Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:2834

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
09-12-2014
Datum publicatie
10-02-2015
Zaaknummer
13/00713
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:261, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Slagende bewijsklacht overtreding art. 9 Wet MOT. Wettekst noch wetsgeschiedenis biedt enig aanknopingspunt voor de opvatting dat eerst dan volledig aan de meldingsplicht van ongebruikelijke financiële transacties is voldaan, indien naast de objectieve indicatoren ook de subjectieve indicatoren worden vermeld. Aan de strekking van de Wet MOT dat de omstandigheden worden vermeld op grond waarvan de desbetreffende transactie als ongebruikelijk kan worden aangemerkt, is immers ook voldaan indien alleen objectieve indicatoren zijn vermeld. Partiële vernietiging en terugwijzing. Thans geldt de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, maar i.c. gold nog de Wet MOT.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 13/00713

Zitting: 9 december 2014

Mr. Hofstee

Conclusie inzake:

[verdachte=verzoeker]

1. Verzoeker is bij arrest van 23 november 2012 door het Gerechtshof Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, zitting houdende te Arnhem, wegens 1. en 2. “telkens: medeplegen van het plegen van witwassen een gewoonte maken”, 3. “medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd en opzettelijk overtreden van voorschriften gesteld bij artikel 9 van de Wet melding ongebruikelijke transacties, meermalen gepleegd”, 4. “opzettelijk overtreden van voorschriften gesteld bij artikel 9 van de Wet melding ongebruikelijke transacties, meermalen gepleegd” en 5. “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk.

2. Er bestaat samenhang tussen de zaken met de nummers 12/05559, 12/05564P, 13/00633, 13/00635, 13/00713 en 13/00779. In al deze zaken zal ik vandaag concluderen.

3. Namens verzoeker heeft mr. H.H. van Steijn, advocaat te ‘s-Hertogenbosch, zeven middelen van cassatie voorgesteld.

4. Ten laste van verzoeker is bewezenverklaard dat:

“1 primair:
hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2005 tot en met 9 mei 2006, in de gemeente Zeewolde en/of de gemeente Utrecht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer anderen van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft/hebben verdachte en/of één of meer van zijn medeverdachte(n) grote geldbedragen, te weten

- op 19 september 2005, 17.030 Britse ponden, 61.450 Noord-Ierse ponden en 11.300 Schotse ponden

- op 18 oktober 2005, 166.005 Britse ponden en

- op 3 april 2006, 50.195 Britse ponden en 4.710 Schotse ponden en 210,- Noord Ierse ponden

verworven en omgezet terwijl hij wist dat die geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit misdrijf;

2 primair:

hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2005 tot en met 9 mei 2006, in de gemeente Zeewolde en/of de gemeente Utrecht, althans in Nederland, tezamen

en in vereniging met één of meer anderen van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft/hebben verdachte en/of één of meer van zijn medeverdachte(n) grote geldbedragen, te weten

- op 21 maart 2006, 47.220,- Britse ponden en 1.560 Schotse ponden en

- op 30 maart 2006, 45.000,- Schotse ponden en op

3 april 2006 119.960,- Schotse ponden en

- op 4 april 2006, 60.000 Schotse ponden en

- op 6 april 2006, 7.760 Britse ponden en 51.240 Schotse ponden en

- op 11 april 2006, 60.000.- Schotse ponden en

- op 13 april 2006, 7.300,- Britse ponden, en 72.710,- Schotse ponden

verworven en voorhanden gehad en omgezet terwijl hij wist dat die geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit misdrijf;

3:

hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2005 tot en met 9 mei 2006, in de gemeente Zeewolde en/of de gemeente Utrecht, althans in Nederland, tezamen

en in vereniging met één of meer andere(n), meermalen, een formulier, te weten

1. een (digitale) MOT-melding (aan het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties) d.d. 19 september 2005 (transactienummer ZE 2620) en

2. een transactieformulier van [medeverdachte 1] d.d. 19 september 2005 en

3. een (digitale) MOT-melding (aan het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties) d.d. 18 oktober 2005 (transactienummer U2-11135) en

4. een transactieformulier van [medeverdachte 1] d.d. 18 oktober 2005 en

5. een (digitale) MOT-melding (aan het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties) d.d. 7 november 2005 (transactienummer ZE 2721) en

7. een (digitale) MOT-melding (aan het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties) d.d. 3 april 2006 (transactienummer ZE 2620) elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn medeverdachte(n) telkens genoemde MOT-meldingen valselijk aangemaakt op naam van [betrokkene 1], en/of (telkens) op genoemde transactieformulieren valselijk vermeld dat [betrokkene 1] de cliënt was,

zulks telkens met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

en

dat hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2005 tot en met 9 mei 2006, in de gemeente Zeewolde en/of de gemeente Utrecht, althans in Nederland, meermalen terwijl hij een beroeps- of bedrijfsmatige dienst verleende, telkens opzettelijk verrichte of voorgenomen ongebruikelijke transacties niet heeft gemeld en niet alle gegevens van (een) verrichte of voorgenomen ongebruikelijke transacties juist en/of volledig heeft gemeld,

immers heeft verdachte op de MOT-melding van

1. - 19 september 2005 (transactienummer ZE 2620) en

2. - 18 oktober 2005 (transactienummer U2-11135) en

4. - 3 april 2006 (transactienummer ZE 2864);

telkens,

* niet de (juiste) identiteit van de cliënt gemeld en/of

* de omstandigheden niet gemeld op grond waarvan de transactie als ongebruikelijk wordt aangemerkt, zoals genoemd in artikel 8 van de Wet Ongebruikelijke Transacties en genoemd in bijlage A van de indicatorenlijst geldend vanaf I juni 2003 (D-G05.01.002 -pag 79-88, zaakdossier A) en/of de indicatorenlijst behorende bij de Wet MOT met ingang van I november 2005

immers heeft verdachte niet gemeld:

- dat de transactie a-typisch is voor cliënt en/of

- dat de cliënt handelt als stroman en/of

- dat er geen verklaarbaar legaal doel of geen zichtbare relatie is met (bedrijfs)activiteiten en/of

- dat cliënt ongeteld aanlevert, zonder dat dit in relatie staat tot de (bedrijfs)activiteiten en/of

- dat het bedrag niet wordt gestort op eigen rekening of rekening werkgever en/of

- dat de transactie aanleiding is om te veronderstellen dat ze verband kunnen houden met witwassen.

4:

hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2005 tot en met 9 mei 2006, in de gemeente Zeewolde en/of de gemeente Utrecht, althans in Nederland, meermalen, terwijl hij een beroeps- of bedrijfsmatige dienst verleende telkens opzettelijk verrichte of voorgenomen ongebruikelijke transacties niet heeft gemeld en/of niet alle gegevens verrichte of voorgenomen ongebruikelijke transacties juist en/of volledig heeft gemeld, immers heeft verdachte op de MOT-melding van

1. - 21 maart 2006 (transactienummer U2 11895) en/of

2. - 30 maart 2006 (transactienummer ZE 2859) en/of

3. - 3 april 2006 (transactienummer ZE 2866) en/of

4. - 4 april 2006 (transactienummer U2 11969) en/of

5. - 6 april 2006 (transactienummer ZE 2868) en/of

6. - 11 april 2006 (transactienummer U2 12003) en/of

7. - 13 april 2006 (transactienummer ZE 2876), (telkens),

de omstandigheden niet gemeld op grond waarvan de transactie als ongebruikelijk wordt aangemerkt, zoals genoemd in artikel 8 van de Wet Ongebruikelijke Transacties en genoemd in bijlage A van de indicatorenlijst geldend vanaf 1 juni 2003 en/of de indicatorenlijst behorende bij de Wet MOT met ingang van 1 november 2005

immers heeft verdachte niet gemeld:

- dat de transactie a-typisch is voor cliënt en/of

- dat de cliënt handelt als stroman en/of

- dat er geen verklaarbaar legaal doel of geen zichtbare relatie is met (bedrijfs)activiteiten en/of

- dat cliënt ongeteld aanlevert, zonder dat dit in relatie staat tot de (bedrijfs)activiteiten en/of

- dat het bedrag niet wordt gestort op eigen rekening of rekening werkgever en/of

- dat de transactie aanleiding is om te veronderstellen dat ze verband kunnen houden met witwassen.

5:

hij in de periode van 1 januari 2005 tot en met 9 mei 2006 in de gemeente Zeewolde en/of de gemeente Utrecht, althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, die gevormd werd door verdachte en het bedrijf [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] en [betrokkene 6] en [betrokkene 7] en [medeverdachte 5] welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk valsheid in geschrifte en/of overtreding van de Wet Melding ongebruikelijke transacties en/of witwassen;”

5. Deze bewezenverklaringen berusten op de bewijsmiddelen zoals opgenomen in de aanvulling op het verkort arrest.

6. De eerste twee middelen keren zich met verschillende klachten tegen ’s Hofs bewijsvoering met betrekking tot de feiten 3 en 4. Volgens de steller van deze middelen heeft het Hof dienaangaande ten onrechte volstaan met de volgende bewijsoverweging:

“Met de rechtbank acht het hof het onder 3 (behoudens het onderdeel met betrekking tot het transactieformulier van [medeverdachte 1] d.d. 7 november 2005) en 4 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.”

Deze middelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.

7. Alvorens daartoe over te gaan, volgen hieronder enkele voorafgaande beschouwingen.

8. De feiten 3 en 4 zijn blijkens de bewezenverklaring gepleegd in de periode van 1 januari 2005 tot en met 9 mei 2006. Het is van belang daarop te wijzen, omdat toen nog de Wet melding ongebruikelijke transacties (voortaan: de Wet MOT) (oud) van kracht was1, zij het dat op 1 mei 2006 een wetswijziging plaatsvond die onder meer betrekking had op de hier relevante en verderop aan te halen artikelen 8 en 9. Artikel 8 Wet MOT (oud) vormde de wettelijke basis voor het zogenoemde indicatorensysteem, terwijl art. 9 van deze wet betrekking had op de meldingsplicht ingeval van een ongebruikelijke transactie. Onder ongebruikelijke transactie verstond art. 1, onderdeel d, Wet MOT (oud) een transactie die aan de hand van de ingevolge art. 8 Wet MOT (oud) bepaalde indicatoren als zodanig werd aangemerkt. Gelet op art. 8, eerste lid, Wet MOT (oud) was op 1 januari 2002 de Regeling “Vaststelling indicatorenlijst voor ongebruikelijke transacties” (oud) in werking getreden.2 Deze Regeling is op 1 november 2005 – dus in de hier bedoelde tenlastegelegde periode - ingetrokken en vervangen door de “Regeling indicatoren ongebruikelijke transacties 2005 houdende de vaststelling van indicatoren met betrekking tot transacties bedoeld in art. 8 van de Wet MOT” (oud).3

9. Voor zover voor de beoordeling van de eerste twee middelen van belang, volgen hieronder de teksten van de genoemde artikelen 8 en 9 (oud), zoals deze luidden voor en na 1 mei 2006, en van de beide, opeenvolgende Regelingen. Gezien de inhoud van de voornoemde bepalingen, begin ik met de weergave van art. 9 (oud).

10. Tot 1 mei 2006 luidde art. 9 Wet MOT (oud):

“1. Een ieder die beroeps- of bedrijfsmatig een dienst verleent, is verplicht een daarbij verrichte of voorgenomen ongebruikelijke transactie onverwijld te melden aan het meldpunt.

2. Een melding bevat, voor zover mogelijk, de volgende gegevens:

a. de identiteit van de cliënt;

b. de aard en het nummer van het identiteitsbewijs van de cliënt;

c. de aard, het tijdstip en de plaats van de transactie;

d. de omvang en bij een dienst bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder a, sub 7°, de bestemming en de herkomst van de bij de transactie betrokken gelden, effecten, edele metalen of andere waarden;

e. de omstandigheden op grond waarvan de transactie als ongebruikelijk wordt aangemerkt;

f. bij een dienst als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder a, sub 9°: een omschrijving van de desbetreffende zaken van grote waarde;

g. aanvullende, bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen, gegevens.

3. Degene die een dienst als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder a, verleent is verplicht de gegevens, bedoeld in het tweede lid, op toegankelijke wijze te bewaren gedurende vijf jaar na het tijdstip van het doen van de melding.”

Met ingang van 1 mei 2006 kwam art. 9 Wet MOT (oud) te luiden:4

“1. Een ieder die beroeps- of bedrijfsmatig een dienst verleent, meldt een daarbij verrichte of voorgenomen ongebruikelijke transactie binnen veertien dagen nadat het ongebruikelijke karakter van de transactie bekend is geworden, aan het meldpunt.

2. Een melding bevat, voor zover mogelijk, de volgende gegevens:

a. de identiteit van de cliënt;

b. de aard en het nummer van het identiteitsbewijs van de cliënt;

c. de aard, het tijdstip en de plaats van de transactie;

d. de omvang en bij een dienst bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder a, sub 7°, de bestemming en de herkomst van de bij de transactie betrokken gelden, effecten, edele metalen of andere waarden;

e. de omstandigheden op grond waarvan de transactie als ongebruikelijk wordt aangemerkt;

f. bij een dienst als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder a, sub 9°: een omschrijving van de desbetreffende zaken van grote waarde;

g. aanvullende, bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen, gegevens.

3. Degene die een dienst, verleent is verplicht de gegevens, bedoeld in het tweede lid, op toegankelijke wijze te bewaren gedurende vijf jaar na het tijdstip van het doen van de melding.”

11. Het valt op dat art. 9 (oud), zoals dat gold tot 1 mei 2006, expliciet van een verplichting repte, anders dan de opvolgende bepaling. Van betekenis is dit niet, lijkt mij, omdat beide bepalingen een gebodsnorm in zich sluiten en de wetsgeschiedenis niet tot een andere opvatting dwingt.5 Wel is van belang dat in beide verschijningsvormen art. 9 Wet MOT (oud) zich bij uitsluiting richtte tot een ieder die beroeps- of bedrijfsmatig een financiële dienst verleende, maar dat werknemers zonder opdrachtgevende of feitelijk leidinggevende functie buiten de kring van strafrechtelijk vervolgbare en aansprakelijke personen vielen. De redenering was, wat daarvan verder ook zij, dat deze werknemers hun werk in dienstverband en niet beroeps- of bedrijfsmatig deden. Daarom was de plicht tot het doen van een melding bij een ongebruikelijke transactie niet tot hen gericht. Dat betekende dat als aan de meldingsplicht niet was voldaan, de personeelsleden niet strafrechtelijk aansprakelijk konden worden gesteld.6 Ik wijs in dit verband op de volgende passages uit de Memorie van Toelichting onderscheidenlijk de Memorie van Antwoord bij – kort gezegd – de parlementaire totstandkoming van de Wet MOT:

“Artikel 9, eerste lid, richt zich tot «een ieder die beroeps– of bedrijfsmatig een financiële dienst verleent». De meldingsplicht rust derhalve op zowel de rechtspersoon als de natuurlijke persoon die beroeps- of bedrijfsmatig een financiële dienst verleent. Ter vermijding van misverstanden zij hierbij benadrukt dat het voorgaande niet betekent dat de meldingsplicht rust op het personeel van financiële instellingen, dat immers niet beroeps- of bedrijfsmatig financiële diensten verleent, maar in dienstverband. De meldingsplicht richt zich tot de instelling.”7

en:

“Artikel 9 beperkt de meldingsplicht tot een ieder die beroeps– of bedrijfsmatig een financiële dienst verleent. Dit is de instelling en niet het personeel van deze instelling.”8

12. Indien echter de werknemer van de financieel dienstverlenende instelling de functionele hoedanigheid had van opdrachtgever of feitelijk leidinggever in de zin van art. 51, tweede lid, Sr, was hij in die hoedanigheid (uiteraard) strafrechtelijk vervolgbaar en (in het algemeen) aansprakelijk voor een overtreding van art. 9 Wet MOT (oud). Zie de volgende toelichtingen uit de Memorie van Antwoord en de Nota naar aanleiding van het Eindverslag:

“Bij geconstateerde schending van de meldingsplicht kan het openbaar ministerie alleen degene die beroeps– of bedrijfsmatig de transactie heeft verricht en de melding achterwege heeft gelaten, vervolgen. Het personeel behoort hier niet toe, omdat het deze transactie in dienstverband verricht. Het genoemde artikel 51 bepaalt dat het openbaar ministerie kan kiezen tussen de vervolging van de rechtspersoon of van hen die feitelijk leiding geven of tegen beiden. Afhankelijk van de omstandigheden van het geval zal het openbaar ministerie een keuze moeten maken. Het kan echter niet de balie-employé die in dienst is van de instelling die de meldingsplicht heeft geschonden met succes hiervoor vervolgen. Deze werknemer is namelijk niet strafrechtelijk aansprakelijk voor de nakoming van de meldingsplicht. Dit is alleen de werkgever of de rechtspersoon bij wie de werknemer in dienst is.”9

en:


“De directeur is in zijn hoedanigheid van werknemer niet strafrechtelijk aansprakelijk voor het niet-nakomen van de meldingsplicht, maar wel in zijn hoedanigheid van directeur. Artikel 51, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht bepaalt dat, indien een strafbaar feit wordt begaan door een rechtspersoon, het OM kan kiezen tussen de vervolging van (1) de rechtspersoon, of (2) van hen die tot het strafbare feit opdracht hebben gegeven danwel die feitelijk leiding hebben gegeven aan de verboden gedraging, of (3) tegen de rechtspersoon en de opdrachtgever/feitelijk leidinggever tezamen. De directeur kan dus in voorkomende gevallen als opdrachtgever of feitelijk leidinggever worden vervolgd.”10

13. Artikel 8 Wet MOT (oud) luidde tot 1 mei 2006 als volgt:

“1. Door Onze Minister van Financiën en Onze Minister van Justitie gezamenlijk worden, na overleg met het meldpunt, gehoord de commissie, zo nodig per daarbij te onderscheiden categorieën transacties, voor een termijn van ten hoogste zes maanden, de indicatoren vastgesteld aan de hand waarvan wordt beoordeeld of een transactie moet worden aangemerkt als een ongebruikelijke transactie.

2. De indicatoren bedoeld in het vorige lid blijven na afloop van de in dat lid bedoelde termijn van kracht, indien deze binnen deze termijn worden goedgekeurd bij algemene maatregel van bestuur.”

Met ingang van 1 mei 2006 bepaalde art. 8 Wet MOT:

“1. Bij algemene maatregel van bestuur worden zo nodig per daarbij te onderscheiden categorieën transacties de indicatoren vastgesteld aan de hand waarvan wordt beoordeeld of een transactie wordt aangemerkt als een ongebruikelijke transactie.

2. Indien het spoedeisend belang zulks vereist, kunnen Onze Minister van Financiën en Onze Minister van Justitie gezamenlijk de indicatoren, bedoeld in het eerste lid, vaststellen voor een termijn van ten hoogste zes maanden.”

14. De indicatorenlijst, waarvan de eerste werd vastgesteld bij ministeriële regeling van 20 januari 1994, maakte duidelijk wanneer een transactie als ongebruikelijk was te kwalificeren. Voor iedere categorie van de financiële diensten golden eigensoortige ‘objectieve’ en ‘subjectieve’ indicatoren. De Memorie van Toelichting bij het wetsontwerp dat heeft geleid tot de invoering van de Wet MOT (oud) houdt ter zake in:

5.3. (…) Twee categorieën ongebruikelijke transacties kunnen worden onderscheiden: de evident ongebruikelijke transacties en de overige ongebruikelijke transacties. Evident ongebruikelijke transacties zullen door middel van indicatoren geobjectiveerd worden. Een nadere subjectieve beoordeling is bij deze transacties dus niet aan de orde. Voor wat betreft de overige ongebruikelijke transacties zullen de indicatoren kwalitatiever van aard zijn en aldus meer aansluiten bij de subjectieve taxatie van de financiële instelling (<<ken uw cliënt>>).

Bij wijze van voorbeeld kan gedacht worden aan de volgende objectieve indicatoren: contante transacties in vreemde valuta, contante transacties waarbij geld ongeteld wordt aangeleverd en transacties waarbij identificatieproblemen rijzen. Indien aan een nader te bepalen aantal van dergelijke indicatoren is voldaan, is de transactie evident ongebruikelijk.

Een voorbeeld van een subjectieve indicator is een transactie die a-typisch is voor een bepaalde cliënt (niet past in het gebruikelijke transactiepatroon van die cliënt) of een contante transactie waarbij geld in ongewone verpakking wordt aangeleverd.”11

15. De Regeling Vaststelling indicatorenlijst voor ongebruikelijke transacties van 20 maart 2001 luidt, voor zover hier van belang:

Bijlage

Indicatorenlijst geldend vanaf 1 januari 2002 tot 28 januari 2002

Bijlage A Algemene transacties

Voor alle indicatoren geldt:

• melding verplicht van transacties of voorgenomen transacties.

• voor de genoemde bedragen geldt: euro of de tegenwaarde daarvan in guldens of vreemde valuta.

I Melding verplicht

A. Transacties die aan politie of justitie worden gemeld

1. Transacties die in verband met witwassen aan politie of justitie worden gemeld, moeten ook aan het meldpunt worden gemeld.

B. Contante transacties

1. Transacties boven 400.000 euro met uitzondering van:

1. gebruikelijke transacties tussen kredietinstellingen en De Nederlandsche Bank N.V.;

2. gebruikelijke transacties tussen kredietinstellingen, voor zover gevestigd in landen die voldoen aan de aanbevelingen van de Financial Action Task Force on money laundering;

3. gebruikelijke contante afstortingen door ondernemingen, die krachtens overeenkomst met een kredietinstelling gecombineerde afstortingen van hun filialen bij één of meer daarvoor aangewezen kantoren van die kredietinstelling verrichten.

2. Transacties boven 10.000 euro waarbij omwisseling plaatsvindt in grotere coupures.

3. Transacties boven Hfl. 25.000,- waarbij omwisseling plaatsvindt in een andere valuta of waarbij omwisseling plaatsvindt van gulden of vreemde valuta in euro.

4. Transacties boven 10.000 euro betreffende aankoop en/of verzilveren door cliënt van cheques, traveler-cheques of soortgelijke betaalmiddelen.

C. Girale transacties

1. Transacties door niet-rekeninghouders boven 10.000 euro bestemd voor het buitenland.

II. Melding verplicht indien de instelling oordeelt dat een of meer van de volgende situaties van toepassing zijn

A. Vermoedelijke witwastransacties

1. Transacties waarbij aanleiding is om te veronderstellen dat ze verband kunnen houden met witwassen.

B. Nieuwe rekeningen

1. Rekeningen waarbij wordt voldaan aan twee of meer van de volgende indicatoren:

a) niet-ingezetene;

b) identificatieproblemen;

c) ongewoon conditieaanbod;

d) opvallend aantal rekeningen.

C. Contante transacties

1. Voorkeur van de cliënt voor transacties onder het grensbedrag waarbij aanleiding is om te veronderstellen dat deze daarmee melding wil voorkomen.

2. Transacties boven 10.000 euro die voldoen aan twee of meer van de volgende indicatoren:

a) identificatieproblemen;

b) ongewoon conditieaanbod;

c) transactie a-typisch voor cliënt;

d) transactie in voor de cliënt ongebruikelijke coupures;

e) bankbiljetten/munten in voor de cliënt ongebruikelijke verpakking;

f) frequente storting door niet-rekeninghouder;

g) cliënt zonder aanwijsbare reden nerveus;

h) cliënt wordt vergezeld en gecontroleerd;

i) cliënt handelt als stroman;

j) geen verklaarbaar legaal doel of geen zichtbare relatie met (bedrijfs)activiteiten;

k) opvallende omzet of opvallende wijziging van het rekening-saldo;

l) inkomende stroom bestaat uit veel kleine bedragen en uitgaande stroom uit grote bedragen.

m) cliënt levert, zonder dat dit in relatie staat tot de (bedrijfs)activiteiten, ongeteld aan;

n) bedrag wordt niet gestort op eigen rekening of rekening werkgever;

o) bedrag wordt gestort ten gunste van een rekening bij een bank in het buitenland.

D. Girale transacties

1. Transacties boven 4.000.000 euro die voldoen aan twee of meer van de volgende indicatoren:

a) uit of naar het buitenland;

b) geen verklaarbaar legaal doel of geen zichtbare relatie met (bedrijfs)activiteiten;

c) opvallende omzet of opvallende wijziging van het rekening-saldo;

d) identificatieproblemen;

e) ongewoon conditie-aanbod;

f) transactie a-typisch voor cliënt;

g) cliënt handelt als stroman.”

In deze Regeling zijn de objectieve indicatoren weergegeven onder de noemer “Melding verplicht” en de subjectieve indicatoren onder het kopje “Melding verplicht indien de instelling oordeelt dat een of meer van de volgende situaties van toepassing zijn”.12

16. De ‘Regeling Vaststelling indicatorenlijst 2001’ (oud) is als gezegd op 1 november 2005 vervangen door de “Regeling indicatoren ongebruikelijke transacties 2005” houdende de vaststelling van indicatoren met betrekking tot transacties bedoeld in art. 8 van de Wet MOT. Deze regeling luidde voor zover hier van belang:

“Bijlage

INDICATORENLIJST BEHORENDE BIJ DE WET MOT

Voor alle indicatoren geldt dat melding verplicht is van transacties of voorgenomen transacties indien de transactie is verricht of voorgenomen bij het verlenen van een dienst in de zin van de Wet MOT.

(…)

I. SUBJECTIEVE INDICATOR

Melding verplicht indien de meldingsplichtige oordeelt dat de volgende situatie van toepassing is.

Vermoedelijke witwastransacties of terrorismefinanciering

Transacties waarbij aanleiding is om te veronderstellen dat ze verband kunnen houden met witwassen of financiering van terrorisme.

II. OBJECTIEVE INDICATOREN

Melding verplicht.

IIA. Krediet-, effecten- en beleggingsinstellingen,

Geldtransactiekantoren

Contante wisseltransacties

Contante transacties met een waarde van € 15.000 of meer waarbij contante omwisseling in een andere valuta of van kleine naar grote coupures plaatsvindt.

Geldtransfers

Contante transacties van € 2.000 of meer waarbij de gelden ter beschikking worden gesteld in de vorm van chartaal geld of cheques of door middel van een credit- of debetcard dan wel betaalbaar worden gesteld in de vorm van chartaal geld of cheques of door storting op rekening.

Transacties met aangewezen landen

Transacties met (rechts)personen die zijn gevestigd in landen of gebieden, die door de Minister van Financiën en de Minister van Justitie zijn aangewezen als onaanvaardbaar risico voor witwassen.”

17. De Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de wijziging van de Wet MOT (oud) in 2006 geeft inzicht in de achtergrond van de doorgevoerde wijzigingen:

“3.1 Inleiding

Een instelling meldt een transactie die aan de hand van subjectieve of objectieve indicatoren als ongebruikelijk kan worden aangemerkt. Een dergelijke transactie kan door het meldpunt als verdacht worden doorgemeld indien eigen onderzoek, vergelijking met politiebestanden of verzoeken van de landelijk officier van justitie daartoe aanleiding geven. Het bestaande percentage van als verdacht doorgemelde transacties (21%) vormt aanleiding tot het doen van voorstellen tot verbetering van de kwaliteit van de melding.

Verbetering van de kwaliteit van de melding wordt in de eerste plaats beoogd door doelgerichte normering. Het aantal indicatoren wordt verminderd en waar mogelijk wordt overgegaan naar een risico-gebaseerd systeem.

In de tweede plaats wordt voorgesteld de meldtermijn te concretiseren waardoor de bruikbaarheid van de melding wordt verhoogd. Tot slot kan versterking van het toezicht en de handhaving een bevorderende werking hebben op de kwaliteit van de melding. Deze drie elementen worden hieronder nader belicht.

3.2

Indicatorenstelsel

Op dit moment verrichten meldende instellingen een groot deel van hun meldingen op grond van objectieve indicatoren. Transacties die aan bepaalde indicatoren voldoen, dienen aan het meldpunt gemeld te worden, ongeacht de vraag of de meldende instelling zelf van mening is dat de transacties verdacht zijn. De indicatoren zijn vastgelegd in lange lijsten op basis waarvan wordt vastgesteld of een transactie gemeld moet worden. Dat levert een groot aantal «loze» meldingen op, meldingen van transacties die op zich voldoen aan de desbetreffende indicator(en), maar die niets met witwassen van doen hebben. Er kunnen immers legitieme redenen zijn om transacties te verrichten die ongebruikelijk zijn.

Om de effectiviteit van het systeem als geheel te verhogen wordt beoogd het aantal meldingen te verminderen. Daartoe zal voor het merendeel van de meldende instellingen de nadruk niet langer liggen op de objectieve kenmerken van een transactie. Het eigen oordeel van de instelling over de desbetreffende transactie zou voorop moeten staan. Teneinde zich een dergelijk oordeel te kunnen vormen, dient de meldende instelling wel over voldoende informatie te beschikken: informatie over de cliënt, over de transactie en, meer in het algemeen, over de kwetsbaarheid voor misbruik van de sector waarin de instelling werkzaam is. Deze kennis is niet bij iedere meldende instelling aanwezig. De aard van de dienstverlening en de relatie met een cliënt zijn bepalend. Een bank of een advocaat heeft vanwege de soort dienstverlening nu eenmaal meer kennis van de cliënt en inzicht in de achtergrond van een transactie dan een juwelier of een geldwisselaar. Eerstgenoemde groep melders heeft daarom ook meer aanknopingspunten om te kunnen beoordelen of een transactie mogelijk verband houdt met witwassen of de financiering van terrorisme dan laatstgenoemde groep. Anderzijds zal, voor die groepen waarvoor de objectieve indicatoren leidend blijven, zoals de handelaren in grote waarde, de objectieve meldgrens worden verhoogd. De huidige meldgrens van € 15 000 contant levert te veel meldingen op die voor de opsporingsinstanties niet van belang zijn.

Voorgesteld wordt de overgang van objectieve naar subjectieve indicatoren vooral daar te leggen waar het, gegeven de aard van de door de meldende instelling aangeboden diensten, verantwoord is. De informatiepositie van die groepen meldende instellingen maakt een dergelijke overgang mogelijk. Voldoende kennis is het uitgangspunt. Consequentie van bovenstaande benadering is dat objectieve indicatoren waarvan in het verleden is gebleken dat ze weinig (door)meldingen genereren, zullen worden geschrapt. Daarmee zullen ook de administratieve lasten verbonden aan het gebruik van die indicatoren, komen te vervallen.

Het voorgaande brengt aldus mee dat voor de meeste melders het zwaartepunt zal verschuiven naar het melden op basis van subjectieve indicatoren. Volledig subjectief melden ligt minder in de rede als het gaat om zogenaamde money transfers en transacties als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, sub 7°, van de Wet MOT.

De voorgenomen beleidswijziging gaat slechts gepaard met een geringe wetswijziging. Voorgesteld wordt in artikel 8 van de Wet MOT tot uitdrukking te brengen dat rechtstreekse vaststelling van de indicatoren bij algemene maatregel van bestuur regel is. De hieraan voorafgaande opneming van de indicatoren in een ministeriële regeling, zoals thans wettelijk vereist, wordt dan gereserveerd voor uitzonderlijke, spoedeisende gevallen.”13

18. Ik keer terug naar de onderhavige zaak. Blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal heeft de raadsman van verzoeker op de terechtzitting van het Hof van 9 november 2012 het woord tot verdediging gevoerd overeenkomstig de inhoud van de door hem overgelegde pleitnota. Daarin is in de alinea’s 48 t/m 53 het volgende naar voren gebracht:

Artikel 9 Wet MOT en valsheid in geschrift

48. Ook ter zake van de feiten 3 en 4 op de dagvaarding dient vrijspraak te volgen. Het verwijt in relatie tot art. 9 Wet MOT in feit 3 treft in ieder geval geen doel. De vier genoemde transacties zijn gemeld bij het meldpunt onder vermelding van de identiteit van de cliënt, terwijl de omstandigheden niet vermeld behoefden te worden en de subjectieve indicatoren geen voorkeur genieten boven de objectieve indicatoren. Art. 9 Wet MOT heeft niet de aan de tenlastelegging van de feiten 3 en 4 ten grondslag liggende strekking. De meldplicht staat voorop en aan die plicht is in de genoemde gevallen zonder uitzondering voldaan.

49. Hierbij komt dat de meldingsplicht van artikel 9 zich richt tot de instelling en niet tot het personeel van financiële instellingen (TK 1992-1993, 23009 nr. 3). Aan dat uitgangspunt kan het openbaar ministerie uiteraard ook niet ontkomen door een deelnemingsvorm ter zake te last te leggen.

50. In relatie tot de transacties van 7 november 2005 en 3 april 2006 merkt [verdachte] nog op dat daarop de nieuwe indicatorenlijst van toepassing is, zodat daarvoor al helemaal geen verplichting tot het vermelden van de indicatoren kan worden aangenomen. Bewijs voor de onjuistheid van de vermelde identiteit van de cliënt wordt door het dossier niet geleverd, nog daargelaten dat artikel 9 j° artikel 1 Wet MOT in het geheel niet inzichtelijk maakt wie voor de melding nu eigenlijk als cliënt moet worden aangemerkt. Die vraag speelt in het bijzonder een rol als vast staat dat de transactie uit verschillende fasen heeft bestaan (brengen vreemde valuta en ophalen euro's).

51. Een en ander blokkeert in ieder geval ook veroordeling wegens valsheid in geschrift ten aanzien van de betreffende MOT-melding. [verdachte] tekent hier nog bij aan dat de MOT-meldingen door hem zijn gedaan aan de hand van de transactieformulieren, op dezelfde wijze zoals [betrokkene 8] dat gewoon was te doen. [verdachte] behoefde niet te twijfelen aan de juistheid van de vermelde gegevens op het transactieformulier. Overigens is van die onjuistheid ook helemaal niet gebleken.

52. Ten aanzien van feit 4 zij nogmaals herhaald dat melding op basis van objectieve indicatoren zeer gebruikelijk is. De Regeling indicatoren ongebruikelijke transacties 2005, die op 1 november 2005 in werking is getreden, kent helemaal geen omstandigheden meer. De omstandigheden zoals vermeld in de tenlastelegging waren dus niet eens meer van kracht. In de Regeling indicatoren ongebruikelijke transacties 2005 is de regeling van 20 maart 2001 ingetrokken.

53. [verdachte] wijst in dit verband nogmaals op onjuistheden in de aangifte van DNB. Daarin wordt aan [medeverdachte 1] c.q. haar medewerkers het verwijt gemaakt dat begeleiders niet gemeld worden dat de NCCT-lijst niet is nageleefd met betrekking tot Nigeria en dat cliënt van wie geldtransacties als verdacht zijn doorgemeld voor [medeverdachte 1] niet anders werden behandeld dan in het geval van normale geldtransacties. Het enkele feit dat een opdrachtgever tot een transactie zich door een ander laat begeleiden is niet vermeldenswaardig. De indicator in kwestie vereist dat de cliënt wordt vergezeld en gecontroleerd. Van enige controle (in de zin van macht) van begeleiders op de cliënten is nimmer gebleken. De landenindicator richt zich niet op de NCCT-lijst en bovendien is Nigeria van de lijst verwijderd. Het was [medeverdachte 1] niet toegestaan om naar haar cliënten toe blijk er van te geven dat zij wist dat transacties als verdacht waren doorgemeld aan BLOM. Hier komt bij dat er voor [medeverdachte 1] geen peil op de doormeldingen te trekken was, zelfs niet indien met subjectieve indicatoren was gemeld.”

19. Het Hof heeft in het arrest omtrent de bewezenverklaringen van de feiten 3 en 4 het volgende overwogen:

“Met de rechtbank acht het hof het onder 3 (behoudens het onderdeel met betrekking tot het transactieformulier van [medeverdachte 1] d.d. 7 november 2005) en 4 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.”

20. Na deze wat uitvoerige inleiding, kom ik toe aan bespreking van de eerste twee middelen. Het eerste middel richt zijn pijlen op de bewezenverklaring van feit 4, het tweede middel keert zich tegen de bewezenverklaring van feit 3, tweede gedeelte, voor zover verzoeker beroeps- of bedrijfsmatig diensten zou hebben verleend. Volgens de steller van de middelen stond verzoeker slechts in dienstverband tot [medeverdachte 1] en heeft het Hof ten aanzien van beide bewezenverklaarde feiten aan zijn oordeel dat verzoeker zelf in strijd heeft gehandeld met het bepaalde in art. 9 Wet MOT (oud) de onjuiste vooronderstelling ten grondslag gelegd dat deze bepaling zich niet alleen richt tot de financieel dienstverlenende instelling maar ook tot medewerkers daarvan zoals verzoeker. Aldus heeft het Hof met betrekking tot beide feiten ten onrechte bewezenverklaard dat verzoeker een ingevolge de Wet MOT (oud) op hem rustende meldingsplicht heeft geschonden terwijl hij een beroeps- of bedrijfsmatige dienst verleende, in plaats van hem van de tenlastegelegde feiten 3, tweede gedeelte, en 4 vrij te spreken.

21. Ik meen dat de steller van de middelen het gelijk aan zijn zijde heeft. Uit de wetsgeschiedenis blijkt immers dat de meldingsplicht in de zin van art. 9 Wet MOT (oud) zich zowel voor als na 1 mei 2006 richtte tot de rechtspersoon onderscheidenlijk de directeur die in deze hoedanigheid – dat wil zeggen als opdrachtgever dan wel als feitelijk leidinggever als bedoeld in art. 51, tweede lid, Sr – beroeps- of bedrijfsmatig een financiële dienst verleende, en niet tot de werknemer. Omdat de werknemer, of ruimer: het personeel van de financiële instellingen, enkel in dienstverband werkzaamheden verrichtte, kon van hem niet worden gezegd dat hij beroeps- of bedrijfsmatig de hier bedoelde financiële diensten verleende (hetgeen dus zelfs gold voor de directeur in zijn hoedanigheid van werknemer).

22. Naar mijn inzicht volgt uit het voorgaande dat het Openbaar Ministerie in de onderhavige context slechts tot vervolging van een natuurlijk persoon kon komen, indien het van oordeel was dat een werknemer opdrachtgever of feitelijk leidinggever was als bedoeld in art. 51, tweede lid, Sr, en dat als het Openbaar Ministerie ervoor koos een natuurlijk persoon te vervolgen, het dit in de tenlastelegging door een art. 51 Sr-constructie tot uitdrukking moest brengen.

23. Nu zou uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen kunnen worden afgeleid dat verzoeker feitelijk eindverantwoordelijk was “voor wat er allemaal gebeurde binnen [medeverdachte 1]” – ik wijs op de als bewijsmiddel gebruikte verklaring van [medeverdachte 2] (aanvulling, blad 4) -, maar dat laat onverlet dat verzoeker niet operationeel eindverantwoordelijk was (dat was [medeverdachte 2] in zijn hoedanigheid van directeur), dat blijkens de tenlastelegging van de feiten 3, tweede gedeelte, en 4 verzoeker niet in de hoedanigheid van opdrachtgever of feitelijk leidinggever als bedoeld in art. 51, tweede lid, Sr is vervolgd en dat uit de magere bewijsoverweging van het Hof evenmin kan worden afgeleid dat verzoeker als zodanig is aangemerkt.

24. Op grond van het voorgaande geeft het oordeel van het Hof dat op verzoeker een meldingsplicht uit hoofde van art. 9 Wet MOT (oud) rustte en dat verzoeker deze verplichting niet of niet juist dan wel niet volledig is nagekomen, blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

25. Mitsdien zijn het eerste en het tweede middel reeds in zoverre terecht voorgesteld.

26. Volledigheidshalve ga ik ook in op de overige, in deze middelen verwoorde klachten. Zo wordt met betrekking tot het onder 4 respectievelijk onder 3, tweede gedeelte, bewezenverklaarde voorts geklaagd over het kennelijke oordeel van het Hof dat uit art. 9 Wet MOT (oud) volgt dat, bij de omstandigheden op grond waarvan de transactie als ongebruikelijk wordt aangemerkt, de melding hoe dan ook subjectieve indicatoren moet omvatten, ook als, zoals in het onderhavige geval, de melding op een objectieve indicator kan en moet worden gedaan. Volgens de steller van de middelen heeft het Hof daarmee miskend dat (i) er in het geheel geen rangorde bestond tussen de objectieve en de subjectieve indicatoren, (ii) art. 9, tweede lid onder e Wet MOT (oud) enkel vermelding voorschreef van de omstandigheden die de transacties als ongebruikelijk konden aanmerken en (iii) wanneer de meldende instantie de transactie reeds op een objectieve indicator als ongebruikelijk had aangemerkt, aan art. 9 Wet MOT (oud) was voldaan.

27. De feitelijke uitwerking van het verwijt dat verzoeker niet aan de meldingsplicht heeft voldaan, houdt blijkens de tenlastelegging en de bewezenverklaring van feit 3, tweede gedeelte, in dat hij:

- niet de (juiste) identiteit van de cliënt heeft vermeld (feit 3);

en blijkens de bewezenverklaring van de feiten 3, tweede gedeelte, en 4:

- dat de transactie a-typisch is voor cliënt en/of

- dat de cliënt handelt als stroman en/of

- dat er geen verklaarbaar legaal doel of geen zichtbare relatie is met (bedrijfs)activiteiten en/of

- dal cliënt ongeteld aanlevert, zonder dat dit in re- latie staat tot de (bedrijfs)activiteiten en/of

- dat het bedrag niet wordt gestort op eigen rekening of rekening werkgever en/of

- dat de transactie aanleiding is om te veronderstellen dat ze verband kunnen houden met witwassen.”

28. Met verwijzing naar hetgeen hierboven onder 14 tot en met 17 is uiteengezet, ziet deze opsomming geheel en al op de zogenoemde subjectieve indicatoren. Blijkens de MOTweb Online Meldformulieren van de 7 transacties waarop feit 4 ziet, zijn deze transacties gemeld met vermelding van indicator B0510133. De 3 transacties waarop feit 3, tweede gedeelte – voor zover omvattend de meldingsplicht op grond van de Wet MOT (oud) – betrekking heeft, zijn gemeld met vermelding van indicator B0510133 dan wel indicator B9410133. Beide indicatoren zijn objectief van aard, omdat zij de aanduiding zijn voor “Transacties boven 10.000 euro waarbij omwisseling plaatsvindt in een andere valuta of waarbij omwisseling plaatsvindt van gulden of vreemde valuta in euro” respectievelijk voor “Contante transacties met een waarde van € 15.000 of meer waarbij contante omwisseling in een andere valuta of van kleine naar grote coupures plaatsvindt”.14

29. Samengevat kan worden vastgesteld dat het niet zo is dat [medeverdachte 1] in het onderhavige verband geen meldingen heeft gedaan of dat in die meldingen indicatoren ontbreken, maar dat deze enkel een objectieve indicator bevatten, zulks terwijl de tenlastelegging en de daarop gebaseerde bewezenverklaringen van de feiten 3, tweede gedeelte, en 4 zijn toegesneden op het verwijt dat geen opgave is gedaan van subjectieve indicatoren.

30. Gelet echter op de artikelen 8 en 9 Wet MOT (oud) en hun wordingsgeschiedenis, zoals hierboven aangehaald, meen ik mét de steller van de middelen dat het kennelijke oordeel van het Hof – inhoudend dat een MOT-melding die is verricht op grond van een objectieve indicator en niet ook op subjectieve indicatoren in strijd is met het bepaalde in art. 9 Wet MOT (oud) - van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, althans dat dit oordeel zonder nadere motivering onbegrijpelijk is.

31. Daarbij komt, in die zin lees ik de toelichtingen op de middelen, dat het Hof inderdaad ten onrechte niet heeft gerespondeerd op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging op de terechtzitting van 9 november 2012 dat in het systeem van de Wet MOT (oud) geen voorkeur voor bepaalde indicatoren – objectief dan wel subjectief – besloten lag.

32. Ook in dat opzicht treffen de middelen doel.

33. Het eerste middel klaagt verder dat het Hof heeft miskend dat de in de tenlastelegging vermelde subjectieve indicatoren waren gebaseerd op de Regeling van 20 maart 2001, welke regeling met ingang van 1 november 2005 is ingetrokken en vervangen door de Regeling indicatoren ongebruikelijke transacties 2005. Nu de bij feit 4 in de tenlastelegging genoemde transacties dateren van maart 2006 en later, kan het oordeel van het Hof dat verzoeker de betreffende subjectieve indicatoren niet heeft vermeld en aldus in strijd heeft gehandeld met het bepaalde in art. 9 Wet MOT ook om die reden niet in stand blijven.

34. Voor zover in de toelichting op het eerste middel nog met betrekking tot de 7 transacties (waarop feit 4 ziet) wordt geklaagd dat de bewezenverklaring innerlijk tegenstrijdig is nu een verrichte transactie niet tegelijkertijd niet gemeld en niet juist en/of niet volledig gemeld kan zijn, geldt dat deze klacht faalt wegens gemis aan feitelijke grondslag. Immers, bewezenverklaard is dat verzoeker ter zake van feit 4 de betreffende zeven transacties niet volledig heeft gemeld en/of niet alle gegevens betreffende deze verrichte transacties niet juist en/of niet volledig heeft gemeld.

35. Het derde middel, mede bezien in samenhang met de toelichting daarop, komt op tegen het eerste gedeelte van het onder 3 bewezenverklaarde en klaagt dat het Hof heeft bewezen verklaard dat verzoeker tezamen en in vereniging met een of meer andere(n) een zestal formulieren, zijnde geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt doordat de betrokken MOT-meldingen valselijk zijn aangemaakt op naam van [betrokkene 1] en op de transactieformulieren telkens valselijk is vermeld dat [betrokkene 1] de cliënt was, en dat het Hof aldus heeft geoordeeld dat verzoeker valsheid in geschrift medegepleegd heeft. Het betreft de transacties van 19 september 2005 (transactienummer ZE2620), 18 oktober 2005 (transactienummer U2-11135) en 3 april 2006 (transactienummer ZE2864).

36. Wat het onder 3, eerste gedeelte, ten laste van verzoeker bewezenverklaarde ‘medeplegen’ van valsheid in geschrifte betreft, meen ik gelet op de bewijsvoering dat het Hof op valide gronden tot het oordeel is kunnen komen dat de desbetreffende MOT-meldingen valselijk zijn opgemaakt op naam van [betrokkene 1] en dat op deze transactieformulieren telkens valselijk is vermeld dat [betrokkene 1] de cliënt was met het in de bewezenverklaring oogmerk en omschreven doel, en dat verzoeker en zijn medeverdachten daarbij “tezamen en in vereniging” betrokken waren. Uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen blijkt immers dat:15

- verzoeker naar zijn eigen zeggen de onjuiste werkwijze met betrekking tot de wijze van aanbieden en wisselen op naam van [betrokkene 1] binnen het bedrijf kenbaar heeft gemaakt, maar dat deze manier niet is aangepast, en dat in december 2005 door medewerkers van de Nederlandse Bank is gewezen op deze onjuiste handelwijze tijdens een controle (blad 25);

- verzoeker volgens zijn eigen verklaringen wisseltransacties die ‘[medeverdachte 4]’ (dat wil zeggen [medeverdachte 4], zie blad 22) verrichtte, op naam van [betrokkene 1] zette, terwijl dit eigenlijk niet kon omdat op het formulier de naam hoorde te staan van de klant die het geld daadwerkelijk wisselde (bladen 9, 10, 26 en 27);

- volgens de eigen verklaringen van verzoeker [betrokkene 1] niet bij de transactie van 19 september 2005 (transactienummer ZE2620) aanwezig was (blad 20);

- blijkens de te volgen gang van zaken betreffende de feitelijk door ‘[medeverdachte 4]’ uitgevoerde geldwisseltransacties van onderscheidenlijk 19 september 2005 (transactienummer ZE2620), 18 oktober 2005 (transactienummer U2-1135) en 3 april 2006 (transactienummer ZE2864) op naam van [betrokkene 1] telefonisch voorbespraken (bladen 17, 22/23 en 27).

37. Op het voorgaande stuiten mijns inziens ook af de motiveringsklachten die het derde middel voorts bevat en die zich richten tegen de bewezenverklaring van het telkens onjuist vermelden van de naam van [betrokkene 1] als cliënt in de MOT-meldingen van de drie genoemde wisseltransacties.

38. Het derde middel klaagt blijkens de toelichting daarop tenslotte nog dat de bewezenverklaring van het onder feit 3, eerste gedeelte, tenlastegelegde te meer onbegrijpelijk is, aangezien het Hof heeft vrijgesproken van het (‘medeplegen’ van) valselijk vermelden van [betrokkene 1] als cliënt op het transactieformulier van 7 november 2005 (transactienummer ZE2721; feit 3 onder 6), maar wel bewezen heeft verklaard dat verzoeker het valselijk opmaken op naam van [betrokkene 1] van de MOT-melding aangaande deze transactie ‘medegepleegd’ heeft.

39. De klacht mist doel. Het Hof heeft verzoeker vrijgesproken van het valselijk opmaken van het onder feit 3 onder 6 tenlastegelegde transactieformulier van [medeverdachte 1] betreffende deze transactie omdat het Hof niet wettig en overtuigend bewezen acht dat verzoeker betrokken was bij het onder feit 1 tenlastegelegde valselijk vermelden van de naam [betrokkene 1] als cliënt op het transactieformulier van 7 november 2005. Volgens de bewijsvoering had verzoeker echter wel een aandeel in het valselijk aanmaken van de MOT-melding op naam van [betrokkene 1].

40. Het vierde middel keert zich met een klacht tegen het onder 1 en met een klacht tegen het onder 2 bewezenverklaarde. Mede gezien de toelichting op het middel, komen deze klachten in zoverre met elkaar overeen dat zij beide aldus luiden dat het oordeel van het Hof dat de genoemde geldbedragen uit misdrijf afkomstig waren van een onjuiste rechtsopvatting getuigt dan wel onbegrijpelijk is en dat zowel het oordeel van het Hof dat sprake is van wetenschap als ’s Hofs oordeel dat verzoeker van medeplegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt zonder nadere toelichting onbegrijpelijk is. Voorts houden de klachten in dat het Hof niet de redenen heeft opgegeven waarom het is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van verzoeker dat het bewijs ontbreekt voor de herkomst van de gewisselde gelden uit misdrijf.

41. Het Hof heeft in het arrest omtrent de bewezenverklaringen van de feiten 1 en 2 het volgende overwogen:

“De verdediging heeft, kort en zakelijk weergegeven, betoogd dat, gelet op de tekst van de wet en de wetsgeschiedenis, bewezen dient te worden dat de betreffende gewisselde gelden van enig misdrijf afkomstig waren. Bij de bewijsvoering kan niet worden volstaan met verwijzing naar aanwezige typologieën van witwassen. Dit bewijs en het bewijs dat verdachte daar weet van zou hebben gehad is, aldus de verdediging, niet aanwezig.

Het hof overweegt daaromtrent het volgende.

De Hoge Raad heeft een tweetal arresten (HR 28 september 2004, NJ 2007/278, en HR 27 september 2005, LJN AT 4094) gewezen waarin de Hoge Raad een oordeel geeft over het bewijs van het bestanddeel "afkomstig uit enig misdrijf” van artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht (Sr).

Uit deze arresten blijkt dat de Hoge Raad van oordeel is dat op grond van doel en strekking van art. 420bis Sr en mede in het licht van de geschiedenis van de totstandkoming van die bepaling moet worden aangenomen dat uit de bewijsmiddelen niet behoeft te kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Dit betekent dus dat uit de bewijsmiddelen niet behoeft te kunnen worden afgeleid door wie. wanneer en waar dit misdrijf concreet is begaan. Wel is voor een veroordeling ter zake van witwassen vereist dat vaststaat dat het voorwerp (in casu het gewisselde geld) afkomstig is uit enig misdrijf.

In de onderhavige zaak blijkt uit de bewijsmiddelen dat er sprake is van een aantal objectieve kenmerken die, naar de ervaring leert, duiden op het witwassen van opbrengsten van misdrijven, namelijk:

- [medeverdachte 4] en de andere wisselaars (onder begeleiding van [medeverdachte 5]) hadden geen legale economische verklaring voor de gewisselde valutasoorten en de frequentie van de wisselingen;

- het betrof grote hoeveelheden contant geld in diverse valuta (het is een feit van algemene bekendheid dat diverse vormen van criminaliteit gepaard gaan met grote hoeveelheden contant geld in diverse valuta);

- er werden grote bedragen in contanten vervoerd (een aanzienlijk veiligheidsrisico);

- het geld werd in kleine coupures omgewisseld naar grote coupures (het is een feit van algemene bekendheid dat bijvoorbeeld de handel in verdovende middelen veel geld in kleine coupures oplevert);

- de wijze waarop het geld werd vervoerd of aangeboden (in een boodschappentas of sporttas);

- het feit dat de verdachte [medeverdachte 4] - naar eigen zeggen - een beloning kreeg voor de uitgevoerde wisseltransacties;

- het feit dat diverse malen een wisseltransactie werd uitgevoerd op naam van [betrokkene 1], terwijl [betrokkene 1] niet bij de transactie betrokken en/of aanwezig was;

- het feit dat altijd cash aan [medeverdachte 4] en de andere wisselaars (onder begeleiding van [medeverdachte 5]) werd uitbetaald, terwijl andere klanten het geld giraal overgemaakt kregen door [medeverdachte 1];

- de identiteit van [medeverdachte 5] als begeleider werd niet geregistreerd of aan de hand van een identiteitsbewijs vastgesteld.

Naar aanleiding van een afgeluisterd en opgenomen telefoongesprek tussen verdachte (sinds 2005 bedrijfsleider bij [medeverdachte 1]) en [medeverdachte 4] d.d. 16 december 2005 heeft verdachte, zakelijk weergegeven, onder meer, het volgende verklaard:

"Ik kan mij dit gesprek tussen mij en [medeverdachte 4] (opmerking hof: [medeverdachte 4] heeft verklaard ook wel [medeverdachte 4] te worden genoemd) wel herinneren. Volgens mij ging dat gesprek over dat de mensen van De Nederlandse Bank met een legitimatiebewijs op de proppen kwamen, welke ze hadden aangetroffen in de map legitimatiebewijzen op het kantoor in Zeewolde. Dat betrof een legitimatiebewijs van [medeverdachte 4]. Ik zag dat dit [medeverdachte 4] was. Ik hoorde de naam [medeverdachte 4] toen pas voor het eerst. Ik wilde telefonisch geen contact meer. Dit omdat ik het vermoeden had dat we afgeluisterd werden.

Ik realiseerde mij dat ik c.q. [medeverdachte 1] dan wel anderen - ik bedoel [betrokkene 3], [betrokkene 4] en [medeverdachte 2] (opmerking hof: medewerkers van [medeverdachte 1]) - fout bezig waren en dat ik zeker wist dat dit uit zou gaan komen. En met fout bedoel ik dan dat wij geld wisselden dat afkomstig was uit criminaliteit. Na deze controle hebben er nog wel wisseltransacties plaatsgevonden op naam van [medeverdachte 4] of [betrokkene 1]. (..) De hoeveelheden valuta werden kleiner. Nu werden de aangeleverde hoeveelheden ongeveer 20.000 pond. De 20.000 pond werd opgedeeld in kleinere porties. Deze porties bedroegen ongeveer 7.000 à 8.000 pond. Je blijft dan onder de meldgrens voor het Motten. We gingen deze andere methode hanteren om de naam van [betrokkene 1] buiten de boeken te houden en geen MOT-melding te hoeven doen. (..) [medeverdachte 4] en, ik hebben besloten om op die manier te gaan werken."

De door [medeverdachte 5] begeleide wisselaars hebben documenten overgelegd (02.02.04.43.003.004 en 02.03.04.43.007.004) die wat betreft vormgeving, opmaak en de daarop vermelde bedragen en/of hoeveelheden dermate ongebruikelijk waren dat deze documenten niet zonder verificatie als verklaring voor herkomst of bestemming van de te wisselen geldbedragen aanvaard hadden mogen worden. Verificatie zou aan het licht gebracht hebben dat deze nota's vals waren.

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat de desbetreffende geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig waren.”

42. Zoals inmiddels als bekend mag worden verondersteld, heeft de Hoge Raad in de afgelopen jaren de reikwijdte van (schuld)witwassen ingeperkt en voorts nadere eisen gesteld aan de motivering van het oordeel dat sprake is van (schuld)witwassen; uit die motivering moet kunnen worden afgeleid dat de verdachte het voorwerp niet slechts heeft verworven of voorhanden heeft gehad, maar dat zijn gedragingen ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp. Deze bijstelling betreft het verwerven of het voorhanden hebben van een voorwerp dat afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf, welke gedraging een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat door eigen (grond)misdrijf verkregen voorwerp gericht karakter heeft. Met verwijzing naar HR 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2001, NJ 2014/75 en HR 21 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:127, NJ 2014/78 meen ik ervan te mogen uitgaan dat een dergelijk geval zich hier niet voordoet. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep noch uit de aan dat proces-verbaal van de terechtzitting gehechte pleitnota blijkt dat door of namens verzoeker is aangevoerd dat de door hem als ‘medepleger’ gewisselde geldbedragen afkomstig zijn uit eigen misdrijf, terwijl in de bewijsvoering van het Hof als zijn niet onbegrijpelijk oordeel besloten ligt dat de geldbedragen niet afkomstig zijn uit een door verzoeker zelf begaan grondmisdrijf. Het kan er derhalve in cassatie voor worden gehouden dat de geldbedragen die verzoeker telkens onder zich had, niet uit eigen misdrijf afkomstig zijn. Dat betekent dat de aangescherpte motiveringseisen waarop hierboven is gewezen, in de voorliggende zaak niet van toepassing zijn16, en dat de eerdere rechtspraak van de Hoge Raad in gevallen als de onderhavige omtrent het bestanddeel ‘uit enig misdrijf afkomstig’ ongewijzigd van kracht is gebleven. Voorts wijs ik erop dat, naar het Hof ook heeft overwogen, hier niet hoeft vast te staan “om welk grondmisdrijf het precies gaat en door wie dat waar en wanneer is begaan”.17

43. Voorts dient het volgende te worden vooropgesteld. Uit de bewijsconstructie moet uiteraard blijken dát het witgewassen voorwerp ‘uit enig misdrijf afkomstig is’. Zoals het Hof met juistheid heeft overwogen is voor een bewezenverklaring van het in de op art. 420bis, eerste lid aanhef en onder b, Sr (in verbinding met art. 420ter Sr) toegesneden tenlastelegging opgenomen onderdeel "afkomstig uit enig misdrijf" in een geval als het onderhavige niet vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Voldoende is dus dat wordt bewezen dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.18Indien er geen rechtstreeks verband valt te leggen met een concreet misdrijf, moet kunnen worden gezegd – en die eis wordt door de Hoge Raad aan de motivering van een dergelijk oordeel van de feitenrechter gesteld - dat het in het licht van de feiten en omstandigheden van het voorkomende geval niet anders kan zijn dan dat het voorwerp (middellijk of onmiddellijk) uit enig misdrijf afkomstig is.19 Voor wetenschap daarvan is voorwaardelijk opzet voldoende.20 Het is aan het Openbaar Ministerie bewijs bij te brengen waaruit zodanige feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid. Van de verdachte mag worden verlangd dat hij met een verklaring komt die het witwasvermoeden weerlegt en een legale herkomst van het voorwerp, bijvoorbeeld het geldbedrag, aannemelijk maakt.21 Slaagt de verdachte daarin, dan zal dat aan een veroordeling ter zake van witwassen in de weg staan. Het spreekt wel vanzelf dat tegenover het bewijsmateriaal dat het Openbaar Ministerie in handen meent te hebben, eisen worden gesteld aan het andersluidende standpunt dat de verdediging inneemt. Nog los van de eisen die de Hoge Raad aan het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt in de zin van art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv stelt, moet het in het onderhavige verband naar mijn inzicht ook gaan om een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand als volslagen onwaarschijnlijk aan te merken herkomst.22 In voorkomende gevallen zal de rechter ter weerlegging kunnen oordelen dat de door de verdachte gestelde alternatieve toedracht niet aannemelijk is geworden dan wel dat de lezing van de verdachte als ongeloofwaardig terzijde moet worden gesteld, terwijl zich ook nog het geval kan voordoen waarin de lezing van de verdachte zo onwaarschijnlijk is, dat zij geen uitdrukkelijke weerlegging behoeft.23 Voorts verdient nog opmerking dat het oordeel dat van de verdachte mag worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van de voorwerpen, er niet zonder meer toe leidt dat het dan aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat de voorwerpen niet van misdrijf afkomstig zijn.24

44. Gelet op het voorgaande, en gezien de gebezigde bewijsmiddelen en de daarop gebaseerde, hiervoor weergegeven bewijsoverweging, in onderlinge samenhang bezien, geeft het oordeel van het Hof dat ten aanzien van feit 1 primair en feit 2 primair gewoontewitwassen ten laste van verzoeker kan worden bewezen, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Voorts is dat oordeel niet onbegrijpelijk en – ook gezien hetgeen daaromtrent door verzoeker is aangevoerd - toereikend gemotiveerd. Anders dan de steller van het middel kennelijk meent, heeft het Hof bij de bewijsvoering van die feiten niet alleen maar oog gehad voor objectieve kenmerken. Ook de bewijsmiddelen spelen uiteraard een rol, zo bijvoorbeeld de eigen verklaringen van verzoeker. Ik zal deze verklaringen niet allemaal herhalen en hier slechts volstaan met déze:

“Ik deed zaken met [medeverdachte 4] waar een luchtje aan zat. Het komt er eigenlijk op neer dat ik wist wat ik deed fout was, maar er viel geld mee te verdienen. Het komt er feitelijk op neer dat [betrokkene 3], ik en [betrokkene 4] wisten dat het geld van criminele activiteiten afkomstig was.” (aanvulling, blad 11).25

De door het Hof gehanteerde ‘objectieve factoren’ en de eigen verklaringen van verzoeker zijn in onderlinge samenhang voldoende dragend voor het oordeel van het Hof dat het niet anders kan zijn dan dat de onder de feiten 1 primair en 2 primair genoemde geldbedragen uit misdrijf afkomstig waren, en dat verzoeker dat ook wist of tenminste de aanmerkelijke kans daarop had aanvaard. Nu voor de bewezenverklaring van witwassen niet is vereist dat een nauwkeurig omschreven misdrijf wordt vastgesteld, doet aan de juistheid van het oordeel van het Hof niet af dat in het zogenaamde Nagel-onderzoek geen (specifieke) gronddelicten in relatie tot witwassen konden worden vastgesteld. Verder blijkt niet dat door of namens verzoeker ten overstaan van het Hof een concrete, verifieerbare en niet op voorhand als hoogst onwaarschijnlijk aan te merken legale herkomst van de desbetreffende geldbedragen is genoemd, terwijl dat ook niet zonder meer uit het dossier naar voren komt. Zo houden, anders dan in de toelichting op het middel wordt gesteld, de processen-verbaal van de terechtzittingen in hoger beroep niet in dat door of namens verzoeker ten overstaan van het Hof gemotiveerd is aangevoerd dat de in de tenlasteleggingen genoemde geldbedragen afkomstig waren uit de handel in auto’s en andere kapitaalgoederen, laat staan dat één en ander is onderbouwd met stukken.26 Het Hof heeft daarom zonder motivering aan die mogelijkheid voorbij kunnen gaan. Voor zover al kan worden gezegd dat de verdediging ten overstaan van het Hof uitdrukkelijk onderbouwde standpunten in de zin van art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv heeft ingenomen, heeft het Hof daarop genoegzaam gerespondeerd.

45. Voor zover tenslotte nog wordt geklaagd over (de begrijpelijkheid van) de bewezenverklaring voor zover deze inhoudt dat verzoeker een gewoonte heeft gemaakt van het witwassen en dat hij daar het opzet op heeft gehad, geldt dat het Hof dat heeft kunnen afleiden uit de omstandigheid dat verzoeker en zijn medeverdachten gedurende een periode van bijna anderhalf jaar een aantal keren uit misdrijf afkomstige geldbedragen hebben gewisseld. In die herhaling van de gedragingen ligt het opzet op het maken van een gewoonte van het witwassen besloten.

46. Het middel faalt in al zijn onderdelen.

47. Het vijfde middel keert zich met verschillende klachten tegen de onder 5 bewezenverklaarde deelneming aan een criminele organisatie.

48. Het Hof heeft in het arrest omtrent de bewezenverklaring van feit 5 het volgende overwogen, voor zover hier van belang27:

“Voor een veroordeling voor deelname aan een criminele organisatie als bedoeld in art. 140 Wetboek van Strafrecht, dient sprake te zijn van deelname aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Volgens de rechtspraak van de Hoge raad dient onder een organisatie in de zin van artikel 140 Wetboek van Strafrecht te worden verstaan een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur tussen de verdachte en tenminste één andere persoon.

(…)

Het bestaan van het feitelijke samenwerkingsverband dat het oogmerk heeft misdrijven te plegen, is af te leiden uit de volgende feiten en omstandigheden:

a. Uit de verklaringen van [betrokkene 6], [betrokkene 7] en [medeverdachte 2] kan worden afgeleid dat [medeverdachte 4]/[betrokkene 1] gedurende lange tijd gebruik hebben gemaakt van de diensten van [medeverdachte 1].

b. In de jaren 2004 en 2005 was er sprake van een grote stijging van wisseltransacties van ponden naar Euro's; deze stijging is toe te schrijven aan de activiteiten van [medeverdachte 4]/[betrokkene 1] en een onbestemde groep 'Nigerianen.

c. [medeverdachte 4] wisselde gelden bij [medeverdachte 1], omdat andere instellingen geen contant geld meegaven. Bij andere instellingen werd het gewisselde geld op een rekening gestort en dat wilde hij niet.

d. Eind 2004 - begin 2005 was het klantenbestand van [medeverdachte 1] zeer beperkt; in feite was er nog maar één klant, namelijk [medeverdachte 4]/[betrokkene 1]. Zonder de transacties met [medeverdachte 4]/[betrokkene 1] was het voortbestaan van [medeverdachte 1] 'lastig', zo geeft [betrokkene 6] aan.

e. De uitvoering van de wisseltransacties verliep volgens een vast patroon. Door [medeverdachte 4]/[betrokkene 1] werd tevoren naar één van de werknemers van [medeverdachte 1] gebeld en werd de aanvoer van te wisselen gelden aangekondigd. Het geld werd veelal ongeteld aangevoerd en bestond uit kleinere coupures. Na de aflevering werd het geld later na wisseling opgehaald.

f. Er werd geen navraag gedaan naar de herkomst en bestemming van het geld. Eventueel overgelegde facturen / kwitanties werden niet op echtheid gecontroleerd, maar enkel in de administratie opgenomen om het te doen voorkomen alsof de regels werden nageleefd.

g. Bij de registratie van de wisseltransacties werd op grote schaal de hand gelicht met de voorschriften aangaande de uitvoering van wisseltransacties en de melding van ongebruikelijke transacties. Transacties van [medeverdachte 4] werden geregistreerd op naam van [betrokkene 1], zodat transacties niet werden gemeld op naam van degene die het geld bracht of kwam ophalen. De meldingen van de transacties aan het MOT waren dan ook structureel onjuist dan wel incompleet. Aan berichten van doormelding van transacties door het MOT bij justitie werden geen consequenties verbonden (zoals het staken van transacties met dubieuze contacten). Dit was gangbare praktijk, waarvan alle betrokkenen binnen [medeverdachte 1] - het betreft [medeverdachte 2], [verdachte], [betrokkene 7], [betrokkene 6] en [betrokkene 8] - op de hoogte waren.

h. Binnen [medeverdachte 1] bestond grote twijfel over de legale herkomst van de door [medeverdachte 4]/[betrokkene 1] te wisselen gelden. Zelfs [medeverdachte 4] had zo zijn bedenkingen.

i. Na controles door DNB werd er met [medeverdachte 4] afgesproken dat er geen grote bedragen meer werden gewisseld, maar dat alles in kleine porties zou worden gewisseld beneden de meldgrens van de Wet MOT.

j. Het wisselen van gelden met [medeverdachte 4]/[betrokkene 1] werd gecontinueerd vanwege de daarmee te behalen winsten.

Uit het voorafgaande onder a t/m j kan worden afgeleid dat het feitelijke samenwerkingsverband bij het wisselen van gelden in het verband van [medeverdachte 1] moet worden gezien als een criminele organisatie. In de feitelijke sfeer bestond er tussen de partijen [medeverdachte 1] en haar werknemers enerzijds en [medeverdachte 5] anderzijds een gestructureerde vorm van samenwerking waarin volgens een vast patroon gedurende langere tijd strafbare feiten werden begaan. Deze strafbare feiten bestonden uit het witwassen van gelden die van misdrijf afkomstig waren, valsheid in geschrifte en het niet naleven/ontduiken van verplichtingen van de toenmalige Wet MOT. Voor het plegen van misdrijven door de BV waren de activiteiten van [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] cruciaal. Zij leverden immers de te wisselen gelden aan die het voorwerp vormden van de te plegen strafbare feiten.

Dat het feitelijke samenwerkingsverband het plegen van misdrijven tot oogmerk had, kan worden afgeleid uit de volgende factoren:

- het voortbestaan van [medeverdachte 1] en het behalen van winst was afhankelijk van de voortzetting van de transacties met [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5];

- bij de personen die werkzaam waren binnen de BV bestond het inzicht dat de te wisselen gelden een criminele oorsprong hadden; er werden geen maatregelen getroffen om het wisselen van gelden van dubieuze oorsprong te voorkomen;

- hoewel men besefte dat de regels voor het melden van ongebruikelijke transacties niet werden nageleefd en dus niet duidelijk was wie wanneer welke gelden kwam wisselen, werd deze praktijk bewust gecontinueerd;

- de omzet aan geldwisselingen die werd behaald met enerzijds besmette gelden en anderzijds gelden van legale klanten: het eerste deel was veel groter dan het tweede deel.

Het oorspronkelijke nobele doel van de BV, namelijk het behalen van winst door middel van financiële dienstverlening, werd in de loop der tijd aangevuld met een illegaal nevendoel, namelijk het plegen van strafbare feiten. Dit nevendoel werd door de daden van de werknemers binnen de organisatie zichtbaar en maakte in de loop van de tijd zo'n prominent deel uit van de werkzaamheden van de organisatie, dat het als een zelfstandig 'oogmerk' moet worden beschouwd.

De BV bood in de kern het kader dat het plegen van de strafbare feiten mogelijk heeft gemaakt. De strafbare gedragingen van de natuurlijke personen die werkzaamheden verrichtten in en voor de BV en het bij die personen bestaande opzet op het plegen van strafbare feiten kunnen aan de rechtspersoon worden toegerekend. De BV is dan ook te zien als een wezenlijk deel van het samenwerkingsverband. De aan de BV toe te rekenen gedragingen hebben te gelden als de handelingen van de rechtspersoon waardoor is deelgenomen aan de criminele organisatie. Die handelingen strekten immers tot of hielden rechtstreeks verband met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie.

Het aandeel van verdachte in deze onderneming bestond uit:

- het accepteren van aangeboden gelden en het uitvoeren van wisseltransacties,

- het onderhouden van contacten met de wisselaars,

- het bepalen van de wisselkoers,

- het opstellen van valse documenten,

- het onjuist melden van ongebruikelijke transacties.

Het vereiste opzet kan voor verdachte worden afgeleid uit het gegeven dat hij bewust een bedrijfscultuur heeft laten voortbestaan waarin de regels omtrent het melden van ongebruikelijke transacties structureel niet werden nageleefd. Daarbij was het voor alle betrokkenen, ook voor verdachte, duidelijk dat de ter wisseling aangeboden gelden wel eens een criminele herkomst konden hebben.

Op basis van de hiervoor weergegeven punten kan worden aangenomen dat verdachte, [medeverdachte 1], [medeverdachte 2], [betrokkene 6], [betrokkene 7], [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] hebben deelgenomen aan de criminele organisatie en dat het vereiste onvoorwaardelijke opzet bij hen aanwezig was. Zij hoorden immers tot het samenwerkingsverband en hadden een aandeel in gedragingen die strekten tot of rechtstreeks verband hielden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie.”

49. Gelet op deze, op de gebezigde bewijsmiddelen gebaseerde bewijsoverweging is de bewezenverklaring van feit 5 voor zover inhoudend dat sprake was van een feitelijk samenwerkingsverband met het oogmerk het plegen van misdrijven en van opzet bij verzoeker voldoende gemotiveerd. Voor zover wordt geklaagd dat dit niet “noodwendig” voortvloeit uit de door het Hof genoemde feiten en omstandigheden, stelt het middel een eis die de wet niet kent. Voor een bewezenverklaring is immers voldoende dat het bewezenverklaarde uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.

50. De klacht dat het arrest van het Hof innerlijk tegenstrijdig is, nu het enerzijds overweegt dat verzoeker bewust een bedrijfscultuur heeft laten voortbestaan waarin de regels omtrent het melden van ongebruikelijke transacties structureel niet werden nageleefd en dat het voor alle betrokkenen en dus ook voor verzoeker duidelijk was dat de ter wisseling aangeboden gelden wel eens een criminele herkomst konden hebben, terwijl het Hof anderzijds heeft geoordeeld dat verzoeker en zijn medeverdachten wisten dat de gelden uit misdrijf afkomstig waren, faalt eveneens. Miskend wordt dat eerstgenoemde overweging ziet op het door het Hof bewezen geachte opzet van de verdachte op de deelneming aan de criminele organisatie en dus niet op het opzet van de verdachte op concrete, daadwerkelijk door die organisatie gepleegde misdrijven, terwijl de laatstgenoemde overweging betrekking heeft op het concrete, afzonderlijk onder 1 primair en 2 primair ten laste van verzoeker bewezenverklaarde misdrijf van het (gewoonte)witwassen van ter wisseling aangeboden geldbedragen. De overweging dat het voor verzoeker in zijn algemeenheid duidelijk was dat de ter wisseling aangeboden geldbedragen wel eens van misdrijf afkomstig waren, is daarom niet in tegenstrijd met de overweging dat verzoeker en zijn medeverdachten wisten dat de in feit 1 primair en 2 primair bedoelde geldbedragen uit misdrijf afkomstig waren.

51. De klacht dat ’s Hofs oordeel dat ook [medeverdachte 5] deel uitmaakte van de bedoelde criminele organisatie onbegrijpelijk is, nu geen bewijs voorhanden is dat [medeverdachte 5] in de tenlastegelegde periode zich aan enig strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, gaat er aan voorbij dat ook sprake kan zijn van deelneming aan een criminele organisatie indien de deelnemer niet strafbaar betrokken is geweest bij de concrete strafbare feiten waarop het oogmerk van de organisatie is gericht. Voldoende is dat de betrokkene (i) in zijn algemeenheid weet dat de organisatie tot oogmerk het plegen van misdrijven heeft, (ii) tot het samenwerkingsverband behoort en (iii) een aandeel heeft in, dan wel ondersteuning biedt aan, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het bedoelde oogmerk.28 Dat daarvan in het geval van [medeverdachte 5] sprake was, heeft het Hof uit de gebezigde bewijsmiddelen kunnen afleiden.

52. Voor zover wordt geklaagd dat het Hof de bewezenverklaring van feit 5 niet heeft gedaan op de voet van de tenlastelegging, nu het Hof niet heeft onderkend dat door de rechtbank een wijziging van de tenlastelegging was toegewezen waarbij de tenlastegelegde periode met een jaar was verruimd, kan het middel evenmin tot cassatie leiden. Daargelaten dat niet valt in te zien welk belang verzoeker bij deze klacht heeft nu hij immers voor minder is veroordeeld dan hem (in de gewijzigde tenlastelegging) ten laste was gelegd, staat het de feitenrechter vrij om een kortere periode bewezen te verklaren dan is ten laste gelegd, zolang die periode maar valt binnen de ten laste gelegde periode en de straftoemeting daaronder niet lijdt. Dat is hier het geval, zodat van grondslagverlating geen sprake is.

53. Voor zover het middel klaagt dat de onder 5 bewezenverklaarde deelname aan een criminele organisatie vernietigd behoort te worden op de grond dat die bewezenverklaring “geheel en al” steunt op de onder 1 tot en met 4 bewezenverklaarde feiten en daarvoor geen wettig en overtuigend bewijs voorhanden is, faalt het eveneens. De bewezenverklaring van feit 5 steunt namelijk niet geheel en al op de onder 1 tot en met 4 ten laste van verzoeker bewezenverklaarde feiten. De bewezenverklaring van feit 5 – en het Hof wijst daarop nadrukkelijk in zijn arrest – betreft namelijk niet alleen de positie van verzoeker en zijn eigen concrete gedragingen binnen de criminele organisatie, maar ook die van de andere genoemden. Daaronder zijn het bedrijf [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] als directeur begrepen. Dat is van betekenis voor de bewezenverklaarde zinsnede in feit 5 luidende: “welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk valsheid in geschrifte en/of overtreding van de Wet melding Ongebruikelijke transacties en/of witwassen”. Nu mag het zo zijn dat naar mijn inzicht de middelen 1 en 2 in de onderhavige zaak slagen, dat laat onverlet dat naar het kennelijke oordeel van het Hof [medeverdachte 1] als rechtspersoon en [medeverdachte 2] in de hoedanigheid van directeur van deze BV (aanvulling, bladen 1 en 2) wel verweten kunnen worden de beroeps- of bedrijfsmatige diensten als bedoeld in de Wet MOT (oud) te hebben verleend zonder daarbij de genoemde ongebruikelijke transacties te hebben gemeld. Aangaande de “valsheid in geschrifte” en het “witwassen”, zoals in feit 5 tenlastegelegd, is het al eenvoudigweg zo dat de bewezenverklaringen van deze feiten ten laste van verzoeker voldoende met redenen zijn omkleed (en dus in stand kunnen blijven), zodat ook om die reden de grondslag aan de klacht ontvalt.

54. Het vijfde middel faalt in al zijn onderdelen.

55. Het zesde middel behelst de klacht dat de verdediging ter terechtzitting van het Hof heeft aangevoerd dat sprake is geweest van onherstelbare vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek in de zin van art. 359a Sv en dat het Hof heeft nagelaten in het bijzonder de redenen op te geven die hebben geleid tot de van dit uitdrukkelijk door verzoeker onderbouwde standpunt afwijkende beslissing.

56. Met dat laatste doelt de steller van het middel klaarblijkelijk op het in art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv gegeven motiveringsvoorschrift ten aanzien van uitdrukkelijk onderbouwde standpunten. Voor zover wordt geklaagd dat de motivering van het Hof aan dat motiveringsvoorschrift niet voldoet, stuit het af op de omstandigheid dat in de onderhavige zaak een verweer als bedoeld in art. 359a, eerste lid, Sv is gevoerd.29 Reeds om die reden faalt het middel.

57. Overigens, ook als het middel in de steigers van het motiveringsvoorschrift als bedoeld in art. 359a Sv was gezet, had het geen doel getroffen. Blijkens de ter terechtzitting in hoger beroep van 9 november 2012 overgelegde pleitnota, is namens verzoeker naar voren gebracht dat de uitkomsten van het Nagel-onderzoek reeds voorafgaand aan de toestemming ingevolge art. 126dd Sv, en derhalve in strijd met die bepaling werden gebruikt. Aldus zou sprake zijn van vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek die niet meer kunnen worden hersteld en waarvan de rechtsgevolgen niet uit de wet blijken. Het bestreden arrest houdt daaromtrent inderdaad niets in. Tot cassatie zou dat echter niet hebben geleid, nu namens verzoeker ten overstaan van het Hof niet is aangegeven welke uitkomsten van het Nagel-onderzoek precies in strijd met de wet zijn gebruikt in het voorbereidend onderzoek, noch waartoe de gestelde vormverzuimen zouden moeten leiden. Anders gezegd: niet duidelijk en gemotiveerd is aangegeven tot welk in art. 359a omschreven rechtsgevolg de gestelde vormverzuimen zouden moeten leiden, terwijl daaraan ook geen ondubbelzinnige conclusie is verbonden.30 Gelet daarop was het Hof ook op grond van art. 359a Sv niet gehouden op het namens verzoeker in dit verband aangevoerde gemotiveerd te reageren.

58. Het middel faalt hoe dan ook.

59. Het zevende middel klaagt dat het Hof in strijd met art. 353 Sv geen beslissing heeft genomen ten aanzien van de onder verzoeker inbeslaggenomen voorwerpen ter zake waarvan nog geen last tot teruggave was gegeven.

60. Aan het “proces-verbaal van binnentreden en doorzoeking ter inbeslagneming (104, 110 Sv)” van 11 mei 2006 is een lijst gehecht waarop de bij de doorzoeking van de woning van verzoeker op 9 mei 2006 inbeslaggenomen voorwerpen zijn vermeld. Onder meer zijn bedragen van USD 450,-, USD 2.355,-, € 6.000,- en € 590,- aangetroffen. Op 11 juli 2006 is ten aanzien van deze inbeslaggenomen geldbedragen een rapport opgemaakt betreffende de “aanvraag machtiging handhaven van beslag als conservatoir beslag ex artikel 94a jo 103 Strafvordering”, strekkende tot bewaring van het recht van verhaal voor de voor de daarbij genoemde misdrijven op te leggen geldboete.

61. Blijkens de zich in het strafdossier bevindende beschikking van 30 januari 2008 op het klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv strekkende tot “teruggave van het door het Openbaar Ministerie te Zwolle, op de voet van artikel 94a Wetboek van Strafvordering in conservatoir beslag genomen, aan klager toebehorende gelden” heeft de rechtbank te Zwolle-Lelystad het beklag ongegrond verklaard.

62. Uit het voorgaande maak ik op dat in het onderhavige geval sprake is van op de voet van art. 94a, eerste lid, Sv in beslag genomen gelden.

63. Uit geen van de processtukken kan worden afgeleid dat ten tijde van de terechtzitting van het Hof het beslag op dat geldbedrag al was geëindigd, bijvoorbeeld door teruggave aan verzoeker of een afstandsverklaring van verzoeker. Integendeel, blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof van 9 november 2012 rustte het beslag kennelijk nog op het geld, omdat het toen en aldaar aan de orde werd gesteld. De raadsman van verzoeker merkte in repliek het volgende op:

“(…) Ten aanzien van het beslag. Er is privégeld in beslag genomen. Er is geen zicht op dat dit geld van enig strafbaar feit afkomstig was.”

Voorts heeft verzoeker op vragen van de voorzitter geantwoord:

“Er is bij mij beslag gelegd. Ik heb daarvoor een formulier van de politie gehad. Ik heb geen strafrechtelijk verleden.”

64. Het bestreden arrest bevat geen beslissing van het Hof over inbeslaggenomen voorwerpen. Naar mijn mening was het Hof ook niet gehouden om daarover te beslissen.

65. Artikel 353, eerste lid, Sv luidt:

"In het geval van toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, van oplegging van straf of maatregel, van vrijspraak of ontslag van alle rechtsvervolging neemt de rechtbank een beslissing over de met toepassing van artikel 94 inbeslaggenomen voorwerpen ten aanzien waarvan nog geen last tot teruggave is gegeven. Deze beslissing laat ieders rechten ten aanzien van het voorwerp onverlet."31

66. Artikel 353, eerste lid, Sv verplicht de rechter niet een beslissing te geven over de voorwerpen die met toepassing van art. 94a in beslag zijn genomen; die voorwerpen blijven in beslag met het oog op verhaal.32 De rechtsgrond voor de inbeslagneming van voorwerpen vervalt uiteindelijk pas als de verplichting tot betaling van de geldboete (art. 94a, eerste lid, Sv) of tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel (art. 94a, tweede lid, Sv) is voldaan. Nu thans - gelet op het namens verzoeker ingestelde cassatieberoep – nog niet onherroepelijk vaststaat of een verplichting tot betaling van een geldboete bestaat en of deze is voldaan, is de rechtsgrond voor de inbeslagneming van het geld nog niet vervallen en behoefde het Hof mitsdien daaromtrent geen beslissing te geven.

67. Het middel faalt.

68. Het eerste middel en het tweede middel slagen voor zover zij betrekking hebben op de bewezenverklaarde feiten 3, tweede gedeelte, en 4. De andere in deze middelen verwoorde klachten kunnen, lijkt mij, evenals de middelen 3 tot en met 7 worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

69. Ambtshalve vraag ik aandacht voor het volgende. Namens verzoeker is op 5 december 2012 beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad zal in deze zaak uitspraak doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM wordt overschreden. Een en ander kan echter onbesproken blijven indien de Hoge Raad met mij van oordeel is dat het bestreden arrest om andere redenen niet in stand kan blijven en de zaak dient te worden teruggewezen.

70. Andere gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

71. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak maar uitsluitend ter zake van het onder 3, tweede gedeelte, en 4 tenlastegelegde en ter zake van de strafoplegging, tot terugwijzing naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 De Wet MOT (oud) is op 1 augustus 2008, samen met de Wet identificatie bij dienstverlening (oud), opgegaan in de “Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme” (WWFT), zulks ter uitvoering van de derde Europese witwasrichtlijn.

2 Stcrt. 29 maart 2001, nr. 63, p. 24.

3 Stcrt. 25 augustus 2005, nr. 164, p. 7.

4 Stb. 2006, nr. 187.

5 Bovendien heeft de hierna onder 16 aan te halen “Regeling indicatoren ongebruikelijke transacties 2005” het wel uitdrukkelijk over een verplichting.

6 Zie over deze materie onder meer: G.J.M. Corstens, Strafrechtelijke aansprakelijkheid van banken bij witwassen, in: Financiering en aansprakelijkheid, Serie onderneming en recht, deel 1, 1994, p. 397-401; en V. Mul, Banken en witwassen (diss.), 1999, p. 177-187.

7 Kamerstukken II 1992/93, 23 009, nr. 3, p. 5.

8 Kamerstukken II 1992/93, 23 009, nr. 6, p. 24.

9 Kamerstukken II 1992/93, 23 009, nr. 6, p. 10.

10 Kamerstukken II 1992/93, 23 009, nr. 8, p. 5.

11 Kamerstukken II 1992/93, 23 009, nr. 3, p. 7.

12 Besluit van 23 april 1996 tot uitvoering van artikel 8, tweede lid, van de Wet melding ongebruikelijke transacties (goedkeuring van de indicatoren zoals deze zijn opgenomen in de ministeriële regeling van 29 september 1995), Stb. 1996, 237, p. 4.

13 Kamerstukken II 2004/05, 29 990, nr. 3, p. 6.

14 Zie: FIU, “Jaaroverzicht 2005 en vooruitblik 2006 Meldingen Ongebruikelijke Transacties” respectievelijk de Gebruikershandleiding Online Melden.

15 De bewijsmiddelen zijn, als gezegd, opgenomen in de aanvulling op het verkorte arrest. Deze aanvulling beslaat 31 bladen. Helaas zijn de bewijsmiddelen niet van een nummering voorzien. Om er geen zoektocht van te maken, zal ik naar de desbetreffende bladen als vindplaats verwijzen.

16 Aldus HR 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2001, NJ 2014/75.

17 J. de Hullu, Materieel strafrecht, vijfde druk, 2012, p. 419. Vgl. HR 9 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF5557, NJ 2009/147 m.n. Borgers. Zie ook HR 28 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP2124 en HR 27 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT4094, NJ 2006/473.

18 Vgl. HR 28 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP2124 en HR 27 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT4094, NJ 2006/473.

19 Zie onder meer: HR 27 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT4094, NJ 2006/473; HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010: BM0787, NJ 2010/456 en HR 21 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:127, NJ 2014/78 m.nt. Borgers.

20 Vgl. HR 7 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU7335.

21 Zie HR 29 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO2628, NJ 2011/159 en 0HR 21 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:127, NJ 2014/78 m.nt. Borgers.

22 Vgl. HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010: BM0787, NJ 2010/456.

23 Zie HR 16 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK3359, NJ 2010/314 m.nt. Buruma.

24 Zie HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0787, NJ 2010/456.

25 Zie ook ’s Hofs overweging hierboven onder 41.

26 In de eerder aangehaalde pleitnota wordt in onderdeel 36 enkel opgemerkt dat het van misdrijf afkomstig zijn in casu wordt bestreden “door te wijzen op de herkomst uit de handel in auto’s c.q. de handel in kapitaalgoederen met Afrika”.

27 De door het Hof in de tekst opgenomen voetnoten zijn hier weggelaten nu deze niet van belang zijn voor de bespreking van het middel.

28 Vgl. bijv. HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5178, NJ 2012/658 m.nt. Keijzer.

29 HR 17 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT2052, NJ 2012/253 m.nt. Mevis.

30 Vgl. HR 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533, NJ 2004/376 (eerste overzichtsarrest) m.nt. Buruma, HR 19 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY5321 (tweede overzichtsarrest) m.nt. Keulen, HR 4 november 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF0281 en HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130.

31 Krachtens art. 415 Sv is deze bepaling in hoger beroep van overeenkomstige toepassing.

32 Zie G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, achtste door M.J. Borgers bewerkte druk, Deventer: Kluwer 2014, p. 885 en R.M. Vennix, Boef en beslag, diss. Nijmegen, Ars Aequi Libri Nijmegen 1998, p. 259.