Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:2810

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
25-11-2014
Datum publicatie
28-01-2015
Zaaknummer
14/00161
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:135, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

OM-cassatie na ovar. Scheepvaartverkeerswet, Besluit toepassingverklaring Internationale Bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee, 1972 (hierna: Besluit), Verdrag inzake de Internationale Bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee, 1972, en Wet installaties Noordzee. Verdachte heeft met zijn onder Duitse vlag zeevarende vissersschip een bijna-aanvaring gehad met een Nederlands boorplatform dat zich buiten de Nederlandse territoriale wateren bevond op het Nederlands deel van het Continentaal Plat. Het middel berust op de opvatting dat nu het feit zich heeft voorgedaan op het Nederlands deel van het Continentaal Plat o.g.v. art. 1.2 van het Besluit toepassing kan worden gegeven aan de Wet Installaties Noordzee, ingevolge welke wet rechtsmacht bestaat voor strafbare feiten gepleegd op het Nederlands deel van het Continentaal Plat. Die opvatting is onjuist. De bepaling van rechtsmacht strekt zich slechts uit tot de overtreding van voorschriften die strafbaar zijn en naar uit het voorgaande volgt is daarvan voor een vreemd schip op dat deel van de volle zee geen sprake.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 14/00161

Zitting: 25 november 2014

Mr. Bleichrodt

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 30 augustus 2013 het vonnis van de politierechter in de Rechtbank Amsterdam van 26 maart 2012, waarbij de verdachte ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde feit is ontslagen van alle rechtsvervolging en wegens 3. “overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 43, tweede lid, van de Mijnbouwwet” is veroordeeld tot een geldboete van € 1.000,-, subsidiair 20 dagen hechtenis, met bepaling dat de geldboete in 10 tweemaandelijkse termijnen van elk € 100,- mag worden voldaan, bevestigd met aanvulling van gronden.1

2. De advocaat-generaal bij het hof heeft beroep in cassatie ingesteld. Mr. M. van der Horst, advocaat-generaal bij het ressortsparket, heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De raadsman van de verdachte, mr. J.A. Hoekstra, advocaat te Amsterdam, heeft het beroep schriftelijk tegengesproken.

3. Het middel behelst de klacht dat het oordeel van het hof betreffende de niet strafbaarheid van het onder 2 bewezen verklaarde feit getuigt van een onjuiste rechtsopvatting betreffende art. 1 Besluit toepassingsverklaring internationale bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee 1972 in verbinding met de Wet installaties Noordzee, althans dat het hof de verdachte ter zake van dit feit heeft ontslagen van alle rechtsvervolging wegens niet strafbaarheid van het feit op gronden die deze beslissing niet kunnen dragen.

4. Het gaat in deze zaak - kort gezegd - om het volgende. De verdachte heeft op 22 februari 2010 buiten de Nederlandse territoriale zee, maar wel op het Nederlandse gedeelte van het continentale plat, als schipper gevaren met een onder de Duitse vlag varende visserskotter (“[A]”). Deze kotter was geregistreerd in Duitsland. Bij het uitvaren rond 02:00 uur heeft de verdachte een lijnrechte koers uitgezet naar de plaats van bestemming, waarbij hij van plan was bij te sturen op het moment dat uit de apparatuur aan boord of anderszins zou blijken dat zich obstakels op de uitgezette koers bevonden. Na ongeveer twee uren heeft een ander bemanningslid de verdachte afgelost en is de verdachte gaan slapen. Anderhalf uur later heeft de verdachte de wacht hervat. Daarbij heeft hij het wachtalarm uitgeschakeld, hoewel hij wist dat er op de door hem uitgestippelde koers boortorens en boeien lagen. Vervolgens is de verdachte tijdens zijn wacht voor de duur van bijna drie uren in slaap gevallen achter het roer van de visserskotter. Gedurende de periode dat de verdachte sliep is de visserskotter recht op een Nederlands boorplatform afgevaren en is de kotter dat boorplatform uiteindelijk op een afstand van ongeveer twintig meter gepasseerd, terwijl de verdachte niet heeft gehoord dat hij door een ander schip en door het boorplatform werd aangeroepen. Doordat de visserskotter recht op het boorplatform afvoer en de aanwezigen op het boorplatform geen contact konden krijgen met de verdachte of zijn medebemanning, is de productie van het boorplatform conform de op het boorplatform geldende veiligheidsvoorschriften stil gelegd (“een shutdown”). Als gevolg hiervan heeft de exploitant van het boorplatform economische schade geleden en hebben de aanwezigen op het boorplatform “de schrik van hun leven” gehad. De verdachte is vervolgd ter zake van poging tot vernieling van het boorplatform (feit 1; vrijspraak), overtreding van een aantal voorschriften van het Verdrag inzake de Internationale bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee, 1972, (feit 2; ontslag van alle rechtsvervolging) en overtreding van de Mijnbouwwet (feit 3; veroordeling).

5. Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezen verklaard dat hij:2

“op 22 februari 2010, op de Noordzee, buiten de Nederlandse territoriale wateren in volle zee te weten op het Nederlands gedeelte van het Continentaal Plat, in of nabij de positie 52.21.35 NB 03.20.31 OL, als schipper van het onder Duitse vlag varende zeegaande vissersschip [001], genaamd [A], met dat vissersschip aldaar heeft gevaren en toen

- niet alle voorzorgsmaatregelen die volgens het gewone zeemansgebruik en/of door de bijzondere omstandigheden waarin het schip zich bevond, geboden waren, heeft genomen en

- niet te allen tijde goede uitkijk heeft gehouden door te kijken en te luisteren alsook door gebruik te maken van alle beschikbare middelen die in de heersende omstandigheden en toestanden passend waren ten einde een volledige beoordeling van de situatie en van het gevaar voor aanvaring te kunnen maken en

- niet te allen tijde een veilige vaart heeft aangehouden zodat juiste en doeltreffende maatregelen genomen konden worden ter vermijding van aanvaring en kon worden gestopt binnen een voor de heersende omstandigheden en toestanden passende afstand en

- niet alle beschikbare middelen heeft gebruikt, passend in de heersende omstandigheden en toestanden, om te bepalen of er gevaar voor aanvaring bestond en

- geen juist gebruik heeft gemaakt van radarapparatuur, met inbegrip van waarnemingen over grote afstand ten einde een vroegtijdige waarschuwing te verkrijgen van het gevaar voor aanvaring en met inbegrip van plotten of een gelijkwaardige stelselmatige waarneming van ontdekte voorwerpen immers heeft hij, verdachte, met dat vissersschip, aldaar gevaren terwijl hij het wachtalarm niet had ingeschakeld en had uitgedaan en tijdens zijn wacht in slaap was gevallen en met dat vissersschip met een, gezien de koers en de positie van dat schip, te hoge snelheid in de richting van en nabij genoemde positie gelegen installatie ter zee is gevaren en een koers heeft gevolgd welke nagenoeg recht over die installatie ter zee liep en bij zeer dichte nadering van die installatie ter zee die koers niet heeft gewijzigd.”

6. Zoals de steller van het middel terecht opmerkt, zijn de bewijsmiddelen waarop deze bewezenverklaring steunt niet opgenomen in het arrest van het hof, noch in het door het hof bevestigde vonnis van de politierechter. De politierechter heeft overeenkomstig art. 379, eerste lid, Sv schriftelijk vonnis gewezen en heeft daarin ten aanzien van het bewijs enkel overwogen dat de politierechter haar beslissing dat de verdachte het bewezen geachte heeft begaan, grondt op de feiten en omstandigheden zoals in de bewijsmiddelen vervat. Bij de stukken van het geding bevindt zich evenwel geen aanvulling bewijsmiddelen behorende bij dit vonnis. Aangezien hierover in cassatie (door het openbaar ministerie) niet wordt geklaagd, laat ik dit punt verder rusten.

7. Zoals blijkt uit het op de terechtzitting in hoger beroep overgelegde (op schrift gestelde) requisitoir, heeft de advocaat-generaal bij het hof onder meer gevorderd dat de verdachte dient te worden veroordeeld ter zake van feit 2, aangezien dit feit niet alleen kan worden bewezen maar ook strafbaar is. De advocaat-generaal heeft daartoe het volgende aangevoerd. Naast het Besluit toepassingsverklaring Internationale Bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee, 1972, bestaat de Wet installaties Noordzee. Art. 2 van die wet bepaalt dat de Nederlandse strafwet van toepassing is op ieder die zich op of met betrekking tot een installatie ter zee aan enig strafbaar feit schuldig maakt. Uit de memorie van toelichting bij deze wet blijkt dat het de bedoeling van de wet was om ten behoeve van de handhaving van de veiligheidsvoorschriften rechtsmacht te scheppen voor het land dat boorinstallaties zou oprichten op zijn deel van het continentale plat. In het onderhavige geval heeft Duitsland slechts een gering belang bij de naleving van internationale bepalingen op de desbetreffende plaats, terwijl Nederland vanwege het extreme gevaar een groot belang heeft. In deze belangenafweging past het toekennen van rechtsmacht aan Nederland in een situatie waarin Nederlandse rechtsgoederen geweld wordt aangedaan.

8. Het hof heeft, in navolging van de politierechter, geoordeeld dat de verdachte ter zake van feit 2 dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat het bewezen verklaarde niet strafbaar is. Het hof heeft daartoe onder “de strafbaarheid van feit 2” het volgende overwogen:

“Voor Nederland is sinds 15 juli 1977 het Verdrag inzake de Internationale Bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee, 1972 (Trb. 1974, 51) van kracht. Op grond van artikel 1 van dit verdrag zijn de verdragspartijen verplicht uitvoering te geven aan de daaraan gehechte Internationale Bepalingen ter Voorkoming van Aanvaringen op Zee.

In de nota van toelichting op het Besluit van 7 november 1989, houdende het van toepassing verklaren van de Internationale Bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee, 1972 (Stb. 502) is overwogen dat aan de formele verplichting om uitvoering te geven aan de Internationale Bepalingen ruimschoots wordt voldaan door deze van toepassing te verklaren binnen de Nederlandse rechtsorde op de wijze als is geschied in artikel 1 van dit Besluit.

Artikel 1 van voornoemd Besluit van 7 november 1989 luidt - voor zover hier van belang - aldus:

1. De voor Nederland van kracht zijnde Internationale Bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee, 1972 (Trb. 1974, 51) zoals gewijzigd, zijn van toepassing op:

a. alle schepen die in Nederland zijn geregistreerd of die gerechtigd zijn de Nederlandse vlag te voeren (…)

b. alle andere schepen in de Nederlandse territoriale zee waaronder begrepen de wateren zeewaarts van de in artikel 4 vastgestelde lijn.

2. (…)

De in artikel 4 van het Besluit vastgestelde lijn betreft slechts een nieuwe binnengrens van het toepassingsgebied van de Internationale Bepalingen.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat overtreding van de Internationale Bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee, 1972, begaan door/op vreemde schepen alleen een strafbaar feit naar Nederlands recht oplevert indien die overtreding in de Nederlandse territoriale zee is begaan. Dat artikel 2 van de Wet installaties Noordzee bepaalt dat de Nederlandse strafwet (ook) van toepassing is op ieder die zich op of met betrekking tot een installatie ter zee aan enig strafbaar feit schuldig maakt, doet daaraan niet af.

Het voorgaande betekent dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging ter zake van feit 2.”

9. Voor de beoordeling van het middel zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang:

- art. I van het Verdrag inzake de Internationale Bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee, 1972, (Londen, 20 oktober 1972, Trb. 1974, 51; hierna ook: het Verdrag) betreffende “algemene verplichtingen”:

“De Partijen bij dit Verdrag verbinden zich uitvoering te geven aan de hieraan gehechte Voorschriften en andere Bijlagen die te zamen de Internationale Bepalingen ter Voorkoming van Aanvaringen op Zee, 1972, vormen (hierna te noemen te noemen “de Bepalingen").”

- voorschrift 2 van het Verdrag betreffende “verantwoordelijkheid”:

“a. Niets in deze Voorschriften ontheft een schip, zijn reder, kapitein of bemanning van de aansprakelijkheid voor de gevolgen van enige nalatigheid in de naleving van deze Voorschriften, dan wel van veronachtzaming van enige voorzorgsmaatregel die volgens het gewone zeemansgebruik of door de bijzondere omstandigheden waarin het schip zich bevindt, geboden is.

b. Bij het uitleggen en naleven van deze Voorschriften dient goed rekening te worden gehouden met alle gevaren voor de navigatie en voor aanvaring en met bijzondere omstandigheden, waaronder de beperkingen van de betrokken schepen, die ter vermijding van onmiddellijk gevaar het afwijken van deze Voorschriften noodzakelijk kunnen maken.”

- voorschrift 5 van het Verdrag betreffende “uitkijk”:

“Elk schip dient te allen tijde goede uitkijk te houden door te kijken en te luisteren alsook door gebruik te maken van alle beschikbare middelen die in de heersende omstandigheden en toestanden passend zijn ten einde een volledige beoordeling van de situatie en van het gevaar voor aanvaring te kunnen maken.”

- voorschrift 6 van het verdrag betreffende “veilige vaart”:

“Elk schip dient te allen tijde een veilige vaart aan te houden zodat het juiste en doeltreffende maatregelen kan nemen ter vermijding van aanvaring en kan worden gestopt binnen een voor de heersende omstandigheden en toestanden passende afstand.

Bij de bepaling van een veilige vaart dient onder meer rekening te worden gehouden met de volgende factoren:

(a) door alle schepen:

(i) het zicht;

(ii) de verkeersdichtheid, met inbegrip van concentraties van vissersschepen of andere schepen;

(iii) de manoeuvreerbaarheid van het schip, in het bijzonder wat betreft de afstand waarbinnen gestopt kan worden en de wendbaarheid in verband met de heersende toestanden;

(iv) des nachts de aanwezigheid van achtergrondlicht zoals van kustlichten of het stralen van zijn eigen lichten;

(v) de toestand van wind, zee en stroom en de nabijheid van gevaren voor de navigatie;

(vi) de diepgang ten opzichte van de beschikbare waterdiepte;

(b) bovendien, door schepen met een goed werkende radar:

(i) de kenmerken, doeltreffendheid en beperkingen van de radarinstallatie;

(ii) eventuele beperkingen opgelegd door het gebruikte radarbereik;

(iii) de invloed van de toestand van de zee, het weer en andere storingsbronnen op de ontdekking met behulp van radar;

(iv) de mogelijkheid dat kleine schepen, ijs en andere drijvende voorwerpen niet op voldoende afstand met behulp van radar worden ontdekt;

(v) het aantal, de plaats en de beweging van met behulp van radar ontdekte schepen;

(vi) de nauwkeuriger beoordeling van het zicht die eventueel mogelijk is wanneer de radar wordt gebruikt om de afstand tot schepen of andere voorwerpen in de omgeving te bepalen.”

- voorschrift 7 van het Verdrag betreffende “gevaar voor aanvaring”:

“a. Elk schip dient alle beschikbare middelen te gebruiken, passend in de heersende omstandigheden en toestanden, om te bepalen of er gevaar voor aanvaring bestaat. In geval van twijfel wordt een zodanig gevaar geacht te bestaan.

b. Er dient een juist gebruik te worden gemaakt van radarapparatuur, indien aangebracht en goed werkend, met inbegrip van waarnemingen over grote afstand ten einde een vroegtijdige waarschuwing te verkrijgen van het gevaar voor aanvaring en met inbegrip van plotten of een gelijkwaardige stelselmatige waarneming van ontdekte voorwerpen.

c. Er dienen geen gevolgtrekkingen te worden gemaakt op grond van summiere gegevens, vooral niet van summiere gegevens verkregen met behulp van radar.

d. Bij de bepaling of er gevaar voor aanvaring bestaat, dient onder meer rekening te worden gehouden met de volgende overwegingen:

(i) een zodanig gevaar wordt geacht te bestaan indien de kompaspeiling van een naderend schip niet noemenswaard verandert;

(ii) zelfs wanneer een aanmerkelijke verandering in de peiling blijkt, kan een zodanig gevaar soms bestaan, vooral bij het naderen van een zeer groot schip of een sleep of bij het dicht naderen van een schip.”

- voorschrift 8 van het Verdrag betreffende “maatregelen ter vermijding van aanvaring”:

“a. Alle maatregelen ter vermijding van aanvaringen moeten worden genomen in overeenstemming met de voorschriften van dit Deel, en dienen, indien de omstandigheden zulks toelaten, doelmatig te zijn en ruim op tijd te worden genomen, daarbij goed rekening houdend met de gebruiken van goed zeemanschap.

b. Elke verandering van koers en/of vaart ter vermijding van aanvaring dient, indien de omstandigheden zulks toelaten, groot genoeg te zijn om gemakkelijk waarneembaar te zijn voor een ander schip waarop met het oog of met behulp van radar wordt waargenomen; een opeenvolging van kleine veranderingen van koers en/of vaart dient te worden vermeden.

c. Indien daarvoor voldoende ruimte is, kan een koersverandering alléén de meest doeltreffende maatregel zijn om te vermijden dat men elkaar te dicht nadert, mits de maatregel bijtijds wordt genomen, de koersverandering ruim is en niet leidt tot een andere situatie waarin men elkaar te dicht nadert.

d. De maatregelen genomen ter vermijding van aanvaring met een ander schip dienen zodanig te zijn dat zij leiden tot het voorbijvaren op veilige afstand. De doeltreffendheid van de maatregelen dient zorgvuldig te worden gecontroleerd totdat het andere schip geheel is gepasseerd en goed vrij is.

e. Indien zulks noodzakelijk is ter vermijding van aanvaring of om meer tijd te verkrijgen ter beoordeling van de situatie dient een schip vaart te minderen of de vaart er geheel uit te halen door te stoppen of achteruit te slaan.

f.

(i) Een schip dat op grond van een van deze voorschriften de doorvaart of de veilige doorvaart van een ander schip niet mag belemmeren dient, wanneer de omstandigheden zulks vereisen, bijtijds maatregelen te nemen om voldoende ruimte te laten voor de veilige doorvaart van het andere schip.

(ii) Een schip dat de doorvaart of de veilige doorvaart van een ander schip niet mag belemmeren is niet ontheven van deze verplichting als het het andere schip nadert zodanig dat gevaar voor aanvaring ontstaat en dient, wanneer het maatregelen neemt, ten volle rekening te houden met de maatregelen die volgens de voorschriften van dit Deel vereist kunnen zijn.

(iii) Een schip waarvan de doorvaart niet mag worden belemmerd blijft ten volle verplicht de voorschriften van dit Deel na te leven wanneer de twee schepen elkaar naderen zodanig dat gevaar voor aanvaring ontstaat.”

- art. 20 Scheepvaartverkeerswet (Stb. 1988, 352), welke bepaling is opgenomen in hoofdstuk 5 van die wet betreffende “bepalingen met betrekking tot de uitvoering van verdragen en besluiten van volkenrechtelijk organisaties”:

“1. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen, ter uitvoering van verdragen of besluiten van volkenrechtelijke organisaties voor zover die het Koninkrijk binden, regels worden gesteld met betrekking tot het deelnemen aan het scheepvaartverkeer door Nederlandse zeeschepen:

a. in volle zee;

b. op alle niet-Nederlandse wateren die met de volle zee in verbinding staan en bevaarbaar zijn voor zeegaande schepen.

2. Het bepaalde in het eerste lid, onderdeel b, is niet van toepassing, voorzover door de voor die wateren daartoe bevoegde autoriteiten afwijkende regels zijn gesteld.”

- art. 31 Scheepvaartverkeerswet, welke bepaling is opgenomen in hoofdstuk 7 van die wet betreffende “straf-, opsporings- en politiebepalingen”, voor zover hier van belang:

“1. (…)

7. Overtreding met een Nederlands schip van de krachtens artikel 20, eerste lid, gestelde regels, begaan in volle zee of op een ander in artikel 20, eerste lid, onderdeel b , bedoeld water waarop die regels ten aanzien van dat schip van toepassing zijn, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van de derde categorie.

(…)

11. Overtreding van krachtens deze wet gestelde regels, als bedoeld in het vierde, zesde, zevende, achtste en tiende lid, vormt slechts een strafbaar feit voor zover dit in die regels uitdrukkelijk is bepaald.

(…)

13. De in het eerste en tweede lid van dit artikel strafbaar gestelde feiten zijn misdrijven. De in of krachtens het derde tot en met tiende lid strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen. (…)”

- In de preambule van het Besluit toepassingverklaring Internationale Bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee, 1972, (7 november 1989, Stb. 1989, 502; hierna ook: het Besluit) wordt gewezen op de noodzaak uitvoering te geven aan het Verdag en wordt voorts verwezen naar art. 4, art. 20 en art. 31, vierde lid, Scheepvaartverkeerswet.

- Art. 1 van het Besluit:

“1. De voor Nederland van kracht zijnde Internationale Bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee, 1972, bedoeld in artikel 1 van het op 20 oktober 1972 te Londen tot stand gekomen Verdrag inzake de Internationale Bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee, 1972, (Trb. 1974, 51) zoals gewijzigd, zijn van toepassing op:

a. alle schepen die in Nederland zijn geregistreerd of die gerechtigd zijn de Nederlandse vlag te voeren, met uitzondering van schepen die het recht daartoe ontlenen aan de regels die in de Nederlandse Antillen of in Aruba terzake gelden:

1̊. in volle zee;

2̊. in de Nederlandse territoriale zee waaronder begrepen de wateren zeewaarts van de in artikel 4 vastgestelde lijn;

3̊. op alle niet-Nederlandse wateren die met de volle zee in verbinding staan en bevaarbaar zijn voor zeegaande schepen;

b. alle andere schepen in de Nederlandse territoriale zee waaronder begrepen de wateren zeewaarts van de in artikel 4 vastgestelde lijn.

2. Het bepaalde in het eerste lid, aanhef en onder a, ten 2° en onder b, is niet van toepassing voor zover bij of krachtens de wet dan wel bij of krachtens een voor Nederland van kracht zijnd verdrag of besluit van een volkenrechtelijke organisatie afwijkende voorschriften zijn vastgesteld.

3. Het bepaalde in het eerste lid, aanhef en onder a, ten 3°, is niet van toepassing voor zover door de daartoe bevoegde autoriteiten afwijkende voorschriften voor bedoelde wateren zijn vastgesteld.”

- art. 4 van het Besluit:

“De in artikel 1, eerste lid, bedoelde lijn is de langs de Nederlandse kust gaande lijn, die loopt van:

(…)

De kustlijn volgt tot het snijpunt met de lijn over de kerktorens van Aagtekerke en Domburg de laagwaterlijn (dieptelijn van 0 meter) zoals aangegeven op de grootschalige Nederlandse zeekaarten, uitgegeven vanwege de Minister van Defensie.

De coördinaten zijn uitgedrukt in lengte en breedte volgens het World Geodetic System (WGS-84), in graden en minuten.”

- art. 5 van het Besluit:

“1. Overtreding van de tot de Internationale Bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee, 1972, behorende Voorschriften 2, onder a, 5 tot en met 7, 8 onder a, b en d tot en met f, (…) is een strafbaar feit.

2. Onze Minister maakt de wijzigingen in de tot de Internationale Bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee, 1972, behorende voorschriften, die gevolgen hebben voor de strafbaarheid ingevolge het eerste lid, bekend in de Staatscourant.”

10. De nota van toelichting bij het Besluit (Stb. 1989, 502, p. 6) houdt onder “vorm en inhoud van het besluit”, voor zover hier van belang, het volgende in:

“Naar het oordeel van ondergetekende [de toenmalige minister van verkeer en waterstaat; AG] wordt aan de formele verplichting om uitvoering te geven aan de Internationale Bepalingen ruimschoots voldaan door deze van toepassing te verklaren binnen de Nederlandse rechtsorde op de wijze als is geschied in artikel 1 van het onderhavige besluit. Anderzijds blijkt daaruit dat het karakter van de Internationale Bepalingen als normen van internationaal recht gehandhaafd wordt en meer rekening wordt gehouden met het internationale karakter van de zeescheepvaart. Door deze opzet wordt in elk geval bereikt dat de samenhang tussen de internationale regeling en de uitvoering daarvan in de Nederlandse wetgeving duidelijker dan voorheen tot zijn recht komt.”

11. Voorts houdt deze nota van toelichting (Stb. 1989, 502, p. 9) onder “artikelsgewijze behandeling” ten aanzien van art. 5 het volgende in:

“Het eerste lid geeft uitvoering aan artikel 31, tiende lid, van de Scheepvaartverkeerswet, waarin bepaald wordt dat overtreding van krachtens deze wet gestelde regels slechts een strafbaar feit vormt voor zover dit in die regels uitdrukkelijk is bepaald.

De vermelde Voorschriften waarvan overtreding is strafbaar gesteld, dienen uiteraard in samenhang met de Voorschriften betreffende de toepasselijkheid daarvan (Voorschriften 4, 10, onder a, 11, 19, onder a en 20) te worden bezien. Dit betekent dat in het proces-verbaal de elementen die de toepasselijkheid regelen, dienen te worden vermeld.

Voor de goede orde zij vermeld dat overtreding van de Voorschriften ook in de oude Zeeaanvaringswet 1977 strafbaar werd gesteld.

Ondergetekende acht het in het bijzonder ten aanzien van Voorschriften, waarvan de overtreding een strafbaar feit is, gewenst uitdrukkelijk bekend te maken wanneer en in hoeverre daarin wijziging is gekomen. Zulks is bepaald in het tweede lid.

Daarmede kan uiteraard niet volstaan worden in geval er sprake is van nieuwe voorschriften die een strafbaarstelling inhouden; dan zal het besluit, in casu artikel 5, eerste lid, aangepast moeten worden.”

12. In navolging van het in hoger beroep aangevoerde wordt in het middel een beroep gedaan op de volgende wettelijke bepalingen:

- art. 1 Wet installaties Noordzee (Stb. 1964, 447)3:

“In deze wet worden onder installaties ter zee verstaan: installaties opgericht buiten de territoriale wateren op de bodem van het deel van de Noordzee waarvan de grenzen samenvallen met die van het aan Nederland toekomende gedeelte van het continentale plat.”

- art. 2 Wet installaties Noordzee:

“De Nederlandse strafwet is toepasselijk op ieder die zich op of met betrekking tot een installatie ter zee aan enig strafbaar feit schuldig maakt.”

13. De memorie van toelichting4 bij de Wet installaties Noordzee houdt in het algemene gedeelte, voor zover hier van belang, het volgende in:

Ҥ 1. Inleiding. De actueel geworden mogelijkheid van het oprichten van installaties op de bodem van de volle zee doet vragen van rechtsvorming rijzen. Dit zou reeds het geval zijn, wanneer het alleen ging om installaties voor ook in een vroeger stadium bekende doeleinden, zoals voor geologisch, oceanografisch of ander wetenschappelijk onderzoek, voor het ont-ginnen van bodemschatten of voor het plaatsen van bakens ten behoeve van de scheepvaart. Er moet echter ook rekening worden gehouden met eventuele activiteiten waarvoor men een steunpunt in volle zee kiest, uitsluitend of in hoofdzaak met het oogmerk om zich te onttrekken aan de werking van elke nationale wet. Mede daarom is er ongetwijfeld aanleiding na te gaan op welke wijze de overheid kan voorkomen dat door het gebruik van installaties ter zee rechtens te beschermen belangen zouden worden geschaad.

Een effectieve bescherming van die belangen is slechts mogelijk, wanneer zo nodig met dwangmiddelen kan worden opgetreden tegen degenen die zich op een installatie in volle zee bevinden. De Nederlandse wet voorziet daarin thans niet; zij zal dus moeten worden aangevuld, wil men zeker zijn van de legaliteit van zulk optreden naar nationaal recht. Het onderhavige ontwerp van wet, waarvan de indiening onlangs reeds in het vooruitzicht is gesteld 1), strekt tot die aanvulling

(…)

§ 4. Voorgestelde regeling (…)

Voorzover de bestaande wetten, die nog geen rekening houden met installaties ter zee, ontoereikend zijn, zouden de eventueel nodige nadere voorschriften bij algemene maatregel van bestuur kunnen worden vastgesteld. In dit stadium gaat het er in hoofdzaak om, een basis in het nationale recht te scheppen voor het zo nodig nemen van dwangmaatregelen. De Nederlandse overheid kan niet dulden, dat voor onze kust een kunstmatig eiland wordt gevestigd, waarop geen enkel voorschrift van nationaal recht van toepassing zou zijn. Nog afgezien van de mogelijkheid van activiteiten, die op ons grondgebied zouden worden gericht, zoals met name ongeautoriseerde televisie-uitzendingen, moet worden voorkomen, dat men zich maar even buiten onze territoriale wateren zou behoeven te begeven om, onttrokken aan elke jurisdictie, straffeloos alles te kunnen doen wat onze wet verbiedt, met inbegrip van de ernstigste misdrijven.

Het ontwerp is dus gericht op het voorkomen van een rechtsvacuüm. De werkingssfeer is dan ook beperkt tot dat deel van de zeebodem, ten aanzien waarvan Nederland, als meest nabij gelegen kuststaat, het eerst in aanmerking komt voor het nemen van wettelijke maatregelen om daarin te voorzien. Door deze beperking, en door de mogelijkheid om bepaalde installaties uit te zonderen (vgl. het ontwerp-artikel 3), vermijdt de voorgestelde regeling, dat in de sfeer der jurisdictie van een andere staat zou worden ingegrepen.

(…)

De thans voorgestelde regeling is zodanig opgezet, dat zij de mogelijkheid biedt tot een bij de omstandigheden aangepast optreden. Zij verklaart dan ook niet de gehele Nederlandse wetgeving automatisch van toepassing op de binnen haar bereik vallende installaties. Een groot deel van onze wetgeving zou daarop trouwens alleen reeds om technische redenen moeilijk toe te passen zijn. Bovendien behoort het optreden, gelijk hierboven (in § 3) reeds werd opgemerkt, niet verder te gaan dan tot hetgeen redelijkerwijs nodig is voor de beveiliging van internationale belangen, zoals die van de scheepvaart en de visserij, en van Nederlandse nationale belangen.”

14. Voorts houdt deze memorie van toelichting ten aanzien van art. 2 onder meer het volgende in:

”Tot de van toepassing te verklaren wettelijke voorschriften behoren in elk geval de daarvoor in aanmerking komende bepalingen van het Wetboek van Strafrecht. Aldus zal b.v., op basis van artikel 254bis van dat wetboek, strafrechtelijk kunnen worden opgetreden tegen een eventueel voor het publiek open te stellen gelegenheid tot hazardspel op een kunstmatig eiland in zee. Voorts ligt het in de bedoeling maatregelen tegen een ongeautoriseerde televisiezender mogelijk te maken door bepalingen van de Telegraaf- en Telefoonwet toepasselijk te verklaren. Aanwijzing bij algemene maatregel van bestuur ligt in de rede, omdat niet bij voorbaat nauwkeurig is te overzien aan hantering van welke voorschriften in een eventueel voorkomend geval behoefte zal kunnen bestaan.”

15. De tenlastelegging van feit 2 is toegesneden op art. 20, eerste lid, en art. 31, zevende lid, Scheepvaartverkeerswet in verbinding met de voorschriften 2, 5, 6, 7 en 8 van het Verdrag inzake Internationale Bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee 1972 en met de artikelen 1 en 5 van het Besluit toepassingsverklaring Internationale Bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee 1972.5 De daarin omschreven gedragingen die de verdachte worden verweten zijn ontleend aan voorschrift 8 (eerste gedachtestreepje van de tenlastelegging), voorschrift 5 (tweede gedachtestreepje), voorschrift 6 (derde gedachtestreepje), voorschrift 7 onder a (vierde gedachtestreepje) en voorschrift 7 onder b (vijfde gedachtestreepje) van het Verdrag. In de hiervoor onder 8 weergegeven overwegingen ligt als de feitelijke vaststelling van het hof besloten dat het schip waarmee de verdachte heeft gevaren ten tijde van het onder 2 bewezen verklaarde feit zich niet heeft bevonden in de Nederlandse territoriale zee en dat het schip niet was geregistreerd in Nederland en niet was gerechtigd om de Nederlandse vlag te voeren. Deze feitelijke vaststellingen zijn in het licht van de stukken van het geding niet onbegrijpelijk. Nu deze in hoger beroep en in cassatie niet zijn bestreden, dient daarvan in cassatie te worden uitgegaan.

16. Het hof heeft geoordeeld dat de verdachte ter zake van feit 2 dient te worden ontslagen van rechtsvervolging, aangezien overtreding van het Verdrag inzake de Internationale Bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee 1972, begaan door vreemde schepen naar Nederlands recht alleen een strafbaar feit oplevert indien die overtreding in de Nederlandse territoriale zee is begaan. Gelet op het hiervoor onder 9 weergegeven samenstel van wettelijke bepalingen, geeft dit oordeel geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Uit art. 1 van het Besluit volgt immers dat de voorschriften van het Verdrag alleen van toepassing zijn op schepen die in Nederland zijn geregistreerd of die gerechtigd zijn de Nederlandse vlag te voeren en op (andere) schepen die zich in de Nederlandse territoriale zee bevinden, terwijl aan deze voorwaarden in het onderhavige geval niet is voldaan. De strafbaarstelling van art. 5 van het Besluit, in verbinding met de artikelen 20 en 31 Scheeepvaartverkeerswet, moet in dit licht worden bezien. Indien de voorschriften op een bepaald geval niet van toepassing zijn, is daarmee gegeven dat ook een op de overtreding van die voorschriften geënte strafbaarstelling toepassing mist. Het hof heeft terecht overwogen dat daaraan niet afdoet dat art. 2 Wet installaties Noordzee bepaalt dat de Nederlandse strafwet toepasselijk is op een ieder die zich met betrekking tot een installatie ter zee aan enig strafbaar feit schuldig heeft gemaakt. Deze bepaling van rechtsmacht heeft weliswaar een algemeen karakter, maar strekt zich slechts uit tot de overtreding van voorschriften die strafbaar zijn gesteld. De strafbaarstelling van de overtreding van de tot het Verdrag behorende voorschriften is ingevolge het Besluit beperkt tot die gevallen waarin de voorschriften toepasselijk zijn. Uit art. 1, eerste lid, van het Besluit volgt dat de desbetreffende voorschriften in de onderhavige zaak niet van toepassing zijn. Dat betekent dat het bepaalde in art. 2 Wet installaties Noordzee ten aanzien van de rechtsmacht eveneens toepassing mist. Daarbij merk ik nog op dat uit de toelichting op het middel volgt dat het middel steunt op de onjuiste veronderstelling dat art. 2 Wet installaties Noordzee is aan te merken als een afwijkend voorschrift als bedoeld in art. 1, tweede lid, van het Besluit.

17. Het middel faalt.

18. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Deze aanvulling van gronden heeft betrekking op de motivering ten aanzien van de (niet) strafbaarheid van feit 2, welke motivering het hof in de plaats heeft gesteld van de desbetreffende motivering van de politierechter.

2 Deze bewezenverklaring is opgenomen in het door het hof bevestigde vonnis van de politierechter.

3 De preambule van deze wet houdt onder meer in: “dat het wenselijk is ter bescherming van rechtsbelangen voorzieningen te treffen ten aanzien van installaties op de bodem van het deel van de Noordzee waarvan de grenzen samenvallen met die van het aan Nederland toekomende gedeelte van het continentale plat, een en ander zolang geen internationale regeling ter zake is tot stand gekomen.”

4 Zie Kamerstukken II 1963/64, 7643, nr. 3, p. 5 (Stb. 1964, 447).

5 Deze bepalingen zijn tevens onder de aanhef “strafbaarstelling” aan het slot van de tenlastelegging van feit 2 opgenomen in de inleidende dagvaarding.