Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:2843

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
09-12-2014
Datum publicatie
10-02-2015
Zaaknummer
13/03925
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:266, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR: art. 81.1 RO en strafvermindering wegens overschrijding redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 13/03925

Zitting: 9 december 2014

Mr. Hofstee

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 5 december 2012 verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in het door hem ingestelde hoger beroep voor zover dat is gericht tegen het onder 2 tenlastegelegde, en het vonnis van de rechtbank waarbij verzoeker is veroordeeld voor 1. “medeplegen van in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd”, 3. “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 11, derde en vijfde lid, van de Opiumwet”, 4. “medeplegen van witwassen” en 5. “het opzettelijk beïnvloeden van de vrijheid van een persoon naar waarheid een verklaring ten overstaan van een rechter of ambtenaar af te leggen, meermalen gepleegd” bevestigd. Voorts heeft het Hof het vonnis op (bewijs)onderdelen verbeterd, gewijzigd of aangevuld, een en ander als nader in het arrest omschreven, en verzoeker veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van vijf maanden met een proeftijd van twee jaren en tot 240 uren taakstraf, subsidiair 120 dagen hechtenis.

2. Er bestaat samenhang tussen de zaken met de nummers 12/05854, 12/05917, 13/00643 en 13/03925. In al deze zaken zal ik vandaag concluderen.

3. Namens verzoeker heeft mr. R.A. van der Horst, advocaat te Amsterdam, vier middelen van cassatie voorgesteld.

4. Het eerste middel klaagt dat de bewezenverklaring van feit 1 onvoldoende met redenen is omkleed, meer in het bijzonder dat verzoeker meermalen het telen van hennep heeft medegepleegd.1 Het derde middel klaagt dat de bewezenverklaring van dit feit slechts steunt op de verklaring van één getuige. De middelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.

5. Ten laste van verzoeker is onder 1 bewezenverklaard dat:

“hij in de periode van 1 november 2007 tot en met 24 maart 2009 in de gemeente Heerhugowaard, in een woning gelegen aan de [a-straat], meermalen tezamen en in vereniging met anderen, in de uitoefening van een beroep of bedrijf, opzettelijk heeft geteeld grote hoeveelheden van een materiaal bevattende hennep.”

6. Het Hof heeft in dat verband de overwegingen en het oordeel van de rechtbank overgenomen. Deze luiden, voor zover voor de beoordeling van de middelen van belang:

“In de ten laste gelegde periode hebben, respectievelijk, de verdachte, [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] voor de planten en het onderhoud van de kwekerij gezorgd. (…) Uit de voor het bewijs gebezigde verklaring van de medeverdachte [medeverdachte 1] blijkt dat de verdachte heeft geholpen met de opbouw van de hennepkwekerij in Heerhugowaard en zich (in de beginfase) bezig hield met het onderhoud daarvan. Uit de voor het bewijs gebezigde verklaring van de medeverdachte [betrokkene 7] blijkt dat de verdachte zich bezig hield met het afhalen van de gebruikte aarde en het poten van hennepplantjes. Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat geen sprake is van het enkel opbouwen van een ruimte om deze geschikt te maken voor het kweken van hennep, maar ook van direct met de teelt verband houdende activiteiten zoals afgraven van gebruikte aarde en het poten van plantjes. Aangezien met het begrip “telen” in artikel 3 onder B van de Opiumwet wordt bedoeld het gehele productieproces vanaf het laten groeien van hennepplanten of hennepstekken tot en met de verkoop en aflevering van het eindproduct, heeft de verdachte zich met zijn activiteiten schuldig gemaakt aan het medeplegen van het telen van hennep.”

7. Uit de door het Hof overgenomen bewijsmiddelen – met name de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] (bijlage bij het vonnis, blad 7) en de verklaring van medeverdachte [betrokkene 7] (bijlage bij vonnis, blad 8/9) – kan worden afgeleid dat verzoeker (zwager van medeverdachte [medeverdachte 4]) in het begin betrokken is geweest bij de teelt en dat zijn rol later is overgenomen door [medeverdachte 5] ([medeverdachte 5]) en [medeverdachte 6] ([medeverdachte 6]) omdat hij niet voldeed. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat “[verdachte] heeft geholpen met de opbouw van Heerhugowaard en onderhoud ervan”. En [betrokkene 7] heeft verklaard: “[verdachte] deed daar eerst de plantjes. Hij is eruit geknikkerd omdat hij zijn werk niet goed deed. Wat hij precies deed? Hij deed de gebruikte aarde er afhalen. Hij deed de hennepplantjes poten. Ik heb hem daar gezien tijdens de eerste oogst, dus twee keer”. Het is, anders dan de steller van het middel meent, dus niet alleen [betrokkene 7] die over de werkzaamheden van verzoeker met betrekking tot het onderhoud van de hennepplanten in het begin heeft verklaard. Ik merk nog op dat [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] op hun beurt hebben verklaard – en die verklaringen zijn eveneens voor het bewijs gebruikt – dat zij rond augustus en september 2008 bij de hennepkwekerij in Heerhugowaard betrokken zijn geraakt. Ook kan uit de bewijsmiddelen worden afgeleid dat deze hennepkwekerij in of eind 2007 is opgezet en er meteen knipsters nodig waren. Het oordeel van het Hof dat verzoeker in die beginperiode zich meermalen ook heeft beziggehouden met direct met de teelt verband houdende activiteiten zoals afgraven van gebruikte aarde en het poten van plantjes, vindt steun in meer dan één getuigenverklaring en acht ik op grond van het voorgaande geenszins onbegrijpelijk. De bewezenverklaring van feit 1 is met voldoende redenen omkleed.

8. Beide middelen falen.

9. Het tweede middel klaagt dat het Hof art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv heeft geschonden door niet te reageren op de uitdrukkelijk onderbouwde standpunten van de verdediging, inhoudende dat de verklaringen van [medeverdachte 1] en [betrokkene 7]2 onvoldoende duidelijk en betrouwbaar zijn om te kunnen worden gebezigd tot het bewijs van de feiten 1 en 3.

10. De raadsman heeft het woord gevoerd overeenkomstig zijn aan het Hof overgelegde en aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 5, 7, 12 en 21 november 2012 gehechte pleitnotities. Hetgeen daarin onderscheidenlijk over de verklaringen van [medeverdachte 1] en [betrokkene 7] is opgemerkt, is door het Hof kennelijk niet opgevat als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv. Dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk.

11. Het middel faalt.

12. Het vierde middel tot slot klaagt over de schending van de redelijke termijn. Tegen het arrest van het Hof is op 19 december 2012 beroep in cassatie ingesteld. Blijkens een op de stukken geplaatste stempel zijn de stukken bij de griffie van de Hoge Raad binnengekomen op 24 oktober 2013. Daarmee is de inzendtermijn van acht maanden overschreden met ruim twee maanden. Een voortvarende behandeling die de overschrijding van de inzendtermijn zou kunnen compenseren, dat wil zeggen een uitspraak van de Hoge Raad binnen zestien maanden na het instellen van het cassatieberoep, behoort niet meer tot de mogelijkheden. Dat brengt met zich dat dit middel slaagt.

13. De middelen falen, met uitzondering van het vierde middel. De eerste drie middelen kunnen worden afgedaan op de voet van art. 81, eerste lid, RO.

14. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak doch alleen wat betreft de opgelegde straf en tot verwerping van het beroep voor het overige. De Hoge Raad kan de opgelegde taakstraf verminderen met de gebruikelijke maatstaf.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Niet wordt opgekomen tegen de kwalificatie van feit 1, zodat ik dit punt laat rusten.

2 Deze klacht onderstreept het tevergeefs voorstellen van het derde middel, zoals hiervoor besproken. Het tweede middel keert zich immers tegen de verklaringen van twee getuigen, waar in het derde middel wordt gesteld dat de bewezenverklaring van feit 1 steunt op de verklaring van slechts één getuige.