Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:2824

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
16-12-2014
Datum publicatie
10-02-2015
Zaaknummer
14/01381
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:137, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Cassatieschriftuur raadsvrouwe verzonden naar griffie (ander) Hof i.p.v. naar HR. Doorzendplicht wanneer raadsvrouwe schriftuur naar verkeerde instantie heeft gestuurd? Cassatieberoep gericht tegen arrest Hof Den Haag. Geen middelen ingediend, verdachte n-o. Omstandigheid dat - naar in de reactie op CAG wordt gesteld - schriftuur binnen termijn per fax is verzonden naar en is ontvangen op griffie Hof Amsterdam en dat aldaar is verzuimd deze naar HR door te zenden, leidt niet tot ander oordeel, ook niet indien schriftuur zou zijn gezonden naar griffie Hof Den Haag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 14/01381

Zitting: 16 december 2014

Mr. Aben

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het gerechtshof te Den Haag heeft, onder aanvulling van gronden, bij arrest van 14 november 2013 bevestigd een vonnis van de rechtbank Den Haag d.d. 19 juni 2013, waarbij de verdachte ter zake van “poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak” is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van honderd dagen, met aftrek overeenkomstig artikel 27 Sr, en is beslist omtrent de vordering van de benadeelde partij.

2. Namens de verdachte heeft [...] , advocaat te Den Haag, beroep in cassatie ingesteld.

3. De aanzegging ingevolge art. 435, eerste lid, Sv is op 30 april 2014 betekend. Art. 437, tweede lid, Sv schrijft voor dat, op straffe van niet-ontvankelijkheid, binnen twee maanden na betekening van de aanzegging als bedoeld in art. 435, eerste lid, Sv, door een raadsman een schriftuur houdende middelen wordt ingediend. De schriftuur is eerst binnengekomen op 1 juli 2014.

4. Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is niet in acht genomen het voorschrift van art. 437, tweede lid, Sv, zodat de verdachte in het beroep niet kan worden ontvangen.

5. Deze conclusie strekt ertoe dat de verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn cassatieberoep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG