Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:2795

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
25-11-2014
Datum publicatie
27-01-2015
Zaaknummer
13/06365
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:122, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Voorbedachte raad. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2013:963. De Hoge Raad neemt in het bijzonder in aanmerking dat het Hof kennelijk heeft geoordeeld dat de gelegenheid voor verdachte om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en om zich daarvan rekenschap te geven, zich in het bijzonder voordeed vanaf het moment waarop de verdachte het slachtoffer tevergeefs om geld heeft gevraagd, waarbij het Hof omtrent de duur van dit tijdsbestek niets anders heeft vastgesteld dan dat de verdachte in dat tijdsbestek naar de wc, de keuken en de berging is gegaan en in de berging een snoer heeft afgeknipt. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, is voorts niet begrijpelijk ‘s Hofs kennelijke oordeel dat de door het Hof in aanmerking genomen omstandigheid dat verdachte gedurende dit - kennelijk beperkte - tijdsbestek een “veelheid van handelingen” moest verrichten en een “veelheid van beslissingen” moest nemen, aannemelijk maakt dat de verdachte in dit tijdsbestek daadwerkelijk voornoemde gelegenheid had om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 13/06365

Zitting: 25 november 2014

Mr. Bleichrodt

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, heeft bij arrest van 19 juli 2013 de verdachte wegens de voortgezette handeling van 1. “moord” en 2. “diefstal, voorafgegaan van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaren, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr. Tevens heeft het hof gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en bevolen dat hij van overheidswege zal worden verpleegd. Het hof heeft beslist ten aanzien van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, op de wijze zoals in het arrest vermeld. Ten slotte heeft het hof de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf afgewezen.

2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, drie middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel klaagt dat de bewezenverklaring van feit 1 primair, voor zover inhoudende dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld, niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid. Het hof heeft een verweer dat ertoe strekt de voorbedachte raad te betwisten verworpen op gronden die de beslissing niet kunnen dragen, aldus de steller van het middel.

4. Ten laste van de verdachte heeft het hof onder 1 primair bewezen verklaard dat:

“hij in de periode van 29 tot en met 30 juli 2012 te Lelystad, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, een snoer van een boormachine om de hals van [slachtoffer] gewikkeld en dat snoer met kracht aangetrokken en [slachtoffer] met dat snoer gewurgd, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden”.

5. Het hof heeft de bewezenverklaring doen steunen op de inhoud van de volgende bewijsmiddelen:

“Een in de wettelijke vorm onder nummer PL2521 2012053725-4 door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgemaakt proces-verbaal van bevindingen, d.d. 30 juli 2012 (pagina's 80 en 81 van een dossierproces-verbaal met nummer 2012053725) voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

als relaas van verbalisanten:
Wij verbalisanten, [verbalisant 1] en [verbalisant 2], reden op 30 juli 2012 omstreeks 05:14 uur in een dienstvoertuig en belast met de algehele surveillance te Lelystad. Van de dienstdoende centralist van de regionale meldkamer kregen wij te horen dat de eenheid zich moest begeven naar het bureau van politie, Zuiderwagenplein 1 te Lelystad. Wij hoorden dat aldaar een manspersoon telefonisch contact had met de regionale meldkamer. Wij hoorden dat de manspersoon telefonisch tegen de dienstdoende centralist verklaarde dat hij een persoon van het leven had beroofd. Onmiddellijk begaven wij ons eveneens naar de opgegeven locatie. Wij zagen dat een manspersoon zich voor het bureau bevond. Wij deelden de persoon mede dat hij op vragen geen antwoord hoefde te geven. Wij hoorden vervolgens middels de portofoon dat de persoon (het hof begrijpt: de verdachte) vermoedelijk in het bezit zou zijn van een sleutel, passende bij perceel [a-straat 1] te Lelystad. Aldaar zou zich volgens de centralist van de meldkamer een persoon bevinden die door de melder vermoord zou zijn. De verdachte verklaarde dat hij die sleutel in zijn bezit had en overhandigde de sleutel aan mij, verbalisant [verbalisant 2]. Wij hoorden vervolgens de verdachte verklaren dat hij een persoon had vermoord.

Wij hoorden dat hij verklaarde dat hij een persoon had gewurgd op het adres [a-straat 1] te Lelystad.

Wij hebben verdachte overgebracht naar het bureau van politie te Lelystad.

Een in de wettelijke vorm onder nummer PL2522 2012053725-8 door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgemaakt proces-verbaal van bevindingen, d.d. 30 juli 2012 (pagina's 82 en 83 van het onder 1. genoemde dossierproces-verbaal) voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

als relaas van verbalisanten:
Wij verbalisanten [verbalisant 3], [verbalisant 4], [verbalisant 5] en [verbalisant 6] hebben op 30 juli 2012 omstreeks 05:25 uur een onderzoek ingesteld waarbij het volgende is bevonden.

Op 30 juli 2012, omstreeks 05:15 uur, kregen wij van de dienstdoende centralist de melding om te gaan naar het politienbureau aan het Zuiderwagenplein te Lelystad alwaar de meldkamer telefonisch contact had met een man die verklaarde iemand gewurgd te hebben op de [a-straat 1] te Lelystad.

Wij, verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4], zijn in de richting van de [a-straat 1] gereden. Wij, verbalisanten [verbalisant 6] en [verbalisant 5], zijn naar het Zuiderwagenplein gereden samen met de collega's [verbalisant 1] en [verbalisant 2].

Wij, verbalisanten [verbalisant 6] en [verbalisant 5], kwamen ter plaatse op het Zuiderwagenplein te Lelystad en zagen dat er een man stond bij de collega's [verbalisant 2] en [verbalisant 1]. Collega [verbalisant 2] overhandigde mij, verbalisant [verbalisant 5], de sleutel van de woning [a-straat 1] en hierop zijn wij, verbalisanten [verbalisant 6] en [verbalisant 5], direct naar de [a-straat 1] gereden.

Ter plaatse op de [a-straat 1] heb ik, verbalisant [verbalisant 4], de deur met de sleutel geopend. Wij, verbalisanten, hebben de woning betreden. Wij, verbalisanten, liepen via de berging door de woonkamer en zagen aldaar een bank met een dekbed. Ik, verbalisant [verbalisant 3], trok het dekbed een stukje weg en wij, verbalisanten, zagen daaronder een man liggen. Wij, verbalisanten, zagen dat bij deze man een snoer tweemaal om zijn nek was gewikkeld. Wij, verbalisanten, zagen dat de vinger van de hand van deze man onder een gedeelte van het genoemde snoer zat. Wij, verbalisanten, zagen dat zijn hoofd roodpaars van kleur was. Wij zagen dat deze man geen ademhaling meer had.

Een in de wettelijke vorm onder nummer 2012073013306395 door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgemaakt proces-verbaal van verhoor, d.d. 30 juli 2012 (pagina's 30 tot en met 42 van het onder 1. genoemde dossierproces-verbaal) voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

als verklaring van verdachte:
Ik was op zondagavond 29 juli 2012 omstreeks 20:00 uur bij [slachtoffer] (het hof begrijpt: [slachtoffer], het slachtoffer). [slachtoffer] woont op het adres [a-straat 1]. [slachtoffer] lag op de bank naar de televisie te kijken. Ik kwam daar om cocaïne te roken. Ik zit dan aan de eettafel. We hadden een discussie omdat ik hem om geld vroeg. Ik wilde meer cocaïne gaan gebruiken. Ik vroeg [slachtoffer] om geld en ik hoorde dat [slachtoffer] "nee" zei. Ik ben naar de wc gegaan en vervolgens naar de keuken en ik zag het snoer liggen in de schuur/ berging. De berging zit aan de voorkant van de woning. Ik deed alsof ik naar de wc wilde. Ik liep achter hem en heb het snoer om zijn nek gedaan. Het was een snoer van een boormachine. Ik heb het snoer eraf geknipt met een tang. De tang lag in de berging. Toen ik geld aan hem vroeg ging ik zitten. Ik dacht bij mijzelf hij heeft wel geld, maar hij wil dat gewoon niet geven. Ik moest gewoon geld hebben. Ik heb hem gewurgd. Ik heb de gordijnen dichtgedaan. Ik heb naar zijn portemonnee gezocht. Daar zat 200 euro in. Ik heb dat gepakt en ben vervolgens weggegaan. Ik ben heel snel naar de Waterwijk gegaan. Ik ben vervolgens teruggegaan en hij lag er nog steeds. Ik zag dat [slachtoffer] een rood hoofd had. Ik heb zijn dekbed gepakt en over hem heen gelegd. Ik wist dat hij dood was. Ik heb de televisie op een andere zender gezet. Ik heb voor 200 euro cocaïne gerookt in zijn woning. Ik zat achter de bank waar [slachtoffer] lag de cocaïne te roken. Het enige wat bij mij toen is opgekomen, is dat ik hem op een makkelijke manier wilde laten stikken. Ik kan wel een hamer op zijn hoofd slaan maar dan zou alles onder het bloed komen te zitten. Ik koos hiervoor (het hof begrijpt: voor het wurgen met het snoer om de nek) omdat ik dan zelf schoon bleef, zodat ik naar buiten kon gaan om wat (het hof begrijpt: cocaïne) te halen. Ik kreeg het idee om hem van het leven te beroven toen ik op de stoel zat en hij "nee" had gezegd. Ik heb naar Joran van der Sloot gekeken en hoe hij het meisje had gewurgd en dat kwam in mij op en toen heb ik het gedaan. Ik wilde gewoon geld hebben. Ik stond op en pakte het snoer en knipte het door. Ik zat op dat moment aan de eettafel. Ik dacht als ik hem twee of drie keer om zijn hoofd doe, dan hoef ik alleen maar te trekken. Ik wist dat het in die berging lag. Ik kom wel eens in die berging. Ik zag het liggen op het moment dat ik aan de tafel zat. De deur van de berging stond open. De boormachine lag op een bak. Ik heb de kabel eraf geknipt. Ik liep met het snoer naar [slachtoffer]. Ik hield het snoer laag zodat hij het niet kon zien. [slachtoffer] zat gewoon op zijn plek. Ik had het snoer met beide handen vast. Ik liep vanaf de berging naar de keuken en ik liep achter hem langs. Ik heb het snoer om beide handen gedraaid. Ik had het snoer om beide handen, zodat ik wat kracht kon zetten. Ik heb het touw (het hof begrijpt: snoer) om zijn nek gedraaid. Ik heb het twee keer om zijn nek gedraaid. Ik ben achterover gaan hangen. Ik heb de touwen uit elkaar getrokken. Ik hoorde [slachtoffer] zeggen "Wat doe je?". Dit zei hij toen ik het snoer een keer om zijn nek had gedaan. Toen het snoer twee keer om zijn nek zat kon hij niks meer zeggen. Ik trok [slachtoffer] strak tegen de leuning aan. Ik deed dat zodat hij zo snel mogelijk geen lucht meer kreeg. Ik hoorde twee keer een ademhaling. Dat was toen ik voor de tweede keer het snoer erom heen deed. Ik dacht toen ik kan niet meer terug. Ik heb mijn voet op zijn nek/rug gezet zodat ik hem nog wat strakker aan kon trekken. Ik heb hem twee à drie minuten vast gehouden. Ik deed mijn voet erbij om zeker te weten dat hij er niet meer was. [slachtoffer] heeft niet echt gesparteld. Hij wilde wel het snoer loshalen met zijn handen, maar dat zat zo strak daar kwam hij niet tussen. Daarna had [slachtoffer] geen kracht meer.

Ik wist dat hij dood was omdat ik, voordat ik wegging, zijn hals heb gevoeld of zijn hart nog klopte. Ik voelde niks. Voordat ik wegging heb ik er een knoop ingelegd. Ik heb het snoer niet van zijn lichaam gehaald.

Een in de wettelijke vorm onder nummer 2012073112506395 door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgemaakt proces-verbaal van verhoor, d.d. 31 juli 2012 (pagina's 46 tot en met 60 van het onder 1. genoemde dossierproces-verbaal) voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

als verklaring van verdachte:
Ik heb het geld uit [slachtoffer] zijn portemonnee gepakt. Mijn handen stonden wijd openen toen ik aan het snoer trok. Ik heb best wel veel kracht gebruikt. Het doel was om geld te bemachtigen van [slachtoffer]. Ik heb het snoer afknipt. Ik heb het snoer om mijn handen gedraaid om het goed vast te houden. Ik had op dat moment de beslissing genomen dat ik het geld moest hebben en dat het moest gebeuren door verwurging. Ik dacht op dat moment alleen maar aan zijn geld. Ik wilde weten hoeveel geld hij in zijn portemonnee had zitten. Ik zat te denken wat ik met [slachtoffer] moest gaan doen. Toen ik het touw om zijn nek deed had hij zijn benen op de grond. Toen [slachtoffer] er niet meer was heb ik hem languit op de bank gelegd. Ik heb de gordijnen dicht gedaan toen ik het touw al een minuut vast had. Ik heb toen met een hand allebei de snoeren vast gehouden om het gordijn dicht te doen. Ik maakte een vuist zodat het snoer niet losschoot maar strak om zijn nek bleef. Ik had beide snoeren in een hand.

Ik zag dat zijn hoofd paars/rood was. [slachtoffer] voelde slap toen ik hem op de bank legde. Ik heb zijn benen gepakt en hem lang uit geschoven. Ik heb de deken van zijn bed gehaald. Ik heb de deken erover heen gelegd. Het klopt dat ik [slachtoffer] van het leven heb beroofd om geld te bemachtigen. Ik heb erover nagedacht. Ik ben erover na gaan denken en kwam toen bij dit idee.

Een schriftelijk stuk, houdende een verslag betreffende een niet natuurlijk dood, opgemaakt op 30 juli 2012 door F.L.W.J. Petrus, lijkschouwer van de gemeente Amsterdam (pagina 72 van het proces-verbaal van forensisch nummer PL25-2012053725) voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Naam: [slachtoffer]
Voornamen: [voornamen slachtoffer]
Geboren: [geboortedatum] 1946 te [geboorteplaats]

66-jarige man op 30/07/2012 door verwurging om het leven gekomen.
Conclusie niet natuurlijk overlijden.

Een in de wettelijke vorm onder nummer PL2562 2012053725-10 door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar opgemaakt proces-verbaal gerechtelijke sectie, d.d. 31 juli 2012 (pagina's 75 en 76 van het onder 5. genoemde dossierproces-verbaal) voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

als relaas van verbalisant:
Patholoog, dr. Ann Maes, verbonden aan het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie te Den Haag, heeft in aanwezigheid van mij als forensisch onderzoeker, sectie verricht op het stoffelijk overschot van:
Achternaam: [slachtoffer]
Voornamen: [voornamen slachtoffer]
Geboren: [geboortedatum] 1946
Geboorteplaats: [geboorteplaats] in Nederland

[slachtoffer], 66 jaar oud geworden, is overleden als gevolg van bij leven opgelopen uitwending inwerkend omsnoerend geweld op de hals.

De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van het hof op 5 juli 2013, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik vroeg hem om geld en hij zei "Nee". Ik dacht hij heeft vast wel een paar tientjes. Ik wist toen nog niet dat hij 200 euro had. Ik heb bij de politie de waarheid verklaard. Ik heb alles verteld. [slachtoffer] en ik hadden geen ruzie gehad. Ik heb de beurs gevonden. Ik heb dat geld gepakt.”

6. In het verkorte arrest heeft het hof een bewijsoverweging opgenomen waarin het is ingegaan op het door de verdediging tot vrijspraak strekkende verweer. Het hof heeft in dat verband overwogen:


“Het pleidooi van de raadsvrouw strekkend tot vrijspraak van het onder 1 primair ten laste gelegde vindt zijn grond in een juridische waardering van de door de verdachte beschreven feitelijke gang van zaken en bestaat er met name uit dat de verdachte zou moeten worden vrijgesproken van het bestanddeel 'voorbedachte raad' - en dus van het misdrijf moord – nu de handelingen van verdachte gericht op de dood van het slachtoffer achtereenvolgens en in een razend tempo aaneengeschakeld in een roes van woede elkaar hebben opgevolgd en verdachte aldus volgens de raadsvrouw niet in staat was tot kalm en rustig beraad.

Het hof overweegt als volgt.
Verdachte heeft meerdere verklaringen afgelegd omtrent hetgeen in de avond van 29 juli 2012 in de woning van [slachtoffer] heeft plaatsgevonden, zijn rol en - kort gezegd – zijn bedoeling van het doden van het slachtoffer. Tijdens de eerste twee verhoren bij de politie heeft verdachte zeer gedetailleerd verklaard omtrent het gebeuren. Uit deze verklaringen valt niet alleen af te leiden dat verdachte opzet op de dood van het slachtoffer heeft gehad, maar ook dat hij heeft nagedacht over de manier waarop hij het slachtoffer van het leven wilde beroven.

Het hof stelt vast dat verdachte in volgende verhoren op punten wisselend is gaan verklaren. Het hof kent aan deze later afgelegde verklaringen van verdachte, nu deze op onderdelen niet consistent zijn, minder betekenis toe.

Het hof zal derhalve bij de beoordeling van deze zaak de eerste twee verklaringen die verdachte bij de politie heeft afgelegd als uitgangspunt nemen bij de beoordeling van de zaak. Het hof acht deze twee gedetailleerde en consistente verklaringen die op hoofdlijnen en op detailniveau met elkaar overeenkomen betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. Het hof acht ook van belang dat deze verklaringen worden ondersteund door ander bewijs, waaronder de door de politie aangetroffen en vastgelegde situatie in de woning van [slachtoffer] toen de politie [slachtoffer] op 30 juli 2012 in zijn woning aantrof nadat hij met geweld van het leven was beroofd.

Het hof merkt daarbij nog op dat verdachte ter zitting van het hof d.d. 5 juli 2013 heeft verklaard dat hij inmiddels niet meer precies weet hoe het allemaal is gegaan, maar dat hij - nadat hij zichzelf in de vroege ochtend van 30 juli 2012 had gemeld bij de politie – tijdens de daaropvolgende verhoren bij de politie de waarheid heeft gesproken.

De stelling van de verdediging dat verdachte niet daadwerkelijk de gelegenheid heeft gehad om zich te beraden of te bezinnen omdat alle handelingen van verdachte zich in een razend tempo hebben opgevolgd en deze handelingen zijn verricht in een grote roes, acht het hof niet te rijmen met de door verdachte bij de politie afgelegde verklaringen waarin hij tot in detail de toedracht schetst. Deze door verdachte afgelegde verklaringen brengen het hof tot de conclusie dat verdachte de gelegenheid heeft gehad en genomen zich te beraden en tevens dat hij daadwerkelijk keuzes heeft gemaakt.

De veelheid van handelingen die verdachte daarbij heeft moeten verrichten en de veelheid van beslissingen die verdachte heeft moeten nemen en ook de tijd die daarmee gemoeid is geweest maken handelen in een roes niet aannemelijk. Bovendien wijst het gedrag van verdachte na het doden van het slachtoffer niet op een hoge mate van opwinding of emotie of een waas. Verdachte heeft nadat hij het slachtoffer om het leven had gebracht – conform zijn voorgenomen plan geld te pakken na de dood van het slachtoffer en daarvan cocaïne te kopen - de portemonnee van het slachtoffer gezocht, heeft daar geld uitgehaald, is in de stad cocaïne gaan kopen, is weer teruggegaan naar de woning van het slachtoffer en is - om niet te worden gezien - zittend achter de bank (waarop het overleden slachtoffer lag) cocaïne gaan gebruiken en heeft daarbij tv gekeken.

Al met al is het hof van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat verdachte in een opwelling van boosheid of in een waas heeft gehandeld, maar dat verdachte, gelet op zijn eigen verklaringen, over zijn bedoelingen, zijn daad en de uitkomst daarvan heeft nagedacht. Hij heeft alternatieven afgewogen en besloten dat het slachtoffer dood moest. Het hof acht voorbedachte raad dan ook bewezen.

Het hof is van oordeel dat het door en namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het primair tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Nu de voorbedachte raad rechtstreeks uit deze bewijsmiddelen volgt, zal het hof hier thans geen nadere aandacht aan geven. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.”

7. Het hof heeft het verweer van de raadsvrouwe opgevat als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt strekkende tot vrijspraak van het onder 1 primair ten laste gelegde. Volgens de raadsvrouwe hebben de handelingen van de verdachte gericht op de dood van het slachtoffer elkaar in een razend tempo aaneengeschakeld in een roes opgevolgd, zonder een moment van rust. Van voorbedachte raad was geen sprake, aldus de raadsvrouwe. Daarbij refereerde zij klaarblijkelijk aan verklaringen van de verdachte over zijn gemoedstoestand voorafgaand aan het ten laste gelegde feit. De steller van het middel merkt terecht op dat juist ten aanzien van die gemoedstoestand in de passages uit de verklaringen van de verdachte die het hof tot het bewijs heeft gebezigd weinig is terug te vinden. De verdachte heeft daarover wel veel verklaard, zodat duidelijk is waarop de raadsvrouwe doelt. Zo heeft de verdachte in een verklaring die meer dan zes pagina’s van het proces–verbaal van de terechtzitting in hoger beroep beslaat onder meer verklaard dat hij de controle over zichzelf verloor, dat “het in een opwelling (is) gebeurd”, in “een waas”, hij was “woest, boos” en had zichzelf niet meer in bedwang. Ook verklaarde hij dat hij de hele dag had gedronken en drugs had gebruikt en niet meer goed kon nadenken over de gevolgen, dat hij veel had gebruikt en nog meer wilde gebruiken; “het lichaam schreeuwt erom”.1

8. Het hof heeft in antwoord op het verweer overwogen dat niet aannemelijk is geworden dat de verdachte in een opwelling van boosheid of in een waas heeft gehandeld, maar dat de verdachte, gelet op zijn eigen verklaringen, over zijn bedoelingen, zijn daad en de uitkomst daarvan heeft nagedacht. De veelheid van handelingen die verdachte daarbij heeft moeten verrichten en de veelheid van beslissingen die verdachte heeft moeten nemen en ook de tijd die daarmee gemoeid is geweest maken handelen in een roes volgens het hof niet aannemelijk.

9. Door te toetsen of aannemelijk is geworden dat de verdachte in een roes, opwelling van boosheid of in een waas heeft gehandeld, heeft het hof een onjuiste maatstaf aangelegd. Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel "voorbedachte raad" moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. De enkele omstandigheid dat dat niet is komen vast te staan – of aannemelijk is geworden – dat is gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling is dan ook niet toereikend om daaraan de gevolgtrekking te verbinden dat sprake is van voorbedachte raad.2

10. Daarbij komt dat ik de verwijzing naar de veelheid aan handelingen en beslissingen die de verdachte heeft moeten nemen en de tijd die daarmee is gemoeid in het licht van de bewijsvoering niet zonder meer begrijpelijk acht. Het hof heeft geen nadere overweging gewijd aan de tijd die tussen het besluit en de uitvoering van het feit is gelegen. Uit de bewijsmiddelen komt het beeld naar voren van een zeer kort tijdsbestek. Het hof heeft in dit verband op basis van de verklaringen van de verdachte vastgesteld dat de verdachte aan het slachtoffer om geld heeft gevraagd om meer cocaïne te gaan gebruiken, dat hij hoorde dat het slachtoffer “nee” zei, dat de verdachte daarna naar de wc en naar de keuken is gegaan, dat hij het snoer zag liggen in de berging en dat hij met een daar aanwezige tang het snoer heeft afgeknipt en dat hij ten slotte achter het slachtoffer is gaan staan en het snoer om diens nek heeft gedaan. Nog daargelaten dat naar mijn mening in het licht van de door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden van het moment waarop het besluit tot levensberoving is ontstaan tot aan de dood van het slachtoffer bezwaarlijk kan worden gesproken van een “veelheid aan handelingen en beslissingen”, staan deze als zodanig aan het handelen in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling niet zonder meer in de weg.

11. Daarbij merk ik op dat de enkele omstandigheid dat – binnen een kennelijk zeer kort tijdsbestek - enigerlei vorm van nadenken over het feit en over het te gebruiken wapen heeft plaatsgevonden nog niet meebrengt dat de verdachte daadwerkelijk heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft gegeven op de wijze zoals de wetgever bij het begrip ‘voorbedachte raad’ voor ogen heeft gestaan. De recente rechtspraak biedt verschillende voorbeelden van gevallen waarin de verdachte na het ontstaan van een conflict kennelijk (bewust) ervoor heeft gekozen zich te voorzien van een wapen van een bepaalde soort en waarin de verdachte dat wapen vervolgens heeft gebruikt. In die gevallen kan bezwaarlijk worden volgehouden dat geen keuze is gemaakt dan wel dat geen enkele vorm van nadenken heeft plaatsgevonden. Dat betekent echter nog niet dat daarmee van voorbedachte raad kan worden gesproken.3 In een andere opvatting zou het onderscheid tussen voorbedachte raad en opzet vertroebelen. De wetsgeschiedenis maakt duidelijk dat de wetgever in dit verband een onderscheid heeft willen maken tussen opzet en voorbedachte raad. De wetgever is afgeweken van de omschrijving van voorbedachte raad in art. 297 van de Code Pénal als “dessein formé avant l’action”. De reden daarvoor was dat volgens de wetgever aan elke opzettelijke daad een “dessein” vooraf gaat, “al zij dit slechts door eene zeer kleine tijdsruimte van de daad gescheiden.”4 Juist in verband met het strafverzwarende gevolg dat het bestanddeel voorbedachte raad heeft, is behoedzaamheid geboden. De keuze voor het wapen en de kort daarop gevolgde uitvoering van de levensberoving brengen naar mijn mening geenszins mee dat de onder invloed van de hunkering naar (meer) cocaïne verkerende verdachte zich heeft bezonnen en de reikwijdte en betekenis van het voorgenomen handelen tot zich heeft laten doordringen en aldus, zoals bewezen is verklaard, met voorbedachten rade en “na kalm beraad en rustig overleg” heeft gehandeld.5 Daarbij merk ik nog op dat uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte eerst “het idee” kreeg het slachtoffer van het leven te beroven toen hij aan de eettafel zat en het slachtoffer met “nee” antwoordde nadat de verdachte hem om geld had gevraagd.

12. Ook de overweging dat het gedrag van de verdachte na het doden van het slachtoffer niet wijst op een hoge mate van opwinding of emotie of een waas, acht ik niet zonder meer begrijpelijk. De roes waarop de raadsvrouwe doelde zag immers op een hang naar cocaïne en de woede dat het slachtoffer geen geld ter bekostiging van meer cocaïne wilde verschaffen. Keulen acht het in zijn annotatie onder HR 5 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1112, NJ 2014/157 niet ondenkbaar dat bij de invulling van de voorbedachte raad volgens de maatstaven van de recente rechtspraak het onder invloed van drank of drugs verkeren relevant kan zijn voor vaststellingen inzake voorbedachte raad. Dat standpunt deel ik. Daarbij merk ik nog op dat zulks a fortiori geldt in een geval als het onderhavige, waarin de – volgens de deskundigen zwaar verslaafde6 - verdachte niet alleen zojuist cocaïne had gebruikt, maar het slachtoffer tevens van het leven heeft beroofd om geld te krijgen om onmiddellijk in zijn verdere hang naar cocaïne te voorzien. Bij deze hunkering naar cocaïne sluit de handelwijze van de verdachte na de dood van het slachtoffer aan, te weten het pakken van geld uit de portemonnee, het (snel) kopen van cocaïne voor het volledige geldbedrag en het terugkeren naar de desbetreffende woning en het roken van de cocaïne. Na de ontnuchtering heeft de verdachte zich bij de politie gemeld en bericht dat hij het slachtoffer van het leven heeft beroofd.

13. Ten slotte acht ik de overweging van het hof dat de stelling van de verdediging dat de verdachte niet daadwerkelijk de gelegenheid heeft gehad om zich te beraden of te bezinnen omdat alle handelingen van verdachte zich in een razend tempo hebben opgevolgd en deze handelingen zijn verricht in een grote roes niet te rijmen is met de door verdachte bij de politie afgelegde verklaringen waarin hij tot in detail de toedracht schetst, evenmin begrijpelijk. De omstandigheid dat de handelwijze in een roes of anderszins in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling is geschied, sluit immers geenszins uit dat de verdachte daarover later gedetailleerd kan verklaren.

14. Gelet op het voorafgaande, meen ik dat de steller van het middel terecht opwerpt dat het hof het verweer waarin de voorbedachte raad gemotiveerd is betwist heeft verworpen op gronden die de beslissing niet kunnen dragen. De bewezenverklaring is ten aanzien van de onderdelen “met voorbedachten rade” en “na kalm beraad en rustig overleg” ontoereikend gemotiveerd. In zoverre is het middel terecht voorgesteld.

15. Het tweede middel betreft het onder 2 bewezen verklaarde feit en behelst de klacht dat het oordeel van het hof dat het weggenomen geldbedrag toebehoorde aan [slachtoffer] blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting.

16. Aan de verdachte is onder 2 ten laste gelegd dat:


“hij in of omstreeks de periode van 29 tot en met 30 juli 2012 te Lelystad met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag (van ongeveer 200 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte een snoer (van een boormachine) om de hals van [slachtoffer] heeft gewikkeld en/of dat snoer (met kracht) heeft aangetrokken en/of [slachtoffer] (met dat snoer) heeft gewurgd, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.”

17. Daarvan heeft het hof bewezen verklaard dat de verdachte

“in de periode van 29 tot en met 30 juli 2012 te Lelystad met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag van ongeveer 200 euro, toebehorende aan [slachtoffer], welke diefstal werd voorafgegaan van geweld tegen [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welk geweld hierin bestond dat verdachte een snoer van een boormachine om de hals van [slachtoffer] heeft gewikkeld en dat snoer met kracht heeft aangetrokken en [slachtoffer] met dat snoer heeft gewurgd, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.”

18. Uit de bewijsmiddelen, in het bijzonder uit de tot het bewijs gebezigde verklaringen van de verdachte, volgt dat de verdachte het geldbedrag eerst heeft weggenomen nadat het slachtoffer was overleden. Aan iemand die is overleden kan het geldbedrag niet langer toebehoren. Daarover klaagt het middel op zichzelf terecht. Tot cassatie behoeft zulks echter niet te leiden. In dit verband is immers tevens ten laste gelegd: “in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte”. Uit de bewijsvoering volgt dat het weggenomen goed in elk geval toebehoorde aan een ander of anderen dan aan de verdachte. Aldus leent de bewezenverklaring zich voor een verbeterde lezing, waardoor aan het middel de feitelijke grondslag komt te ontvallen.

19. Het middel is tevergeefs voorgesteld.

20. Het derde middel bevat de klacht dat de redelijke termijn in de cassatiefase is overschreden.

21. De verdachte heeft op 23 juli 2013 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 14 april 2014 ter griffie van de Hoge Raad ingekomen. Nu de verdachte in voorlopige hechtenis verblijft, betekent zulks dat de maximale inzendtermijn van zes maanden met bijna drie maanden is overschreden. Nu het eerste middel slaagt, kan de Hoge Raad deze klacht echter onbesproken laten.

22. Het eerste middel slaagt. Het tweede middel is tevergeefs voorgesteld en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging, terwijl het derde middel onbesproken kan blijven. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

23. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest wat betreft de beslissingen op het onder 1 ten laste gelegde feit, de kwalificatie en de strafoplegging en tot verwijzing van de zaak naar een aangrenzend hof, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 5 juli 2013, p. 2-8.

2 Onder meer: HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:963, NJ 2014/156 en HR 5 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1112, NJ 2014/157, m.nt. Keulen.

3 Zie onder meer HR 7 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:17, NJ 2014/160 en HR 5 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1111, NJ 2014/159, m.nt. Keulen.

4 H.J. Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht II, 1891, p. 460. Zie hierover ook: W. Vellinga en F. Vellinga-Schootstra, Voorbedachte raad en contra-indicatie?, in: Ad hunc modum, Opstellen over materieel strafrecht (liber amicorum Machielse)., Deventer 2013, p. 287-303, m.n. p. 288-289.

5 Daaraan voeg ik nog toe dat de vaststelling van het hof dat de verdachte alternatieven heeft afgewogen niet zonder meer begrijpelijk is. Onduidelijk is waarop het hof deze gevolgtrekking baseert. De verdachte heeft verklaard dat het enige wat bij hem is opgekomen is dat hij het slachtoffer op een makkelijke manier wilde laten stikken. Vervolgens verklaart hij dat hij wel een hamer op zijn hoofd kan slaan, maar dat dan alles onder het bloed zou komen te zitten (bewijsmiddel 3). Hieruit kan niet worden afgeleid dat de verdachte voorafgaand aan het feit daadwerkelijk het slaan met een hamer als alternatief heeft overwogen en dat hij aldus een afweging gemaakt als door het hof is aangenomen.

6 Ter terechtzitting in hoger beroep van 5 juli 2013 vatte de aldaar aanwezige deskundige de bevindingen in de rapportage als volgt samen: “We hebben gediagnosticeerd dat verdachte lijdt aan een beperking van de verstandelijke vermogens (zwakbegaafdheid), ernstige afhankelijkheid van cocaïne, alcohol en cannabis en persoonlijkheidsproblematiek met antisociale en afhankelijke kenmerken.” Vgl. het proces-verbaal van die zitting, p. 8-9.