Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:2869

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
09-12-2014
Datum publicatie
17-02-2015
Zaaknummer
14/01169
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:326, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

1. Art. 342.2 Sv. Falende unus testis klacht. 2. Oplichting. Valse hoedanigheid? 3. O.a.h.v. Gezamenlijkheid van voorwerp. Ad.1. Blijkens de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen heeft het Hof in zijn oordeel dat verdachte het in de bewezenverklaring als incident 14 aangeduide feit heeft begaan, kennelijk mede betrokken dat de feitelijke gang van zaken t.a.v. dit feit op essentiële punten belangrijke overeenkomsten vertoont met de feitelijke gang van zaken t.a.v. de in de bewezenverklaring als incidenten 1, 2 en 3 aangeduide feiten, hetgeen het Hof zonder schending van enige rechtsregel heeft kunnen doen. Aldus kan niet worden gezegd dat de tot het bewijs gebezigde verklaringen van de aangever onvoldoende steun vinden in het overige bewijsmateriaal. Ad. 2. Vooropgesteld moet worden dat de enkele omstandigheid dat iemand zich i.s.m. de waarheid voordoet als bonafide koper niet oplevert het aannemen van een valse hoedanigheid i.d.z.v. art. 326 Sr. Het Hof heeft kennelijk geoordeeld dat de gedragingen van verdachte in de onderhavige zaak meer omvatten dan het enkele zich voordoen als een bonafide koper. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is ook niet onbegrijpelijk, nu uit die gedragingen blijkt dat verdachte zich telkens i.s.m. de waarheid heeft voorgedaan als een belangstellende die voornemens is de hem voor een proefrit ter hand gestelde fiets terug te brengen, waarbij verdachte kennelijk telkens heeft gehandeld volgens een tevoren bedachte werkwijze, welke werkwijze o.m. heeft bestaan uit het achterlaten van een waardeloos onderpand. Ad. 3. Het oordeel van het Hof dat de aan het verkeer onttrokken verklaarde voorwerpen, die door het Hof klaarblijkelijk zijn opgevat als een gezamenlijkheid van voorwerpen, van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan i.s.m. met het algemeen belang, is zonder nadere motivering niet begrijpelijk. Nu in dit geval is voldaan aan de voorwaarden voor v.v. van deze gezamenlijkheid van voorwerpen, heeft verdachte echter onvoldoende belang bij vernietiging op dit punt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 14/01169

Zitting: 9 december 2014

Mr. Hofstee

Conclusie inzake:

[verdachte]1

1. Verzoeker is bij arrest van 10 februari 2014 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, wegens “oplichting, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 39 dagen, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr. Voorts heeft het Hof beslist over het beslag en de vorderingen van de benadeelde partijen, een en ander op de wijze vermeld in het arrest.

2. Namens verzoeker heeft mr. M.L.M. van der Voet, advocaat te Amsterdam, vier middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel klaagt dat het Hof de bewezenverklaring van het tenlastegelegde wat betreft de oplichting van [betrokkene 4] (incident 14) uitsluitend heeft doen steunen op de verklaringen van één getuige.

4. Ten laste van de verzoeker is bewezenverklaard dat:

“hij, op tijdstippen, in de periode van 4 november 2006 tot en met 11 april 2007, te Twello en te Harderwijk en te Lemelerveld en te Nijkerkerveen en elders in Nederland, telkens met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen, door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een (of meer) listige kunstgrepen, een of meer medewerkers van rijwielhandels, waaronder:

- [betrokkene 1] (medewerker van [A] te Twello) (incident 1), en

- [betrokkene 2] (medewerker van [B] te Harderwijk) (incident 3), en

- [betrokkene 3] (medewerkster van [C] V.O.F. te Lemelerveld) (incident 2), en

- [betrokkene 4] (medewerker van [D] V.O.F. te Nijkerkerveen) (incident 14)

telkens heeft bewogen tot afgifte van een mountainbike, althans een fiets, hebbende verdachte telkens met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of in strijd met de waarheid:

- zich tegenover genoemde perso(o)n(en) heeft aangegeven dat hij geïnteresseerd was in een mountainbike, althans een fiets, en/of

- zich tegenover die medewerker(s)/ster heeft voorgedaan als potentiële koper van een mountainbike, althans een fiets, en/of

- zich door één of meer medewerker(s)/ster(s) heeft laten informeren over de technische aspecten van (dure) mountainbike(s), althans (dure) fietsen en/of

- (vervolgens) tegen die medewerker(s)/ster(s) heeft aangegeven dat hij wilde overleggen met zijn echtgenote, en/of

- (vervolgens) tegen die medewerker(s)/ster(s) heeft aangegeven met een mountainbike, althans een fiets een proefrit te willen maken, en/of

- (vervolgens) als onderpand een (pols)tasje heeft afgegeven,

waardoor genoemde

- [betrokkene 1] (medewerker van [A] te Twello), en/of

- [betrokkene 2] (medewerker van [B] te Harderwijk), en/of

- [betrokkene 3] (medewerkster van [C] V.O.F. te Lemelerveld), en/of

- [betrokkene 4] (medewerker van [D] V.O.F. te Nijkerkerveen)

telkens werden bewogen tot bovenomschreven afgifte,

terwijl verdachte telkens na afgifte van die mountainbike/fiets niet meer met die mountainbike/fiets bij genoemde medewerker/ster of rijwielhandel is teruggekeerd.”

5. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“1. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte (als bijlage op pagina 294 van het proces-verbaal genummerd PL0630/07-203455) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [betrokkene 1]:

Op 28 maart 2007 omstreeks 11.30 uur kwam een man de fietsenwinkel [A] te Twello in. De man vroeg aan mij informatie over een nieuwe fiets, met name een ATB of een mountainbike. Ik heb de man van informatie voorzien. Daarna heb ik de man aangeboden om een proefritje te maken. Dit wilde hij wel. Hij reed weg op een Gary Fisher mountainbike, type Cake in de kleur zwart zilver. Tussen de middag zijn wij gesloten van 12.30 - 13.30 uur. Toen wij om 12.30 uur dicht gingen had ik al het gevoel dat de man en de fiets niet meer terug zouden komen. De man was ongeveer 40 jaar. De man was ongeveer 1.80 meter. Hij was een blanke man met een iets Italiaans uiterlijk. De man had donker haar achterover gekamd. De man had een opvallende ring aan zijn rechterhand. De ring was een goudkleurige zegelring met allemaal kleine diamantjes langs de rand en in het midden van de ring een Mercedes embleem.

2. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor (als bijlage op pagina 297-298 van het proces-verbaal genummerd PL0630/07-203455) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [betrokkene 3]:

Ik ben samen met mijn man eigenaar van [C] VOF te Lemelerveld. Op 11 april 2007 kwam er een man bij ons in die zaak die interesse toonde voor een mountainbike. De man wilde op een gegeven moment een proefrit maken. Toen de man na 20 minuten niet terug kwam werd ons duidelijk dat hij de fiets waarschijnlijk niet meer terug zou komen brengen. Ik heb van dit feit aangifte gedaan op het politiebureau. De volgende dag hebben we op internet gekeken omdat we hadden gehoord dat er op internet veel fietsen te koop werden aangeboden onder de naam: Bike. Hoe het precies is gegaan weet ik niet maar via via wist mijn man dat er ook een ATB was meegenomen bij fietsenzaak [A] te Twello. Bij [A] was een Gary Fisher meegenomen. Op marktplaats.nl viel een fiets op omdat daar een dubbel merk werd genoemd, namelijk zowel Giant als Gary Fisher. Mijn man wist gelijk dat de Gary Fisher vermoedelijk de fiets was die bij Hafkamp in Twello was gestolen.

3. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte (als bijlage op pagina 346 van het proces-verbaal genummerd PL0630/07-203455) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [betrokkene 3]:

Ik ben mede-eigenaar van rijwielzaak [C] VOF te Lemelerveld. Gisteren, 11 april 2007 kwam er een man onze rijwielzaak binnen. Hij toonde interesse in een mountainbike. Dat wat hij wilde zat nog in de verpakking. Vervolgens is er besloten om op een ander type mountainbike een proefritje te maken. Een van mijn personeelsleden heeft toen de man een Cube mountainbike meegegeven. Vervolgens is de man op de fiets weggereden en niet meer teruggekomen.

4. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor (als bijlage op pagina 354-356 van het proces-verbaal genummerd PL0630/07-203455) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [betrokkene 5]:

Op 11 april 2007 was ik werkzaam als verkoper in winkel [C] VOF te Lemelerveld. Een man was op zoek naar een fiets. Bij de mountainbikes zijn we verder gaan praten. Hij vroeg wat er zoal was en wat voor merken. Ik heb een beetje de prijs/kwaliteitverhouding uitgelegd in relatie tot de verschillende merken. Hij wees een fiets aan die hem wel wat leek. Dit was een mountainbike van het merk Cube. Deze fiets kostte volgens mij 1199 euro. Ik heb hem uitgelegd wat de maatvoering inhoudt. Ik zei tegen de man dat we de 18 inch wel op voorraad hadden maar dat die mountainbike nog in de doos stond in de opslag. Ik bood aan om een fiets van hetzelfde merk en maatvoering maar van een duurder type te testen. De man ging hiermee akkoord. Ik heb de mountainbike merk Cube, type Reaction gepakt en mee naar buiten genomen. Ik zei tegen de man dat hij de fiets maar even moest proberen. De man kwam niet meer terug. Hij heeft de fiets meegenomen zonder te betalen. Ik kan de man als volgt omschrijven: blanke man, beetje Spaans uiterlijk. Lengte 1.85 meter. Leeftijd ongeveer 40 jaar. Wat mij opviel was dat de man een opvallend goudkleurige ring droeg. Mijn collega die de man ook gezien had en even bij die man aan tafel had gezeten wist te vertellen dat het een goudkleurige ring was met daarop een soort Mercedesster.

5. Het in de wettelijke vorm opgemaakte stamproces-verbaal genummerd PL0630/07-203455) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - op pagina 10M als relaas van verbalisanten:

Incident 2: Lemelerveld. Aangeefster: [betrokkene 3]. Benadeelde: [C] VOF.

Enkelvoudige fotoconfrontatie:

Vanwege een door een fietsenhandelaar verspreide foto van de aanhouding van de verdachte was een fotobewijsconfrontatie niet meer mogelijk. Wel werd zo neutraal mogelijk de foto getoond aan getuige [betrokkene 5]. Aan getuige [betrokkene 5] werd op 27 april 2007 foto PL0640/07-229 getoond, waarop verdachte [verdachte] afgebeeld was. [betrokkene 5] herkende de man op de foto, verdachte [verdachte], voor 100 % als de man waarover hij in zijn verklaring had gesproken.

6. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte (als bijlage op pagina 360 van het proces-verbaal genummerd PL0630/07-203455) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [betrokkene 2]:

Ik ben fietsenmaker bij [B] te Harderwijk. Op 20 maart 2007 kwam er een man in de winkel. Hij gaf aan op zoek te zijn naar een sportieve fiets. De man droeg de gehele tijd een zwart leren polstasje bij zich alsof hij daar geld en/of documenten in bewaarde. De man wees een Giant NRS aan en gaf aan die wel wat te vinden. Uiteindelijk zei ik tegen de man: probeer hem maar even. Tevens zei ik tegen hem: “laat dat tasje dan maar even hier”. Ik dacht dan meteen iets als onderpand te hebben. De man kwam niet meer terug. Ik heb in het tasje gekeken en deze was gevuld met lege enveloppen. Het betrof een mat groen/zwarte Giant ter waarde van 1599 euro. De man zag er als volgt uit: ongeveer 35 jaar oud, 1.80 meter lang, donker kort achterover gekamd haar, rechterhand met ringen en daarin steentjes.

7. Het in de wettelijke vorm opgemaakte stamproces-verbaal genummerd PL0630/07-203455) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - op pagina 10N als relaas van verbalisanten:

Incident 3: Harderwijk. Aangever: [betrokkene 2]. Benadeelde: [B].

Enkelvoudige fotoconfrontatie:

Vanwege een door een fietsenhandelaar verspreide foto van de aanhouding van de verdachte was een fotobewijsconfrontatie niet meer mogelijk. Wel werd zo neutraal mogelijk de foto getoond aan getuige [betrokkene 2]. Aan getuige [betrokkene 5] werd op 26 april 2007 foto PL0640/07-229 getoond, waarop verdachte [verdachte] afgebeeld was. [betrokkene 2] herkende de man op de foto voor 100 % als de man waarover hij in zijn verklaring had gesproken.

8. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte (als bijlage op pagina 505 van het proces-verbaal genummerd PL0630/07-203455) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [betrokkene 4]:

Op 4 november 2006 kwam een voor mij onbekende man in de rijwielzaak, [D] Tweewielers te Nijkerkerveen. Deze man stelde zich voor als [betrokkene 6] uit Barneveld. Hij vertelde mij dat hij een fiets zocht voor zijn vrouw. Hij wilde een mountainbike kopen. Na ongeveer een half uurtje met elkaar gesproken te hebben wilde hij een proefrit maken op een mountainbike. Ik stond dit toe en ik kreeg zijn polstasje als onderpand. Ik had met hem afgesproken dat hij voor de winkel mocht fietsen. Ik ging buiten staan en ik zag toen dat hij verder fietste. De man heeft de fiets niet teruggebracht. Ik opende het polstasje dat ik als onderpand had gekregen om te kijken naar zijn naam. In het tasje zaten een stapel nieuwe witte enveloppen. Het signalement van deze man was: lengte 1.85 meter, blanke man.

9. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal (als bijlage op pagina 508-509 van het proces-verbaal genummerd PL0630/07-203455) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van verbalisant:

Op 1 mei 2007 ontving ik een mail van [verbalisant 1], medewerkster infodesk van politieregio Noord- en Oost-Gelderland, met het verzoek een fotobewijsconfrontatie te houden met getuige [betrokkene 4]. Voor deze bewijsconfrontatie waren door [verbalisant 1] 15 tweeluikfoto’s geselecteerd. Van deze foto’s selecteerde ik 12 tweeluikfoto’s. Ik toonde deze selectie aan twee testobservatoren. Na de confrontatie met de testobservatoren werden foto’s 4 en 10 uit de selectie verwijderd. Op 8 mei 2007 werd de confrontatie met de tien overgebleven foto’s door getuigenbegeleider [verbalisant 2] uitgevoerd. De foto van verdachte [verdachte] kwam daarbij onder nummer 7. Tijdens de confrontatie verklaarde de getuige [betrokkene 4]: “fotonummer 7 is de persoon die bij mij de fiets heeft meegenomen”.

10. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor (als bijlage op pagina 333 van het proces-verbaal genummerd PL0630/07-203455) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van verdachte:

Zaak Twello:

Ik heb een proefrit gemaakt op deze fiets.

11. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor (als bijlage op pagina 338 van het proces-verbaal genummerd PL0630/07-203455) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van verdachte:

U noemt mij de plaatsnaam Harderwijk. Ik heb daar een fiets meegekregen van de winkel voor een proefrit.

12. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor (als bijlage op pagina 341 van het proces-verbaal genummerd PL0630/07-203455) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van verdachte:

U noemt mij de plaatsnaam Lemelerveld. Ik heb de fiets meegekregen voor een proefrit.”

6. Bij de beoordeling van het middel moet de volgende overweging uit HR 28 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3052 worden vooropgesteld:

“Volgens het tweede lid van art. 342 Sv - dat de tenlastelegging in haar geheel betreft en niet een onderdeel daarvan - kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. De vraag of aan het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval. De Hoge Raad kan daarom geen algemene regels geven over de toepassing van art. 342, tweede lid, Sv, maar daaromtrent slechts tot op zekere hoogte duidelijkheid verschaffen door het beslissen van concrete gevallen. Opmerking verdient nog dat het bij de in cassatie aan te leggen toets of aan het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv is voldaan, van belang kan zijn of de feitenrechter zijn oordeel dat dat het geval is, nader heeft gemotiveerd (vgl. HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2452, NJ 2010/515).”

7. In de onderhavige zaak is sprake van een impliciet cumulatieve tenlastelegging, zodat voor ieder van de feiten aan het bewijsminimum moet zijn voldaan. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat alleen de bewijsmiddelen 8 en 9 direct betrekking hebben op de oplichting van [betrokkene 4] en dat de bron van beide bewijsmiddelen diezelfde [betrokkene 4] is. Op zichzelf is dit juist, maar daarmee is niet gezegd dat het Hof de bewezenverklaring van het betreffende feit slechts heeft doen steunen op de verklaring van één getuige. Steunbewijs kan immers onder omstandigheden ook worden gevonden in de constructie van schakelbewijs.2 Daarvan is bijvoorbeeld sprake wanneer aan de bewezenverklaring van een bepaald feit (incident) de gelijksoortige modus operandi bij de overige feiten en de betrokkenheid van steeds dezelfde verdachte ten grondslag worden gelegd. De sterke mate van overeenkomst in de voor de verdachte telkens kenmerkende manier van handelen, kan dan door middel van schakeling worden gebruikt om ten aanzien van dat bepaalde feit te voldoen aan de bewijsminimumregel als bedoeld in art. 342, tweede lid, Sv – waarin het ‘unus testis nullus testis’-beginsel uitdrukking heeft gevonden – en om de bewijsconstructie voor dat feit rond te krijgen. In de strafrechtsliteratuur wordt wel het standpunt ingenomen dat de feitenrechter het gebruik van schakelbewijs, dat gegrond is op een bepaald patroon met specifieke elementen, dient uit te leggen in een bewijsoverweging.3 Het lijkt mij evenwel dat dit ook weer niet in alle gevallen nodig is. Wat gelet op de gebezigde bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien al zo klaar is als een klontje, behoeft wat mij betreft geen nadere toelichting meer. De onderhavige zaak is, denk ik, daarvan een goed voorbeeld.

8. Klaarblijkelijk is het Hof met betrekking tot incident 14 ([betrokkene 4]) van een schakelbewijsconstructie uitgegaan. Anders dan bij de drie overige bewezenverklaarde feiten (de incidenten 1, 2 en 3) steunt de bewezenverklaring van incident 14 niet mede op de verklaring van verzoeker zelf, inhoudende dat hij de betreffende fiets had meegekregen voor een proefrit (bewijsmiddelen 10, 11 en 12). Gezien de door het Hof geselecteerde bewijsmiddelen blijkt echter sprake te zijn van een bepaald patroon dat voor de handelwijze van verzoeker kenmerkend is. (Op dat patroon zal ik in mijn bespreking van het tweede middel nader ingaan). Uit bewijsmiddel 8 volgt dat de persoon met wie [betrokkene 4] te maken heeft gehad, net als in de overige zaken zich naar een fietsenwinkel begaf, daar belangstelling toonde voor een mountainbike en aangaf een mountainbike te willen kopen om vervolgens van een proefritje niet meer terug te keren. Evenals bij de oplichting van [betrokkene 2], liet de dader daarbij een polstasje als onderpand achter dat later gevuld bleek te zijn met lege enveloppen. Ook de door [betrokkene 4] opgegeven lengte en huidskleur van de dader komen overeen met de lengte en huidskleur genoemd door de overige aangevers. Gelet op al deze reeds uit de bewijsmiddelen voortvloeiende specifieke overeenkomsten, heeft het Hof, lijkt mij, ook zonder bewijsoverweging, de bewezenverklaring van de oplichting van [betrokkene 4] voldoende met redenen omkleed. Ik meen dat het ontbreken van een nadere bewijsoverweging, hoezeer in het algemeen wenselijk, in het onderhavige geval niet afdoet aan de deugdelijkheid van de motivering van de bewezenverklaring.

9. Het middel faalt mijns inziens.

10. Het tweede middel behelst de klacht dat het hof het bewezenverklaarde ten onrechte heeft gekwalificeerd als oplichting, meermalen gepleegd, nu de bewezenverklaarde feitelijkheden die inhouden dat verzoeker zich door de verkopers heeft laten informeren over de fietsen en/of heeft aangegeven te willen overleggen met zijn echtgenote en/of een proefrit wilde maken en/of als onderpand een polstasje heeft afgegeven niet opleveren het bewegen tot afgifte van die fietsen door het aannemen van een valse naam of valse hoedanigheid of listige kunstgrepen als bedoeld in art. 326 Sr.

11. Ik stel voorop dat de enkele omstandigheid dat iemand zich in strijd met de waarheid als bonafide koper voordoet nog niet het aannemen van een valse hoedanigheid en dus nog geen oplichting in de zin van art. 326 Sr oplevert.4 Dat kan, indien betaling achterwege blijft, civielrechtelijk als een moedwillige wanprestatie in de zin van art. 6:74 e.v. BW worden uitgelegd, voor het aannemen van een valse hoedanigheid in het kader van een strafbare oplichting moet er in de optiek van de Hoge Raad méér zijn dan de enkele omstandigheid van onwaarachtigheid of de enkele leugen. Pas als zich een bijkomende omstandigheid voordoet, komt de strafbare oplichting in het vizier.5

12. Of een bijkomende omstandigheid naast het zich in strijd met de waarheid als bonafide koper voordoen tot strafbare oplichting leidt, zal afhangen van het concrete geval. De stap naar strafrechtelijke aansprakelijkheid kan naar mijn inzicht worden gemaakt, wanneer sprake is van een bepaald gedragspatroon in het maatschappelijke verkeer, waaruit een criminele intentie en een planmatig handelen spreekt, zoals het geval is bij degene die volgens een bepaalde tactiek erop uit is middenstanders door een vooropgezette truc en onwaarachtigheden ‘te bestelen’. Daarbij wil ik er niet aan voorbijgaan dat een automobielbedrijf of een rijfietsenwinkel in dit verband een makkelijker prooi is dan menig andere zaak, omdat in de vervoersmiddelenbranche het niet ongebruikelijk is dat de potentiële koper het product voor een proefrit op vertrouwensbasis meekrijgt.

13. In de onderhavige zaak volgt uit de gebezigde bewijsmiddelen dat verzoeker met betrekking tot [betrokkene 2] ([B] te Harderwijk) en [betrokkene 4] ([D] V.O.F. te Nijkerkerveen) liet weten geïnteresseerd te zijn in een mountainbike en als onderpand voor de proefrit een polstasje achterliet, waarin zich echter alleen maar lege enveloppen bevonden. Daarbij komt dat verzoeker zich tegenover [betrokkene 4] van een valse naam bediende. Wat [C] V.O.F. te Lemerveld betreft, toonde verzoeker belangstelling voor een bepaalde mountainbike en gaf hij op een gegeven moment aan daarmee een proefrit te willen maken. Wat anders ligt het aangaande [A] te Twello. Volgens de verklaring van de gedupeerde [betrokkene 1] (bewijsmiddel 1) had verzoeker toen informatie gevraagd over een ATB of een mountainbike en was het [betrokkene 1] zelf die verzoeker aanbood om een proefrit met een mountainbike te maken.

14. Zoals ik in mijn bespreking van het eerste middel al heb opgemerkt, meen ik dat verzoeker in de onderhavige zaak volgens een vast, van tevoren bedacht plan te werk is gegaan, waarbij zijn gedragingen in hun totaliteit beschouwd een herkenbaar en gelijksoortig patroon vormen. Daarbij neem ik niet alleen de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen in aanmerking, maar ook de onder verzoeker inbeslaggenomen voorwerpen (zie daarover nader hierna onder 18). Blijkens de uitspraak van het Hof gaat het wat die voorwerpen betreft om onder meer een zwart leren tasje, schriften, papieren, kranten, folders van fietsendealers, een gehele uitdraai van fietsendealers, een landkaart op meerdere plaatsen gemarkeerd, 2 nieuwe polstasjes (nog verpakt in plastic) en een tas met daarin een polstasje. In samenhang met de voor het bewijs gebruikte bewijsmiddelen kan uit deze inbeslaggenomen voorwerpen worden afgeleid dat verzoeker zijn bezoek aan de getroffen fietsendealers kennelijk aan de hand van een landkaart en folders van fietsendealers had voorbereid en met het oog op dat bezoek polstasjes had aangeschaft.

15. Daaraan doet niet af, dat bij incident 1 – de zaak [A] – de medewerker [betrokkene 1] het maken van een proefrit met de mountainbike zelf aanbood. Dat [betrokkene 1] tot dit aanbod kwam, was kennelijk zo door verzoeker geënsceneerd en bedoeld. Daarbij wijs ik erop dat verzoeker [betrokkene 1] om informatie over een ATB of een mountainbike vroeg en dat dit incident plaatsvond op 28 maart 2007, en dus nadat verzoeker al eerder op 4 november 2006 ([D] V.O.F. te Nijkerkerveen; incident 14) en op 20 maart 2007 ([B]; incident 3) in rijwielzaken een mountainbike afhandig had gemaakt. Kortom, ook de zogenaamde proefrit bij [A] past in de rij van oplichtingen waaraan verzoeker zich volgens het Hof schuldig heeft gemaakt.

16. Nu het Hof (zie mijn bespreking van het eerste middel) bij de bewijsvoering klaarblijkelijk gebruik heeft gemaakt van schakelbewijs, ligt mijns inziens in de bestreden uitspraak tevens als zijn oordeel besloten dat in het gelijksoortige patroon van handelen en in de gelijksoortige context waarin de bewezenverklaarde incidenten hebben plaatsgevonden, de bijkomende omstandigheden zijn gelegen die naast het zich in strijd met de waarheid als bonafide koper voordoen door verzoeker oplichting als bedoeld in art. 326 Sr opleveren. Dat impliciete oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk.

17. Het middel faalt.

18. Het derde middel keert zich tegen de beslissing van het Hof tot onttrekking aan het verkeer van een aantal inbeslaggenomen voorwerpen.

19. De bestreden uitspraak houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

“Beslag

(…)

Onttrekking aan het verkeer

De hierna te noemen inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, met betrekking tot welke het bewezenverklaarde is begaan, behoren aan de verdachte toe. Zij zullen worden onttrokken aan het verkeer aangezien zij van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit van die voorwerpen in strijd is met het algemeen belang.

(…)

BESLISSING

Het hof:

(…)

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- zwart leren tasje

- schriften, papieren, kranten

- rood notitieboek, opschrift [verdachte]

- kranten en folders van fietsendealers

- diverse administratie, gehele uitdraai fietsendealers

- landkaart op meerdere plaatsen gemarkeerd

- diverse papieren en notitieblokjes

- 2 nieuwe polstasjes, verpakt in plastic

- boek auto A3, kwitantieboekje

- enveloppe met opschrift 06-[001]

- reclamefolder van mountain cube met prijslijst

- papier, voor- en achterzijde staan telefoonnummers

- 4 bladen van uitdraaien van windows live hotmail

- tas met daarin een polstasje.”

20. Onder het hoofdje “Toepasselijke wettelijke voorschriften” heeft het Hof in dit verband zowel art. 36c Sr als art. 36d Sr aangehaald. Kennelijk heeft het Hof daarbij onderscheid gemaakt tussen voorwerpen die gerelateerd kunnen worden aan de reeds begane feiten (art. 36c Sr), dat wil zeggen de bewezenverklaarde incidenten, en de voorwerpen die kunnen dienen tot het begaan van of de voorbereiding van soortgelijke feiten (art. 36d Sr).

21. Zonder nadere motivering, die in de bestreden uitspraak ontbreekt, is echter niet begrijpelijk het oordeel van het Hof dat de genoemde voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang.6

22. Het middel klaagt daarover terecht, zodat het bestreden arrest in zoverre niet in stand kan blijven. Tot cassatie hoeft dat mijns inziens niet te leiden. Het lijkt mij dat de Hoge Raad dit punt om doelmatigheidsredenen zelf kan afdoen en kan gelasten dat de voorwerpen hetzij aan verzoeker worden teruggegeven dan wel worden verbeurd verklaard indien de Hoge Raad voldoende gegevens aanwezig acht voor de vaststelling dat is voldaan aan de voorwaarden voor verbeurdverklaring als bedoeld in art. 33a, eerste lid, Sr (deels in verbinding met art. 33 Sr).7

23. Het vierde middel klaagt dat sprake is van strijd met art. 6 EVRM, nu het proces in de fase van hoger beroep zodanig lang heeft geduurd dat de redelijke termijn als bedoeld in het eerste lid van dat artikel is geschonden en het Hof ervan geen blijk heeft gegeven dat die overschrijding is meegewogen bij het bepalen van de strafmaat.

24. Het middel faalt. Ik kan de steller van het middel niet volgen in zijn stelling dat het voor de verdediging niet mogelijk was om in hoger beroep aan te voeren dat sprake was van een overschrijding van de redelijke termijn.

25. Het eerste, het tweede en het vierde middel falen. Het vierde middel kan worden afgedaan met de in art. 81, eerste lid, RO bedoelde motivering. Het derde middel is terecht voorgesteld maar hoeft niet tot cassatie te leiden.

26. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

27. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Deze zaak hangt samen met de zaken met griffienummers 14/01167, 14/01168 en 14/01171 waarin ik vandaag eveneens zal concluderen.

2 Vgl. HR 18 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3303 en HR 14 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU5496, NJ 2007/345 m.nt. Mevis.

3 Zie G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, achtste door M.J. Borgers bewerkte druk, 2014, p. 852. Zie voorts B. Demeersseman, Mogelijkheden voor gebruik van schakelbewijs, Trema 2009, p. 149-156 en B. de Wilde, Schakelconstructies in bewijsmotiveringen, DD 2009, p. 563-588.

4 Zie onder meer: HR 14 mei 1991, ECLI:NL:HR:1991:AC3599, NJ 1991/750 m.nt. Van Veen, HR 15 december 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1177, NJ 1999/182; HR 13 november 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD4320, NJ 2002/262; en HR 2 november 2010: ECLI:NL:HR:2010:BM4208, NJ 2010/600.

5 Vgl. HR 2 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB3137, HR 23 juli 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE5205 en HR 11 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3144.

6 Vgl. HR 8 maart 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR7626, NJ 2007/437: In art. 36c Sr is als voorwaarde voor de onttrekking aan het verkeer gesteld dat de desbetreffende voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang. Daaruit volgt dat het moet gaan om een voorwerp waarvan de aard relevant is in die zin dat het ongecontroleerde bezit, al dan niet in samenhang met het redelijkerwijze te verwachten gebruik daarvan, juist in verband met die aard in strijd is met de wet of het algemeen belang. In dezelfde bewoordingen HR 17 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9728, NJ 2006/87.

7 Zie HR 2 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH9921, HR 15 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2440 en HR 28 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:187.