde verklaring van [verbalisant 1]:

Op 13 mei 2009 hield ik samen met het Verkeershandhavingsteam van de politie Zuid-Holland-Zuid een verkeerscontrole op de kruising Reeweg Oost met het parkeerterrein van voetbalvereniging FC Dordrecht. Op een gegeven moment gaf ik een stopteken aan de bestuurder van een blauwe Maserati. De bestuurder voldeed aan mijn stopteken en ik wees hem richting een parkeerplaats. Op een gegeven moment hoorde ik het geluid van gierende en slippende banden. Ik zag dat die Maserati in een hoek van 90 graden hard wegreed. Ik had het idee dat de Maserati bijna uit de bocht vloog omdat de bestuurder geen macht meer had over zijn stuur. Ik vond het een overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet omdat naast het parkeerterrein een fietspad loopt waar zich op dat moment ook fietsers bevonden. Ik ben vervolgens voor de Maserati gaan staan en ik heb de bestuurder een stopteken gegeven. Ik hoorde toen dat de bestuurder een beetje gas gaf. Ik zag dat de Maserati wel op zijn plaats bleef staan. Ik heb toen mijn linkerhand op de motorkap van de Maserati gelegd en ik ben naast de linkervoorzijde van de auto gaan staan. Ik zag dat het raam van de bestuurderszijde open was. Ik zei tegen de bestuurder dat hij was aangehouden. Ik hoorde de bestuurder tegen mij zeggen dat ik van zijn auto af moest blijven. Ik ben vervolgens naar het bestuurdersportier gelopen en ik zei hard tegen de bestuurder dat hij uit moest stappen. Op het moment dat ik dit zei en naar hem toeliep, hoorde ik dat de motor van de Maserati afsloeg. Vervolgens heb ik het bestuurdersportier geopend. Ik pakte de bestuurder via het geopende portier met mijn ene hand bij de gordel vast en met mijn andere hand bij zijn overhemd/shirt. Daarbij riep ik dat hij onmiddellijk moest uitstappen. Ik zag dat de bestuurder dit niet deed maar in zijn auto bleef zitten. Plotseling bewoog de auto naar voren en ik begreep dat de auto weer gestart was. Ik hing op dat moment nog half in de auto via het geopende bestuurdersportier en ik voelde dat de auto ging rijden. Het ging allemaal heel snel. Ik werd bang omdat ik nog steeds in de auto hing en ik was bang dat ik onder de auto terecht zou komen waardoor ik gewond zou raken of mogelijk nog erger. Ik zag dat wij richting de kruising reden van de parkeerplaats met de Reeweg Oost. Ik had op dat moment nog steeds de gordel van de bestuurder vast met mijn rechterhand en met mijn linkerhand kon ik het stuur vastpakken. Ik heb het stuur naar links getrokken en ik voelde en zag dat de auto uiteindelijk drie kwart om zijn as is geslipt. Voor mijn gevoel ging het met hoge snelheid. De afstand tussen waar ik in de auto hing en waar de auto uiteindelijk tot stilstand is gekomen, is ongeveer een meter of drie à vier. Ik kan mij nog deels herinneren dat mijn voeten over de grond sleepten. Nadat de auto was gestopt zag ik ineens meerdere collega's om mij heen staan. Ik zag mijn collega [verbalisant 2] ook via de bestuurderszijde de bestuurder vastpakken. Later hoorde ik van hem dat hij ook in de auto hing toen deze is gaan rijden. Dit heb ik niet eens gezien, zo snel is het gegaan. Als de man met hoge snelheid was weggereden met mij er in en ik was uit de auto gevallen dan was de kans groot geweest dat ik onder de wielen van de auto terecht was gekomen, waardoor ik letsel op had kunnen lopen. Momenteel heb ik licht letsel aan mijn linkeronderarm en een schaafwond aan mijn linkeronderbeen.

4. Een proces-verbaal van aangifte van [verbalisant 2], nr. PL1810/09-052322. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 30 e.v.):

als de op 14 mei 2009 afgelegde verklaring van [verbalisant 2]:

Ik was op 13 mei 2009 samen met een aantal collega's van het Verkeershandhavingsteam belast met de verkeerscontrole op de Reeweg Oost te Dordrecht. Wij stonden met de zogenaamde laser auto's te meten die vanaf de Vissersdijk kwamen. Wij stonden op de Reeweg Oost. [verbalisant 1], een collega van het verkeershandhavingsteam, had een auto gelaserd die vanaf de Vissersdijk kwam. [verbalisant 1] heeft de betreffende auto zelf een stopteken gegeven. Het betrof een blauwe Maserati. [verbalisant 1] dirigeerde de auto rechtsaf richting het terrein van FC Dordrecht. Collega [verbalisant 3] van het verkeershandhavingsteam had de bestuurder een bekeuring gegeven. Zij kwam na het uitschrijven van de bekeuring naar mij toe en vertelde dat de man een beetje vervelend reageerde. De man had inmiddels zijn auto gestart en reed in volle vaart naar achteren richting een fietspad. De man zette de auto in zijn versnelling en reed vol gas weer linksaf richting de Reeweg Oost. Doordat hij zoveel gas gaf, reed hij slingerend weg in volle vaart. De man reed met piepende banden weg en er waren bandensporen zichtbaar op het wegdek. [verbalisant 1] had de piepende banden ook gehoord en keek al onze kant op. Hij gaf de man een stopteken en liep naar de man toe. De bestuurder had zijn portierraam nog open. De man liet zijn koppeling opkomen en [verbalisant 1] riep: "stop stop." [verbalisant 1] had een hand op de motorkap van de auto gelegd omdat de auto naar hem toe reed. De auto ging een klein beetje naar voren. De motor van de auto sloeg toen af. Ik ben naar [verbalisant 1] toe gerend. [verbalisant 1] liep naar de bestuurder toe en zei tegen hem dat hij was aangehouden en moest uitstappen. [verbalisant 1] deed het portier open en zei dat de man moest uitstappen. De man startte op dat moment de auto en reed met piepende banden weg. Voor hij kon wegrijden heeft [verbalisant 1] de man en het stuur van de auto vastgepakt. Ik heb de man bij zijn jas gegrepen. [verbalisant 1] riep nog steeds dat de man moest stoppen en moest uitstappen. Wij hielden de man en het stuur van de auto vast. De man had geen controle over zijn stuur, waarschijnlijk omdat hij te hard wegreed en omdat [verbalisant 1] het stuur ook vast had. Ik voelde direct een pijnschuit in mijn linkerpols. De auto ging 180 graden rond. [verbalisant 1] en ik bleven aan de auto hangen. Als ik had losgelaten, was de auto over mij en [verbalisant 1] heengereden. Daarom bleef ik vasthouden. Dit alles ging heel hard en heel snel.”

6. Het bestreden arrest houdt onder het hoofd “nadere bewijsoverweging” het volgende in:

“Ter terechtzitting in hoger beroep van 22 april 2013 heeft de raadsman - kort en zakelijk weergegeven - bepleit dat uit de zich in het dossier bevindende stukken niet kan worden afgeleid dat de verdachte zich ervan bewust is geweest - ook niet in de zin van voorwaardelijk opzet - dat zijn handelen zwaar lichamelijk letsel kon veroorzaken. De raadsman heeft zich, gelet op het voorgaande, op het standpunt gesteld dat niet wettig en overtuigend bewezen is hetgeen de verdachte primair ten laste is gelegd en dat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken; een en ander zoals nader toegelicht in de ter terechtzitting overgelegde pleitnota.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het hof stelt op basis van de gebezigde bewijsmiddelen vast dat de verdachte is weggereden met zijn auto, terwijl op dat moment de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] nog aan het geopende linkerportier van voornoemde auto hingen en dat zij vervolgens werden meegesleurd toen de verdachte accelereerde. Het hof is van oordeel dat de verdachte, door zich aldus te gedragen, ten minste bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat voornoemde verbalisanten ten gevolge van zijn handelen zwaar lichamelijk letsel zouden bekomen en dat hij die kans op de koop toe heeft genomen. De door de verdachte beschreven gang van zaken, waarbij de verdachte per ongeluk gas zou hebben gegeven, acht het hof niet aannemelijk, nu geen van de aangevers en de getuigen zijn verklaring op dit punt ondersteunt.

Gelet op het voorgaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen is hetgeen de verdachte primair ten laste is gelegd. Het verweer wordt derhalve verworpen.”

7. Het middel heeft weliswaar een punt daar waar het aanvoert dat ’s hofs motivering van de bewezenverklaring van het (voorwaardelijk) opzet minst genomen problematisch is. Het hof heeft geoordeeld dat de verdachte is weggereden met zijn auto, terwijl de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] nog aan het geopende linkerportier van de auto hingen. In de als bewijsmiddel 3 gebezigde verklaring van verbalisant [verbalisant 1] geeft deze te kennen dat hij de verdachte via het geopende bestuurdersportier bij zijn gordel en zijn overhemd/shirt heeft vastgepakt. Verbalisant [verbalisant 2] verklaart dat hij de verdachte bij zijn jas heeft gegrepen (bewijsmiddel 4). Door zich aldus te gedragen, zo overweegt het hof, heeft de verdachte ten minste bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat voornoemde verbalisanten ten gevolge van zijn handelen zwaar lichamelijk letsel zouden bekomen en dat hij die kans op de koop toe heeft genomen. Dat oordeel verhoudt zich slecht met de, als bewijsmiddel 1 gebezigde, verklaring van de verdachte dat hij niet merkte dat het portier van de auto open ging en dat hij - DA: door de verbalisant(en) - bij zijn gordel werd gepakt.

8. Lezing van de bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverweging maakt evenwel duidelijk dat het hof de verklaring van de verdachte - namelijk dat hij per ongeluk gas zou hebben gegeven - niet aannemelijk heeft geacht. Dat oordeel acht ik geenszins onbegrijpelijk gelet op de omstandigheden van het geval. Ook de verdachte heeft in de als bewijsmiddel 2 gebezigde verklaring beschreven dat de agent met zijn hand door de geopende ruit van zijn auto ging. De tegenstrijdigheid in de bewezenverklaring acht ik derhalve van ondergeschikt belang en zij hoeft niet tot vernietiging te leiden. De bewezenverklaring van het (voorwaardelijk) opzet is derhalve voldoende met redenen omkleed.

9. De overige klachten, die kunnen evenmin tot cassatie leiden, en dat behoeft m.i. geen bespreking.

10. Het middel faalt.

11. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest aanleiding behoort te geven.

12. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG