Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:2841

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
09-12-2014
Datum publicatie
12-02-2015
Zaaknummer
12/05917
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:268
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Geklaagd wordt dat de bewezenverklaring van beroeps- of bedrijfsmatig handelen a.b.i. art. 11.3 Ow i.c. ten onrechte is gekwalificeerd als “meermalen gepleegd”. Bij deze klacht over het ten onrechte toepassing geven aan art. 57 Sr mist vd een voldoende rechtens te respecteren belang. Gelet op de strafmaxima bij de door het hof toegepaste strafbepalingen - zes jaar - , het toepasselijke strafmaximum als art. 57.2 Sr van toepassing zou zijn - acht jaar - en de door het hof opgelegde gevangenisstraf - 12 maanden - is het belang van vd bij de klacht niet evident. Van de verdediging mag in een dergelijk geval, gelet op art. 80a RO, in redelijkheid worden verlangd dat zij in de cassatieschriftuur een toelichting geeft m.b.t. het belang bij de klacht en daartoe is de enkele stelling in de cassatieschriftuur dat een ongebreidelde cumulatie van strafoplegging dreigt niet genoegzaam. Overschrijding redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 12/05917

Zitting: 9 december 2014

Mr. Hofstee

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 5 december 2012 verzoeker vrijgesproken van hetgeen hem onder 1 en 2 is tenlastegelegd (zaak 3, betreffende – kort gezegd – de hennepteelt en de diefstal van elektriciteit in een pand in Uithoorn), en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden ter zake van 3 primair “medeplegen van in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd”, 4 primair: “diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking” en 5: “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 11, derde en vijfde lid, van de Opiumwet”.

2. Er bestaat samenhang tussen de zaken met de nummers 12/05854, 12/05917, 13/00643 en 13/03925. In al deze zaken zal ik vandaag concluderen.

3. Namens verzoeker heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, drie middelen van cassatie voorgesteld.

4. Het eerste middel keert zich tegen ’s Hofs motivering van de bewezenverklaring van feit 5 (deelname aan een criminele organisatie) voor zover deze ziet op de betrokkenheid van verzoeker bij de hennepteelt in een kwekerij in Uithoorn.

5. Ten laste van de verdachte is onder 5 bewezenverklaard dat:

hij in periode van 1 januari 2007 tot en met 24 maart 2009 in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie werd gevormd door een duurzaam samenwerkingsverband van meerdere personen, te weten hij, verdachte, en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 6] en andere personen en welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk de misdrijven als omschreven in artikel 11 derde en vijfde lid van de Opiumwet, te weten het meerdere malen in de uitoefening van beroep of bedrijf tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk telen en/of bewerken van (grote) hoeveelheden van een materiaal bevattende hennep.”

6. Blijkens het arrest heeft het Hof de bewijsmiddelen en de bewijsoverweging van de rechtbank ten aanzien van feit 5 overgenomen. Deze bewijsoverweging luidt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang:

“Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat het oogmerk van de organisatie gericht was op het (in de uitoefening van een beroep of bedrijf) telen en/of bewerken (dat wil zeggen het uitsluitend knippen van planten op kniplocaties) van hennep. Nu de verdachte zich meermalen schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van hennepteelt, is daarmee zijn deelname aan de organisatie een feit.

De rechtbank acht bewezen dat de periode van deelname aan de organisatie voor wat betreft de verdachte aanvangt op 1 januari 2007, nu bewezen wordt verklaard dat hij zich in de periode vanaf 1 januari 2007 heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van hennepteelt in de kwekerij in Uithoorn (feit 1). Naar het oordeel van de Rechtbank kan uit de bewijsmiddelen worden afgeleid dat (ook) de hennepkwekerij in Uithoorn geëxploiteerd werd in verband van de criminele organisatie, onder meer nu vast is komen te staan dat de hennepkwekerij in Heerhugowaard in 2008 enige tijd heeft stil gelegen nadat de hennepkwekerij in Uithoorn was ontdekt en opgerold.

De rechtbank zal de duur van de deelname aan de organisatie door de verdachte betrekken bij de aard en de omvang van de op te leggen straf, net als de speciale taken die de verdachte in deze organisatie heeft verricht en het daaraan toe te kennen gewicht.

De rechtbank acht, gelet op het voorstaande, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte heeft deelgenomen aan een organisatie in de zin van artikel 11a van de Opiumwet.”

7. Het Hof heeft verzoeker evenwel onder meer van feit 1 vrijgesproken. Volgens de desbetreffende overweging van het Hof was verzoeker weliswaar betrokken bij de huur van het pand in Uithoorn, maar is dit enkele feit zonder nader bewijs omtrent de aard en wijze van een eventuele betrokkenheid van verzoeker bij de hennepkwekerij onvoldoende om tot het oordeel te komen dat verzoeker zich heeft schuldig gemaakt aan het tenlastegelegde medeplegen van het telen dan wel bewerken van hennep aldaar.

8. De steller van het middel wijst er op dat in het kader van feit 5 het overnemen van de bewijsoverweging en het oordeel van de rechtbank aangaande het bewijs inzake het medeplegen van hennepteelt in de kwekerij in Uithoorn zich niet verdraagt met de vrijspraak van feit 1. Daarmee lijkt de steller van het middel een punt te hebben. De vraag is evenwel of dit tot cassatie moet leiden. Allereerst verdient opmerking dat voor de strafbare deelneming aan een criminele organisatie als bedoeld in art. 140 Sr niet is vereist dat de verdachte betrokken is geweest bij elke van de gepleegde misdrijven waarop deze organisatie het oog heeft. Wat de onderhavige zaak betreft betekent dit dat uit de bewezenverklaring niet noodzakelijkerwijs hoeft te volgen dat daarbij specifiek (ook) wordt gedoeld op het telen van hennep in de kwekerij in Uithoorn. Voorts is verzoeker ter zake van feit 3 veroordeeld voor – kort gezegd - het tezamen en in vereniging met anderen beroeps- of bedrijfsmatig telen van hennep in de locatie Heerhugowaard, hetgeen impliceert dat dat meermalen moet zijn gepleegd.1 Ik meen dan ook dat in zoverre de bewijsoverweging van de rechtbank in hoger beroep toepasbaar is. Daarbij heb ik in aanmerking genomen dat in cassatie niet wordt geklaagd over de pleegperiode die onder feit 5 is bewezenverklaard.2

9. Het middel is tevergeefs voorgesteld.

10. Het tweede middel keert zich in de eerste plaats tegen de kwalificatie van feit 3. Het bedrijfsmatig telen van hennep houdt volgens de steller van het middel per definitie in dat er meermalen moet zijn gepleegd, zodat het meermalen plegen ten onrechte aan de kwalificatie is toegevoegd. Ten tweede klaagt het middel over de motivering van de opgelegde staf.

11. De eerste klacht is gelet op het arrest van HR 3 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:2014:1303 terecht voorgesteld. De in de bewezenverklaring tot uitdrukking gebrachte, aan art. 11, derde lid, Opiumwet ontleende omstandigheid van het beroeps- of bedrijfsmatig handelen in strijd met een in art. 3, onder B, Opiumwet gegeven verbod omvat in het onderhavige geval immers reeds dat het opzettelijk telen van hennepplanten meermalen heeft plaatsgevonden. Het Hof heeft daarom ten onrechte de kwalificatie "meermalen gepleegd" toegevoegd. De Hoge Raad kan de kwalificatie verbeteren. Daarmee kan worden volstaan nu deze verbetering, gelet op art. 57 Sr, geen invloed heeft op het toepasselijke strafmaximum voor de ten laste van de verdachte bewezenverklaarde feiten.3

12. De tweede klacht van het middel betreft de motivering van de strafoplegging. Voor zover wordt opgekomen tegen het meermalen gepleegd en de in uitoefening van bedrijf of beroep gepleegde hennepteelt verwijs ik naar hetgeen hierboven is opgemerkt. Voor het overige kan de strafmotivering worden bezien als de nadere invulling van de misdrijven waarop de organisatie het oog had. Daarover is reeds opgemerkt dat de verdachte geen betrokkenheid hoeft te hebben bij concreet aan te duiden misdrijven.4

13. De eerste klacht in het middel is terecht voorgesteld, de tweede klacht van het middel faalt.

14. Het derde middel klaagt over de overschrijding van de redelijke termijn. Tegen het arrest van het Hof is op 10 december 2012 beroep in cassatie ingesteld. Blijkens een op de stukken geplaatste stempel zijn de stukken bij de griffie van de Hoge Raad binnengekomen op 24 oktober 2013. Daarmee is de inzendtermijn van acht maanden overschreden met ruim twee maanden. Een voortvarende behandeling die de overschrijding van de inzendtermijn zou kunnen compenseren, dat wil zeggen een uitspraak van de Hoge Raad binnen zestien maanden, behoort niet meer tot de mogelijkheden. Dat brengt met zich dat dit middel slaagt.

15. De middel falen, met uitzondering van de eerste klacht van het tweede middel en het derde middel. De falende middelen kunnen worden afgedaan op de voet van art. 81, eerste lid, RO.

16. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak doch alleen wat betreft de kwalificatie van feit 3 en de opgelegde straf, en tot verwerping van het beroep voor het overige. De Hoge Raad kan deze kwalificatie zelf verbeteren en de opgelegde straf wegens overschrijding van de inzendtermijn verminderen aan de hand van de gebruikelijke maatstaf.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie daaromtrent de eerste klacht van het tweede middel (hierna onder 10 en 11).

2 Doordat het Hof verzoeker heeft vrijgesproken van feit 1 zou een vraagteken kunnen worden gezet bij de pleegperiode die door het Hof onder feit 5 is bewezenverklaard: “in of omstreeks de periode van 1 januari 2007 tot en met 24 maart 2009”. De begindatum van deze periode is klaarblijkelijk vastgesteld op grond van feit 1 – in of omstreeks de periode van 1 januari 2007 tot en met 2 oktober 2008 -, waarvan verzoeker dus is vrijgesproken door het Hof. Het bewezenverklaarde feit 3 betreft de (latere) periode van 1 augustus 2008 tot en met 24 maart 2009. Een uitgebreidere bewezenverklaarde periode noopt de Hoge Raad niet in alle gevallen tot aanpassing. In de door het Hof overgenomen overwegingen van de rechtbank komt echter naar voren dat de duur van de deelname aan de criminele organisatie is meegewogen bij de strafoplegging. Daarop kom ik bij mijn bespreking van de tweede klacht van het tweede middel even terug.

3 Omdat voornoemd arrest nog betrekkelijk nieuw is, zal ik hier nog geen ‘80a-RO’-standpunt innemen.

4 Herhaald zij dat de periode waarin de criminele organisatie als bedoeld in art 140 Sr heeft gefunctioneerd, niet wordt bepaald door de expliciete misdrijven waarvoor een verdachte is veroordeeld.