Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:279

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
18-02-2014
Datum publicatie
15-04-2014
Zaaknummer
13/02714
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:919, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Betekening appeldagvaarding. Art. 588.1 aanhef en onder b sub 2 Sv. HR herhaalt de relevante overweging (rov. 3.24 sub b) uit ECLI:NL:HR:2002:AD5163. Het oordeel van het Hof dat het namens verdachte bij het instellen van h.b. opgegeven adres diende te worden aangemerkt als het uit de stukken blijkend adres dat redelijkerwijs als feitelijke woon-of verblijfplaats van verdachte zou kunnen gelden, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 13/02714

Mr. Harteveld

Zitting 18 februari 2014

Conclusie inzake:

[verdachte]


1. Het Gerechtshof te ‘s-Gravenhage heeft bij arrest van 1 maart 2011 de verdachte bij verstek niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen het vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Rotterdam van 3 september 2010, waarbij de verdachte ter zake van 1. “mishandeling”, 2. “bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht” en 3 primair. “diefstal”, is veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis, en tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 week met een proeftijd van twee jaren.

2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. G.A. Soebhag, advocaat te Rotterdam, heeft een schriftuur ingezonden, houdende één middel van cassatie.


3.1. Het middel, in samenhang met de toelichting daarop gelezen, keert zich tegen het in het arrest besloten liggende oordeel van het Hof dat de appeldagvaarding rechtsgeldig is betekend.

3.2. De stukken van het geding houden het volgende in.

(i) Het proces-verbaal van de terechtzitting van de Politierechter in de Rechtbank te Rotterdam van 3 september 2010 waar de verdachte, nadat de zaak was behandeld, is veroordeeld, houdt in dat de verdachte geen bekende vaste woon- of verblijfplaats in Nederland heeft en dat hij ter terechtzitting heeft opgegeven te verblijven op het adres: [b-straat 1] Rotterdam.

(ii) De verdachte heeft tegen het vonnis van de Politierechter op 9 september 2010 hoger beroep ingesteld. De akte rechtsmiddel vermeldt als adres van de verdachte: [a-straat 1] Rotterdam.

(iii) Een akte van uitreiking, gehecht aan het dubbel van de dagvaarding van de verdachte om te verschijnen op de terechtzitting van het Gerechtshof te ‘s-Gravenhage van 1 maart 2011, houdt in dat die dagvaarding, op 17 januari 2011 is uitgereikt aan de griffier van de Rechtbank te Den Haag omdat "van de gedresseerde geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is".

(iv) Uit een tweede aan dat dubbel gehechte akte van uitreiking volgt dat op 17 januari 2011 is getracht de dagvaarding uit te reiken op het (achterhaalde) adres vermeld in de akte rechtsmiddel. De dagvaarding werd aldaar echter niet uitgereikt omdat volgens mededeling van degene die zich op dit adres bevond, de geadresseerde daar niet woonde noch verbleef. De dagvaarding is vervolgens op 31 januari 2011 uitgereikt aan de griffier van de Rechtbank te Den Haag omdat “van de geadresseerde geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is”. Voorts is een afschrift van de dagvaarding op 31 januari 2011 verstuurd naar het adres [a-straat 1] Rotterdam.

(v) Een aan dat dubbel gehechte uitdraai uit de Strafrechtsketendatabank (SKDB) van 17 januari 2011 houdt in dat de verdachte van 13 juli 2010 tot 21 oktober 2010 op het adres [a-straat 1] Rotterdam stond ingeschreven en dat van hem vanaf 21 oktober 2010 geen vaste woon- of verblijfplaats bekend is.

(vi) Op de terechtzitting van het Hof van 1 maart 2011 is de verdachte niet verschenen en er is tegen hem verstek verleend. Het proces-verbaal van die terechtzitting vermeldt als adres van de verdachte "[a-straat 1] Rotterdam".

(vii) Het Hof heeft op 1 maart 2011 de verdachte op de voet van art. 416, tweede lid, Sv niet-ontvankelijk verklaard in het door hem ingestelde hoger beroep.

3.3. Ingevolge art. 588, eerste lid aanhef en onder b sub 3°, Sv wordt een dagvaarding uitgereikt aan de griffier van de rechtbank indien de geadresseerde niet als ingezetene is ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens noch een feitelijke woon- of verblijfplaats van hem bekend is. Onbekendheid van een feitelijke woon- of verblijfplaats kan evenwel niet worden aangenomen, indien niet is getracht de uitreiking van de dagvaarding te doen plaatsvinden op een uit de stukken van het geding blijkend - voor de hand liggend en niet door een latere opgave achterhaald - adres dat redelijkerwijs als feitelijke woon- of verblijfplaats van de verdachte zou kunnen gelden, zoals het adres dat de verdachte op de (laatste) terechtzitting in feitelijke aanleg heeft opgegeven.1

3.4. Nu uit de stukken niet volgt dat het door de verdachte op de zitting in eerste aanleg opgegeven adres [b-straat 1] Rotterdam is achterhaald2 en dat is getracht de appeldagvaarding uit te reiken aan dat adres -zodat in cassatie ervan moet worden uitgegaan dat dit niet is geschied-, is het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel van het Hof dat de dagvaarding in hoger beroep rechtsgeldig is betekend, zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk.3

3.5. Het middel slaagt.

4. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden arrest en tot nietigverklaring van de dagvaarding in hoger beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, rov. 3.24 sub b.

2 Ik aarzelde nog of dit adres kon worden beschouwd als te zijn ‘achterhaald’ door de latere opgave bij het instellen van het hoger beroep. Dat lijkt me toch niet het geval: dat – door de advocaat - opgegeven adres was nu juist weer hetzelfde GBA-adres dat ook ten tijde van de behandeling bij de Politierechter van toepassing was.

3 Vgl. HR 7 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO1628.