Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:2839

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
09-12-2014
Datum publicatie
12-02-2015
Zaaknummer
14/01244
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:274, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Belediging, art. 266 Sr. Vervolg op HR 8 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV9188, NJ 2012/462. Het gebruik van het woord “mierenneuker” is i.h.a. op zichzelf niet beledigend, zodat i.c. de vraag of dit belediging oplevert afhangt van de context waarin dat woord is gebezigd (HR 22 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ9796, NJ 2010/671). Het Hof heeft (nu) toereikend gemotiveerd dat de uitlating "jij bent een mierenneuker" in een context is gedaan die de strekking had de agent in zijn eer en goede naam aan te tasten. Het Hof heeft immers vastgesteld dat de verdachte, nadat zijn blikje bier was afgepakt, de verbalisant die bezig was met de ordehandhaving in het openbaar en waarneembaar voor aanwezige derden, heeft toegevoegd de woorden "jij bent een mierenneuker", daarmee het gezag van de optredende politieagent ondermijnend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 14/01244

Zitting: 9 december 2014

Mr. Hofstee

Conclusie inzake:

[verzoeker = verdachte]

1. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, heeft verzoeker bij arrest van 25 februari 2014 – na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad bij arrest van 8 mei 2012 (zie hierna) - wegens “eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening” veroordeeld en bepaald dat ter zake van het bewezenverklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd.

2. Namens verzoeker heeft mr. D. Greven, advocaat te Enschede, een middel van cassatie voorgesteld.

3. De onderhavige zaak heeft eerder tot media-aandacht en tot het zogenoemde ‘mierenneuker-arrest’ van HR 8 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV9188, NJ 2012/462 m.nt. Keijzer geleid. Wat was blijkens de gebezigde bewijsmiddelen het geval? Op 25 februari 2010 bevond verzoeker zich met een aantal anderen in de grote hal van het winkelcentrum Twentec in Enschede, alwaar zij overlast veroorzaakten. Twee verbalisanten gingen na een melding daarop af en troffen ter plaatse onder meer verzoeker aan. Nadat de verbalisanten de betrokkenen hadden verzocht weg te gaan, pakte verzoeker een geopend blikje bier om dit mee naar buiten te nemen. Toen verzoeker werd meegedeeld dat hij het blikje bier niet mocht meenemen, riep verzoeker naar de verbalisant: “jij bent een mierenneuker”.

4. Vooropgesteld dient te worden dat het gebruik van de woorden: “jij bent een mierenneuker” in het algemeen en naar gewoon Nederlands taalgebruik niet beledigend van aard is.1 Het woord ‘mierenneuker’ heeft immers in het algemeen de betekenis van iemand die het werk tot in de puntjes verzorgd wil hebben of die de van toepassing zijnde regels strikt wenst toe te passen, ook al mag dat volgens anderen rigide, muggenzifterig of pietluttig zijn omdat daarbij geen rek is voor een wat lossere benadering. De aangesprokene kan dan zijn schouders ophalen of het misschien wel als een compliment opvatten. Maar dat neemt niet weg dat het woord in een andere context een uitgesproken denigrerende betekenis kan krijgen, bijvoorbeeld wanneer het luid en duidelijk en in het bijzijn van anderen naar iemand wordt geroepen. Dan krijgt het woord een negatieve connotatie in de zin van minachtend en kleinerend. Wanneer het woord dan ook nog eens op die wijze in het openbaar in de richting van een gezagsdrager in de uitoefening van zijn functie wordt toegevoegd, komen begrippen als gezagsondermijning en aantasting van de eer en goede naam en daarmee een strafbare belediging in de zin van art. 266 Sr in het vizier.

5. Het is dan ook begrijpelijk dat naar vaste rechtspraak de door iemand gebezigde woorden die op zichzelf genomen niet beledigend zijn, toch die kwalificatie kunnen krijgen indien zij verbaal in een bepaalde context naar het hoofd van de aangesprokene worden geslingerd. Een mondelinge uitlating bijvoorbeeld, die publiekelijk, in tegenwoordigheid van anderen, is gedaan, wordt als beledigend aangemerkt indien zij de strekking heeft de betrokkene aan te randen in zijn eer en goede naam.2 Omdat de context in concreto de strafbaarheid van belediging creëert, spreekt het vanzelf dat hier eisen zijn te stellen aan de motivering door de feitenrechter, welke motivering zich in cassatie weer op haar begrijpelijkheid en toereikendheid laat toetsen.

6. Dát de toevoeging van het woord “mierenneuker” onder omstandigheden de strekking kan hebben de persoon tot wie de uitlating was gericht in zijn eer en goede naam aan te tasten en dat dit woord derhalve als beledigend in de zin van art. 266 Sr kan worden aangemerkt, heeft de Hoge Raad – in een zaak waarin de verdachte, tijdens een politiële controle van zijn bromfiets door middel van een rollentestbank, in aanwezigheid van anderen de verbalisanten tot drie keer toe voor “mierenneuker” had uitgemaakt – inmiddels bepaald in zijn arrest van 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2003, NJ 2014/181 m.nt. Keijzer. Ik citeer:

“2.4.

De bewezenverklaring houdt in dat het gaat om een belediging die twee personen mondeling in hun tegenwoordigheid is aangedaan. In een dergelijk geval moet een uitlating als beledigend worden beschouwd indien zij de strekking heeft die anderen aan te randen in hun eer en goede naam. Het oordeel dat daarvan sprake is zal bij woorden waarvan het gebruik op zichzelf in het algemeen niet beledigend is, afhangen van de context waarin de uitlating is gedaan (vgl. HR 22 december 2009, ECLI:NL:HR:BJ9796, NJ 2010/671).

2.5.

Het gebruik van het woord "mierenneuker" is, in het algemeen, op zichzelf, niet beledigend, zodat in deze zaak de beantwoording van de vraag of sprake is van belediging in de zin van art. 266 Sr, afhangt van de context waarin dat woord is gebezigd. Met betrekking tot die context heeft het Hof blijkens het gebezigde bewijsmiddel vastgesteld dat de verdachte tijdens controlewerkzaamheden van de politie waarbij de bromfiets van de verdachte werd gecontroleerd met een rollentestbank tegen de in de bewezenverklaring genoemde verbalisanten, in aanwezigheid van andere personen, drie keer het woord "mierenneuker" heeft toegevoegd. Het Hof heeft daarmee als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat onder deze omstandigheden het woord "mierenneuker" de strekking heeft de personen tot wie de uitlatingen waren gericht in hun eer en goede naam aan te tasten en dat dit woord derhalve in het onderhavige geval als beledigend moet worden aangemerkt. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk.”

7. Ten tijde van het door het Gerechtshof te Arnhem in de onderhavige zaak gewezen arrest van 1 november 2010 stond echter het onder omstandigheden mogelijk beledigende karakter van het gebruik van het woord “mierenneuker” in het openbaar nog niet vast. Het Hof overwoog in dat arrest:

“Overweging met betrekking tot het bewijs

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit van het tenlastegelegde. Hij heeft hiertoe primair aangevoerd dat, gelet op de context waarin de uitlating is gedaan, er geen sprake is van een belediging. De uitlating van verdachte had niet tot doel de agent te beledigen. De raadsman heeft subsidiair aangevoerd dat het opzet van verdachte niet gericht was op het beledigen van de agent.

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Daarbij overweegt het hof in het bijzonder dat verdachte, nadat het blikje bier door de agent [verbalisant 1] werd afgepakt dat verdachte in de hand had, kennelijk de bedoeling had om de agent door middel van de woorden "jij bent een mierenneuker" beledigend toe te spreken.

Naar het oordeel van het hof houden deze door verdachte gebruikte woorden in de geschetste context een negatief en kwetsend oordeel in over de persoon van de agent. Het verweer wordt verworpen.”

8. De Hoge Raad vond deze motivering niet voldoende en oordeelde in zijn arrest van 8 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV9188, NJ 2012/462 m.nt. Keijzer:

“3.1. Het middel keert zich tegen 's Hofs oordeel dat de in de bewezenverklaring vermelde bewoordingen "jij bent een mierenneuker" als belediging in de zin van art. 266 Sr kunnen worden aangemerkt.

3.2. De bewezenverklaring houdt in dat het gaat om een belediging die iemand mondeling in zijn tegenwoordigheid is aangedaan. In een dergelijk geval moet een uitlating als beledigend worden beschouwd indien zij de strekking heeft die ander aan te randen in zijn eer en goede naam. Het oordeel dat daarvan sprake is zal bij woorden waarvan het gebruik op zichzelf in het algemeen niet beledigend is, afhangen van de context waarin de uitlating is gedaan (vgl. HR 22 december 2009, LJN BJ9796, NJ 2010/671).

3.3. Het gebruik van de volgens de bewezenverklaring door de verdachte gebezigde woorden is in het algemeen niet beledigend, zodat in deze zaak de beantwoording van de vraag of sprake is van belediging in de zin van art. 266 Sr, afhangt van de context waarin die bewoordingen zijn gebezigd. Het Hof heeft in dit verband in de nadere bewijsoverweging weliswaar verwezen naar "de geschetste context", maar onvoldoende duidelijk gemaakt wat die context in het onderhavige geval precies inhoudt en hoe die context tot het oordeel van het Hof over belediging heeft geleid. De bestreden uitspraak is in dit opzicht dus ontoereikend gemotiveerd.”

9. In deze overweging liet de Hoge Raad al wel doorschemeren dat hij niet wilde uitsluiten dat het bezigen van de woorden “jij bent een mierenneuker” onder bepaalde omstandigheden een strafbare beledigende inhoud en strekking opleveren. Maar dat moest dan wel door het Hof, naar wie de zaak werd teruggewezen, nader worden gemotiveerd.

10. De vraag die thans in cassatie voorligt, is of het Hof - dat immers verzoeker opnieuw ter zake van het hierboven weergegeven feit heeft veroordeeld, zij het met inachtneming van art. 9a Sr zonder oplegging van een straf of een maatregel - in die opdracht is geslaagd.

11. De steller van het middel meent van niet. Het onderhavige middel klaagt dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat het bezigen van de woorden: “Jij bent een mierenneuker” onder de door het Hof genoemde omstandigheden de strekking hadden de verbalisant in zijn eer en goede naam aan te tasten, te meer nu de door het Hof genoemde omstandigheden niet afwijken van de door het Hof in zijn arrest van 1 november 2010 geschetste context, dan wel dat dit bestreden oordeel onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd is.3

12. Maar klopt het, wat in het middel ten aanzien van het bestreden oordeel van het Hof wordt gesteld?

13. Ten laste van verzoeker is bewezenverklaard dat:

“hij op 25 februari 2010, in de gemeente Enschede, opzettelijk beledigend een ambtenaar, te weten de surveillant van politie Twente, genaamd [verbalisant 1] gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in diens tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd de woorden "Jij bent een mierenneuker"”

14. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“1. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal aanhouding (gevoegd als bijlage bij het proces-verbaal genummerd 2010017180-1) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1]:

Op donderdag 25 februari 2010 omstreeks 14:00 uur werden wij verbalisanten, [verbalisant 2] en [verbalisant 1], op de winkeltelefoon gebeld. Ik, verbalisant [verbalisant 2], hoorde dat de beller zei dat hij een medewerker was van de Van Heek garage. Hij gaf aan dat er op dat moment drie zwervers in de grote hal van de Twentec stonden en overlast veroorzaakten. Hierop zijn wij naar de Twentec gegaan en troffen aldaar een viertal mannen aan. Wij herkenden drie van deze mannen als de voor ons ambtshalve bekende [betrokkene 1], [betrokkene 2] en [verdachte]. Wij hebben [betrokkene 1], [betrokkene 2] en [verdachte] verzocht om weg te gaan. Op dat moment zag ik, verbalisant [verbalisant 2], dat [verdachte] een geopend blikje bier pakte en deze mee wilde nemen naar buiten. Ik heb toen het blikje bier afgepakt en heb tegen [verdachte] medegedeeld dat hij het blikje bier niet mocht meenemen. Op het moment dat wij in ons dienstvoertuig wilden stappen hoorde ik, verbalisant [verbalisant 1], dat [verdachte] tegen mij zei: "jij bent een mierenneuker". Op het moment dat [verdachte] dit tegen mij zei, stonden er meerdere personen op straat die meekregen wat [verdachte] tegen mij zei. Ik, verbalisant [verbalisant 1], voelde mij op dat moment in mijn goede naam en eer aangetast.

2. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal verhoor verdachte (gevoegd als bijlage bij het proces-verbaal genummerd 2010017180-1) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van verdachte:

Ik zit hier omdat ik ben aangehouden voor belediging van een ambtenaar in functie. Ik zou uw collega's mierenneukers hebben genoemd. Dit kan ik bevestigen. Ik heb dit inderdaad gezegd. Vandaag, op 25 februari 2010, stond ik naast de Albert Heijn met een aantal jongens. Dit waren [betrokkene 1] en [betrokkene 2]. Ik stond half binnen, half buiten de ingang van de parkeergarage gelegen naast de Albert Heijn aan het Hendrik Jan van Heekplein 63 te Enschede. Hier werd ik aangesproken door uw collega's. Ik werd daar naar buiten gestuurd. Binnen stond een geopend blikje bier. Deze wilde ik meenemen om vervolgens het blikje bier in de afvalbak te gooien. Dit werd mij door uw collega afgepakt. De politieagent gooide het bier zelf weg en liep vervolgens weg. Toen ze wegliepen, riep ik dat de mannelijke agent een mierenneuker was. Ik vond hem heel kinderachtig. Ik geef toe dat ik heb geroepen dat hij een mierenneuker was.”

15. Voorts heeft het Hof met betrekking tot het bewijs het volgende overwogen:

“De raadsman heeft aangevoerd dat de strekking van het bezigen van het woord 'mierenneuker' in de context van deze zaak niet beledigend is geweest. Verdachte dient dan ook te worden vrijgesproken.

Het hof is van oordeel dat het namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof overweegt hiertoe het volgende. Verdachte heeft verbalisant [verbalisant 1], nadat [verbalisant 1] zijn blikje bier had afgepakt, een mierenneuker genoemd. Verdachte verklaarde later dat hij de agent heel kinderachtig vond. Verdachte heeft zijn uitlating gedaan in het openbaar en in aanwezigheid van meerdere personen die deze uitlating konden horen. Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte met het bezigen van de woorden "Jij bent een mierenneuker" niet alleen de persoon in kwestie, verbalisant [verbalisant 1], aangetast maar ook het politieoptreden op dat moment en daarmee het gezag van de verbalisant [verbalisant 1] ondermijnd. Er is naar het oordeel van het hof sprake van een samenhangend complex van handelingen door een politieagent die op dat moment bezig was met de ordehandhaving. Onder die omstandigheden is het hof van oordeel dat de uitlating "jij bent een mierenneuker" de strekking had de agent in zijn goede naam en eer aan te tasten. Het verweer van de raadsman wordt dan ook verworpen.”

16. Voor zover het middel de (deel)klacht bevat dat de thans door het Hof aangehaalde omstandigheden niet afwijken van de eertijds door het Hof geschetste context, mist het feitelijke grondslag. Het Hof heeft in de nu bestreden uitspraak immers nadrukkelijk bij zijn oordeel meegewogen dat:

(i) verzoeker zijn uitlating in het openbaar en ook hoorbaar in aanwezigheid van meer personen heeft gedaan;

(ii) verzoeker aldus de persoon van de betrokken verbalisant heeft aangetast, naar ik begrijp in diens eer en goede naam (vgl. bewijsmiddel 1, laatste zin);

(iii) verzoeker op dat moment ook het politieoptreden heeft aangetast en dat hij daarmee het gezag van die verbalisant heeft ondermijnd; en

(iV) deze verbalisant op dat moment met de ordehandhaving bezig was.

17. De vervolgvraag is of deze door het Hof genoemde omstandigheden zijn motivering begrijpelijk en toereikend maken. Ik neig ernaar deze vraag bevestigend te beantwoorden. Onder de genoemde omstandigheden kan worden aangenomen dat de uitlating “jij bent een mierenneuker” zodanig denigrerend bedoeld was dat deze de strekking had de verbalisant in zijn eer en goede naam aan te tasten en zij derhalve als belediging in de zin van art. 266 Sr kan worden aangemerkt. Daarbij heb ik in aanmerking genomen dat naar het kennelijk oordeel van het Hof de ordehandhaving, in welk kader het handelen van de verbalisant geplaatst moet worden, niet alleen betrekking had op het afpakken van het blikje bier, maar ook op het aanspreken van de overlastgevers en het verzoek aan hen zich te verwijderen van de plek waar ze zich op dat moment bevonden.

18. Het middel faalt alsdan.

19. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

20. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Aldus ook HR 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2003, NJ 2014/181 m.nt. Keijzer.

2 Vgl. HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1564; HR 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2003, NJ 2014/181 m.nt. Keijzer; HR 8 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV9188, NJ 2012/462 m.nt. Keijzer; HR 22 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ3106, NJ 2012/44, HR 22 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ9796, NJ 2010/671 m.nt. Buruma.

3 Ter onderbouwing van het middel wordt in de toelichting erop gewezen dat na de terugwijzing door de Hoge Raad de Advocaat-Generaal bij het Hof tot vrijspraak heeft gerekwireerd.