Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:2809

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
25-11-2014
Datum publicatie
28-01-2015
Zaaknummer
14/00062
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:134, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Vordering b.p. Voldoende verband rechtstreekse schade a.b.i. art. 51f en art. 361.2 Sv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 14/00062

Zitting: 25 november 2014

Mr. Bleichrodt

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 17 december 2013 het ten laste van de verdachte gewezen vonnis van de Rechtbank Amsterdam, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, vernietigd ten aanzien van de straf en de strafmotivering en het vonnis voor het overige, met een verbetering van de kwalificatie van het onder 3 bewezen verklaarde, bevestigd. De verdachte is aldus ter zake van (1) “mishandeling”, (2) “belediging” en (3) “schennis van de eerbaarheid op een niet openbare plaats, terwijl een ander daarbij zijns ondanks tegenwoordig is” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren en met de toepassing van bijzondere voorwaarden.

2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. W.H. Jebbink, advocaat te Amsterdam, een schriftuur houdende vier middelen van cassatie ingediend.

3. Het eerste middel behelst, mede gezien de daarop gegeven toelichting, de klacht dat het hof ten onrechte het vonnis heeft bevestigd, omdat daarin het onder 1 bewezen verklaarde ontoereikend is gemotiveerd.

4. Ten laste van verdachte is onder 1 bewezen verklaard dat hij:

“op 28 januari 2013 te Amsterdam, opzettelijk [betrokkene] heeft mishandeld, bestaande die mishandeling uit het met kracht duwen tegen de rug van voornoemde [betrokkene], waardoor voornoemde [betrokkene] ten val is gekomen, en uit het met de vuist slaan legen het gezicht van voornoemde [betrokkene], waardoor voornoemde [betrokkene] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.”

5. Deze bewezenverklaring steunt door de bevestiging van het vonnis in zoverre, op de volgende, in ‘bijlage I’ bij het vonnis in eerste aanleg opgenomen bewijsmiddelen:

“1. Een proces-verbaal van aangifte met nummer PL131B 2013022296-1 van 28 januari 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1], met in de bijlage foto's van het letsel (p. 6-12).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [betrokkene], zakelijk weergegeven:

Op 28 januari 2013 te 09.30 uur werd op de Ankerplaats te Amsterdam het feit gepleegd. [...] Ik wens aangifte te doen van mishandeling tegen mijn ex-vriend [verdachte]. [verdachte] kwam vanaf een flat aanlopen. Ik was in paniek en ik stond aan de grond genageld. Ik had de fiets nog aan mijn hand. Ik zag dat [verdachte] op mij af kwam lopen. Ik liet uit reflex mijn fiets vallen. Ik ben gaan rennen richting het winkelcentrum "Ankerplaats". Ik ging rennen en ik zag dat [verdachte] ook in mijn richting ging rennen. Ik werd geduwd door [verdachte]. Ik voelde een duw van achteren, ter hoogte van mijn rug, schouder en misschien ook wel mijn hoofd. Voordat ik het wist, lag ik op de grond. Mijn handen en knieën raakten als eerste de grond. Ik heb nu ook schaafwonden. Voordat ik het wist voelde en zag ik dat ik een stoot op mijn linkeroog kreeg van [verdachte]. Het voelde alsof hij zijn vuist gebruikte. Op het moment dat hij mij sloeg, viel mijn linkeroorbel uit. Mijn linkeroog is dik en blauw. Mijn onderste voortanden voelen geribbeld. Ik heb ook last van hoofdpijn en misselijkheid.

2. Een proces-verbaal van bevindingen studioverhoor met nummer PL131B 2013022296-13 van 30 januari 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (p. 31-36).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van verbalisanten, zakelijk weergegeven:

De getuige [getuige] werd gehoord door een gecertificeerde studioverhoorder, genaamd. [verbalisant 3], van bureau Zedenpolitie Noord-Holland.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [getuige], zakelijk weergegeven:

V: Maandag, welke maandag was dat?

A: Deze maandag, de 28e.

V: Hoe ging dat maandag dan?

A: Hij stond achter een auto. Ik ging ook naar buiten en toen zagen wij hem opeens. Ik zag dat hij een snor had, een witte capuchon, een witte jas en een beetje rasta haar.

V: Hoe wist jij dat het [verdachte] was?

A: Hij staat altijd daar op ons te wachten. Aan zijn snor en die blik.

V: Wat deed mama toen?

A: Mama ging weg. Ik keek om en ik zag dat zij weg ging fietsen. Zij legde haar fiets neer. Mijn vader ging achter haar aan.

V: Je moeder fietst weg, legt haar fiets neer, wat zag jij dan precies, toen je omkeek?

A: Dat mijn moeder haar fiets weggooide en dat mijn vader achter haar aanrende. Daarna rende zij weg naar het kleine winkelcentrum en papa rende dus achter haar aan.

41. Een geschrift, zijnde een geneeskundige verklaring letselbeschrijving van 28 januari 2013, opgesteld en ondertekend door een forensisch arts, KNMG (p. 14).

Dit geschrift houdt onder meer in als verklaring van de forensisch arts, zakelijk weergegeven:

Subjectieve klachten: misselijk gevoel; pijn rond oog bij aanraken;

Toelichting: Mogelijk klein stukje van tand af door dichtklappen mond

tijdens slag op gezicht;

Schatting duur genezing: twee weken;

Letsel:

- roodheid en lichte zwelling jukbeen links, tevens lichte zwelling boven ooglid links en blauwverklaring onderooglid links;

- enkele gegroepeerde kleine, oppervlakkige schaafwondjes rechterhandpalm en twee kleine, diepe schaafwondjes (1 cm doorsnee) voorzijde linkerknie.

5. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL131G 2013022296-4 van 28 januari 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 4] en [verbalisant 5] (p. 20-22).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van verbalisanten, zakelijk weergegeven:

Op 28 januari 2013 arriveerden wij om 08:48 uur op het adres [a-straat 1] waar de woning werd opengedaan door [betrokkene]. Wij zagen op haar beide knieën kleine, bloedende schaafwonden.

[betrokkene] verklaarde: [verdachte] haalde mij in ter hoogte van [a-straat 2] en gaf mij een duw waardoor ik viel. Terwijl ik op de grond lag sloeg hij me op mijn gezicht.

Wij zagen aan de linkerzijde van de slaap van [betrokkene] een lichtrode gloed op haar gezicht en tevens dat op die plaats haar gezicht was opgezwollen.

Ik, verbalisant [verbalisant 4], liep met [betrokkene] de route, die zij had gelopen om te vluchten voor [verdachte]. Ik zag direct naast perceel [a-straat 2] een oorbel op de grond liggen, die identiek was aan de oorbel die nog in het andere oor van [betrokkene] aanwezig was.”

6. Het door het hof in zoverre bevestigde vonnis behelst voorts de volgende nadere bewijsoverweging:

“De rechtbank is van oordeel dat de ten laste gelegde mishandeling kan worden bewezen op basis van de aangifte, de verklaring van de dochter van aangeefster, het proces-verbaal van bevindingen opgesteld door verbalisanten en de letselverklaring. Voornoemde bewijsmiddelen kunnen de conclusie dragen dat verdachte [betrokkene] heeft geduwd, waardoor zij ten val is gekomen, en haar met een vuist in het gezicht heeft geslagen. De verklaring van de destijds negen jaar oude dochter van aangeefster, [getuige], steunt de verklaring van aangeefster, nu de dochter heeft verklaard dat zij verdachte op 28 januari 2013 op de plaats delict heeft gezien en dat zij de toedracht van de mishandeling heeft waargenomen. Deze door de dochter geschetste toedracht komt overeen met hetgeen aangeefster daarover heeft verklaard. De verklaring van de dochter is ook voldoende betrouwbaar om tot het bewijs te kunnen dienen. Dat [betrokkene] voorafgaand aan het studioverhoor met haar dochter heeft gepraat over de gebeurtenissen en het aankomende studioverhoor, zoals door de verdediging gesteld, is waarschijnlijk. Dit feit maakt de door de dochter afgelegde verklaring echter niet zonder meer ongeloofwaardig. In dat verband is allereerst van belang dat het verhoor is afgenomen door een gecertificeerde studio verhoorder, van wie mag worden verwacht dat beïnvloeding van buitenaf door middel van de wijze van ondervraging inzichtelijk wordt gemaakt. Bij de beoordeling van de verklaring heeft de rechtbank met voorzichtigheid per onderdeel bekeken en beslist of de afgelegde verklaring voldoende betrouwbaar is om tot het bewijs te kunnen dienen. Daarbij is onder andere gebleken dat op de voor verdachte belastende onderdelen is doorgevraagd naar de redenen van wetenschap, waarbij de dochter in staat is gebleken onderscheid te maken tussen hetgeen zij zelf heeft waargenomen en hetgeen haar moeder haar heeft verteld. De dochter heeft ook te kennen gegeven dat zij bepaalde - voor verdachte belastende - gebeurtenissen niet zelf heeft waargenomen, maar dat zij hiervan slechts had gehoord van haar moeder. Gelet op het voorgaande is de verklaring van de dochter aangaande de aanwezigheid van verdachte op 28 januari 2013 en aangaande de toedracht van de mishandeling voldoende betrouwbaar om tot het bewijs te kunnen dienen.

Uit het proces-verbaal van bevindingen blijkt bovendien dat de verbalisanten bij aangeefster letsel hebben waargenomen. Dit waargenomen letsel blijkt tevens uit de foto's die bij de aangifte zijn gevoegd en de letsel verklaring. Het geconstateerde letsel past bij de ten laste gelegde mishandeling, te weten de duw waardoor aangeefster op de grond is gevallen en de klap tegen haar hoofd. De rechtbank wordt bovendien gesterkt in haar overtuiging dat verdachte de ten laste gelegde mishandeling heeft begaan door de omstandigheid dat op de plek waar aangeefster door verdachte tegen het hoofd zegt te zijn geslagen, een oorbel wordt gevonden. De oorbel komt overeen met de oorbel die aangeefster nog in haar andere oor droeg.

De verdediging heeft nog gesteld dat de verklaring van de dochter van aangeefster ontlastend is voor verdachte, nu deze onder andere inhoudt dat haar moeder haar heeft verteld dat haar letsel het gevolg was van het feit dat zij is gestruikeld, dat verdachte alleen achter haar is aangerend en verder niets heeft gedaan. Hieraan kan echter niet het gevolg worden verbonden dat de verdediging voorstaat, gegeven de omstandigheid dat de dochter van aangeefster blijkens het dossier - waaronder een verklaring van een orthopedagoog - al sinds zeer jonge leeftijd ernstig wordt bedreigd in haar ontwikkeling door hevige spanningen en angst voor verdachte. Het is daarom alleszins waarschijnlijk te achten dat aangeefster haar nog zeer jonge dochter heeft getracht te ontzien door haar niet te vertellen over de mishandeling door verdachte, zodat de verklaring van de dochter op dit punt onvoldoende afbreuk doet aan de inhoud van aangifte.

Gezien al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de door verdachte gepleegde mishandeling bewezen kan worden geacht.”

7. Het middel behelst de klacht dat het hof het oordeel dat de verdachte het onder 1 bewezen verklaarde heeft begaan, mede in het licht van een gevoerd verweer, ontoereikend heeft gemotiveerd. De kern van het middel lijkt te zijn dat de verklaring van aangeefster onvoldoende steun vindt in de verklaring van haar dochter en het tot het bewijs gebezigde proces-verbaal van bevindingen. Daarbij wordt buiten beschouwing gelaten dat het hof tevens een geneeskundige verklaring letselbeschrijving van de forensisch arts van 28 januari 2013 tot het bewijs heeft gebezigd, waarin letsel wordt geconstateerd dat past bij de ten laste gelegde mishandeling (bewijsmiddel 4). Daarmee geeft het middel blijk van een te beperkte en aldus van een onjuiste lezing van de bestreden uitspraak. Reeds daarop strandt het middel.

8. Voor zover is beoogd erover te klagen dat het hof met de bevestiging van het vonnis blijk heeft gegeven van een schending van art. 342, tweede lid, Sv, geldt het volgende. In de onderhavige zaak heeft het hof, door het vonnis in zoverre te bevestigen, het bewijsoordeel van een uitvoerige, nadere motivering voorzien, waarin op niet onbegrijpelijke wijze is toegelicht dat en waarom de tot het bewijs gebezigde verklaring van de aangeefster voldoende steun vindt in het overige bewijsmateriaal. Daartoe is niet alleen de bij een studioverhoor afgelegde verklaring van de dochter van de aangeefster in aanmerking genomen, maar ook de verklaring van de forensisch arts en de gerelateerde waarnemingen van de verbalisanten ten aanzien van het letsel en de gevonden oorbel op de plek waar de mishandeling volgens de aangeefster had plaatsgevonden. Aldus is geen sprake van schending van art. 342, tweede lid, Sv.

9. Anders dan het middel wil, behoefde de overweging dat (en waarom) het alleszins waarschijnlijk is te achten dat de aangeefster haar nog zeer jonge dochter heeft getracht te ontzien door haar te vertellen dat het letsel zou zijn ontstaan doordat zij zou zijn gestruikeld niet op “enig onderdeel van het dossier” te worden gebaseerd. Het gaat hierbij om een – niet onbegrijpelijke – duiding van een in het dossier opgenomen verklaring. Die verklaring doet bovendien niet af aan het als bewijsmiddel 2 opgenomen deel van de verklaring van de dochter ten aanzien van haar eigen waarneming ten tijde van het ten laste gelegde feit.

10. Het middel faalt.

11. Het tweede middel behelst de klacht dat het hof ten onrechte het ten laste van de verdachte gewezen vonnis heeft bevestigd, omdat daarin het onder 3 bewezen verklaarde opzet ontoereikend is gemotiveerd.

12. Ten laste van verdachte is onder 3 bewezen verklaard dat hij:

“op 29 januari 2013 te Amsterdam, zich opzettelijk oneerbaar op een niet openbare plaats, te weten op het politiebureau Rode Kruisstraat 79 te Amsterdam, met ontbloot geslachtsdeel heeft bevonden, terwijl daarbij een ambtenaar, te weten [verbalisant 6], zijns ondanks tegenwoordig was.”

13. Deze bewezenverklaring steunt op het volgende bewijsmiddel:

“9. Een proces-verbaal van verhoor verdachte met nummer 2013022296-8 van 29 januari 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 6] en [verbalisant 7] (p. 25-27).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van verbalisanten, zakelijk weergegeven:

Op dinsdag 29 januari 2013 hoorden wij verdachte in het politiebureau Rode Kruisstraat 79 te Amsterdam.

Noot verbalisant: Ik, eerste verbalisant, zag dat de verdachte zijn middelvinger naar mij opstak en vervolgens zijn piemel uit zijn broek haalde.”

14. De bewezenverklaring is voorts voorzien van de volgende nadere bewijsoverweging:

“De rechtbank oordeelt dat het beschreven gedrag van verdachte in het proces-verbaal van verhoor voldoende aanknopingspunten biedt om vast te stellen dat verdachte opzet heeft gehad op het schenden van de eerbaarheid van verbalisant [verbalisant 6]. Uit de noot van verbalisanten blijkt immers dat verdachte boos werd, zijn middelvinger opstak naar [verbalisant 6] en vervolgens in het zicht van verbalisant [verbalisant 6] zijn piemel uit zijn broek haalde. Deze context duidt erop dat het handelen van verdachte was ingegeven door op de aanwezige verbalisanten gerichte boosheid, waaruit het opzet op de schennis blijkt. De verklaring van verdachte dat hij met zijn hand in zijn broek zat, maar dat hij niet de bedoeling heeft gehad zijn piemel aan de verbalisanten te laten zien, schuift de rechtbank dan ook terzijde.”2

15. Het middel behelst de klacht dat uit de bewijsvoering niet kan worden afgeleid dat de opzet van de verdachte gericht is geweest op zijn aanwezigheid op het politiebureau.

16. De in art. 239 Sr strafbaar gestelde schennis van de eerbaarheid veronderstelt (ten minste voorwaardelijk) opzet op de ten laste gelegde, de eerbaarheid schendende handeling.3 De steller van het middel merkt op zichzelf terecht op dat de opneming van “opzettelijk” in de tenlastelegging overbodig is; het opzet ligt immers reeds besloten in de term “schennis”.4 Het middel is echter gebaseerd op de onjuiste veronderstelling dat door het opnemen van de term “opzettelijk” in de tenlastelegging het feit niet bewezen kan worden indien de verdachte zich tegen zijn wil op het politiebureau bevond. De omstandigheid dat de verdachte zich tegen zijn wil op het politiebureau bevond laat immers onverlet dat deze, wetende dat hij zich op het politiebureau bevond, aldaar opzettelijk oneerbaar zijn geslachtsdeel heeft getoond terwijl daarbij, zijns ondanks, een ambtenaar aanwezig was. Daarmee is de bewezenverklaring, ook ten aanzien van het opzet, toereikend gemotiveerd.

17. Het middel faalt.

18. Het derde middel keert zich tegen de in het vonnis opgenomen kwalificatie van het onder 3 bewezen verklaarde.

19. Het hof heeft onder “Vonnis waarvan beroep” het volgende overwogen:

“Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de straf en de motivering daarvan - in zoverre zal het vonnis worden vernietigd - en met dien verstande dat het hof het onder 3 bewezen verklaarde als volgt kwalificeert:

schennis van de eerbaarheid op een niet openbare plaats, terwijl een ander daarbij zijns ondanks tegenwoordig is.”

20. De in cassatie geformuleerde klacht gaat uit van de onverbeterde kwalificatie. In de onder 18 weergegeven overweging van het hof heeft het hof echter overwogen dat het onder 3 bewezen verklaarde wordt gekwalificeerd als schennis van de eerbaarheid op een niet openbare plaats, terwijl een ander daarbij zijns ondanks tegenwoordig is. In zoverre berust het middel op een verkeerde lezing van het bestreden arrest en faalt het derhalve wegens gebrek aan feitelijke grondslag.

21. Het hof heeft de verbeterde kwalificatie niet in het dictum opgenomen. Het hof heeft volstaan met een verbeterde lezing. Daarmee heeft het hof het vonnis ook ten aanzien van de kwalificatie, die het verbeterd heeft gelezen, bevestigd.5 Anders dan het middel wil, is de kwalificatiebeslissing daarmee niet onbegrijpelijk. Zelfs als dat anders mocht worden gezien, kan het middel niet tot cassatie leiden, omdat het arrest in dit opzicht alsnog verbeterd kan worden gelezen. De in het vonnis opgenomen kwalificatie betreft immers, gelet op de bewezenverklaring en de bewijsvoering, een kennelijke misslag, die op de strafbepaling geen invloed zal hebben gehad, en leent zich om die reden voor verbeterde lezing op de door het hof in de hiervoor onder 19 aangehaalde wijze.

22. Het middel is tevergeefs voorgesteld.

23. Het vierde middel komt op tegen de door het hof bevestigde beslissing tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

24. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 3 december 2013 blijkt dat de raadsvrouwe van de verdachte aldaar het woord ter verdediging heeft gevoerd overeenkomstig de door haar overgelegde pleitnotities. Deze pleitnotities houden, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

“19. (…) dan verzoek ik primair de vordering benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren gezien mijn verzoek cliënt van alle aan hem ten laste gelegde feiten vrij te spreken.

20. Subsidiair verzoek ik u de vordering benadeelde partij gedeeltelijk niet-ontvankelijk te verklaren.

21. Op de eerste plaats wordt het causaal verband met het ten laste gelegde feit betwist. Verder blijkt uit de bon (bijlage 4) dat de rekening is gedateerd op 9 februari 2013, hetgeen ruim een week na het ten laste gelegde is. Er ontbreken foto's van de schade op 28 januari 2013 en niet is onderbouwd hoe met een val van de fiets deze schade dan zou zijn ontstaan. Onduidelijk is wat de vierde opgevoerde kosten van €27,50 zijn.

22. Op de tweede plaats worden de tandartskosten betwist. De rekening (bijlage 5) valt niet te rijmen met de schade aan de voorste ondertanden die [betrokkene] stelt te hebben geleden. Haar tanden zouden geribbeld aan hebben gevoeld. In de geneeskundige verklaring staat dat er mogelijk een klein stukje van een tand af zou zijn, terwijl de rekening ziet op twee vullingen aan niet de voorste ondertanden.

23. Tot slot wordt verzocht de gevorderde immateriële schade te matigen, gezien de hoogte van schadevergoedingen die doorgaans in vergelijkbare zaken worden toegekend.”

25. De eerste vraag die in dit verband rijst is of het hof de schadevergoedingsmaatregel wel heeft opgelegd. Het hof heeft immers het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en de motivering daarvan vernietigd en vervolgens niet afzonderlijk de schadevergoedingsmaatregel opgelegd. In het arrest van de Hoge Raad van 26 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1430, NJ 2014/42 is overwogen dat in een geval waarin de Hoge Raad een arrest “uitsluitend wat betreft de strafoplegging” vernietigt deze vernietiging zich in beginsel uitstrekt tot alle in de bestreden uitspraak genomen beslissingen als bedoeld in art. 351 Sv omtrent de oplegging van een straf en/of maatregel. Daartoe behoort ook de beslissing tot oplegging van een schadevergoedingsmaatregel, maar niet de beslissing omtrent de vordering van een benadeelde partij. Het is echter de vraag of deze benadering ook geldt voor de vernietiging door het hof van een vonnis in eerste aanleg, zoals hier aan de orde.6 Het komt hierbij aan op de uitleg van het desbetreffende arrest. De steller van het middel gaat er kennelijk vanuit dat het hof de schadevergoedingsmaatregel, ondanks de vernietiging van het vonnis ten aanzien van de straf en de motivering daarvan, in hoger beroep eveneens heeft opgelegd. Daarvoor valt het nodige te zeggen. Naar de bewoordingen van het arrest strekt de vernietiging zich uit tot de “opgelegde straf en de motivering daarvan”, terwijl het bij de schadevergoedingsmaatregel gaat om een maatregel en niet om een straf. Deze maatregel vertoont bovendien in sterke mate verwantschap met de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij en wordt veelal (slechts) opgelegd ter bevordering van de betaling. Die verwantschap volgt ook uit de plaats in het vonnis waar de schadevergoedingsmaatregel wordt genoemd en gemotiveerd: na de beslissing op de vordering van de benadeelde partij. Nu in het arrest van het hof geen aanwijzing te vinden is dat het hof op dit onderdeel heeft willen afwijken van hetgeen in het bestreden vonnis is neergelegd, ga ik er met de steller van het middel vanuit dat de schadevergoedingsmaatregel deel uitmaakt van de door het hof opgelegde sancties.

26. Het door het hof, voor zover hier van belang, bevestigde vonnis houdt het volgende in:

“9. De vordering van de benadeelde partij [betrokkene]

[betrokkene] heeft zich als benadeelde partij gevoegd tot een totaalbedrag van € 908,39 (negenhonderdenacht euro en negenendertig eurocent). Zij vordert dat verdachte de door haar geleden immateriële schade en materiële schade (reparatie fiets, behandeling tandarts en reiskosten) zal vergoeden.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat slechts de behandeling van een deel van de vordering van [betrokkene] niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tevens is vast komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder feit 1 ten laste gelegde rechtstreeks schade heeft geleden.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering van het bedrag aan immateriële schade, gelet op de lichamelijke en psychische toestand van verdachte, onderbouwd door de onderliggende stukken, een alleszins redelijke vergoeding is.

Met betrekking tot de gevorderde materiële schade overweegt de rechtbank als volgt. Wat betreft de gestelde schade aan de fiets van voornoemde [betrokkene] is op basis van het voorliggende dossier voldoende vast komen te staan dat [betrokkene] de fiets heeft laten vallen als gevolg van het feit dat verdachte op haar afkwam om haar te lijf te gaan. Dat de feitelijke mishandeling pas kort daarna heeft plaatsgevonden, maakt niet dat de schade aan de fiets niet als rechtstreeks gevolg van de mishandeling kan worden aangemerkt. Ook het verweer van de raadsvrouw dat het causale verband tussen de mishandeling en de schade aan de tanden van [betrokkene] ontbreekt, wordt door de rechtbank verworpen. Als toelichting op de schade [heeft] [betrokkene] op de terechtzitting verklaard dat haar tanden op elkaar zijn geklapt, doordat verdachte haar met een vuist in het gezicht heeft geslagen. Uit de letselverklaring blijkt dat de klap in het gezicht mogelijk tot schade aan een tand heeft geleid. Uit de tandartsrekening blijkt dat ongeveer een week na het bewezenverklaarde feit vullingen zijn geplaatst in de tanden 23 en 41, die de linkerbovenhoektand en de grote rechterondertand betreffen. Dit ondersteunt de stelling van [betrokkene] dat haar voortanden door de mishandeling beschadigd zijn. Op grond van het voorgaande acht de rechtbank het causale verband tussen de verweten gedraging en de gevorderde tandartskosten aanwezig.

De rechtbank begroot de door de benadeelde partij geleden schade en stelt deze vast op € 829,64 (achthonderdnegenentwintig euro en vierenzestig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 28 januari 2013 tot aan de dag van de algehele voldoening. De vordering kan ook tot dat bedrag, bestaan uit de reparatie van de fiets (€ 51,35), de behandeling bij de tandarts (78,29) en de immateriële schade (€ 700,00) worden toegewezen.

Het overige deel van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op, nu de gevorderde reiskosten in het licht van de betwisting door de verdediging onvoldoende zijn onderbouwd. Daarom is de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk. De benadeelde partij kan dat deel bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Verdachte zal worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [betrokkene] wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opgelegd. De rechtbank waardeert deze op € 829,64 (achthonderdnegenentwintig euro en vierenzestig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 28 januari 2013 tot aan de dag van de algehele voldoening.”

27. Het middel komt ten eerste op tegen het oordeel dat de door de benadeelde partij gevorderde schade aan de fiets als rechtstreekse schade van de onder 1 bewezen verklaarde mishandeling is aan te merken.

28. De bewezenverklaring van feit 1 is hiervoor onder 4 weergegeven, terwijl de bewijsmiddelen onder 5 zijn opgenomen. Ook in de strafmotivering komen de omstandigheden waaronder de mishandeling (alsmede het onder 2 bewezen verklaarde) is begaan aan de orde:

“De verdachte heeft tot tweemaal toe zijn ex-vriendin [betrokkene] bij haar woning opgewacht en haar vervolgens vijandig benaderd. Bij de eerste gelegenheid heeft de verdachte haar in het bijzijn van hun dochter in het gezicht gespuugd. Bij de tweede gelegenheid zijn [betrokkene] en haar dochter uit angst voor de verdachte in verschillende richtingen weggevlucht, waarna de verdachte achter [betrokkene] aan is gerend en

haar heeft mishandeld. Het gedrag van de verdachte heeft bij zowel [betrokkene] als haar dochter buitengewoon veel spanning en angst teweeggebracht. Als gevolg daarvan wordt de ontwikkeling van de dochter van de verdachte en [betrokkene] in ernstige mate bedreigd. [betrokkene] leeft in grote angst voor de verdachte. Zij vreest voor haar eigen veiligheid en die van haar dochter.”

29. Het middel stelt de vraag aan de orde of voldoende verband bestaat tussen de bewezen verklaarde gedraging en de door de benadeelde partij geleden schade aan de fiets om te kunnen aannemen dat zij door de bewezen verklaarde gedraging rechtstreeks schade heeft geleden. Zowel voor de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel als voor de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij dient sprake te zijn van causaal verband tussen de schade en het bewezen verklaarde feit. Dat volgt voor de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij uit art. 361, tweede lid, onder b, Sv, in combinatie met het in art. 6:98 BW bepaalde.7 Art. 36f, tweede lid, Sr bepaalt dat de schadevergoedingsmaatregel kan worden opgelegd indien en voor zover de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht. Daardoor is ook de schadevergoedingsmaatregel slechts toepasbaar in geval causaal verband bestaat tussen de schade en het strafbare feit in de zin van art. 6:98 BW. Voor de beantwoording van de vraag of sprake is van (rechtstreekse) schade die het gevolg is van het bewezen verklaarde feit zijn de concrete omstandigheden van het geval bepalend.8 Aan de wetsgeschiedenis kan in dit verband het volgende worden ontleend:

"Aan de voorwaarde dat de schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit is voldaan als in de telastelegging de gedraging is omschreven die de schade heeft veroorzaakt, zodat op basis van de telastelegging de civiele vordering kan worden onderzocht. Wordt een verdachte bijvoorbeeld vervolgd wegens mishandeling dan zal de benadeelde partij zich kunnen voegen met haar vordering die een rechtstreeks gevolg is van de mishandeling, ongeacht de vraag of deze schade in de telastelegging is vermeld."9

30. Het komt mij voor dat, mede in het licht van het bepaalde in art. 6:98 BW, bij de beoordeling of sprake is van causaal verband tussen de schade en het bewezen verklaarde feit de grenzen van de in de bewezenverklaring genoemde gedraging van de verdachte niet te nauw moeten worden getrokken. Daarbij moet worden bedacht dat de wijze waarop de bewezenverklaring tot stand komt in belangrijke mate wordt beïnvloed door de structuur van het strafproces, in het bijzonder het beslissingsmodel van de artikelen 348 en 350 Sv. De strafrechter beraadslaagt op de grondslag van de tenlastelegging, terwijl de wijze waarop de tenlastelegging is ingekleed wordt afgestemd op de omschrijving van het strafbare feit in de delictsomschrijving. Die structuur brengt doorgaans een zekere versmalling mee: de historische werkelijkheid wordt verengd tot de in de tenlastelegging concreet omschreven gedraging van de verdachte.10 In contrast met de specifieke strafrechtelijke delictsomschrijvingen staat het algemeen omschreven civielrechtelijke begrip onrechtmatige daad.11 In art. 6:98 BW wordt in het kader van het causaal verband in algemene termen gerefereerd aan “de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van de schuldenaar berust”. Bij de vaststelling van die gebeurtenis geldt niet de beperkende structuur van de tenlastelegging en bewezenverklaring. Dit verschil in uitgangspositie kan complicerend werken in situaties waarin beide systemen samenkomen, zoals bij de (in wezen civielrechtelijke) beoordeling of causaal verband bestaat tussen de schade en het bewezen verklaarde feit. Denkbaar is dat de onrechtmatige daad een breder bereik heeft dan de gedraging die uiteindelijk in de bewezenverklaring wordt omschreven. De onderhavige zaak vormt daarvan een illustratie. Ik licht dat toe.

31. De door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden houden het volgende in. De benadeelde partij is de ex-vriendin van de verdachte. Zij leeft in angst voor de verdachte. Zodra zij, terwijl zij samen met haar dochter is, de verdachte op haar af ziet komen lopen “om haar te lijf te gaan”, raakt zij in paniek en laat zij in een reflex haar fiets vallen. Vervolgens vlucht zij rennend weg, waarna de verdachte haar achtervolgt en haar mishandelt, op de wijze zoals bewezen is verklaard.

32. Uit de bewijsvoering kan aldus worden afgeleid dat de schade aan de fiets is ontstaan voordat de daadwerkelijke mishandeling plaatsvond. Indien strikt wordt vastgehouden aan het causaal verband tussen de schade en het bewezen verklaarde feit, zou betoogd kunnen worden dat de schade aan de fiets niet het gevolg is geweest van de gedragingen die volgens de bewezenverklaring de mishandeling inhouden, te weten het met kracht duwen tegen de rug van de aangeefster en het geven van een vuistslag tegen haar gezicht. Uit de feitelijke vaststellingen in het bestreden arrest wordt duidelijk dat de aangeefster haar fiets heeft weggegooid uit paniek en angst voor de verdachte in een vergeefse poging aan de mishandeling door de verdachte te ontkomen. Het hof heeft in dit verband overwogen dat de aangeefster haar fiets heeft laten vallen als gevolg van het feit dat de verdachte op haar af kwam om haar te lijf te gaan. Strikt genomen gaat de schade daarmee vooraf aan de specifiek bewezen verklaarde gedragingen. Niettemin meen ik dat die omstandigheid er niet aan in de weg behoeft te staan dat het hof de schade aan de fiets als rechtstreekse schade als gevolg van de mishandeling heeft kunnen aanmerken. Zoals gezegd, gaat het in dezen in de kern om een civielrechtelijke beoordeling. In een geval als het onderhavige maakt de aanloop naar de mishandeling deel uit van het feitencomplex dat als onrechtmatige daad kan worden getypeerd. De vraag of de verdachte naar de maatstaven van het burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade aan de fiets lijkt mij in die omstandigheden niet moeilijk te beantwoorden. Naar mijn mening kan onder de gegeven omstandigheden ook worden aangenomen dat sprake is van rechtstreekse schade als gevolg van het bewezen verklaarde feit, ook al moet daarvoor in zekere zin buiten de oevers van de formulering van de bewezenverklaring worden getreden. Ook uit de rechtspraak van de Hoge Raad leid ik af dat de voorwaarde dat de schade een (rechtstreeks) gevolg is van het bewezen verklaarde feit niet te beperkt moet worden opgevat.12 Ik licht dit toe aan de hand van drie voorbeelden uit de jurisprudentie.

33. In HR 24 maart 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD0985, NJ 1998/537 was de verdachte veroordeeld ter zake van heling van een kort daarvoor gestolen geldkist. De bestolene had zich als benadeelde partij gevoegd. Uit de overwegingen van het hof volgde dat de verdachte nauw betrokken was geweest bij de diefstal. Het hof oordeelde dat de bewezen verklaarde opzetheling en de kort daarvoor gepleegde diefstal van de geldkist in zodanig nauw verband tot elkaar stonden dat de door de verdachte gepleegde opzetheling de door de benadeelde partij geleden schade had veroorzaakt. Dat oordeel getuigde volgens de Hoge Raad – in het licht van de omstandigheden van het geval - niet van een onjuiste rechtsopvatting.13 In de tweede zaak hield de bewezenverklaring in dat de verdachte door met een auto tegen een winkelpui aan te rijden en te dreigen met vuurwapens zich had schuldig gemaakt aan een poging tot diefstal met geweld. De auto was kort daarvoor gestolen. In de overwegingen van het hof lag besloten dat de verdachte en zijn mededader de auto hadden gestolen. Het hof oordeelde dat de verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk was voor de schade die door de bewezen verklaarde gedraging aan de auto was toegebracht, onder meer bestaande uit het verdwijnen van goederen die hem toebehoorden en die zich in de auto hadden bevonden. Het kennelijke oordeel van het hof dat ook die schade als een gevolg van de diefstal van de bij het bewezen verklaarde feit gebruikte auto redelijkerwijs aan de verdachte kon worden toegerekend, achtte de Hoge Raad ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk.14 In de derde zaak was de verdachte van de ten laste gelegde diefstal van een auto vrijgesproken en veroordeeld wegens de subsidiair ten laste gelegde schuldheling van deze auto. Het hof wees de vordering van de benadeelde partij ten aanzien van deze schade, onder meer bestaande uit een kapot contactslot, toe. In cassatie werd namens de verdachte aangevoerd dat de schade niet het gevolg was van de schuldheling, maar van de diefstal, waarvan de verdachte was vrijgesproken. De Hoge Raad overwoog dat het kennelijke oordeel van het hof dat voldoende rechtstreeks verband bestond tussen de helingshandeling en de door de rechthebbende op het geheelde goed geleden schade geen blijk gaf van een onjuiste rechtsopvatting. Het oordeel van het hof behoefde geen nadere motivering, in aanmerking genomen dat het bestaan van zodanig verband in gevallen als dit niet is uitgesloten en in feitelijke aanleg dienaangaande geen verweer was gevoerd.15

34. De drie genoemde zaken hebben met de onderhavige zaak gemeen dat daarin de schade vooraf lijkt te gaan aan het bewezen verklaarde feit. Zij verschillen van elkaar doordat de eerdere (mede) schadeveroorzakende gebeurtenissen in de andere zaken eveneens strafbare feiten inhielden. Dat verschil is naar mijn mening niet doorslaggevend. Bepalend is in dit verband de nauwe samenhang tussen de verschillende gedragingen. Uit de vaststellingen van het hof volgt dat het hof het laten vallen van de fiets heeft aangemerkt als een paniekreactie op het feit dat de verdachte met kennelijk kwade bedoelingen op de aangeefster af kwam lopen. Aldus heeft het hof het laten vallen van de fiets aangemerkt als een reactie op de op handen zijnde mishandeling. Het laten vallen van de fiets en de mishandeling staan daarmee in zodanig nauw verband tot elkaar dat de schade aan de fiets redelijkerwijs als gevolg van de mishandeling aan de verdachte kan worden toegerekend. Het oordeel dat de schade aan de fiets onder de vastgestelde feiten en omstandigheden is aan te merken als schade die het rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde feit, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is in het licht van de omstandigheden van het geval niet onbegrijpelijk. Het oordeel is toereikend gemotiveerd.

35. Dat daarbij door de dochter van de aangeefster in haar tot het bewijs gebezigde verklaring andere woorden worden gebruikt (“legde haar fiets neer”, “weggooide”), levert geen tegenstrijdigheid op. Het hof heeft hiervoor in navolging van de verklaring van de aangeefster het neutrale “laten vallen” gebezigd, hetgeen niet in tegenspraak is met de door de dochter gebezigde bewoordingen. Mede in aanmerking genomen hetgeen namens de verdachte omtrent de vordering van de benadeelde partij is aangevoerd, behoefde dit oordeel geen nadere motivering.

36. Ten slotte behelst het middel de klacht dat de toewijzing van de gevorderde immateriële schade niet zonder meer begrijpelijk is, omdat daartoe in aanmerking is genomen ‘de lichamelijke en psychische toestand van verdachte’. Gezien de context waarin die zinsnede is geplaatst, moet worden aangenomen dat sprake is van een kennelijke verschrijving en dat bedoeld is te overwegen dat de vordering van het bedrag aan immateriële schade, gelet op de lichamelijke en psychische toestand van de benadeelde partij, onderbouwd door de onderliggende stukken, een alleszins redelijke vergoeding is. Deze misslag leent zich voor verbeterde lezing. Daarmee komt aan de klacht de feitelijke grondslag te ontvallen.

37. De middelen falen. De eerste drie middelen kunnen worden afgedaan met de aan artikel 81, eerste lid, RO ontleende overweging.

38. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

39. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 De bijlage bevat geen bewijsmiddel met nummer 3, AG.

2 Ter terechtzitting in hoger beroep had de verdachte verklaard: “U houdt mij voor dat de politie heeft verklaard dat ze mij met moeite in de cel kregen. Ik moestnaar het toilet. Ik kon het niet meer ophouden. Ik hield mijn piemel vast en zei dat ik het niet meer kon ophouden. Ik liet zien dat ik nodig moest. Ik hield dus mijn piemel vast, omdat ik naar het toilet moest.”

3 Noyon/Langemeijer/Remmelink Strafrecht, art. 239 Sr, aant. 5, onder verwijzing naar HR 16 februari 1925, NJ 1925/625. Zie tevens HR 28 oktober 1975, NJ 1976/120 m.nt. Th.W. van Veen.

4 Noyon/Langemeijer/Remmelink Strafrecht, art. 239 Sr, aant. 5.

5 HR 26 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9191 en HR 9 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ6511.

6 Zie voor vuistregels dienaangaande: HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0256, NJ 2011/294, m.nt. Mevis.

7 Art. 6:98 BW luidt: “Voor vergoeding komt slechts in aanmerking schade die in zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van de schuldenaar berust, dat zij hem, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van deze gebeurtenis kan worden toegerekend.” Zie voorts art. 51f, eerste lid, Sv.

8 Zie HR 24 maart 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD0985, NJ 1998/537, HR 29 januari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD7013, HR 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO3291, NJ 2004/343. Vgl. ook HR 22 april 2008, ECLI:NL:HR:2008, BB7077, NJ 2008/468 en HR 29 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BR2093; en HR 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:959, NJ 2014/256.

9 Kamerstukken II 1989/90, 21 345, nr. 3, blz. 17 (memorie van toelichting bij de Wet van 23 december 1992 tot aanvulling van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering, de Wet voorlopige regeling schadefonds geweldsmisdrijven en andere wetten met voorzieningen ten behoeve van slachtoffers van strafbare feiten, Stb. 1993, 29).

10 Zie ook J.H. Crijns, ‘Een kroniek van de strafrechtelijke waarheidsvinding’, in: De waarde van waarheid, Den Haag 2008, p. 15-56, m.n. p. 36.

11 Zie ook E.M. Witjens, Strafrechtelijke causaliteit, De redelijke toerekening vergeleken met het privaatrecht, Deventer 2011, p. 196.

12 Zie ook de conclusies van mijn ambtgenoot Machielse voorafgaand aan HR 11 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3148, 3157 en 3158.

13 Vgl. ook HR 29 januari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD7013, waarin het ging om de verhouding tussen de diefstal van een bankpas en het vervolgens pinnen met die bankpas.

14 HR 29 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BR2093, NJ 2014/398, m.nt. Cleiren.

15 HR 24 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:779.