Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:2806

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
25-11-2014
Datum publicatie
27-01-2015
Zaaknummer
14/00016
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:130, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

N-o verklaring in h.b. Op 5 februari 2013 - de laatste dag van de appeltermijn - is een volmacht a.b.i. art. 450 Sv bij (fax)brief van die datum bij de griffie ingekomen. De medewerker van de griffie heeft zich kennelijk op het standpunt gesteld dat door ondertekening van deze brief “p/o [naam advocaat van verdachte]” met een onleesbare handtekening niet de vereiste zekerheid bestaat dat de bijzondere schriftelijke volmacht afkomstig is van de advocaat van verdachte, en heeft aan de advocaat de gelegenheid gegeven aan die onzekerheid een eind te maken, hetgeen bij (fax)brief van 6 februari 2013 is gebeurd. De medewerker van de griffie heeft de brief van 5 februari 2013 terecht bij de stukken van het geding gevoegd die hij aan het Hof heeft doen toekomen, nu het niet de medewerker van de griffie maar de rechter is die beslist of het rechtsmiddel tijdig en op de juiste wijze is ingesteld (vgl. ECLI:NL:HR:2009:BJ7810, rov. 3.8). Het Hof heeft bij zijn oordeel dat namens verdachte te laat h.b. is ingesteld niet kenbaar aandacht besteed aan de op 5 februari 2013 bij de griffie ingekomen bijzondere schriftelijke volmacht, de ondertekening van die brief en de samenhang met de door de advocaat van verdachte zelf ondertekende brief van 6 februari 2013. De omstandigheid dat de medewerker van de griffie niet op 5 februari 2013 een akte instellen h.b. heeft opgemaakt, maar eerst op 7 februari 2013, met aanhechten van de faxbrieven van 5 en van 6 februari 2013, kan verdachte niet worden tegengeworpen. Uit de bij de schriftuur overgelegde verklaringen, aan de juistheid en betrouwbaarheid waarvan niet getwijfeld behoeft te worden, is het de kantoorgenoot van de advocaat van verdachte, mr. X, geweest die bij wege van confraternele hulp de brief van 5 februari 2013 “p/o [naam advocaat van verdachte]” heeft ondertekend. Daaruit volgt dat geen onzekerheid bestaat dat een door verdachte bepaaldelijk gemachtigde advocaat de bijzondere schriftelijke volmacht heeft verleend. Conclusie AG: anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M.L.C.C. de Bruijn-Lückers annotatie in JIN 2015/42
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 14/00016

Zitting: 25 november 2014

Mr. Bleichrodt

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. De enkelvoudige kamer van het Gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 25 oktober 2013 de verdachte bij verstek niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen een vonnis van de politierechter in de Rechtbank Amsterdam van 22 januari 2013, waarbij de verdachte wegens “opzettelijk niet voldoen aan een bevel krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast, terwijl tijdens het plegen van het misdrijf nog geen twee jaar zijn verlopen sedert een vroegere veroordeling van de schuldige wegens een gelijk misdrijf onherroepelijk is geworden” bij verstek is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden.

2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel behelst de klacht dat het hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, heeft geoordeeld dat de verdachte niet-ontvankelijk is in het namens hem ingestelde hoger beroep op de grond dat dit hoger beroep op basis van een schriftelijke bijzondere volmacht van een advocaat te laat is ingesteld, terwijl uit de stukken van het geding blijkt dat op de veertiende dag nadat het vonnis in eerste aanleg was gewezen reeds een schriftelijke bijzondere volmacht bij de strafgriffie van de rechtbank is binnengekomen.

4. De stukken van het geding houden, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

(i) De dagvaarding van de verdachte om te verschijnen op de terechtzitting van de politierechter in de Rechtbank Amsterdam van 22 januari 2013 is op 8 januari 2013 in persoon uitgereikt aan de verdachte op een politiebureau in Amsterdam.

(ii) Op de terechtzitting in eerste aanleg van 22 januari 2013 is noch de verdachte noch een gemachtigde raadsman verschenen. Vervolgens heeft de politierechter de verdachte bij vonnis van diezelfde datum bij verstek veroordeeld.

(iii) Een aan de “akte instellen rechtsmiddel” gehecht faxbericht van 5 februari 2013 (ontvangsttijd 16:53 uur) houdt in dat Mr. C. Maat, advocaat te Amsterdam, een schriftelijke bijzondere volmacht heeft verleend aan een medewerker van de strafgriffie van de Rechtbank Amsterdam om namens de verdachte hoger beroep in te stellen tegen het vonnis van de politierechter.1 Deze volmacht is “p/o” namens mr. Maat door een ander ondertekend. Op de volmacht staan handgeschreven aantekeningen, die kennelijk van de griffie afkomstig zijn. Daarbij is zowel het (onjuiste) parketnummer als de vermelding “p/o” omcirkeld. Uit de aantekeningen kan worden afgeleid dat een griffiemedewerker van de rechtbank op 5 februari 2013 drie maal tevergeefs heeft getracht telefonisch contact op te nemen met mr. Maat en dat de griffiemedewerker op 6 februari 2013 wel telefonisch contact heeft gehad met haar secretaresse. Daarbij heeft de griffiemedewerker “het” doorgegeven aan de advocaat, waarmee kennelijk wordt gedoeld op het verzuim in de ondertekening van de volmacht en op de verschrijving in de weergave van het parketnummer.

(iv) Een tweede aan de “akte instellen rechtsmiddel” gehecht faxbericht van 6 februari 2013 (ontvangsttijd 15:48 uur) houdt in dat Mr. C. Maat (nogmaals) een schriftelijke bijzondere volmacht heeft verleend aan een medewerker van de strafgriffie van de Rechtbank Amsterdam om namens de verdachte hoger beroep in te stellen tegen het vonnis van de politierechter.2 Deze volmacht is wel door mr. Maat zelf ondertekend, met vermelding van het juiste parketnummer.

(v) Vervolgens is op 7 februari 2013 de akte rechtsmiddel opgemaakt. De akte vermeldt dat de bijbehorende volmacht op 6 februari 2013 is ontvangen.

(vi) De dagvaarding van de verdachte in hoger beroep om te verschijnen op de terechtzitting van het Gerechtshof Amsterdam van 25 oktober 2013 is op 10 september 2013 uitgereikt aan de griffier van de Rechtbank Amsterdam, omdat van de verdachte geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend was. Voorts is de appeldagvaarding op 12 september 2013 tevergeefs aangeboden op het in de appelakte vermelde adres van de verdachte ([a-straat 1] in Gouda), dat ook in de aan de appelakte gehechte schriftelijke bijzondere volmachten is opgegeven, en vervolgens - na niet te zijn afgehaald op het postkantoor - op 26 september 2013 nogmaals uitgereikt aan de griffier van de Rechtbank Amsterdam, omdat van de verdachte geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend was. Bovendien is op 26 september 2013 een afschrift van de appeldagvaarding verzonden naar voornoemd adres in Gouda. Daarnaast is op 12 september 2013 een afschrift van de appeldagvaarding verzonden naar mr. Maat, die zich in hoger beroep als raadsvrouwe van de verdachte heeft gesteld.3

(vii) Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 25 oktober 2013 blijkt dat de verdachte niet op die terechtzitting is verschenen. Als raadsvrouwe van de verdachte is mr. Maat aanwezig. Zij verklaart niet door de verdachte bepaaldelijk te zijn gemachtigd om de verdediging te voeren. Het hof verleent vervolgens verstek tegen de niet verschenen verdachte en doet op diezelfde datum uitspraak.

(viii) Het hof heeft de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep en daartoe het volgende overwogen:

“De verdachte is in eerste aanleg gedagvaard om op 22 januari 2013 te verschijnen ter terechtzitting van de politierechter in de rechtbank Amsterdam. De dagvaarding is de verdachte op 8 januari 2013 in persoon uitgereikt. De verdachte is op 22 januari niet ter terechtzitting verschenen. Tegen het vonnis van de politierechter van 22 januari 2013 is namens de verdachte eerst op 7 februari 2013 hoger beroep ingesteld, waarvoor de volmacht op 6 februari 2013 ter griffie van de rechtbank Amsterdam is binnen gekomen.

Op grond van het hiervoor overwogene had de verdachte op grond van artikel 408, eerste lid, aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafvordering, het recht binnen veertien dagen na het vonnis hoger beroep in te stellen. De verdachte heeft echter niet binnen de termijn van veertien dagen appèl aangetekend.

Nu het hoger beroep niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn is ingesteld zal de verdachte daarin niet-ontvankelijk worden verklaard.”

(ix) Aan de cassatieschriftuur is een brief gehecht van 1 mei 2014, die afkomstig is van mr. M.R.P. Hoppenbrouwers, advocaat te Amsterdam. Deze brief houdt in dat mr. Hoppenbrouwers op verzoek van en namens mr. Maat (toentertijd zijn kantoorgenote) de brief heeft ondertekend die op 5 februari 2013 per fax is verstuurd naar de strafgriffie van de rechtbank en dat deze brief een bijzondere volmacht bevat tot het aantekenen van hoger beroep tegen het vonnis van 22 januari 2013.

5. Ook een advocaat kan schriftelijk hoger beroep instellen op de wijze die is voorzien in art. 450, derde lid, Sv. De daartoe vereiste schriftelijke volmacht van een advocaat aan een griffiemedewerker moet het volgende inhouden: (i) de verklaring van de advocaat dat hij door de verdachte bepaaldelijk is gevolmachtigd tot het instellen van hoger beroep (art. 450, eerste lid, onder a, Sv); (ii) de verklaring dat de verdachte instemt met het door de griffiemedewerker in ontvangst nemen van de oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep (art. 450, derde lid, Sv); en (iii) het door de verdachte opgegeven adres voor toezending van het afschrift van de appeldagvaarding (art. 450, derde lid, Sv).4 In de beide faxberichten in de onderhavige zaak keren deze drie inhoudelijke aspecten terug.

6. Wil er evenwel sprake zijn van een rechtsgeldige schriftelijke bijzondere volmacht in de zin van art. 450, eerste lid, onder a, Sv in verbinding met art. 450, derde lid, Sv, dan dient de advocaat die door de verdachte is gevolmachtigd tot het instellen van hoger beroep deze zelf te ondertekenen. Deze advocaat mag niet een ander machtigen om de volmacht namens hem te ondertekenen. De griffie moet in het kader van de aanwending van rechtsmiddelen duidelijkheid worden geboden dat de volmacht tot het instellen van hoger beroep afkomstig is van een advocaat die op zijn of haar beurt door de verdachte daartoe bepaaldelijk is gevolmachtigd. In geval de desbetreffende advocaat de volmacht niet zelf ondertekent, ontbreekt de vereiste duidelijkheid. Door te verlangen dat de gevolmachtigde advocaat zelf voor ondertekening zorg draagt, wordt de kans dat buiten de wens van de verdachte om een rechtsmiddel wordt aangewend geminimaliseerd.

7. Daar wringt in de onderhavige zaak de schoen. Het faxbericht van 5 februari 2013 is niet ondertekend door de advocaat die door de verdachte bepaaldelijk was gevolmachtigd om namens hem hoger beroep in te stellen (mr. Maat). In cassatie wordt een brief in het geding gebracht waaruit kan worden afgeleid dat de volmacht kennelijk is ondertekend door een kantoorgenoot van de door de verdachte gemachtigde advocaat. Deze advocaat heeft echter slechts “p/o” ondertekend. Ten overvloede merk ik nog op dat niet is gebleken dat mr. Hoppenbrouwers door de verdachte was gemachtigd om namens hem hoger beroep in te stellen en dat evenmin is gebleken dat het ten tijde van het instellen van het hoger beroep voor de griffiemedewerker aan wie de volmacht was verleend en voor de griffier die de akte heeft opgemaakt kenbaar was dat de handtekening afkomstig was van een kantoorgenoot van mr. Maat.5

8. De eisen waaraan een door een advocaat verstrekte volmacht moet voldoen, moeten worden begrepen tegen de achtergrond van de aanscherping van de wettelijke regeling voor het instellen van hoger beroep. Die heeft tot doel problemen bij de betekening van de appeldagvaarding te voorkomen althans te verminderen. Gelet op deze ratio, is de verdachte in de regel niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep, indien die volmacht niet aan alle hiervoor onder 5 vermelde voorwaarden voldoet, wanneer op de terechtzitting in hoger beroep noch de verdachte noch een gemachtigde raadsman is verschenen.6 Gelet op diezelfde ratio bestaat evenwel onvoldoende reden voor de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep op de grond dat de volmacht niet aan de hiervoor onder 5 sub i genoemde voorwaarde voldoet in het geval de verdachte of een gemachtigde raadsman is verschenen op de terechtzitting in hoger beroep en deze aldaar - zo nodig desgevraagd - heeft verklaard dat aan de verlening van de (onvolkomen) volmacht de wens van de verdachte ten grondslag lag om (op rechtsgeldige wijze) op te komen in hoger beroep. In een dergelijk geval kan het bedoelde verzuim voor gedekt worden gehouden.7 Hetzelfde geldt voor de hiervoor onder 5 sub ii en iii genoemde voorwaarden, indien de verdachte of een gemachtigde raadsman op de terechtzitting in hoger beroep is verschenen. Het belang dat met die voorwaarden is gediend, is in een dergelijk geval niet geschaad.8 In zekere zin is door deze lijn in de rechtspraak sprake van deformalisering. Daarbij gaat het wel om situaties waarin een griffiemedewerker op basis van een onvolkomen volmacht tijdig hoger beroep heeft ingesteld. Voorts is in die gevallen sprake van een behandeling in hoger beroep op tegenspraak, waarbij de feitenrechter zich onder meer kan laten informeren over de vraag of aan de verlening van de (onvolkomen) volmacht de wens van de verdachte ten grondslag lag om op rechtsgeldige wijze hoger beroep aan te wenden. In deze twee aspecten verschilt de onderhavige zaak van de zaken waarin de Hoge Raad ruimte heeft gezien het verzuim voor gedekt te houden.

9. In de eerste plaats heeft de griffiemedewerker zich kennelijk niet gelegitimeerd gevoeld op grond van de onvolkomen volmacht van 5 februari 2013 hoger beroep in te stellen. Het hoger beroep is - buiten de geldende termijn - aangewend op basis van de wel toereikende volmacht van 6 februari 2013.

10. In de tweede plaats is op de terechtzitting in hoger beroep noch de verdachte noch een gemachtigde raadsman verschenen. Wel is een niet gemachtigde raadsvrouwe (mr. Maat) verschenen. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep blijkt niet dat de raadsvrouwe een opmerking heeft gemaakt over de ontvankelijkheid van het hoger beroep. Dit stilzwijgen kan de verdediging overigens niet zonder meer worden tegengeworpen. De niet uitdrukkelijk gemachtigde raadsman of raadsvrouwe is volgens vaste rechtspraak op de terechtzitting immers slechts bevoegd het woord te voeren ter toelichting van de afwezigheid van de verdachte en tot het verzoeken van aanhouding van de behandeling van de zaak met het oog op de effectuering van het aanwezigheidsrecht van de verdachte of ten behoeve van het alsnog verkrijgen van een machtiging.9 Daar staat tegenover dat onder die omstandigheden in beginsel geen mogelijkheid bestaat om verzuimen in de volmacht voor gedekt te houden.10 Daarbij heb ik mij nog afgevraagd of het in de gegeven omstandigheden niet in de rede had gelegen dat het hof de raadsvrouwe in de gelegenheid had gesteld toe te lichten of aan het faxbericht van 5 februari 2013 daadwerkelijk een volmacht van de verdachte aan haar ten grondslag lag, zoals in het faxbericht is weergegeven. In het voornoemde arrest van 20 maart 2012 gebruikt de Hoge Raad de woorden “zo nodig desgevraagd”. Die woorden zijn echter gebruikt in het licht van een behandeling op tegenspraak. Ook in geval van bevestigende beantwoording van de vraag in het kader van de verstekbehandeling in hoger beroep resteert het probleem dat zich in dezen niet de situatie voordoet waarin tijdig hoger beroep is ingesteld op basis van een onvolkomen volmacht. Het probleem is dat het hoger beroep volgens het hof tardief is ingesteld. Daarin brengt een toelichting op de achtergrond van het faxbericht van 5 februari 2013 geen verandering.

11. Gelet op het voorafgaande, moet de voorliggende zaak veeleer worden bezien in het licht van de rechtspraak waarin de verontschuldigbaarheid van een te laat ingesteld rechtsmiddel centraal staat. Dat is een relevant verschil met de onder 8 bedoelde gevallen waarin verzuimen in het kader van de volmacht voor gedekt zijn gehouden. De noodzaak tot het trekken van een scherpe en vaste grens bij het bepalen van de uiterste datum waarop een rechtsmiddel moet worden ingesteld vloeit voort uit de rechtszekerheid die ten aanzien van de rechtsgeldigheid van de aanwending van een rechtsmiddel noodzakelijk is.11 De wettelijke termijnen voor het instellen van rechtsmiddelen zijn van openbare orde. Overschrijding van de termijn voor het instellen van hoger beroep door de verdachte betekent in de regel dat hij niet in dat hoger beroep kan worden ontvangen. Dit gevolg kan daaraan uitsluitend niet worden verbonden, indien sprake is van bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen omstandigheden, die de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn.12 Daarbij kan worden gedacht aan een zodanige psychische gesteldheid dat in verband daarmee het verzuim tijdig hoger beroep in te stellen niet aan de verdachte kan worden toegerekend.13 Daarnaast kan worden gedacht aan vóór het verstrijken van de beroepstermijn verstrekte ambtelijke informatie waardoor bij de verdachte de gerechtvaardigde verwachting is gewekt dat de beroepstermijn op een later tijdstip aanvangt dan uit de wettelijke regeling voortvloeit.14 Ten slotte kan van een dergelijke verontschuldigbaarheid sprake zijn indien de overschrijding van de termijn het gevolg is van (ander) handelen of nalaten van de overheid.15

12. In het onderhavige geval diende de verdachte ingevolge art. 408, eerste lid, onder a, Sv binnen veertien dagen na het vonnis van de politierechter van 22 januari 2013, te weten uiterlijk op dinsdag 5 februari 2013, hoger beroep in te stellen, aangezien de inleidende dagvaarding in persoon aan de verdachte is betekend. Uit het voorgaande volgt dat, anders dan de steller van het middel aanvoert, voor de vraag of tijdig hoger beroep is ingesteld niet mag worden uitgegaan van de “p/o” ondertekende schriftelijke bijzondere volmacht van 5 februari 2013. Het hof heeft vastgesteld dat de appelakte is opgemaakt naar aanleiding van de per fax verzonden schriftelijke bijzondere volmacht die op 6 februari 2013 bij de griffie van de rechtbank is binnengekomen. De appelakte is op donderdag 7 februari 2013 opgemaakt. Aldus getuigt het oordeel van het hof de verdachte in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat het tardief is ingesteld niet van een onjuiste rechtsopvatting en is het, in het licht van de door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden, niet onbegrijpelijk. Noch is aangevoerd noch is (anderszins) aannemelijk geworden dat er in het onderhavige geval sprake is geweest van bijzondere omstandigheden zoals hiervoor onder 11 bedoeld, die de overschrijding van de beroepstermijn verontschuldigbaar doen zijn. Meer in het bijzonder is niet gebleken van een niet aan de verdachte toe te rekenen ambtelijk verzuim.16 De griffie heeft zich kennelijk niet vrij gevoeld op basis van het faxbericht van 5 februari 2013 hoger beroep in te stellen. Die handelwijze is, gegeven het gebrek in de ondertekening, niet aan te merken als een ambtelijk verzuim, maar is in overeenstemming met het bepaalde in art. 450, eerste lid, aanhef en onder a, Sv. Het hof heeft de verdachte dan ook op goede gronden en toereikend gemotiveerd niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep.17

13. In de toelichting op het middel wordt een beroep gedaan op art. VI, vierde lid, Procesreglement Strafkamer Hoge Raad 2008 (Stcrt. 2008, 147).18 De aangehaalde bepaling heeft geen betrekking op het instellen van rechtsmiddelen, maar op het indienen van een cassatieschriftuur. Anders dan bij het instellen van rechtsmiddelen, kan een niet op de juiste wijze ondertekende cassatieschriftuur wel worden aangemerkt als tijdig ingekomen op de griffie, indien deze aldaar op de laatste dag van de desbetreffende termijn is binnengekomen en het verzuim in de ondertekening binnen een door de Hoge Raad te stellen termijn wordt hersteld. Het verschil in benadering is te verklaren uit het feit dat het indienen van een schriftuur een eenzijdige handeling betreft. Daarvoor heeft de indiener niet de hulp van een griffiemedewerker nodig. Het instellen van hoger beroep door middel van een schriftelijke bijzondere volmacht verlangt daarentegen niet alleen de medewerking van een griffiemedewerker, maar ook van de griffier, die de appelakte moet opmaken.19 Zonder tussenkomst van het griffiepersoneel, kan het instellen van hoger beroep niet worden voltooid, hetgeen impliceert dat de schriftelijke bijzondere volmacht binnen de beroepstermijn op de juiste wijze dient te zijn ondertekend. Er moet vanuit worden gegaan dat de wetgever in dit opzicht niet heeft willen weten van de mogelijkheid tot herstel van verzuimen na het verstrijken van de termijn voor het instellen van het hoger beroep.20

14. Het middel faalt. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

15. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Het faxbericht is op 5 februari 2013 ontvangen op de (sectie strafzaken van de) griffie van de rechtbank. Het faxbericht vermeldt bij kennelijke vergissing een verkeerd parketnummer (13/85233.12 in plaats van 13/852333-12).

2 Het faxbericht is op 6 februari 2013 ontvangen op de (sectie strafzaken van de) griffie van de rechtbank.

3 De appeldagvaarding is (in ieder geval) op 26 september 2013 overeenkomstig art. 588, eerste lid, onder b, sub 3̊, Sv rechtsgeldig betekend, nu de aan de appeldagvaarding gehechte ID-staat SKDB betreffende de verdachte van 26 september 2013 inhoudt dat de verdachte niet was gedetineerd en dat hij met ingang van 6 april 2011 niet stond ingeschreven in de GBA (vertrokken onbekend waarheen). Deze ID-staat SKDB vermeldt als “laatst opgegeven woon- of verblijfplaats” van de verdachte [a-straat 1] in Gouda (datum registratie 5 september 2013), welk adres vanaf 4 september 1998 tot 6 april 2011 het GBA-adres van de verdachte is geweest.

4 Vgl. HR 24 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP4479, NJ 2011/261, rov. 2.4.1 en HR 22 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ7810, NJ 2010/102 m.nt. Borgers, rov. 3.6.

5 Vgl. HR 6 januari 1998, NJ 1998/389, rov. 4.

6 Vgl. HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:113, rov. 2.3 en HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013: 114, rov. 2.3.

7 Vgl. HR 27 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY1230, rov. 2.5 en HR 20 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV6999, NJ 2012/426, m.nt. Bleichrodt, rov. 2.5-2.7.

8 Vgl. HR 19 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ4492, rov. 2.5, HR 5 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ2951, rov. 2.5 en HR 22 januari 2013, BY8357, NJ 2013/75, rov. 2.5.

9 Vgl. HR 23 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD4727, NJ 2002/77 m.nt. Reijntjes, rov. 4.8.

10 Vgl. HR 20 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV6999, NJ 2012/426, m.nt. Bleichrodt, rov. 2.6-2.7.

11 Vgl. HR 4 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:231, NJ 2014/108, rov. 2.3.

12 Vgl. HR 4 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3112, rov. 2.3-2.4 en HR 3 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1557, NJ 2014/179, rov. 3.4.

13 Vgl. HR 15 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2429, NJ 2011/136, rov. 2.3 en HR 6 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN8587, NJ 2004/181, rov. 3.4.

14 Vgl. HR 7 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM6671, NJ 2010/488, rov. 2.3, HR 21 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH1439, NJ 2009/322, rov. 2.4 en HR 4 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5706, NJ 2004, 462, rov. 3.3.

15 Vgl. HR 21 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV1165, rov. 3.4.

16 Vgl. HR 11 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:531, rov. 2.1.

17 Vgl. HR 4 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:231, NJ 2014/108, rov. 2 (verdachte is terecht niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep, nu de per fax verzonden schriftelijke volmacht op de laatste dag van de beroepstermijn niet is begonnen binnen te lopen vóór sluiting van de griffie) en HR 26 september 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7231, NJ 2000/676, rov. 3.

18 Deze bepaling luidt als volgt: “De schriftuur dient te zijn ondertekend door degene die haar indient. Bij verzuim hiervan biedt de Hoge Raad de gelegenheid tot herstel van het verzuim binnen een door de Hoge Raad te stellen termijn.”

19 Zie in dit verband ook Kamerstukken II 2005/06, 30 320, nr. 3, onder 3.4, p. 27.

20 Vgl. HR 22 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ7810, NJ 2010/102, m.nt. Borgers, rov. 3.7.