Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:286

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
04-04-2014
Datum publicatie
20-06-2014
Zaaknummer
13/03230
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:1491, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Curaçaose zaak. Huwelijksvermogensrecht. Verdeling huwelijksgoederengemeenschap. Verdeling opgebouwde pensioenaanspraken: eenmalige uitkering, te verrekenen bij scheiding en deling of pensioendeling bij helfte bij ingang pensioen? Onbegrijpelijk oordeel?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

13/03230

Mr. E.B. Rank-Berenschot

Zitting: 4 april 2014

CONCLUSIE inzake:

[de vrouw],

verzoekster tot cassatie,

advocaat: mr. M.B.A. Alkema,

tegen:

[de man],

verweerder in cassatie,

niet verschenen.

Deze zaak betreft de wijze van verrekening van pensioenrechten in het kader van de verdeling van een huwelijksgoederengemeenschap.

1 Feiten en procesverloop

1.1

In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten1:

a) Partijen (hierna: de vrouw resp. de man) zijn op 20 oktober 1976 te Curaçao in algehele gemeenschap van goederen gehuwd.

b) Bij beschikking van 10 april 2001 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken, welke beschikking op 20 juni 2001 werd ingeschreven in de registers van de Burgerlijke Stand te Curaçao.

c) Bij brief van 16 juni 2009 heeft het Algemeen Pensioenfonds van de Nederlandse Antillen (APNA) de vrouw geïnformeerd omtrent de verevening van pensioenrechten van de man in het kader van de echtscheiding. APNA heeft medegedeeld dat de contante waarde van de in de huwelijkse periode opgebouwde pensioenaanspraken per 20 juni 2001 Naf. 83.678,00 bedraagt. APNA heeft verder het volgende medegedeeld2:

Door betrokken partijen kan onder de mogelijke verrekeningsvarianten gekozen worden voor de volgende 2 verrekeningsmethoden:

1. Eenmalige uitkering:

½ x (NAFL. 83.678,00 -/- NAFL. 30.028,00) = NAFL. 26.825,00

eenmalig te verrekenen bij de scheiding en deling van de boedel,

OF

2. Pensioendeling 50% - 50% na ingang van het pensioen:

NAFL. 13.944,00 : 2 = NAFL. 6.972,00 per jaar.

In dat geval bedraagt de ‘huwelijkse’ duurtetoeslag die gerelateerd is aan het ouderdomspensioen dat is opgebouwd tijdens de desbetreffende huwelijksperiode en die ten laste van de laatste werkgever komt, ingaande 20-06-2001 per jaar NAFL. 7.536,00.

De hierboven vermelde ‘huwelijkse’ duurtetoeslag kan dus in hoogte verschillen van de uiteindelijke duurtetoeslag die onderdeel is van het uiteindelijk bruto pensioeninkomen dat de deelgenoot te zijner tijd geniet.

d) Bovenstaande verrekenmethode onder 2 komt neer op een uitkering van Naf. 895,-- per maand.

e) De man bereikte op 2 november 2009 de pensioengerechtigde leeftijd en kwam per eind november 2009 in aanmerking voor de eerste uitkering van het ouderdomspensioen.

f) De gemeenschapsschulden bedroegen op 20 juni 2001 Naf. 31.309,61. Deze zijn door de man voldaan. De auto van de man, die destijds aan hem is toegekomen, had een waarde van Naf. 2.000,--.

1.2

Bij inleidend verzoekschrift van 9 juni 2011 heeft de vrouw gevorderd dat het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: Gerecht) 1) de man veroordeelt zodanige medewerking te verlenen dat de vrouw maandelijks een zelfstandige aanspraak krijgt jegens het APNA ter zake van de helft van het aan de man toegekende ouderdomspensioen, voor zover tijdens het huwelijk opgebouwd, en 2) de man veroordeelt tot afdracht aan de vrouw van haar aandeel in de pensioenaanspraken over de periode lopende vanaf november 2009 tot de datum van de uitspraak, voor zover bedoelde gelden inmiddels door de man van het APNA zijn ingevorderd, zulks vermeerderd met de wettelijke rente.

Zij heeft aan haar vorderingen ten grondslag gelegd dat de pensioenaanspraken moeten worden verrekend overeenkomstig de in het APNA-overzicht genoemde verrekenmethode 2.

1.3

De man heeft verweer gevoerd en in reconventie gevorderd de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap vast te stellen, inhoudende onder meer dat de man wat betreft de pensioenrechten een som ineens ad Naf. 26.825,-- betaalt (conform de in het APNA-overzicht genoemde verrekenmethode 1) en dat ook een aantal (andere) onverdeeld gebleven vermogensbestanddelen van de huwelijksgoederengemeenschap wordt verdeeld, waaronder de hierboven onder 1.1 f) genoemde auto en door de man betaalde gemeenschapsschulden.

1.4

Bij vonnis van 16 april 2012 heeft het Gerecht in conventie en in reconventie bepaald dat wordt uitgegaan van verrekenmethode 2, te weten: pensioendeling 50%–50% na ingang van het pensioen (rov. 4.4).

Derhalve heeft het Gerecht in conventie de man veroordeeld tot afdracht aan de vrouw van haar aandeel in de pensioenaanspraken over de periode vanaf november 2009 tot en met april 2012 à Naf. 895,-- per maand voor zover die gelden – die tot de datum van uitspraak niet aan de vrouw doch aan de man zijn toegekomen – inmiddels door de man van APNA zijn ingevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 juni 2011 (rov. 4.5, 5.3). Voorts heeft het Gerecht in conventie bepaald dat de man zodanige medewerking dient te verlenen dat de vrouw maandelijks een zelfstandige aanspraak krijgt jegens APNA ter zake van de helft van het aan de man toegekende ouderdomspensioen voor zover tijdens het huwelijk opgebouwd (rov. 4.6, 5.2).

In reconventie heeft het Gerecht de verdeling van de gemeenschap aldus vastgesteld dat aan de man de auto (ad Naf. 2.000,--) en de gemeenschapsschulden (ad Naf. 31.309,61) worden toebedeeld (rov. 4.12, 5.7), en de vrouw uit dien hoofde veroordeeld tot betaling van een bedrag van Naf. 14.654,80 wegens overbedeling (rov. 4.13, 5.8).

1.5

De man is van dit vonnis in hoger beroep gekomen bij het Gemeenschappelijk hof van justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: Hof). met conclusie dat het Hof dat vonnis vernietigt en, opnieuw rechtdoende, zijn vorderingen in reconventie alsnog zal toewijzen, althans de boedel tussen partijen zal verdelen met inachtneming van de stellingen en verweren van de man zowel in prima als in hoger beroep.

Hierbij heeft de man onder meer naar voren gebracht dat het (op verrekenmethode 2 geschoeide) bestreden vonnis moeilijk uitvoerbaar is nu de vrouw daarbij veroordeeld werd tot betaling van Naf. 14.654,80 aan de man wegens overbedeling, terwijl zij geen baten heeft om aan de veroordeling te voldoen, en hij derhalve gedwongen is tot beslaglegging op het aan de vrouw toegekende deel van het pensioen à Naf. 895,-- per maand.3 Volgens hem zal dit vonnis slechts tot executiegeschillen leiden.4

1.6

De vrouw heeft verweer gevoerd en geconcludeerd tot bevestiging van het bestreden vonnis. Zij heeft hiertoe aangevoerd, onder meer, dat de man uitgaat van een verkeerde interpretatie van het vonnis waar hij meent dat hij een vordering heeft op de vrouw. Dat is volgens de vrouw niet het geval, nu de vordering van de man op de vrouw wegens overbedeling verrekend is met de vordering van de vrouw op de man wegens het sedert november 2009 niet genoten maandelijks pensioen. Derhalve heeft de man geen vordering meer op de vrouw. Het is de vrouw die na verrekening nog een vordering op de man overhoudt, naast de maandelijkse uitkering van haar pensioendeel van Naf. 895,-- per maand.5 Van executiegeschillen is dan ook geen sprake, aldus de vrouw.6

1.7

Bij vonnis van 2 april 2013 heeft het Hof overwogen:

“4.3 [de man] heeft onweersproken gesteld dat de [de vrouw] geen baten heeft om de overbedeling van Naf. 14.654,80 te voldoen bij verrekening conform variant 2. [de man] is – zo heeft hij tevens onbetwist gesteld – in staat om een eenmalige uitkering aan [de vrouw] te voldoen. Onder deze omstandigheden en met het oog op een spoedige afwikkeling van de boedelverdeling ten behoeve van beide partijen (zonder executieproblemen), bestaat naar het oordeel van het Hof billijkheidshalve aanleiding om bij de verdeling van de pensioenaanspraken te kiezen voor verrekenmethode 1, bestaande uit een uitkering van een eenmalige afkoopsom van [de man] aan [de vrouw] van Naf. 26.825,--. De grieven 1 tot en met 3 slagen dus. In het kader van de verdeling van de boedel dient [de man] wegens overbedeling aan [de vrouw] een bedrag van Naf. 12.170,20 (Naf. 26.825,-- verminderd met Naf. 14.654,80) te vergoeden.”

Het Hof heeft het bestreden vonnis vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de vordering van de man tot verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap toegewezen als in het dictum vermeld, waarbij de man op de voet van art. 3:185 lid 2 BW wegens overbedeling wordt veroordeeld tot betaling aan de vrouw van een bedrag ad Naf. 12.170,20, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 dagen na betekening van het vonnis tot aan de dag van algehele voldoening, met afwijzing van het meer of anders gevorderde (rov. 4.4).

1.8

De vrouw heeft – tijdig7 – cassatieberoep ingesteld. De man heeft geen verweer gevoerd.

2 Beoordeling van het cassatieberoep

2.1

Het cassatiemiddel richt zich in hoofdzaak tegen rov. 4.3 en bestaat uit een achttal onderdelen (‘klachten’).

2.2

Onderdeel 1.1 bevat een rechtsklacht, inhoudende dat het Hof met zijn keuze voor verrekenmethode 1 het arrest HR 27 november 1981, NJ 1982/503 m.nt. EAAL en WHH (Boon/Van Loon) heeft miskend. Onderdeel 1.2 klaagt dat indien het arrest niet zou zijn miskend, ’s Hofs vaststelling dat de vrouw geen baten heeft om de overbedeling ad Naf. 14.654,80 te voldoen onbegrijpelijk is nu de vrouw op grond van de uitspraak in eerste aanleg (ook) bij verdeling conform variant 2 per saldo onderbedeeld is. Onderdeel 1.3 bevat klachten van de strekking dat het Hof ten onrechte niet is ingegaan op het door de vrouw gevoerde verrekeningsverweer (verwezen wordt naar Memorie van Antwoord, nr. K8). Onderdeel 1.4 en onderdeel 1.5 bevatten eveneens klachten ten aanzien van ten onrechte gepasseerde essentiële stellingen van de vrouw, te weten de stelling – althans de gebleken omstandigheid – dat de vrouw zou kunnen voldoen en zelfs heeft voldaan (door middel van verrekening) hetgeen de man in verband met de overbedeling van de vrouw te vorderen zou hebben (onderdeel 1.4; verwezen wordt naar Memorie van Antwoord, nr. K) en de stelling dat van de door de man gestelde executiegeschillen geen sprake zal zijn (onderdeel 1.5; verwezen wordt naar Memorie van Antwoord, nr. L). Onderdeel 1.6 klaagt over het ten onrechte passeren van de als essentieel aan te merken stelling dat sprake is van verlies van recht aan de zijde van de man om de contante waarde van het pensioen te verdelen, nu de man daarop geen aanspraak heeft gemaakt bij de echtscheiding (verwezen wordt naar Memorie van Antwoord nrs. I en J). Onderdeel 1.7 betoogt dat het hof de positieve devolutieve werking van het appel heeft miskend door geen aandacht te besteden aan het door de vrouw in eerste aanleg in reconventie gevoerde (essentiële) verweer dat een eventuele keuzemogelijkheid van de man voor uitkering van de contante waarde van het deel van het pensioen van de vrouw in de gegeven omstandigheden in strijd zou zijn met de redelijkheid en billijkheid (verwezen wordt naar Conclusie van dupliek in reconventie, nr. 3). Onderdeel 1.8 ten slotte – dat zich vooral ook lijkt te keren tegen rov. 4.4 – bevat een rechts- en motiveringsklacht met betrekking tot de ingangsdatum van de toegewezen wettelijke rente.

2.3

In essentie wordt met de onderdelen 1.1-1.7 geklaagd over het feit dat het Hof in zijn oordeel heeft gekozen voor verrekenmethode 1 (eenmalige afkoop) in plaats van verrekenmethode 2 (pensioendeling na datum ingang pensioen). Het Hof geeft als argument voor deze keuze dat de vrouw geen baten heeft om de overbedeling bij de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap (minus pensioenrechten) te voldoen en de man wel baten heeft om een eenmalige uitkering aan de vrouw te doen ter verrekening van de pensioenrechten. Die eenmalige uitkering kan dan verrekend worden met de uitkering wegens overbedeling die de vrouw moet doen. Dit laatste komt, aldus het Hof, een spoedige afwikkeling van de verdeling én de billijkheid ten goede.

2.4

Bij de beoordeling van de klachten dient, naar tussen partijen niet in geschil is, als uitgangspunt het arrest van Uw Raad in de zaak Boon/Van Loon.910 De Wet verevening van pensioenrechten bij scheiding11 geldt niet op de voormalige Nederlandse Antillen.12 In genoemd arrest werd voor de verrekening van pensioenrechten zoals hier aan de orde de volgende maatstaf aangelegd (rov. 13):

“Op welke wijze en tot welke bedragen in geval van echtscheiding of scheiding van tafel en bed een verrekening als bovenbedoeld moet plaatsvinden, dient te worden vastgesteld aan de hand van de eisen van redelijkheid en billijkheid, die op de verdeling van een gemeenschap van toepassing zijn. Afhankelijk van de beschikbare baten en van de waarde die voor verrekening in aanmerking komt, zullen deze eisen vaak meebrengen dat de verrekening ter zake van het ouderdomspensioen slechts kan plaatsvinden door aan de pensioengerechtigde echtgenoot een voorwaardelijke uitkering op te leggen, die aan het leven van beide echtgenoten gebonden is, opeisbaar wordt naarmate de pensioentermijnen opeisbaar worden en kan worden uitgedrukt in een percentage daarvan. (…)

De eisen van redelijkheid en billijkheid kunnen voorts meebrengen dat de verrekening van het ouderdomspensioen op een nog andere wijze geschiedt, bijvoorbeeld in de vorm van een door de pensioengerechtigde te bekostigen lijfrenteverzekering.”

Genoemde maatstaf laat de rechter een grote mate van vrijheid in de keuze van de wijze of methode van verrekening van pensioenrechten in het hem voorliggende geval. Bij die keuze zal de rechter zich dienen te laten leiden door de redelijkheid en billijkheid, die afhankelijk van de omstandigheden van het geval hun precieze inhoud vinden. Het is aan de feitenrechter voorbehouden te oordelen welke rechtens mogelijke wijze van verdeling in de omstandigheden van het geval gerechtvaardigd is en de voorkeur verdient.13 Weliswaar wordt in de literatuur wel vermeld dat uit de rechtspraak van Uw Raad een voorkeur blijkt voor de hierboven genoemde verrekenmethode 2,14 doch dit lijkt – gelet op bovenstaande rechtsoverweging – vooral het geval te zijn indien de redelijkheid en billijkheid deze vanwege de (niet of onvoldoende) beschikbare baten en de (soms grote) waarde die voor verrekening in aanmerking komt, vereisen – hetgeen overigens, zoals ook Uw Raad opmerkt, wel vaak zal voorkomen.15 Hetgeen de eisen van redelijkheid en billijkheid meebrengen op het punt van de wijze van verrekening van de waarde der pensioenrechten, wordt echter niet alléén bepaald door het al of niet beschikbaar zijn van voor onmiddellijke verrekening in aanmerking komende baten, maar ook door alle overige omstandigheden van het geval, waarbij onder meer van belang kan zijn hoever het tijdstip waarop het ouderdomspensioen tot uitkering zal komen in de toekomst gelegen is. Daardoor kan het voorkomen dat, hoewel er wel degelijk baten beschikbaar zijn, de eisen van redelijkheid en billijkheid toch meebrengen dat de verrekening geschiedt door oplegging van een voorwaardelijke uitkering, zoals het geval was in HR 30 september 1983.16

2.5

Uit het bestreden vonnis blijkt niet dat het Hof bovenstaande maatstaf heeft miskend en/of van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan bij de keuze voor de bij de verrekening te hanteren methode. Het Hof heeft zich in rov. 4.3 immers bij zijn keuze voor verrekenmethode 1 uitdrukkelijk laten leiden door de omstandigheden van het geval – waaronder de bij de man en de vrouw beschikbare baten en, hiermee samenhangend, eventuele executieproblemen aan de zijde van de man bij het verhaal op de vrouw van zijn vordering uit overbedeling uit hoofde van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap (minus pensioenrechten) – en door de billijkheid. De eventuele omstandigheid dat het tijdstip waarop het ouderdomspensioen tot uitkering zal komen nog (ver) in de toekomst ligt, speelt in de onderhavige zaak geen rol, nu het ouderdomspensioen in casu reeds tot uitkering is gekomen. Bovendien heeft juist de man zelf, als pensioenverrekenplichtige, hier steeds aangegeven de verrekening van de pensioenrechten op basis van verrekenmethode 1 te willen afhandelen. Op dit alles stuit onderdeel 1.1 af.

2.6

Wel meen ik dat het oordeel van het Hof, gelet op de motivering ervan en in het licht van de gedingstukken, zonder nadere motivering onbegrijpelijk is. De motivering van het Hof van zijn keuze voor verrekenmethode 1 is blijkens rov. 4.3 immers gebaseerd op de vaststelling dat de vrouw geen baten zou hebben om haar uit het vonnis van het Gerecht resulterende schuld wegens overbedeling te voldoen, en is (daarmee) gericht op het voorkomen van executiegeschillen. Echter, in het vonnis van het Gerecht was in conventie geoordeeld dat de vrouw als gevolg van de keuze voor verrekenmethode 2 – naast het recht op een zelfstandige aanspraak jegens het APNA voor in de toekomst gelegen pensioenbetalingen – een vordering op de man verkrijgt wegens de aan hem van november 2009 tot en met april 2012 gedane pensioenbetalingen (ad Naf. 895,-- per maand x 30 maanden = Naf. 26.850,--) ten aanzien waarvan het Gerecht – in appel niet bestreden – had vastgesteld dat deze tot op dat moment niet aan de vrouw waren toegekomen.17 Deze laatste vordering van de vrouw is een bate waarmee zij, door de man aangesproken tot betaling, de overbedelingsvordering ruimschoots kan voldoen door een beroep op verrekening (art. 6:127 BW). Met haar betoog in de Memorie van Antwoord onder K heeft de vrouw dit kennelijk onder de aandacht van het Hof willen brengen.

2.7

De daarop gerichte klachten in de onderdelen 1.2-1.5 slagen.

2.8

Nu de onderdelen 1.2-1.5 slagen, kunnen de onderdelen 1.6 en 1.7 buiten behandeling blijven. Volledigheidshalve volgt hierna een (korte) beoordeling van die onderdelen.

2.9

Met de onderdelen 1.6 en 1.7 wordt geklaagd dat het Hof ten onrechte niet behandeld heeft de essentiële stellingen waarmee de vrouw zich heeft beroepen op rechtsverwerking en op de redelijkheid en billijkheid, en dat het daarmee, in het laatste geval, ook heeft verzuimd toepassing te geven aan de positieve devolutieve werking van het appel. Zowel het beroep op rechtsverwerking als dat op de redelijkheid en billijkheid brengt volgens de vrouw mee dat de man geen aanspraak meer kon maken op zijn recht op of zijn keuzemogelijkheid voor verdeling van het pensioen door middel van uitkering van de helft van de contante waarde daarvan, nu hij daarop bij de echtscheiding geen aanspraak heeft gemaakt.

2.10

De stellingen van de vrouw berusten op de veronderstellingen dat de keuze voor de wijze van verrekening van de pensioenrechten (i) bij de man als pensioengerechtigde ligt en (ii) in beginsel op het moment van de echtscheiding moet worden uitgebracht. Beide veronderstellingen zijn onjuist. De verdeling van een gemeenschap – en daarmee ook de verrekening van pensioenrechten – wordt door partijen tezamen bepaald en tot stand gebracht, of, zoals hier het geval is, op verzoek van een of beide partijen door de rechter gelast of vastgesteld. Ook de wijze waarop de verdeling precies dient plaats te vinden, zal bij die gelegenheid door partijen of door de rechter worden bepaald. Ofschoon de verdeling van een huwelijksgoederengemeenschap slechts kan plaatsvinden als die gemeenschap – bijvoorbeeld door echtscheiding – is ontbonden, hoeft zij niet noodzakelijkerwijs te geschieden op het moment van de echtscheiding, noch bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. Alleen al om die reden zal een enkel tijdsverloop vanaf het moment van echtscheiding hier dan ook niet kunnen leiden tot rechtsverwerking of tot een naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid als onaanvaardbaar aan te merken keuzemogelijkheid. Ook in ’s Hofs overweging in rov. 4.3 ligt deze afwijzing van de stellingen van de vrouw besloten, waar het Hof ervan uitgaat dat aan het Hof bij de verrekening van pensioenrechten, ook nu deze verrekening pas geruime tijd na echtscheiding én na het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd plaatsvindt, (in ieder geval) twee keuzemogelijkheden voorliggen met betrekking tot de manier waarop die verrekening wordt gerealiseerd. Het Hof geeft hiermee geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en behoefde zijn oordeel op dit punt ook niet nader te motiveren.

De onderdelen 1.6 en 1.7 falen derhalve.

2.11

Met onderdeel 1.8 wordt, als gezegd, geklaagd over de door het Hof bepaalde ingangsdatum van de wettelijke rente over de vordering van de vrouw op de man uit hoofde van pensioenverrekening. Volgens het onderdeel had het Hof de wettelijke rente moeten toekennen vanaf de door het Hof zelf vastgestelde peildatum van 20 juni 2001 (de datum waarop de echtscheidingsbeschikking in ingeschreven) en niet vanaf 15 dagen na betekening van zijn vonnis (daarmee bepalende dat de man vanaf dat moment in verzuim zou komen, vgl. rov. 4.4) en is dit laatste oordeel dan ook onjuist en/of onbegrijpelijk.

2.12

Dit onderdeel kan niet slagen, omdat ook volgens het op deze zaak toepasselijke recht naar vaste rechtspraak een vordering gebaseerd op de verdeling van een tot de gemeenschap behorende bate niet kan worden beschouwd als een vordering tot betaling van een geldsom ter zake waarvan de debiteur in verzuim is zolang de verdeling van die bate nog niet is vastgesteld.18

3 Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging en verwijzing.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Ontleend aan rov. 2 van de echtscheidingsbeschikking van 10 april 2001 van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao; rov. 2.1-2.3 van de beschikking van 16 april 2012 van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao; rov. 4.1 van de beschikking in hoger beroep van 2 april 2013 van het Gemeenschappelijk hof van justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

2 Prod. 2 bij inleidend verzoekschrift.

3 Zie Memorie van Grieven, Toelichting grief III, nr. 16.

4 Memorie van Grieven, Toelichting grief V, nr. 24.

5 Memorie van Antwoord, Toelichting antwoord grief III, IV, V, onder K.

6 Idem, onder L.

7 Het cassatieverzoekschrift is op 2 juli 2013 ontvangen ter griffie van de Hoge Raad.

8 Aangehaald in deze conclusie onder 1.6.

9 HR 27 november 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4271, NJ 1982/503 m.nt. EAAL en WHH (Boon/Van Loon). Vgl. later nog HR 24 juni 1983, ECLI:NL:HR:1983:AC8131, NJ 1984/554 m.nt. EAAL onder HR 30 september 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4654, NJ 1984/555.

10 Vgl. over de toepasselijkheid van deze maatstaf ook A-G Bakels in zijn conclusie (onder 1.4) voor HR 20 oktober 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7690, NJ 2002/436 m.nt. WMK, PJ 2001/102 m.nt. Breuker.

11 Wet van 28 april 1994, Stb. 1994, 342, in werking getreden op 1 mei 1995.

12 W.R.M. Thijssen, ‘Pensioenverrekening’, EB 2011/1, p. 13.

13 HR 20 oktober 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7690, NJ 2002/436 m.nt. WMK, PJ 2001/102 m.nt. Breuker, rov. 3.7.

14 Vgl. M.J.A. van Mourik, Huwelijksvermogensrecht, Monografieën privaatrecht, Deventer: Kluwer 2013, nr. 116 (die dit ook het beste bij de aard van pensioenaanspraken vindt passen); Klaassen-Eggens/Luijten en Meijer, Huwelijksgoederen- en erfrecht, Eerste gedeelte: Huwelijksgoederenrecht, Deventer: Kluwer 2005, nr. 230 onder d. Zie ook de noot van Luijten onder punt 6 bij HR 30 september 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4654, NJ 1984/555.

15 In die zin ook A. Bouwer, ‘Pensioen en gemeenschap’, WPNR 5629 (1982), p. 686 en J.W.D. van Oldenborgh, ‘De praktische consequenties van het pensioenarrest’, NJB 1983/3, p. 78-79. Vgl. ook W.P.M. Thijssen, ‘Resterende rechtsvragen na Boon/Van Loon’, in: M.L.C.C. de Bruijn-Lückers e.a. (red.), EB Klassiek, Deventer: Kluwer 2003, nr. 7 par. 2.1 en M.J.A. van Mourik en L.C.A. Verstappen, Handboek Nederlands vermogensrecht bij scheiding, Deventer: Kluwer 2006, p. 642 en 645.

16 HR 30 september 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4654, NJ 1984/555 m.nt. EAAL, rov. 3.3.

17 Vgl. rov. 4.5 en het dictum in 5.3. Het Gerecht wijst er in rov. 4.13 overigens ook “ten overvloede” nog op dat bij de berekening van de overbedelingsvordering van de man op de vrouw ad Naf. 14.654,80 de vordering van de vrouw op de man wegens verrekening van pensioenrechten vanaf november 2009 niet is meegenomen, aangezien het Gerecht die al in conventie had toegewezen.

18 Zie HR 15 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC0387, NJ 2008/108, FJR 2008/73 m.nt. I.J. Pieters, rov. 3.2.2; HR 8 juli 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT2623, NJ 2005/486 m.nt. S.F.M. Wortmann, rov. 3.2 en HR 20 oktober 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7690, NJ 2002/436 m.nt. WMK, PJ 2001/102 m.nt. Breuker, rov. 3.8. Vgl. ook reeds HR 21 februari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2285, NJ 1997/316, rov. 3.3. En zie voorts B. Breederveld, De huwelijksgemeenschap bij echtscheiding (diss. UvA), Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2008, p. 434-435; A.L.G.A. Stille, ‘Verdeling en de rechter’, in: M.J.A. van Mourik e.a., Verdeling in de notariële praktijk, Preadvies KNB 2012, Den Haag: Sdu Uitgevers 2012, p. 237 en E.C.E. Snackers, ‘Wettelijke rente bij verrekenen en verdelen’, EB 2012/36.