Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:2776

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
14-10-2014
Datum publicatie
14-10-2015
Zaaknummer
12/02714
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:3043, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Witwassen van pseudo-koopgeld i.v.m. diefstal schilderijen Frans Hals Museum Haarlem. De klacht doet een beroep op recente rechtspraak van de HR over i.h.b. de kwalificeerbaarheid als witwassen van het ‘verwerven of voorhanden hebben’ van onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstige voorwerpen (vgl. ECLI:NL:HR:2014:702). Met die rechtspraak wordt gedoeld op het ‘verwerven of voorhanden hebben’ a.b.i. art. 420bis.1.b Sr. De bewezenverklaring houdt evenwel ook in dat verdachte van de geldbedragen “de vindplaats en de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld” a.b.i. onder a van het genoemde artikellid. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat het Hof bij de kwalificatie van het bewezenverklaarde kennelijk geen zelfstandige betekenis heeft toegekend aan het “verwerven” en “voorhanden hebben” van de geldbedragen, zou de mogelijke gegrondheid van deze klacht niet tot cassatie behoeven te leiden, wegens het ontbreken van voldoende belang van verdachte bij deze klacht. V.zv. aan het middel de opvatting ten grondslag ligt dat bedoelde recente rechtspraak van de HR ook betrekking heeft op het bewezenverklaarde verbergen en verhullen a.b.i. art. 420bis.1.a Sr, verdient opmerking dat die opvatting in haar algemeenheid onjuist is (vgl. ECLI:NL:HR:2014:956, rov. 3.3).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 12/02714

Zitting: 14 oktober 2014

Mr. Hofstee

Conclusie inzake:

[verdachte] 1

1. Verzoeker is bij arrest van 24 mei 2012 door het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch wegens “1. Medeplegen van opzetheling, meermalen gepleegd en Medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd”, “2. Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod” en “3. Poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr. Voorts heeft het Hof beslist op de vordering tot gevangenneming, op de vordering van de benadeelde partij en op het beslag, één en ander op de wijze als vermeld in het arrest.

2. Namens verzoeker heeft mr. J.J.J. van Rijsbergen, advocaat te Breda, tien middelen van cassatie voorgesteld.

3. Alvorens de middelen te bespreken, komt het mij dienstig voor de casus aan de hand van de zich in het dossier bevindende stukken in het kort te schetsen. De voorliggende zaak heeft te maken met de destijds opzienbarende inbraak in het Frans Halsmuseum in Haarlem. Op 24 maart 2002 kreeg de politie de melding dat vijf kostbare schilderijen waren weggenomen, te weten: “De kwakzalver” en “De tevreden drinker” van Adriaen van Ostade, “De kwakzalver” van Jan Steen, “Drinkgelag” van Cornelis Dusart en “De Straatmuzikanten” van Cornelis Bega. Het spreekt vanzelf dat dergelijke wereldwijd bekende en kostbare stukken niet heel snel in het helercircuit zijn te verkopen. Pas in 2007, op 14 maart, werd door de ingezette politie-infiltranten opererend onder de aliasnamen ‘ [A] ’ en ‘ [B] ’ een eerste contact gelegd met verzoeker. Daarna volgden meer ontmoetingen met ook medeverdachten (onder wie [medeverdachte 1] ). Uiteindelijk, na langdurig onderhandelen, werden op 12 september 2008 tweemaal twee schilderijen overgedragen en vond op 13 september 2008 de overdracht van het vijfde schilderij plaats, waarna de aanhoudingen van de verdachten volgden. Het pseudokoopgeld van tweemaal € 500.000,- werd op 12 september 2008 op verschillende momenten overhandigd, bij elke overdracht een bedrag van € 500.000. Van het totaalbedrag van € 1.000.000,- is € 100.000,- (van de eerste betaling) aangetroffen in twee kussens op een bank in de woning van [medeverdachte 2] en € 95.500,- (van de tweede betaling) gevonden achter een plint van het keukenblok in de woning van [medeverdachte 1] , nadat dit laatste geldbedrag, zo maak ik uit de bewijsvoering op, eerst was weggeborgen in een blokhut van [medeverdachte 1]

4. Wat er met het overige pseudokoopgeld is gebeurd, maken de stukken van het geding, voor zover in cassatie voorhanden, niet duidelijk. De bewijsvoering van het Hof houdt daarover evenmin iets in. Ik ga er dan ook vanuit dat de tenlastelegging en de hierna aan te halen bewezenverklaring ter zake van het medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd, zijn toegesneden op de geldbedragen van € 100.000,- en € 95.500,- die zijn aangetroffen op de hiervoor vermelde plaatsen.2

5. Op dit uitgangspunt is mijn beoordeling van het eerste middel gebaseerd.

6. Meer middelen hebben betrekking op ’s Hofs oordeel over de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging van verzoeker. Het bestreden arrest houdt daaromtrent het volgende in:

“F. Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

1. De maatstaf: het Zwolsman- en het Karman-criterium

1 1

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat "het handelen van politie en justitie in deze strafzaak, meer specifiek een onder supervisie van het openbaar ministerie meermaals liegende teamleider, een lichtzinnige opdracht tot infiltratie in een geheimhouderskantoor en een langdurige en veelvuldige schending van de regelgeving omtrent het verschoningsrecht, dermate schadelijk is voor het vertrouwen in de rechtstatelijkheid van opsporing en vervolging en de zuiverheid van de strafrechtspleging in het algemeen, dat uit het oogpunt van bescherming van dit algemene rechtsbelang het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard". Volgens de raadsman is dit een fundamentele schending van de beginselen van de goede procesorde, zodat geen belang moet worden gehecht aan de vraag of de verdachte daardoor in zijn belangen is geschaad. In dat verband wees hij op het zogenaamde Karman-criterium (HR 1 juni 1999, NJ 1999, 567).

De advocaat-generaal heeft daarentegen aangevoerd dat dit criterium door het later gewezen standaardarrest van de Hoge Raad (HR 30 maart 2004, NJ 2004, 376) is achterhaald. Sindsdien komt volgens hem het rechtsgevolg van niet-ontvankelijkheidverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging slechts dan in aanmerking, indien aan het Zwolsman-criterium is voldaan - dat wil zeggen dat een ernstige inbreuk is gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor er doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling is tekortgedaan (HR 19 december 1995, NJ 1996, 249).

1 2

Het hof overweegt als volgt. De wetgever heeft met artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) een algemene regeling gegeven voor het beoordelen en sanctioneren van onherstelbare vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek. Voor dat soort vormverzuimen kan de rechter bepalen dat "het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is, indien door het verzuim geen sprake kan zijn van een behandeling van de zaak die aan de beginselen van een behoorlijke procesorde voldoet." Daarbij dient wel steeds rekening te worden gehouden met het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt.

1 3

De Hoge Raad heeft in voormeld arrest van 30 maart 2004 bepaald dat de sanctie van de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de strafvervolging slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking komt.

Daarvoor is volgens de Hoge Raad alleen plaats ingeval het vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.

1 4

De advocaat-generaal heeft de opvatting gehuldigd dat sinds dit arrest van de Hoge Raad slechts nog op de voet van artikel 359a Sv kan worden beslist tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging. Het hof deelt die opvatting niet. Dat in het betreffende arrest van de Hoge Raad (HR 30 maart 2004, NJ 2004, 376) geen woord is gewijd aan het Karman-criterium, bevreemdt het hof niet, nu dat arrest slechts betrekking heeft op de interpretatie van artikel 359a. Ook het in stand laten door de Hoge Raad van het oordeel van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba, dat het niet geboden is om een vergelijkbare, doch minder vergaande, toezegging als waarvan sprake was in het Karman-arrest met de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie te sanctioneren (HR 8 april 2003, NJ 2003, 349), rechtvaardigt niet de conclusie dat het Karman-criterium inmiddels achterhaald is. Naar het oordeel van het hof verzet een zo vergaande conclusie zich tegen het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Het hof begrijpt de jurisprudentie van de Hoge Raad daarom zo dat met de toepassing van het zwaarste rechtsgevolg een grote mate van terughoudendheid is geboden.

1 5

Het hof is van oordeel dat een redelijke uitleg van het recht op een eerlijk proces niet alleen een toetsing langs de lijn van artikel 359a Sv op onherstelbare vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek met zich brengt, maar ook dat niet-ontvankelijkheidverklaring van het openbaar ministerie als sanctie aan de orde kan komen, indien - ook los van mogelijke vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek en los van de vraag of daardoor de belangen van de verdachte zijn geschaad - het wettelijk systeem waarop het strafproces is gebaseerd in de kern is aangetast.

1 6

Tegen deze achtergrond zal het hof in de navolgende overwegingen ingaan op de door de raadsman ter onderbouwing van het niet-ontvankelijkheidsverweer aangevoerde gronden. Het hof stelt daartoe telkens eerst een aantal feitelijkheden vast, plaatst deze in het kader van de betekenis voor de vormvereisten in het strafproces bij het voorbereidend onderzoek en beantwoordt tegen die achtergrond vervolgens de vraag of en zo ja welke belangen voor de verdachte mogelijk zijn geschaad (de lijn van art. 359a Sv). Daarenboven zal het hof overwegen of er sprake is van een vormverzuim dat het wettelijk systeem in de kern heeft aangetast (Karman-criteruim).

2. Startinformatie en 00-informatie

2 1

Hoewel het verweer van de raadsman zich daartegen niet richt, laat het hof zich eerst uit over de toets van de aanvangsverdenking en of voldoende rechtvaardiging bestond om over te gaan tot de inzet van de bijzondere opsporingsbevoegdheden (hierna: BOB) in de beginfase van het onderzoek. Nog daargelaten het feit dat daarover ter terechtzitting uitvoerig gewag van is gemaakt, heeft het hof op de terechtzitting van 9 februari 2012 het voornemen uitgesproken zich over dit onderdeel bij eindarrest uit te laten. Het hof overweegt daarom ambtshalve als volgt.

2 2

Aan de start van het onderzoek Pictor is het CIE proces-verbaal d.d. 3 januari 2007 ten grondslag gelegd, dat de volgende inhoud heeft:

"Bij de Criminele Inlichtingen Eenheid is in de periode van augustus 2002 tot heden van meerdere informanten de navolgende informatie binnengekomen;

[verdachte] steelt, heelt en verkoopt op grote schaal kunst en antiek. Hij maakt gebruik van het telefoonnummer [001] ."

De verstrekte informatie kon worden aangemerkt als betrouwbaar. De groepschef van de CIE, [betrokkene 1] , verklaarde op 16 juni 2009 tegenover de rechter-commissaris dat de informatie het resultaat was van een regelmatige stroom van informatie. De informatie was binnengekomen in de jaren 2002, 2003, 2004, 2005 en 2006 en was, met uitzondering van een aspect (het telefoonnummer), afkomstig van meerdere informanten. Het telefoonnummer was afkomstig van één informant. Alle informanten waren geregistreerde burgerinformanten en als betrouwbaar ingeschat. De betrouwbaarheid is per melding geverifieerd.

Volgens [betrokkene 1] was de informatie eerder niet in een CIE proces-verbaal verwoord, omdat er onvoldoende afnamecapaciteit was bij de tactische teams. Dat veranderde toen het Divisie Management Team (hierna: DMT) op 14 december 2006 een onderzoek besloot op te pakken, dat later "Pictor" (Latijn voor schilder) zou worden genoemd. In januari 2007 zou er capaciteit vrijkomen bij een tactisch team. In de periode tussen 14 december 2006 en 3 januari 2007 werd [betrokkene 1] door de teamleider van het onderzoek, [betrokkene 2] , benaderd met het verzoek de CIE informatie te verbaliseren. Alvorens daartoe werd overgegaan, is gekeken of de CIE informatie nog klopte en of er nieuwe informatie voorhanden was. Uit dat onderzoek kwam naar voren dat in de tussenliggende periode geen nieuwe informatie was binnengekomen.

2 3

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat bij de CIE voorafgaande aan het onderzoek Pictor zogenaamde 00-informatie voorhanden was. Dat is informatie die - bij bekendwording - het gevaar van identiteitsonthulling van een informant in zich draagt en om die reden in tactische zin niet gebruikt kan worden. [betrokkene 1] verklaarde in hetzelfde verhoor bij de rechter-commissaris dat 00-informatie een rol heeft gespeeld bij de beslissing om de CIE informatie over [verdachte] op 14 december 2006 aan te bieden aan het DMT. Dat sluit aan bij de verklaring van het toenmalige hoofd tactisch recherche, [betrokkene 4] , die inhoudt dat hem eind november/begin december 2006 00-informatie is medegedeeld en dat hij medio december 2006 00-informatie aan teamleider [betrokkene 2] heeft verschaft. Het sluit ook aan bij de verklaring van [betrokkene 7] , inhoudende dat hij van [betrokkene 4] had begrepen dat de 00-informatie of een deel daarvan met [betrokkene 2] is gedeeld en dat de 00-informatie van invloed is geweest bij de beslissing om het onderzoek Pictor te starten. Dat laatste is eveneens verklaard door [betrokkene 3] , het toenmalige hoofd van de CIE. Ook de zaaksofficier van justitie mr. Lukowski heeft duidelijk gemaakt dat hij van 00-informatie op de hoogte was voordat hij mondeling het eerste bevel tot stelselmatige observatie had gegeven.

2 4

Hoewel de inhoud van de 00-informatie in verband met bronbescherming niet openbaar is gemaakt en zodoende omtrent de inhoud daarvan geen vaststellingen kunnen worden gedaan, heeft het hof - op basis van de diverse verhoren bij de rechter-commissaris, de raadsheer-commissaris en ter terechtzitting - termen gezien om daarover reeds ter terechtzitting een tweetal uitgangspunten te formuleren. Het eerste uitgangspunt luidt dat reeds bij aanvang van het onderzoek - als onderdeel van de bij de CIE beschikbare informatie - het vermoeden bestond dat als onderdeel van de in het CIE proces-verbaal vermelde "kunst en antiek" ook zou kunnen vallen de (mogelijke handel) van [verdachte] in schilderijen die uit het Frans Hals Museum waren gestolen; het tweede uitgangspunt dat dit onderdeel van de 00-informatie reeds bij de aanvang van het onderzoek aan leden van het tactisch team is medegedeeld.

Uit de verschillende getuigenverklaringen kan worden afgeleid dat 00-informatie van invloed is geweest op de keuze om het onderzoek op te starten. Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat een dergelijke keuze als een beleidsbeslissing van politie en justitie moet worden beschouwd; een kwestie die te maken heeft met prioritering en de beschikbare capaciteit.

2 5

Niet is gebleken of aannemelijk geworden dat 00-informatie de werkelijke (juridische) grondslag is geweest voor de inzet van de BOB bevoegdheden. Bij dit oordeel betrekt het hof dat de zaaksofficier van justitie bij proces-verbaal d.d. 5 september 2011 de stelling poneerde dat hij door de kennis van 00-informatie extra kritisch heeft gekeken naar de rechtmatigheid van de afgegeven bevelen. Het hof begrijpt dit aldus, dat hij zich ervan heeft vergewist of de tactisch bruikbare informatie een voldoende grondslag vormde voor de afgegeven bevelen. Het hof heeft verder in aanmerking genomen dat CIE officier van justitie mr. R. Schuurman kennis heeft genomen van de 00-informatie en daarin voor geen van de verdachten ontlastende aspecten heeft aangetroffen.

2 6

Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of er voor de afgegeven BOB bevelen een voldoende rechtvaardiging bestond. Het CIE proces-verbaal d.d. 3 januari 2007 was de grondslag voor het op 5 januari 2007 mondeling door de officier van justitie gegeven bevel tot stelselmatige observatie van [verdachte] . Dat mondeling bevel is op 9 januari 2007 - aldus twee werkdagen later - op schrift gesteld onder vermelding van de misdrijven gekwalificeerde diefstal en heling. Ook het gebruik van technische hulpmiddelen, zoals camera’s en plaatsbepalingsapparatuur, werd mogelijk gemaakt.

Het hof overweegt dat uit bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad kan worden afgeleid dat CIE informatie een voldoende basis kan zijn voor de inzet van opsporingsbevoegdheden, mits die informatie concreet van aard en van voldoende gewicht is. In dit geval is de CIE informatie van meerdere als betrouwbaar aangemerkte bronnen afkomstig. De informatie heeft voorts betrekking op een langere periode en is geactualiseerd voordat daarvan gebruik werd gemaakt. Het hof acht de informatie daarom van voldoende gewicht, temeer nu in de informatie ook concreet de diefstal en/of heling van kunst en antiek wordt genoemd. In aanmerking genomen dat de informatie enerzijds de roepnaam, achternaam en het telefoonnummer van de verdachte vermeldt en anderzijds de strafbare feiten waaraan deze zich schuldig zou maken, is het hof van oordeel dat de informatie eveneens voldoende concreet is. Het hof trekt daaruit het gevolg dat het CIE proces-verbaal d.d. 3 januari 2007 naar objectieve maatstaven reeds op zichzelf - en derhalve zonder de aanvullende informatie waarover de politie op dat moment beschikte - een voldoende grondslag biedt voor het bevel tot stelselmatige observatie van [verdachte] . Het hof sluit zich derhalve ook aan bij het oordeel van de rechtbank dat het hierboven onder 2.2 vermelde CIE proces-verbaal d.d. 3 januari 2007 als zodanig reeds voldoende grondslag vormt voor een verdenking op de voet van artikel 27 Sv tegen [verdachte] .

Na dit bevel tot stelselmatige observatie heeft officier van justitie mr. Geldermans op 12 januari 2007 toestemming gegeven tot het gebruik van verkregen onderzoeksgegevens uit het onderzoek Trabant. Op 16 januari 2007 heeft officier van justitie mr. Meillo toestemming gegeven tot het gebruik van verkregen onderzoeksgegevens uit het onderzoek Waldorp. Op 30 januari 2007 werd door de rechter-commissaris een machtiging verleend tot het opnemen en uitluisteren van het telefoonverkeer van [verdachte] . Naar het oordeel van het hof biedt het CIE proces-verbaal d.d. 3 januari 2007 ook voor deze machtiging een voldoende basis.

Op 13 februari 2007 volgde een verzoek van teamleider [betrokkene 2] tot de inzet van de bevoegdheid tot stelselmatige informatie-inwinning. Daartoe relateerde hij bij proces-verbaal dat uit de observaties en afgeluisterde telefoongesprekken bleek dat [verdachte] andere personen op verschillende locaties ontmoette, zoals in cafés of andere horecagelegenheden in de binnenstad van 's-Hertogenbosch dan wel in de woning van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , waardoor de onderlinge communicatie niet of nauwelijks was af te luisteren en dat [verdachte] in de communicatie via de mobiele telefoon zich van cryptisch/versluierd taalgebruik bediende, terwijl gestolen kunst bovendien moeilijk verhandelbaar is en het daarom niet aannemelijk werd geacht dat daarover openlijk via de telefoon zou worden gesproken. De officier van justitie heeft op 14 februari 2007 in die feiten en omstandigheden aanleiding gezien om een bevel af te geven tot het stelselmatig inwinnen van informatie door een of meer opsporingsambtenaren en/of door een of meer personen in de openbare dienst van een vreemde staat, steeds zonder dat kenbaar is dat zij als zodanig optreden. In dat kader zijn de opsporingsambtenaren [002] en [003] ingezet, die onder de naam van respectievelijk [A] en [B] werkten. Het hof acht ook dit bevel rechtmatig. Gezien de feiten en omstandigheden heeft de officier van justitie in redelijkheid tot dit bevel kunnen komen.

Op 4 april 2007 is vervolgens op bevel van de officier van justitie een politieel pseudokooptraject gestart. Aan dit bevel ligt ten grondslag dat [A] op 14 maart en 30 maart 2007 met [verdachte] gesprekken heeft gevoerd, waaruit duidelijk werd dat deze "5 schilderijen uit de tijd van Rembrandt" te koop kon aanbieden. Vanaf dat moment was ook uit tactisch onderzoek aannemelijk geworden dat het zou kunnen gaan om de vijf schilderijen die op 24 maart 2002 uit het Frans Hals Museum te Haarlem waren gestolen. Op 17 september 2007 is voorts door de officier van justitie een bevel infiltratie afgegeven, hetgeen leidde tot de inzet van een politie infiltratieteam, waarvan naast [A] en [B] ook een buitenlandse infiltrant - infiltrant [004] alias [C] - deel uitmaakte. Naar het oordeel van het hof zijn ook deze bevelen gezien de feiten en omstandigheden rechtmatig afgegeven.

Bij deze rechtmatigheidsoordelen heeft hef hof steeds in aanmerking genomen dat de bevoegde instantie tot de betreffende bijzondere opsporingsbevoegdheid heeft beslist, dat de procedurele voorschriften zijn nageleefd, dat er is voldaan aan de materiële wettelijke voorwaarden voor de inzet van die bevoegdheden en de geldende eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Opmerking verdient daarbij dat door de toepassing van die bevoegdheden in een periode van enkele maanden een steeds zwaardere verdenking op [verdachte] is gaan rusten.

2 7

Het hof stelt op grond van het vorenstaande vast dat noch bij het vaststellen van de aanvangsverdenking tegen [verdachte] , noch bij de afgifte van de BOB-bevelen een onherstelbaar vormverzuim heeft plaatsgevonden.

3. Delen van 00-informatie met het tactisch team

3 1

Het hof heeft op de terechtzitting van 9 februari 2012 eveneens het voornemen uitgesproken zich bij einduitspraak te zullen uitlaten over het feit dat 00-informatie in strijd met de indertijd geldende instructies met het tactisch team is gedeeld. Ambtshalve overweegt het hof daarom als volgt.

3 2

Naar thans moet worden aangenomen is 00-informatie - voorafgaand dan wel bij de aanvang van het onderzoek - aan bepaalde leden van het tactisch team medegedeeld, zoals aan [betrokkene 2] (teamleider van het onderzoek Pictor), [betrokkene 5] (toenmalig teamchef politie) en infiltrantenbegeleider [005] .

Ook de toenmalige zaaksofficier van justitie mr. Lukowski was op de hoogte van 00-informatie. Voorts moet worden aangenomen dat niet álle leden van het tactisch team op de hoogte waren. Dat geldt bijvoorbeeld voor verbalisant [verbalisant] .

3 3

Het delen van 00-informatie met het tactisch team heeft plaatsgevonden zonder de vereiste toestemming van de toenmalige CIE officier van justitie Van Berkel, zo verklaarde deze tegenover de rechter-commissaris. Het hof stelt vast dat de gang van zaken kennelijk in strijd met de binnen de CIE geldende regels. De regels betreffen echter interne instructies en strekken niet ter bescherming van de verdachte, zodat de verdachte daaraan ook geen rechten kan ontlenen.

3 4

Het hof stelt daarom vast dat het delen van 00-informatie met het tactisch team geen vormverzuim oplevert waarop de verdachte zich kan beroepen.

4. Opzettelijke misleiding

4 1

De raadsman heeft aangevoerd dat teamleider [betrokkene 2] tot tweemaal toe tegenover de rechter-commissaris heeft gelogen over de start van het onderzoek. De officier van justitie mr. Lukowski, die vanaf de start van het onderzoek op de hoogte was van de aanwezigheid en de inhoud van de 00-informatie, was aanwezig bij beide verhoren en had moeten ingrijpen. Door dat na te laten heeft hij als eindverantwoordelijke geen afstand genomen van de verklaringen en zich daarmee stilzwijgend verenigd. Dit is een inbreuk die de integriteit en daarmee de kern van de opsporing raakt, waarvoor de officier van justitie formeel verantwoordelijk is, aldus de raadsman.

4 2

Bij de beoordeling van dit verweer neemt het hof in aanmerking dat de rechtbank ter terechtzitting op verzoek van de verdediging heeft beslist dat [betrokkene 2] door de rechter-commissaris moest worden gehoord. Dat houdt in dat in geen geval sprake kan zijn van een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek. In gevolge artikel 132 Sv wordt immers onder het voorbereidende onderzoek verstaan "het onderzoek hetwelk aan de behandeling ter terechtzitting voorafgaat". De sanctie van niet-ontvankelijkheidverklaring van het openbaar ministerie kan daarom bij dit verweer slechts aan de orde komen, indien het een vormverzuim betreft dat het wettelijk systeem in de kern heeft aangetast.

4 3

Het hof overweegt als volgt. Vaststaat dat de teamleider van het onderzoek, [betrokkene 2] , tijdens zijn eerste verhoor op 16 juni 2009 tegenover de rechter-commissaris niet overeenkomstig de waarheid heeft verklaard. Hij verklaarde immers dat hij zich niet op het verhoor had voorbereid, terwijl hij bij het tweede verhoor op 14 september 2009 moest toegeven dat hij vóór zijn eerste verhoor een overleg had gevoerd waarin was besproken dat de CIE uitleg zou geven over de 00-informatie.

Voor het hof staat niet vast dat [betrokkene 2] tijdens het eerste verhoor ook "kennelijk bewust niet de waarheid heeft verklaard over zijn wetenschap van 00-informatie bij de start van het onderzoek", zoals door de rechtbank is overwogen. Bij de gelegenheid van dat eerste verhoor verklaarde hij namelijk dat er "niet meer informatie was waarop het onderzoek is gestart dan de informatie die in het politieproces-verbaal is vermeld." Die verklaring is voor tweeërlei uitleg vatbaar: enerzijds is voorstelbaar dat uit die verklaring de conclusie wordt getrokken dat [betrokkene 2] geen kennis had van 00-informatie, maar anderzijds kan dit ook uitgelegd worden als de voorhanden "strafvorderlijke informatie", zoals [betrokkene 2] tijdens zijn tweede verhoor heeft gedaan. Onder strafvorderlijke informatie verstond hij dan de informatie die hij tactisch kon gebruiken. Dat is niet onverenigbaar met zijn eerdere verklaring, aangezien hij toen sprak over de informatie waarop het onderzoek is gestart en de omstandigheid dat het CIE proces-verbaal d.d. 3 januari 2007 de grondslag van het onderzoek is. De officier van justitie Lukowski, die bij het verhoor aanwezig was, hoefde daarom ook niet in te grijpen.

4 4

De raadsman heeft bij pleidooi aangegeven dat de verklaringen van [betrokkene 2] in strijd zijn met de door het hof geformuleerde uitgangspunten, hetgeen volgens hem betekent dat [betrokkene 2] heeft gelogen.

4 5

Zoals reeds aan de orde is gekomen, is het hof ervan uitgegaan dat reeds bij aanvang van het onderzoek - als onderdeel van de bij de CIE beschikbare informatie - het vermoeden bestond dat als onderdeel van de in het CIE proces-verbaal vermelde "kunst en antiek" ook zou kunnen vallen de (mogelijke handel) van [verdachte] in schilderijen die uit het Frans Hals Museum waren gestolen. Het hof heeft voorts als uitgangspunt genomen dat dit onderdeel van de 00-informatie reeds bij aanvang van het onderzoek aan leden van het tactisch team is medegedeeld.

Het hof heeft deze uitgangspunten geformuleerd in het kader van de beoordeling van de rechtmatigheid van het onderzoek. De uitgangspunten zijn ingegeven door een worst-case scenario. De achtergrond daarvan is dat de 00-informatie uit meerdere onderdelen kan bestaan en afkomstig kan zijn van meerdere bronnen op verschillende tijdstippen. Niet valt te achterhalen hoe vaak, hoe gedetailleerd en met welke mate van zekerheid in de betreffende 00-informatie over de uit het Frans Hals Museum gestolen schilderijen is verklaard. Daarbij zijn meerdere varianten mogelijk, variërend van "schilderijen uit de tijd van Rembrandt", "middeleeuwse meesters" enzovoort. De verschillende functionarissen die daarover zijn ondervraagd, hebben zich allen beroepen op hun geheimhoudingsverplichting in verband met de bescherming van hun bron(nen). Het hof respecteert dat. Dat betekent wel dat niet kan worden achterhaald welke informatie, met welke mate van gedetailleerdheid en zekerheid aan leden van het tactisch team is meegedeeld. De uitgangspunten zijn daarom niet meer dan een werkhypothese van het hof.

4 6

Het hof overweegt dat naar zijn oordeel slechts een onwaarheid kan worden vastgesteld, indien daartegenover een onbetwistbaar gegeven staat. Een verklaring kan dan ook pas bij een voldoende mate van zekerheid als bezijden de waarheid worden beschouwd. Voor de vaststelling dat die verklaring ook leugenachtig is, dient er naar het oordeel van het hof bovendien te worden vastgesteld dat er bewust in strijd met de waarheid is verklaard. Teneinde na te gaan of kan worden vastgesteld dat de verklaringen van [betrokkene 2] (al dan niet bewust) in strijd met de waarheid zijn afgelegd, zal het hof eerst abstraheren van de genoemde uitgangspunten.

4 7

De verklaringen van [betrokkene 2] zijn volgens de raadsman leugenachtig voor zover daarin naar voren komt dat hij bij de start van het onderzoek niets van de diefstal van schilderijen uit het Frans Hals Museum wist, dat de diefstal in het begin van het onderzoek niet bij het team bekend was, dat de diefstal toen ook geen rol speelde en dat het team er volgens hem rond de zomerperiode van 2007 pas achter kwam dat het ging om de uit het Frans Hals Museum gestolen schilderijen.

Het hof brengt in herinnering dat geen zekerheid bestaat omtrent de inhoud van (de onderdelen) van de 00-informatie. Om die reden kan ook niet worden vastgesteld dat [betrokkene 2] niet overeenkomstig de waarheid heeft verklaard ten aanzien van de bekendheid met de diefstal van schilderijen uit het Frans Hals Museum. Voor mogelijk moet worden gehouden dat in eerste instantie een beperkter onderdeel van de 00-informatie, zoals een vermoeden dat het ging om de heling van kostbare schilderijen, is gedeeld met [betrokkene 2] en de andere leden van het tactisch team en dit onderdeel kort daarna verder is gespecificeerd naar de schilderijen die uit het Frans Hals Museum zijn gestolen. Dat sluit in elk geval aan de volgende verklaring van [betrokkene 2] : "Bij de start van het onderzoek wist ik niet het om schilderijen ging. Nee, het is anders. Ik mag daar geen antwoord op geven i.v.m. bronbescherming." Het past tevens bij de verklaring van infiltrantenbegeleider [005] dat "in de periode tussen 5 februari en 14 februari 2007" - en aldus kort nadat het onderzoek in januari 2007 is aangevangen - "in aanwezigheid van de heren [betrokkene 5] en [betrokkene 2] [is besproken], dat het zou gaan om kunstvoorwerpen [en de diefstal daarvan], waaronder schilderijen uit de Rembrandt-periode uit het Frans Hals Museum."

De verklaring van [betrokkene 2] dat het onderzoeksteam pas na c.q. rond de zomervakantie van 2007 wist dat het om de uit het Frans Hals Museum gestolen schilderijen ging, is evenmin evident in strijd met de waarheid. De wetenschap dat het onderzoek daadwerkelijk op die specifieke schilderijen betrekking had, in die zin dat daarover zekerheid kwam te bestaan, ontstond pas toen [verdachte] op 17 oktober 2007 foto's van de schilderijen aan [A] overhandigde. Dat hebben ook andere getuigen verklaard, zoals de infiltrantenbegeleider [005] en het toenmalige hoofd van de tactische recherche [betrokkene 4] . Voor die tijd bestonden daarover al wel vermoedens, die door de inhoud van de besprekingen tussen [A] en [verdachte] steeds sterker werden, maar die hoeven niet als wetenschap te worden gekwalificeerd.

Het hof is aldus van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat de door de raadsman aangehaalde verklaringen in strijd met de waarheid zijn afgelegd. Dat betekent tevens dat de handelwijze van de officier van justitie Lukowski, die overigens niet bij dit verhoor aanwezig was (officier van justitie Wetzels was aanwezig), niet als onbehoorlijk kan worden getypeerd.

4 8

Het vorenstaande laat echter onverlet dat de aangehaalde verklaringen wel in strijd zijn met de werkhypothese van het hof. Het hof houdt vast aan die werkhypothese, doch zonder zich daarbij uit te spreken over het waarheidsgehalte van de verklaringen van [betrokkene 2] . De mogelijkheid wordt slechts voor ogen gehouden dat de verklaringen in strijd met de waarheid zouden kunnen zijn. Aangezien daarnaar geen nader onderzoek is verricht, zal het hof - in het voordeel van de verdachte - daaraan consequenties verbinden als ware de verklaringen bewust in strijd met de waarheid.

4 9

Het hof komt daarmee tot de conclusie dat de verklaring van [betrokkene 2] met betrekking tot de voorbereiding op zijn eerste verhoor niet overeenkomstig de waarheid was en dat het er - gelet op de te hanteren werkhypothese in het voordeel van de verdachte - verder voor moet worden gehouden dat datzelfde geldt voor zijn verklaringen ten aanzien van de start van het onderzoek. Het door een politieambtenaar bewust geven van een onjuiste voorstelling van zaken kan er onder omstandigheden toe leiden dat de rechterlijke controle op het opsporingsonderzoek ernstig wordt bemoeilijkt, hetgeen de kern van het strafproces raakt. In het onderhavige geval is die controle echter niet wezenlijk bemoeilijkt, nu de (hypothetische) onwaarheden betrekking hebben op ondergeschikte aspecten van de zaak, te weten de voorbereiding op een verhoor en de kennis van 00-informatie die bij de beoordeling van de rechtmatigheid van generlei waarde is. Daarbij merkt het hof op dat [betrokkene 2] door de kennis van 00-informatie en de kennelijk op voorhand gemaakte afspraken omtrent zijn verklaringen ten aanzien van 00-informatie (afspraken met [betrokkene 6] en [betrokkene 4] voorafgaand aan zijn verhoor op 16 juni 2009 bij de rechter-commissaris) in een zeer ongelukkige positie is terechtgekomen. Mogelijk zijn meerdere betrokkenen verantwoordelijk voor de bijzonder ongewenste gang van zaken rondom het delen van 00-informatie, maar voor de beoordeling van de rechtmatigheid van de in het onderzoek genomen beslissingen acht het hof dit - zoals hiervoor onder 2.1 tot en met 2.7 overwogen - niet bepalend.

Het hof is gelet op het voorgaande van oordeel dat niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in dit geval niet aan de orde is. Dat neemt niet weg dat het opzettelijk onjuist verklaren ten overstaan van een rechter-commissaris op zichzelf al buitengewoon ernstig is en dat dit naar het oordeel van het hof gesanctioneerd dient te worden. Het hof sluit daarvoor aan bij de sanctiemogelijkheden van artikel 359a Sv en zal bij een veroordeling strafvermindering toepassen, waarbij - het zij herhaald - in het voordeel van de verdachte wordt uitgegaan van de werkhypothese dát opzettelijk onwaarheid is verteld.

5. Infiltratieactie op geheimhouderskantoor

5 1

De raadsman heeft aangevoerd dat de opdracht van het openbaar ministerie aan politieel infiltrant [A] om met de verdachte mee te gaan naar het kantoor van diens advocaat mr. A.S. van der Biezen teneinde daar een geldbedrag van maximaal 20.000 euro te overhandigen, een fundamentele inbreuk is op de regelgeving rondom de vertrouwelijke communicatie met geheimhouders. Van enige belangenafweging door de officier van justitie is niet gebleken. De beoogde infiltratieactie op dit geheimhouderskantoor voldoet in geen geval aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, aldus de raadsman.

5 2

Het hof overweegt als volgt. De opdracht die de infiltrantenbegeleider [005] op 2 juni 2008 aan [A] gaf, was - zo blijkt uit het door de infiltrantenbegeleider opgemaakte proces-verbaal - "een gesprek [aangaan] met [verdachte] over de aankoop en levering van de weggenomen schilderijen" en "een geldbedrag van maximaal 20.000 Euro af te geven aan de advocaat van [verdachte] ." De opdracht hield derhalve niet expliciet of noodzakelijkerwijs in dat [A] daartoe tevens een gesprek tussen [verdachte] en diens advocaat zou bijwonen. Het hof is van oordeel dat de gegeven opdracht niet alleen vanuit het oogpunt van het in stand laten van de "cover" van de infiltrant begrijpelijk was maar dat deze opdracht ook toelaatbaar was.

Daar komt bij dat de achterliggende ratio van het verweer, namelijk dat een inbreuk wordt gemaakt op de vertrouwelijke communicatie tussen [verdachte] en diens toenmalige advocaat, zich niet heeft voorgedaan. Immers, nog daargelaten dat het initiatief tot het bezoek aan de advocaat uitging van [verdachte] zelf, kan worden vastgesteld dat [A] niet bij het vertrouwelijke gesprek tussen [verdachte] en zijn toenmalige advocaat aanwezig is geweest. Bij dat gesprek werd hij immers niet toegelaten: mr. Van der Biezen wilde slechts een gesprek aangaan met [verdachte] en liet [A] in de wachtruimte van zijn kantoor achter. In zoverre mist het verweer zelfs feitelijke grondslag. Hetgeen de raadsman overigens heeft aangevoerd, leidt het hof niet tot een ander oordeel.

5 3

Het hof oordeelt op grond van het vorenstaande dat op dit punt geen vormverzuim heeft plaatsgevonden. Het verweer wordt in zoverre verworpen.

6. Geheimhoudersgesprekken

6 1

De raadsman heeft aangevoerd dat een aanzienlijk aantal "geheimhoudersgesprekken" tussen de verdachte en diens medeverdachten enerzijds en verschoningsgerechtigden en anderzijds is geïntercepteerd en uitgeluisterd, maar door de officier van justitie niet dan wel niet tijdig is vernietigd. Het is volgens de raadsman niet toetsbaar en daarom ook geenszins uit te sluiten dat die gesprekken informatie hebben opgeleverd die op enigerlei wijze van belang was voor het opsporingsonderzoek. Een mogelijk capaciteitsprobleem op de tapkamer kan daarvoor geen rechtvaardiging zijn, aldus de raadsman.

6 2

Bij de beoordeling van dit verweer stelt het hof voorop dat met het in artikel 126aa, tweede lid, Sv vervatte voorschrift wordt beoogd het belang te beschermen dat eenieder zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van het toevertrouwde zich kan wenden tot een geheimhouder voor bijstand en advies. Dat voorschrift strekt ertoe dat gegevens onmiddellijk worden vernietigd, indien zij vallen onder het verschoningsrecht als bedoeld in artikel 218 Sv, zodat is verzekerd dat die gegevens geen deel uitmaken van de processtukken en dat daarop in het verdere verloop van het strafproces geen acht wordt geslagen (HR 11 oktober 2011, LJN BR0552).

6 3

Het hof overweegt als volgt. Er zijn in het onderzoek Pictor, dat zo’n anderhalf jaar heeft geduurd, circa 70.000 gesprekken geïntercepteerd. In de periode van 15 februari 2007 tot en met 5 december 2008 heeft de officier van justitie 349 van die gesprekken laten vernietigen. Hij deed dat bij 61 afzonderlijke en op schrift gestelde bevelen. Na sluiting van het politieonderzoek, maar voorafgaande aan de eerste inhoudelijke behandeling ter terechtzitting van de rechtbank, heeft de officier van justitie uit het oogpunt van zorgvuldigheid de opdracht gegeven om de tapprocedures nogmaals te controleren op de aanwezigheid van geheimhoudersgesprekken. Bij deze hercontrole kwamen in totaal nog 71 geheimhoudersgesprekken aan het licht, waarvan er 20 betrekking hadden op de procedure ten aanzien van [verdachte] , 50 op die ten aanzien van [medeverdachte 2] en 1 op die ten aanzien van [medeverdachte 1] met dien verstande dat onder die gesprekken mede werden verstaan telefonische contacten met geheimhouders zonder dat daadwerkelijk een gesprek tot stand was gekomen. De officier van justitie heeft direct na het ontdekken van deze gesprekken de vernietiging ervan bevolen en de verdediging daarvan bij brief d.d. 16 maart 2009 op de hoogte gebracht. De rechtbank heeft die vernietiging echter ter terechtzitting van 1 april 2009 bevroren teneinde de verdediging in de gelegenheid te stellen die geheimhoudersgesprekken te controleren.

In het stadium daarna heeft de verdediging in de procedure ten aanzien van [medeverdachte 2] nog twee geheimhoudersfaxen aangetroffen. Daarbij ging het om een faxbericht van [medeverdachte 2] gericht aan een administratiekantoor met daaraan gehecht een brief van zijn advocaat en een faxbericht zonder voorblad van [medeverdachte 2] gericht aan zijn advocaat die inhoudelijk handelde over een drank- en horecavergunning.

Vervolgens heeft de officier van justitie in het kader van een landelijke opschoonactie nogmaals een hercontrole laten uitvoeren. Dat gebeurde met een nadere digitale scan, een scan die fijnmaziger is dan de scan die was gebruikt bij de eerdere hercontrole. Bij deze laatste controle werden nog eens 34 geheimhoudersgesprekken achterhaald. De officier van justitie heeft daarover ter terechtzitting van 10 maart 2009 verantwoording afgelegd. De gesprekken werden grotendeels gevoerd door personen die geen verdachte zijn in de onderhavige strafzaak en gingen vrijwel zonder uitzondering over het maken van een afspraak. Uit het dossier blijkt niet van daadwerkelijke vernietiging van de geheimhoudersgesprekken die sinds de eerste hercontrole zijn achterhaald; daarvan zijn het hof geen processen-verbaal van vernietiging bekend. De opdracht is daartoe gegeven, maar het hof kan niet vaststellen of daaraan uitvoering is gegeven. Het hof houdt het er daarom voor dat de geheimhoudersgesprekken niet zijn vernietigd.

6 4

Uit het vorenstaande volgt dat in elk geval een aantal geheimhoudersgesprekken niet terstond is opgemerkt en bovendien nog altijd niet is vernietigd. Zodoende is in strijd met artikel 126aa, tweede lid Sv gehandeld. Dat is een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek.

6 5

Van belang acht het hof dat het ontdekken van de geheimhoudersgesprekken voornamelijk op het conto van de officier van justitie is te schrijven, die tot tweemaal toe een digitale scan heeft laten uitvoeren en resultaten daarvan aanstonds aan de verdediging heeft gemeld. De twee geheimhoudersfaxen die door de verdediging in de procedure van [medeverdachte 2] zijn aangetroffen, hebben zich om begrijpelijke redenen (het ene bericht was gericht aan een administratiekantoor en het andere had geen voorblad) aan de eerste hercontrole kunnen onttrekken. Van belang acht het hof ook dat het aantal aangetroffen geheimhoudersgesprekken beperkt in aantal is geweest en niet louter betrekking had op contacten tussen de verdachte en diens advocaat. Dat vormt een indicatie dat het verzuim niet specifiek gericht was op gesprekken die verband zouden kunnen hebben met het onderzoek. Het hof is van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting nog niet in het minst aannemelijk is geworden dat de inbreuken op het verschoningsrecht moedwillig zijn begaan. De ernst van het verzuim dient in zoverre te worden genuanceerd.

6 6

Uit het onderzoek ter terechtzitting is bovendien niet gebleken of aannemelijk geworden dat de politie of het openbaar ministerie direct of indirect gebruik heeft gemaakt van informatie die op welke wijze dan ook kan worden herleid tot een of meer van deze geheimhoudersgesprekken. De stelling van de raadsman dat de invloed van die gesprekken op het onderzoek niet meer te toetsen is, mist deels feitelijke grondslag, nu de vernietiging van de bij de hercontrole ontdekte gesprekken juist door de rechtbank was bevroren teneinde controle daarop door de verdediging mogelijk te maken. De verdediging heeft niet aangevoerd dat die gesprekken erop wijzen dat informatie uit die gesprekken in het onderzoek zijn gebruikt. Het hof concludeert dan ook dat niet aannemelijk is geworden dat de verdachte door het verzuim enig nadeel heeft ondervonden.

6 7

Anders dan de rechtbank is het hof daarom met de advocaat-generaal van oordeel dat tegen deze achtergrond geen rechtsgevolg aan het verzuim behoeft te worden verbonden. In aanmerking nemende de gerelativeerde ernst van het verzuim en het ontbreken van enige benadeling van de verdachte, volstaat het hof met de enkele constatering dat een verzuim heeft plaatsgevonden. Hetgeen de raadsman overigens heeft aangevoerd, leidt het hof niet tot een ander oordeel. Het verweer wordt in zoverre verworpen.

7. Eindconclusie

Uit het vorenstaande volgt dat de verschillende gronden - elk op zich genomen - niet leiden tot het oordeel van niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie op de voet van artikel 359a Sv. Evenmin leidt de toetsing aan het Karman-criterium (zie overweging 1.6) tot een dergelijk oordeel. Ook de hierboven vermelde overwegingen onder 2 t/m 6 leiden, in onderling verband en samenhang bezien, niet tot een dergelijk oordeel. Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn het hof ook anderszins geen feiten of omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de weg staan. Het hof is dan ook van oordeel dat het openbaar ministerie in zijn strafvervolging van de verdachte kan worden ontvangen.”

7. Het eerste middel klaagt dat de afwijzing door het Hof van het verzoek [betrokkene 4] als getuige te horen zonder nadere motivering niet begrijpelijk is. Het tweede middel klaagt dat de afwijzing door het Hof van het verzoek [betrokkene 2] als getuige te horen zonder nadere motivering niet begrijpelijk is. De middelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

8. De appelschriftuur houdt met betrekking tot de getuigenverzoeken het volgende in:

“9. De heer [betrokkene 4] , opsporingsambtenaar van politie en het toenmalige hoofd tactische recherche.

10. De heer [betrokkene 2] , politieambtenaar en de toenmalige tactisch teamleider.

11. (…)

Bovengenoemde opsporingsambtenaren dienen (kort gezegd) nader bevraagd te worden omtrent de door hen verrichte handelingen in onderhavig opsporingsonderzoek, in het bijzonder ten aanzien van hun afwegingen met betrekking tot de inzet van diverse ingrijpende opsporingsbevoegdheden c.q. BOB-middelen, alsmede ten aanzien van de startinformatie en ten aanzien van hun wetenschap met betrekking tot de dubbel nul informatie.”

9. Ter terechtzitting in hoger beroep van 4 juli 2011 heeft de raadsman van verzoeker het woord gevoerd overeenkomstig een door hem overgelegde pleitnota die voor zover hier van belang het volgende inhoudt:

“7. [betrokkene 4] hoofd tactische recherche

De verdediging wenst de heer [betrokkene 4] te confronteren met zijn verklaring dat de dubbel nul-informatie die hij heeft medegedeeld aan [betrokkene 2] niet van belang is geweest voor het verdere verloop van het onderzoek 'Pictor'. Voorts verklaart [betrokkene 4] dat de dubbel nul-informatie de snelheid van het onderzoek niet heeft beïnvloed.

Deze uitlatingen zijn strijdig met de op pagina 16 van de pleitnota van mr. Kurvers geciteerde uitlatingen van [betrokkene 7] en [betrokkene 3] . Bovendien zijn deze uitlatingen ook innerlijk tegenstrijdig met de uitlating die [betrokkene 4] aan het einde van zijn verhoor doet, ik citeer: 'zonder de dubbel nul-informatie waren we uiteindelijk (lees: via andere wegen met meer moeite en inspanningen) wel bij deze verdachten uitgekomen.

De verdediging acht deze vragen noodzakelijk om te kunnen beoordelen of teamleider [betrokkene 2] de dubbel nul-informatie tijdens het onderzoek heeft gebruikt voor de keuze bepaalde opsporingsmethodieken wel of niet in te zetten.

Tevens wenst de verdediging [betrokkene 4] te bevragen over de inzet van het middel stelselmatige informatie-inwinning. Vraagstelling daarbij zal zijn welke afwegingen zijn gemaakt omtrent de proportionaliteits- en subsidiariteitseis. Een en ander is noodzakelijk om de rechtmatigheid van de inzet van dit opsporingsmiddel te beoordelen.

8. [betrokkene 2] teamleider

In de eerste plaats wenst de verdediging de heer [betrokkene 2] te bevragen over de afwegingen die zijn gemaakt omtrent de inzet van het middel stelselmatige informatie-inwinning, teneinde de rechtmatigheid van de inzet van dit middel te kunnen beoordelen. Dit blijkt immers - zoals gezegd - onvoldoende uit het dossier.

In dit kader wenst de verdediging [betrokkene 2] te confronteren met zijn uitspraak dat de stelselmatige informatie-inwinning onder meer was ingegeven vanuit het feit dat cliënt moeilijk te benaderen was. Deze uitlating staat lijnrecht tegenover de verklaring van [betrokkene 4] inhoudende dat inzet van stelselmatige informatie-inwinning niet in de persoon van de verdachte zat.

Voorts wenst de verdediging [betrokkene 2] kritisch te bevragen over de dubbel nul-informatie, meer specifiek of deze informatie is gebruikt voor de keuze bepaalde opsporingsmethoden wel of niet in te zitten. Dit alles is noodzakelijke om te kunnen beoordelen of [betrokkene 2] de dubbel nul-informatie operationeel heeft gebruikt (Wetering: niet toegestaan).

Tot slot wenst de verdediging [betrokkene 2] te bevragen omtrent het aantal keren dat [A] het geldbedrag van 1,75 miljoen heeft getoond aan cliënt. Blijkens het dossier is dit eenmaal gebeurd. Cliënt stelt evenwel dat het genoemde geldbedrag hem een drietal keren is getoond. De verdediging wenst duidelijkheid te krijgen over het aantal keren dat het geldbedrag is getoond en de exacte data. Een en ander is noodzakelijk om te kunnen beoordelen of het Tallon-criterium is geschonden en of er zodoende sprake is van uitlokking. Volgens [betrokkene 2] werd het tonen van geld vooraf met hem besproken. Hij moet derhalve op de hoogte zijn van het aantal keren dat het bedrag is getoond en de exacte data.”

10. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 4 juli 2011 houdt als beslissing van het Hof het volgende in:

“De voorzitter deelt als beslissing van het hof mede:

Nu de behandeling in eerste aanleg op tegenspraak heeft plaatsgevonden, hanteert het hof als uitgangspunt dat de noodzaak tot het horen van een getuige die in eerste aanleg reeds door de rechter-commissaris is gehoord, slechts bestaat indien de verdediging in hoger beroep concrete nieuwe vraagpunten naar voren heeft gebracht waarover zij de getuige in eerste aanleg niet heeft kunnen ondervragen.

Evenals de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat de enkele omstandigheid dat de verdachte zich in hoger beroep door een opvolgend raadsman laat bijstaan, niet betekent dat er bij de beoordeling van de getuigenverzoeken andere maatstaven gehanteerd moeten worden dan wanneer dezelfde raadsman als in eerste aanleg thans nog was opgetreden.

(…)

• getuigen (…) [betrokkene 4] (7), [betrokkene 2] (8) (…)

Deze getuigen zijn in eerste aanleg gehoord door de rechter-commissaris in aanwezigheid van de toenmalige raadsman van de verdachte.

Naar het oordeel van het hof is er, gelet op de motivering van het verzoek tot het horen van deze getuigen, geen sprake van een situatie waarin de verdediging in hoger beroep concrete nieuwe vraagpunten naar voren heeft gebracht waarover zij de betreffende getuige in eerste aanleg niet heeft kunnen ondervragen. Het hof is daarom van oordeel dat het nogmaals horen van deze getuigen niet noodzakelijk is.

(…)

Het hof wijst het verzoek tot het horen van deze getuigen daarom af.”

11. Ter terechtzitting in hoger beroep van 10 november 2011 is door de raadsman van verzoeker opnieuw verzocht [betrokkene 4] en [betrokkene 2] als getuigen te horen. Zijn ter terechtzitting overgelegde pleitnota houdt – met inbegrip van hier niet weergegeven voetnoten - daaromtrent het volgende in:

“1. Verkrijgen 00-informatie en aanvullend horen getuigen hieromtrent

(…)

Aangezien diverse getuigen bij vragen met enige relatie tot de 00-informatie, onder het mom van bronbescherming, hebben geweigerd daarop antwoord te geven, is de verdediging van mening dat deze getuigen al dan niet na verstrekking van de 00-informatie nogmaals dienen te worden gehoord met betrekking tot dit specifieke onderdeel. Het gaat dan om:

1. (…)

2. Hoofd tactische recherche [betrokkene 4]: wil niet zeggen of de 00-informatie van belang is geweest bij de keuze van de inzet van middelen in het onderzoek. Hij wil tevens geen antwoord geven op de vraag of de verstrekte CIE-informatie wordt ondersteund door de 00-informatie (hetgeen weer van belang is voor de vraag of deze 00-info ontlastende informatie behelsde). Hij wil eveneens niet verklaren of er namen in de 00-informatie stonden. Ook de vraag of de 00-informatie beslissend was voor de keuze het onderzoek op te starten wil hij geen antwoord geven.

3. (…)

4. Teamleider onderzoeksteam [betrokkene 2]: wil geen antwoord geven of de vraag waarom hij 00-informatie kreeg als hij hem toch niet mocht gebruiken. Hij wil ook niet antwoorden op de vraag of het niet vreemd is dat er zoveel mensen op de hoogte zijn van de 00-informatie.

5. (…)

De inhoud van de 00-informatie is in de eerste plaats noodzakelijk om te kunnen beoordelen of deze informatie ontlastende informatie voor cliënt bevat. Hetgeen dan natuurlijk ook van belang is voor het voor de inzet van opsporingsmiddelen noodzakelijke redelijk vermoeden van schuld jegens cliënt Het aanvullende proces-verbaal van officier van justitie Lukowski geeft voeding aan het voorgenoemde vraagstuk. Lukowski verklaart letterlijk, ik citeer:

'Ik durf de stelling aan dat door kennis te hebben van de 00-informatie ik zelfs extra kritisch heb gekeken naar de rechtmatigheid van de afgegeven bevelen'.

Indien immers ontlastende informatie aan het dossier is onthouden, kan dit volgens vaste en bestendige jurisprudentie leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. De verdediging acht het ook noodzakelijk de officier van justitie te bevragen met betrekking tot de laatst geciteerde uitspraak, die meer vragen oproept dan beantwoordt. Bovendien moeten u en ik ook kritisch kunnen toetsen.

Voorts is verkrijging van de 00-informatie noodzakelijk teneinde te kunnen vaststellen wie van de gehoorde getuigen de waarheid heeft gesproken en welke getuigen dat niet hebben gedaan. Omtrent de start van het onderzoek en de informatie die op dat moment voorhanden was, worden namelijk zeer tegenstrijdige verklaringen afgelegd en niet door de minst betrokken personen in het onderzoek. Het afleggen van verklaringen in strijd met de waarheid raakt het strafproces in de kern. Duidelijkheid hieromtrent is noodzakelijk om de ontvankelijk van het openbaar ministerie te kunnen bepalen en daartoe strekkende verweren voldoende te kunnen inkleden..

Het behoeft geen betoog dat voor de verdediging op dit moment wel duidelijk is dat men reeds vanaf de start van het onderzoek op de hoogte was van het feit dat het om de gestolen schilderijen uit het Frans Halsmuseum ging. Dit verklaart dat bepaald niet wordt bezuinigd op de inzet van (kostbare) bijzondere opsporingsbevoegdheden, hetgeen absoluut niet voor de hand ligt, zuiver bezien vanuit de inhoud van het CIE proces-verbaal dat ten grondslag heeft gelegen aan de start van het onderzoek. De informatie in dit proces-verbaal is vaag en betreft een niet interessant CIE-subject. Het onderzoek heet m.i. ook niet voor niets 'Pictor', vrij vertaald schildersezel.

Deze stellingname van de verdediging wordt ondersteund door informantenbegeleider [005] die verklaart:

‘Ik herhaal dat in de periode tussen 5 februari en 14 februari 2007 is besproken, in aanwezigheid van de heren [betrokkene 5] en [betrokkene 2] , dat het zou gaan om kunstvoorwerpen waaronder schilderijen uit de Rembrandt-periode uit het Frans Halsmuseum. Ik ben er stellig in dat in de door mij genoemde periode tussen 5 en 14 februari 2007 gesproken is over kunstvoorwerpen en de diefstal daarvan, waaronder schilderijen uit het Frans Halsmuseum. Over de heer [betrokkene 4] ben ik niet zeker. Ik weet ook niet of de officier van justitie bij elke bespreking aanwezig is geweest'.

Ook infiltrant [003] is duidelijk op dit punt:

‘Toen ik in deze zaak werd gebriefd, werd mij gezegd dat het ging om heling van kunst door [verdachte] . Ik zou mee moeten gaan met [A] om het eerste contact met [verdachte] natuurlijker te laten verlopen... Er werd gezegd dat het zou gaan om heling van schilderijen'.

Hetzelfde geldt voor [004] :

‘Ik meen dat de Nederlandse politie al voor ik bij de zaak werd betrokken, het vermoeden had dat het om schilderijen ging. Er werd namelijk tijdens een van onze eerste ontmoetingen gesproken over een verzameling schilderijen'.

‘Ik wist vanaf maart 2007 dat [verdachte] ervan werd verdacht dat hij toegang had tot de schilderijen'.

Er zijn een aantal getuigen geweest die verklaren dat het eerst op een later moment duidelijk is geworden dat het om schilderijen uit het Frans Halsmuseum ging. De verdediging wenst deze getuigen te horen.

Hoofd tactische recherche [betrokkene 4] :

‘Ik heb daarbij 00-informatie medegedeeld aan [betrokkene 2] ’.

‘Ik meen dat wij kort voor de zomer erachter kwamen dat het daadwerkelijk ging om schilderijen die uit het Frans Halsmuseum waren gestolen. Dat was nadat [verdachte] foto’s van de schilderijen had gegeven aan een infiltrant'.

Teamleider [betrokkene 2] :

‘Bij de start van het onderzoek wist ik niets van de diefstal van schilderijen uit het Frans Halsmuseum’.

‘Ik blijf er dus bij dat de diefstal van schilderijen uit het Frans Halsmuseum bij ons team in het begin van het onderzoek niet bekend was en geen rol speelde'.

‘Nadat [verdachte] op 14 maart 2007 voor de eerste keer over dure schilderijen had gesproken en er in die periode daarna aanvullende informatie was binnengekomen, zijn wij er volgens mij rond de zomerperiode achter gekomen dat het ging om schilderijen die uit het Frans Halsmuseum gestolen waren’.

Saillant detail is dat [betrokkene 2] voor dit verhoor stevig op de vingers is getikt door de rechter-commissaris die van mening was dat zijn eerste verklaring verder ging dan slechts onduidelijk verklaren en moet worden aangemerkt als onjuist verklaren. Kennelijk heeft deze opmerking niet het gewenste effect gesorteerd en heeft [betrokkene 2] opnieuw bezijden de waarheid verklaard.

(…)

Samengevat wenst de verdediging dan ook te horen:

1. (…)

2. [betrokkene 4]

3. (…)

4. [betrokkene 2]

12. Ter terechtzitting in hoger beroep van 22 november 2011 heeft het Hof overwogen dat het op dat moment niet adequaat op de verzoeken van de verdediging kan reageren en heeft het Hof besloten de stukken in handen te stellen van de advocaat-generaal opdat deze bij de CIE-officier van justitie na zou gaan of in deze zaak in de beschikbare 00-informatie ontlastende informatie aanwezig was met betrekking tot één of meer van de verdachten. Vervolgens heeft het Hof ter terechtzitting in hoger beroep van 9 februari 2012 als volgt op de verzoeken van de verdediging beslist:

“De voorzitter deelt mede dat het hof zich heeft beraden over de ter terechtzitting van 10 november 2011 gedane onderzoekswensen van de verdediging en dienaangaande het volgende overweegt.

Noodzakelijkheidscriterium

Het hof stelt voorop dat de verzoeken eerst ter terechtzitting zijn gedaan en, voor zover zij zien op het horen van getuigen, grotendeels betrekking hebben op reeds gehoorde getuigen, zodat op de verzoeken dient te worden beslist aan de hand van het noodzakelijkheidscriterium.

De feiten met betrekking tot de aanvang van het onderzoek

Aan de start van het onderzoek Pictor is een CIE proces-verbaal d.d. 3 januari 2007 ten grondslag gelegd, dat de volgende inhoud heeft:

"Bij de Criminele Inlichtingen Eenheid is in de periode van augustus 2002 tot heden van meerdere informanten de navolgende informatie binnengekomen:

[verdachte] steelt, heelt en verkoopt op grote schaal kunst en antiek. Hij maakt gebruik van het telefoonnummer [001] ."

Op 5 januari 2007 heeft de officier van justitie bevel afgegeven tot stelselmatige observatie van de verdachte. Op 12 januari 2007 heeft de officier van justitie toestemming gegeven voor het gebruik van verkregen onderzoeksgegevens uit het onderzoek Trabant. Zo werd onder meer kennis genomen van gesprekken tussen de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] , die betrekking leken te hebben op de handel in schoenen, terwijl uit onderzoek was gebleken dat geen van beiden een onderneming met betrekking tot handel in schoenen dreef. Op 30 januari 2007 werd door de rechter-commissaris een machtiging verleend tot het opnemen en uitluisteren van het telefoonverkeer van de verdachte. De officier van justitie heeft vervolgens op 14 februari 2007 een bevel afgegeven tot het stelselmatig inwinnen van informatie door een politieambtenaar. In dat kader is de politiële infiltrant [A] ingezet. Op 14 en 30 maart 2007 heeft [A] gesprekken gevoerd met de verdachte, waaruit duidelijk werd dat deze "5 schilderijen uit de tijd van Rembrandt" te koop kon aanbieden. Vanaf dat moment werd aannemelijk dat het zou kunnen gaan om de vijf schilderijen die op 24 maart 2002 uit het Frans Hals Museum te Haarlem waren gestolen. Op bevel van de officier van justitie is op 4 april 2007 een politieel pseudokooptraject gestart. Op 17 september 2007 wordt vervolgens ook een politie infiltratieteam ingezet, waarbij naast [A] nog een infiltrant (infiltrant [C] ) wordt betrokken.

00-informatie

Inmiddels is uit het onderzoek ter terechtzitting gebleken dat voorafgaande aan het onderzoek Pictor bij de CIE zogenaamde 00-informatie voorhanden was en dat de teamleider van het tactisch team, [betrokkene 2] , daarvan nog voor de start van het onderzoek op de hoogte is gesteld door het hoofd van de tactische recherche, [betrokkene 4] . Dat was geen gebruikelijke gang van zaken, zo blijkt onder meer uit het verhoor van [betrokkene 3] , het toenmalige hoofd CIE, bij de rechter-commissaris op 15 september 2009.

Uit het verhoor van de toenmalige CIE-officier van justitie van Berkel bij de rechter-commissaris op 25 september 2009 is gebleken dat deze geen toestemming heeft gegeven voor het delen van deze 00-informatie. Dit zou in strijd zijn met de indertijd geldende instructies.

Uitgangspunt van het hof

Zoals eerder (proces-verbaal van de op 10 en 22 november gehouden terechtzitting) betoogd kan de 00-informatie uit meerdere componenten bestaan.

Gelet op de diverse verklaringen die in de loop van dit onderzoek zijn afgelegd gaat het hof ervan uit dat reeds bij de aanvang van het onderzoek als onderdeel van de bij de CIE-beschikbare informatie het vermoeden bestond dat als onderdeel van "kunst en antiek" (CIE proces-verbaal) ook zou kunnen vallen de (mogelijke) handel van verdachte [verdachte] in schilderijen die uit het Frans Hals Museum waren gestolen. Ook gaat het hof ervan uit dat dit onderdeel van de 00-informatie reeds bij de aanvang van het onderzoek aan leden van het tactisch team is medegedeeld. Op dat punt behoeft geen nader onderzoek te volgen.

De gevolgen van dit uitgangspunt voor de verzoeken van de verdediging

De vraag rijst vervolgens welke gevolgen dit uitgangpunt moet hebben in het licht van de thans door de verdediging gedane verzoeken. Het hof overweegt in dit verband het volgende.

Gevraagd naar de inhoud van de 00-informatie hebben meerdere getuigen zich beroepen op hun zwijgplicht in verband met bronbescherming. Het hof respecteert dit. Het karakter van het strafproces, dat zich immers in de openbaarheid dient af te spelen, brengt met zich mee dat informatie, die een reëel gevaar vormt (of redelijkerwijze zou kunnen vormen) voor de betreffende informant, niet in de openbaarheid komt. De rechter heeft tot taak te beoordelen of de aanvangsverdenking voldoet aan het vereiste van artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) en of het daaropvolgende onderzoek zodanig transparant is geweest dat getoetst kan worden of bijvoorbeeld opsporingsmiddelen correct zijn ingezet en ook overigens niet in strijd is gehandeld met de algemene beginselen van een goede procesorde.

Het hof zal zich bij einduitspraak uitlaten over de toets van de aanvangsverdenking, zoals vastgelegd in het CIE proces-verbaal, en de vraag of in het licht van de hierboven beschreven feiten met betrekking tot de aanvang van het onderzoek, de afgegeven BOB-bevelen rechtmatig zijn afgegeven.

In dit stadium voldoet de vaststelling dat als onderdeel van de verdenking zoals geformuleerd in het CIE proces-verbaal, geldt dat deze verdenking mede betrekking kon hebben op concrete kunstvoorwerpen. Een dergelijke verdenking valt immers onder de algemeen geformuleerde verdenking met betrekking tot "kunst en antiek". Op dit punt is geen nader onderzoek vereist.

Over de vraag of de aan enige leden van het tactisch team ter beschikking gestelde 00-informatie, die - naar het hof aanneemt - mede betrekking had op de uit het Frans Hals Museum gestolen schilderijen, op onrechtmatige wijze van invloed is geweest op het verdere verloop van het onderzoek, hebben zich inmiddels meerdere getuigen uitgelaten. Het hof acht zich hieromtrent voldoende voorgelicht.

Dit betekent ook dat het hof het niet noodzakelijk acht om de getuige-deskundige [betrokkene 8] na te laten gaan of zij de deelnemers van de besprekingen in 2007 en 2009 schriftelijk heeft uitgenodigd, zoals door de verdediging is verzocht.

Het hof zal in de einduitspraak een oordeel geven over de vraag welke gevolgen dienen te worden verbonden aan het gegeven, zoals het hof dit afleidt uit de eerder genoemde verklaring van CIE-officier van justitie Van Berkel, dat de 00-informatie in strijd met de indertijd geldende instructies is gedeeld.

Het verzoek tot het verstrekken van 00-informatie begrijpt het hof als de wens van de verdediging dat het hof het openbaar ministerie opdraagt om de inhoud van de in deze zaak beschikbare 00-informatie aan het dossier toe te voegen. Uit het hierboven gerelateerde proces-verbaal van mr. R. Schuurman volgt, dat zich in de betreffende 00-informatie geen voor de verdachten in deze zaak ontlastende gegevens bevinden. In het licht van het belang van bronbescherming én gelet op hetgeen hierboven met betrekking tot de inhoud van de 00-informatie is overwogen onder ‘uitgangspunt van het hof’, wijst het hof dit verzoek af.

Rest de vraag of de door politiefunctionarissen bij de rechter-commissaris en de raadsheer-commissaris afgelegde verklaringen in die mate onbetrouwbaar zijn dat nader onderzoek geboden is. Het hof acht dit niet noodzakelijk. Omtrent de door de getuige [betrokkene 2] op 14 september 2009 bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring is reeds komen vast te staan dat diens eerdere verklaring niet overeenkomstig de waarheid was. Het hof zal zich bij einduitspraak uitlaten over de vraag welke gevolgen daaraan verbonden dienen te worden. De overige afgelegde verklaringen rondom de 00-informatie en de wijze waarop daarmee in het onderzoek is omgegaan, zijn niet zodanig tegenstrijdig dat nader onderzoek geboden is. Het hof stelt vast dat een evidente tegenstrijdigheid ook door de verdediging niet in concrete zin is aangevoerd. Weliswaar is er door de verdediging in dit verband op gewezen dat verschillende verbalisanten hebben verklaard eerst in een later stadium op de hoogte te zijn geraakt van het feit dat het in deze zaak zou gaan om de vijf uit het Frans Hals museum gestolen schilderijen terwijl deze informatie als onderdeel van de 00-informatie reeds bij de start van het onderzoek bekend was, doch, waar niet duidelijk is welke verbalisant van welk deel van de 00-informatie op de hoogte was, rechtvaardigen deze verklaringen in dit stadium van het onderzoek niet het vermoeden dat bedoelde verbalisanten in strijd met de waarheid hebben verklaard.

Alles overziende acht het hof in dit stadium nader onderzoek, zoals door de verdediging voorgesteld, niet noodzakelijk en wijst derhalve de verzoeken af.”

13. In zijn overzichtsarrest inzake het oproepen en horen van getuigen ter terechtzitting van 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496 overweegt de Hoge Raad onder meer dat in hoger beroep het Hof de oproeping kan weigeren in het geval de berechting in eerste aanleg op tegenspraak heeft plaatsgevonden én de getuige ter terechtzitting in eerste aanleg dan wel door de rechter-commissaris is gehoord, en het Hof het horen van de getuige ter terechtzitting niet "noodzakelijk" oordeelt (rov. 2.48). Nu de berechting van verzoeker in eerste aanleg op tegenspraak heeft plaatsgevonden en de getuigen [betrokkene 4] en [betrokkene 2] door de rechter-commissaris zijn gehoord, heeft het Hof in de onderhavige zaak het juiste criterium toegepast. Dit betekent dat zo een getuigenverzoek kan worden afgewezen op de grond dat de rechter zich door het verhandelde ter terechtzitting voldoende ingelicht acht en hem dus de noodzakelijkheid van het gevraagde verhoor niet is gebleken (rov. 2.8). Daarnaast overweegt de Hoge Raad in dat overzichtsarrest dat gebreken in afwijzende beslissingen op getuigenverzoeken op een volgende terechtzitting kunnen worden hersteld (rov. 2.35). Voorts wijst de Hoge Raad met betrekking tot de toetsing in cassatie op de gevolgen van de inwerkingtreding van art. 80a RO en overweegt hij dat “het in cassatie uiteindelijk [gaat] om de vraag of de beslissing begrijpelijk is in het licht van – als waren het communicerende vaten – enerzijds hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en anderzijds de gronden waarop het is afgewezen”, waarbij ook het procesverloop van belang kan zijn (rov. 2.73 t/m 2.77).

14. De eerste twee middelen klagen, blijkens de toelichting daarop, enkel over de wijze waarop het Hof zijn afwijzende beslissing - met betrekking tot het verzoek om de getuigen [betrokkene 4] en [betrokkene 2] te horen - op de terechtzitting in hoger beroep van 4 juli 2011 heeft gemotiveerd. Volgens de steller van het middel heeft het Hof miskend dat in eerste aanleg de verdediging niet de gelegenheid heeft gehad om (i) [betrokkene 4] te confronteren met zijn uitlatingen die strijdig zouden zijn met de uitlatingen van getuige [betrokkene 3] , omdat deze later is gehoord dan [betrokkene 4] , en (ii) om [betrokkene 2] te confronteren met zijn uitlatingen die strijdig (zouden) zijn met de uitlatingen van getuige [betrokkene 4] , nu [betrokkene 4] later is gehoord dan [betrokkene 2] .

15. Het hierboven onder 13 aangehaalde brengt evenwel mee dat de afwijzende beslissingen van het Hof ‘van’ 4 juli 2011 niet los kunnen worden gezien van zijn afwijzende beslissing ter terechtzitting van 9 februari 2012. Voor de beantwoording van de vraag of ’s Hofs binnen het noodzakelijkheidscriterium gegeven motivering van die afwijzende beslissingen ‘van’ 4 juli 2011 begrijpelijk is, dient dus tevens acht te worden geslagen op hetgeen het Hof op de terechtzitting van 9 februari 2012 ter zake heeft overwogen. Daarover aanstonds meer.

16. De verzoeken van de verdediging om [betrokkene 4] te confronteren met de door Venrooy afgelegde verklaring en [betrokkene 2] met de verklaringen van [betrokkene 4] hangen blijkens de overgelegde pleitaantekeningen van de raadsman samen met vragen die de verdediging heeft over de betekenis van de 00-informatie voor het besluit om het onderzoek aan te vangen. In dat verband wenst de verdediging te vernemen wie op welk moment van de 00-informatie op de hoogte was en welke rol deze informatie heeft gespeeld bij de inzet van en de keuze voor de in deze zaak toegepaste opsporingsmethoden. Ook wil de verdediging aldus duidelijk krijgen of over deze onderwerpen door de betrokken personen niet in strijd met de waarheid is verklaard.

17. Het Hof heeft op de terechtzitting van 4 juli 2011 de getuigenverzoeken afgewezen omdat de verdediging niet concreet nieuwe vraagpunten naar voren had gebracht waarover zij de verzochte getuigen in eerste aanleg niet heeft kunnen ondervragen. Deze afwijzingen acht ik in het licht van het door het Hof aangelegde noodzakelijkheidscriterium niet onbegrijpelijk, ook al heeft de verdediging [betrokkene 4] niet kunnen confronteren met de verklaring van Venrooy en heeft zij niet [betrokkene 2] de verklaring van [betrokkene 4] kunnen voorhouden. De toegevoegde waarde die deze confrontaties voor de verdediging zouden kunnen hebben is ook niet uit de verf gekomen, nu het Hof – met de verdediging overigens – heeft vastgesteld dat die verklaringen wat betreft het op de hoogte raken van de 00-informatie uiteenlopen en het daarnaast heeft aangenomen dat [betrokkene 2] in strijd met de waarheid heeft verklaard. Daarbij komt dan nog dat het Hof op de terechtzitting van 9 februari 2012 heeft overwogen dat de omstandigheid dat de verklaringen van de gehoorde politiefunctionarissen uiteenlopen over het moment waarop men op de hoogte is geraakt van het feit dat het in deze zaak zou gaan om de vijf uit het Frans Hals museum gestolen schilderijen, niet reeds betekent dat deze verklaringen in strijd met de waarheid zijn afgelegd, nu niet duidelijk is welke verbalisant van welk deel van de 00-informatie op de hoogte was. Ook dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk.

18. Het eerste en het tweede middel falen.

19. Het derde middel klaagt dat de beslissing van het Hof op de terechtzitting van 10 november 2011 inhoudende dat de getuige-deskundige [betrokkene 8] gebruik heeft mogen maken van haar verschoningsrecht zonder nadere motivering niet begrijpelijk is.

20. [betrokkene 8], inspecteur van politie en hoofd van de CIE, is als getuige-deskundige door de raadsheer-commissaris gehoord en heeft bij die gelegenheid zich beroepen op bronbescherming toen haar een vraag werd gesteld over het moment waarop zij ervan op de hoogte was geraakt dat het “mogelijk, waarschijnlijk of met zekerheid” ging om vijf schilderijen die uit het Frans Hals museum waren gestolen. Op de terechtzitting in hoger beroep van 10 november 2011 is de getuige–deskundige daarbij gebleven.

21. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 10 november 2011 houdt als oordeel van het Hof het volgende in:

“Na hervatting van het onderzoek deelt de voorzitter het volgende mede.

Het hof erkent dat er een verdedigingsbelang is om de 00-informatie boven tafel te krijgen. Daartegenover staat het door de advocaat-generaal onderstreepte belang van de bronbescherming. Het hof is van oordeel dat - mede tegen de achtergrond van hetgeen reeds in het dossier omtrent de 00-informatie bekend is - het belang van de bronbescherming in dit geval zwaarder moet wegen. Het hof oordeelt daarom dat de getuige-deskundige gebruik heeft mogen maken van haar verschoningsrecht.”

22. In de toelichting op het middel wordt enkel aangevoerd dat dit oordeel van het Hof zonder nadere motivering onbegrijpelijk is, en dat daarbij in aanmerking moet worden genomen dat het Hof op geen enkele wijze concretiseert wat wordt bedoeld met de zinsnede “mede tegen de achtergrond van hetgeen reeds in het dossier omtrent de 00-informatie bekend is” en waarom dit een factor is die ertoe bijdraagt dat het belang van bronbescherming zwaarder dient te wegen.

23. Het Hof heeft blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 10 november 2011 eerder op deze zitting het volgende overwogen:

“Na hervatting van het onderzoek deelt de voorzitter het volgende mede.

Alvorens zijn beslissing over het moment van het getuigenverhoor en de behandeling van de onderzoekswensen kenbaar te maken, acht het hof het raadzaam eerst een aantal vertrekpunten te noemen ten aanzien van de 00-informatie die zowel voor de advocaat-generaal als de verdediging gelden.

Uit het dossier zou kunnen worden afgeleid dat in ieder geval [betrokkene 4] , destijds hoofd tactische recherche, heeft verklaard dat hem eind november/begin december 2006 00-informatie is medegedeeld en dat hij medio december 2006 00-informatie aan teamleider [betrokkene 2] heeft verschaft.

Verder zou uit het verhoor van [005] kunnen worden opgemaakt dat hij in de periode tussen 5 en 14 februari 2007 op de hoogte is geraakt van 00-informatie.

Het aanvullend proces-verbaal van officier van justitie Lukowski maakt duidelijk dat ook hij van de 00-informatie op de hoogte was. Daarvan is hij in elk geval op de hoogte gebracht vóór hij mondeling het eerste bevel stelselmatige observatie had gegeven.

In een van zijn verklaringen had [betrokkene 2] laten weten dat "misschien René [verbalisant] aan het eind van het onderzoek op de hoogte is gebracht van de dubbel 0 informatie", maar dat is door de desbetreffende verbalisant bij proces-verbaal van bevindingen van 22 augustus 2011 tegengesproken: hij zegt niet op de hoogte te zijn gesteld van 00-informatie.

De getuige [betrokkene 7] heeft verklaard van [betrokkene 4] te hebben begrepen dat deze de 00-informatie of een deel daarvan heeft gedeeld met [betrokkene 2] . Hij heeft voorts verklaard dat de 00-informatie van invloed is geweest bij de beslissing om het onderzoek Pictor te starten. [betrokkene 3] , destijds hoofd van het CIE, heeft eveneens verklaard dat de 00-informatie van invloed was op de keuze om dit onderzoek te starten.

De getuige Van Berkel, indertijd de CIE officier van justitie, heeft verklaard dat hij in de loop van 2009 voor het eerst heeft vernomen dat er 00-informatie is gedeeld met teamleider [betrokkene 2] . Hij heeft voorts verklaard dat de vraag of de 00-informatie mocht worden gedeeld, niet aan hem is voorgelegd. Het delen van 00-informatie met het hoofd van de centrale recherche, [betrokkene 7] , en het hoofd van het bureau recherche informatie, [betrokkene 3] , en het hoofd van de tactische recherche, [betrokkene 4] , was volgens hem normaal. Nadat hem was voorgehouden dat [betrokkene 7] heeft verklaard dat de 00-informatie invloed heeft gehad op de keuze om het onderzoek te starten, liet hij weten dat hij daarvan niet op de hoogte was maar dat dit in de sleutel van de capacitaire keuzes moet worden geplaatst. Van Berkel heeft verder nog verklaard dat het delen van 00-informatie met een tactisch teamleider aan hem en aan het hoofd van CIE of een vervanger van hem had moeten worden voorgelegd, dat dit niet is gebeurd en dat daarom in strijd met de geldende werkafspraken is gehandeld. De getuige [getuige] heeft verklaard dat het onwenselijk is dat 00-informatie wordt gedeeld. Hij is door [betrokkene 8] op de hoogte gebracht van de 00-informatie in deze zaak.

De advocaat-generaal en de raadsman delen desgevraagd mede het eens te zijn met deze vertrekpunten.”

24. Kennelijk had het Hof bij zijn hiervoor onder 21 weergegeven (latere) beslissing vooral het oog op de zojuist weergegeven vertrekpunten, en wel in die zin dat daaruit reeds voldoende is vastgesteld omtrent de rol van de 00-informatie bij de start van het onderzoek. Dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk.

25. Het middel faalt.

26. Het vierde middel klaagt dat het oordeel van het Hof, inhoudende dat niet vaststaat dat [betrokkene 2] tijdens zijn eerste verhoor ook “kennelijk bewust niet de waarheid heeft verklaard over zijn wetenschap van 00-informatie bij de start van het onderzoek”, zonder nadere motivering niet begrijpelijk is.

27. Verzoeker heeft geen enkel belang bij dit middel, nu het Hof in diens voordeel aan de mogelijkheid dat de verklaringen van [betrokkene 2] in strijd met de waarheid zouden kunnen zijn, consequenties heeft verbonden “als ware de verklaringen bewust in strijd met de waarheid” en dat het er, gelet op de te hanteren werkhypothese in het voordeel van verzoeker, verder voor moet worden gehouden dat datzelfde geldt voor (al) zijn verklaringen ten aanzien van de aanvang van het onderzoek.

28. Het middel kan derhalve niet tot cassatie leiden.

29. Het vijfde middel klaagt dat de bestreden uitspraak op het punt van de door het Hof gehanteerde werkhypothese innerlijk tegenstrijdig is en daarmee onbegrijpelijk.

30. Verzoeker heeft ook bij dit middel geen enkel belang, nu, als hierboven opgemerkt, het Hof in diens voordeel ervan is uitgegaan dat de door [betrokkene 2] afgelegde verklaringen omtrent de aanvang van het onderzoek als ‘bewust in strijd met de waarheid’ worden aangemerkt, ook in het verdere beslissingsschema van het Hof.

31. Het middel kan dus niet tot cassatie leiden.

32. Het zesde middel klaagt over de verwerping door het Hof van het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging van verzoeker, voor zover dat verweer ziet op de opzettelijke misleiding (punt F.4 van de bestreden uitspraak).

33. In de toelichting op het middel wordt slechts naar voren gebracht dat gezien hetgeen hieromtrent bij pleidooi door de verdediging is aangevoerd het Hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, het Openbaar Ministerie ontvankelijk heeft verklaard in de vervolging en dat daarbij met name opmerking verdient dat het Hof heeft miskend dat [betrokkene 2] tot twee keer toe opzettelijk onwaarheden heeft verklaard.

34. Indien al het in de schriftuur op dit punt aangevoerde als een cassatiemiddel in de zin der wet kan worden aangemerkt, meen ik te kunnen volstaan met twee opmerkingen, te weten dat ik ’s Hofs overwegingen niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd acht en dat de stelling dat het Hof heeft miskend dat [betrokkene 2] “opzettelijk onwaarheden heeft verklaard” (het Hof zegt het wat genuanceerder, lijkt mij) feitelijke grondslag mist, nu het Hof daarvan juist in het voordeel van verzoeker is uitgegaan.

35. Het middel faalt.

36. Hetgeen als zevende middel wordt gepresenteerd is geen middel van cassatie in de zin der wet die voor onderzoek door de cassatierechter in aanmerking komt. Als een zodanig middel kan slechts gelden een stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen.3In de schriftuur wordt in dit verband slechts gesteld: “Gezien hetgeen hieromtrent bij pleidooi door de verdediging is aangevoerd” heeft het Hof met betrekking tot het ontvankelijkheidsverweer omtrent “de lichtzinnige infiltratieactie op een geheimhouderskantoor” (punt F.5 van de bestreden uitspraak) het Openbaar Ministerie ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, ontvankelijk verklaard. Niet wordt echter aangegeven waarom ’s Hofs andersluidende oordeel niet zou deugen.

37. Hetzelfde lot deelt hetgeen als achtste middel wordt geduid. De stelling luidt dat het Hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft geoordeeld dat aan het geconstateerde vormverzuim met betrekking tot de geheimhoudersgesprekken geen rechtsgevolg dient te worden verbonden. Ook hier wordt niet gepreciseerd wat er dan wel mis zou zijn met het oordeel van het Hof.

38. Het negende middel klaagt dat het Hof het onder 1 bewezenverklaarde ten onrechte als witwassen heeft gekwalificeerd.

39. Witwassen is in twee varianten strafbaar gesteld in art. 420bis, eerste lid, Sr. Deze bepaling luidt als volgt:

“1. Als schuldig aan witwassen wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie:

a. hij die van een voorwerp de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding of de verplaatsing verbergt of verhult, dan wel verbergt of verhult wie de rechthebbende op een voorwerp is of het voorhanden heeft, terwijl hij weet dat het voorwerp — onmiddellijk of middellijk — afkomstig is uit enig misdrijf;

b. hij die een voorwerp verwerft, voorhanden heeft, overdraagt of omzet of van een voorwerp gebruik maakt, terwijl hij weet dat het voorwerp — onmiddellijk of middellijk — afkomstig is uit enig misdrijf.”

40. Ten laste van de verzoeker is onder 1 (impliciet cumulatief) bewezenverklaard dat:

“hij op tijdstippen in de periode van 14 maart 2007 tot en met 13 september 2008 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen schilderijen, te weten:

"De kwakzalver" en "De tevreden drinker" van Adriaen van Ostade en

"De kwakzalver" van Jan Steen en

"Drinkgelag" van Cornelis Dusart en

"De straatmuzikanten" van Cornelis Bega,

voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen, terwijl hij en zijn mededaders ten tijde van het voorhanden krijgen van die schilderijen telkens wisten dat het door misdrijf verkregen goederen betrof;

en

hij op 12 en 13 september 2008 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen telkens van geldbedragen de vindplaats en de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld en die geldbedragen heeft verworven en overgedragen en voorhanden heeft gehad, terwijl hij en zijn mededaders telkens wisten dat die geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf;”

41. Deze bewezenverklaring steunt op de bewijsvoering opgenomen in het arrest (p. 16 - 53).

42. Het valt op dat de bewezenverklaring van het (medeplegen van) witwassen de beide verschijningsvormen ervan omvat. Zowel de in art. 420bis, eerste lid onder a, Sr omschreven variant – het verbergen en/of verhullen van de vindplaats en de verplaatsing van geldbedragen - als enkele van de in art. 420bis, eerste lid onder b, Sr genoemde gedragingen – het verwerven en overdragen en voorhanden hebben van die geldbedragen - zijn bewezenverklaard. Omdat het hier om twee aparte strafbepalingen gaat, heeft het Hof kennelijk samenloop in de zin van art. 57 Sr aangenomen; de verwijzing in het arrest onder “P. Toepasselijke wettelijke voorschriften” duidt daarop. Tegen deze samenloop van de twee verschijningsvormen van witwassen keert het middel zich niet, zodat ik dat punt hier laat rusten. Voorts stel ik vast dat blijkens de bewijsvoering van het Hof de door verzoeker en zijn medeverdachten witgewassen geldbedragen afkomstig zijn van uit een door henzelf begaan grondmisdrijf, te weten de bewezenverklaarde opzetheling. In het onderhavige geval doet zich dus de bijzonderheid van een (kwalificatie)relatie tussen opzetheling (art. 416 Sr) en een witwasbepaling (art. 420bis Sr) voor.4

43. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het Hof onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn gedachtegang. Indien het Hof heeft geoordeeld dat reeds sprake is van “witwassen” in de zin van art. 420bis Sr als de verdachte geldbedragen voorhanden heeft die afkomstig zijn uit enig mede door hemzelf begaan misdrijf, heeft het Hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, aldus de steller van het middel. Indien het Hof daaraan niet heeft voorbijgezien, is zijn oordeel ontoereikend gemotiveerd, aangezien het Hof niet heeft vastgesteld dat het voorhanden hebben van die geldbedragen heeft bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst daarvan.

44. Klaarblijkelijk keert het middel zich enkel tegen de bewezenverklaring van het ‘voorhanden hebben gehad’ van de geldbedragen (terwijl hij en zijn medeverdachten telkens wisten dat die geldbedragen – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf). Voor het relevante juridische kader haal ik de volgende uitspraak van de Hoge Raad aan. In zijn arrest van 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:714, NJ 2014/303 overweegt de Hoge Raad:

“2.3.

Vooropgesteld moet worden dat op zichzelf noch de tekst noch de geschiedenis van de totstandkoming van de art. 420bis en 420quater Sr eraan in de weg staat dat iemand die een in die bepalingen omschreven gedraging verricht ten aanzien van een voorwerp dat afkomstig is uit enig door hemzelf begaan misdrijf, wordt veroordeeld wegens - kort gezegd - (schuld)witwassen. Dat geldt, naar uit de tekst van de wet volgt, ook voor het verwerven of voorhanden hebben van zo'n voorwerp. Dit betekent niet dat elke gedraging die in de art. 420bis, eerste lid, en 420quater, eerste lid, Sr is omschreven, onder alle omstandigheden de - in beide bepalingen nader omschreven - kwalificatie witwassen onderscheidenlijk schuldwitwassen rechtvaardigt. Zo kan ingeval het gaat om een voorwerp dat afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf en hem het "verwerven" of "voorhanden hebben" daarvan wordt verweten, de vraag rijzen of een dergelijk enkel verwerven of voorhanden hebben voldoende is om als (schuld)witwassen te worden aangemerkt. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de strafbaarstelling van witwassen strekt ter bescherming van de aantasting van de integriteit van het financieel en economisch verkeer en van de openbare orde, dat witwassen een veelomvattend, maar ook te begrenzen fenomeen is, en dat ook in het geval het witwassen de opbrengsten van eigen misdrijf betreft, van de witwasser in beginsel een handeling wordt gevergd die erop is gericht "om zijn criminele opbrengsten veilig te stellen". Gelet hierop moet worden aangenomen dat indien vaststaat dat het enkele verwerven of voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, die gedraging niet als (schuld)witwassen kan worden gekwalificeerd. Daarmee wordt mede beoogd te voorkomen dat een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan en die de door dat misdrijf verkregen voorwerpen verwerft of onder zich heeft en dus voorhanden heeft, zich automatisch ook schuldig maakt aan het witwassen van die voorwerpen. Bovendien wordt aldus bevorderd dat in zo een geval het door de verdachte begane (grond)misdrijf, dat in de regel nader is omschreven in een van specifieke bestanddelen voorziene strafbepaling, in de vervolging centraal staat.

Er moet in dergelijke gevallen dus sprake zijn van een gedraging die meer omvat dan het enkele verwerven of voorhanden hebben en die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat door eigen misdrijf verkregen voorwerp gericht karakter heeft. Ingeval de gedraging betrekking heeft op een gedeelte van die voorwerpen, kan slechts het verwerven of voorhanden hebben van dat gedeelte worden aangemerkt als witwassen.

Een vonnis of arrest moet voldoende duidelijkheid verschaffen over de door de rechter in dit verband relevant geachte gedragingen van de verdachte. Wanneer het gaat om het verwerven of voorhanden hebben van een voorwerp dat afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf, moeten daarom bepaaldelijk eisen worden gesteld aan de motivering van het oordeel dat sprake is van (schuld)witwassen. Uit die motivering moet kunnen worden afgeleid dat de verdachte het voorwerp niet slechts heeft verworven of voorhanden heeft gehad, maar dat zijn gedragingen ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp.

Deze rechtsregels hebben slechts betrekking op het geval dat de verdachte voorwerpen heeft verworven of voorhanden heeft gehad, terwijl aannemelijk is dat die voorwerpen afkomstig zijn uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf, vgl. HR 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2001.

2.4.1.

Deze regels zien uitsluitend op gevallen waarin slechts het verwerven en/of voorhanden hebben van door eigen misdrijf verkregen voorwerpen is bewezenverklaard. Zij hebben in beginsel geen betrekking op een geval als het onderhavige waarin is bewezenverklaard het "overdragen" en het "gebruik maken" - een en ander in de betekenis die ingevolge art. 420bis, eerste lid sub b, Sr aan die begrippen toekomt - van zulke voorwerpen, en evenmin op het daarin voorkomende begrip "omzetten".

2.4.2.

In het vorenstaande wordt gesproken over "in beginsel", omdat niet valt uit te sluiten dat anders moet worden geoordeeld in het bijzondere geval dat zulk "overdragen", "gebruik maken" of "omzetten" van door eigen misdrijf verkregen voorwerpen plaatsvindt onder omstandigheden die niet wezenlijk verschillen van gevallen waarin een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan en die daarmee de door dat misdrijf verkregen voorwerpen verwerft of voorhanden heeft, zich automatisch ook schuldig zou maken aan het witwassen van die voorwerpen. Voorkomen moet immers worden dat de hiervoor onder 2.3 weergegeven regels worden omzeild enkel door het tenlasteleggen en/of bewezenverklaren van een andere delictsgedraging dan "verwerven" of "voorhanden hebben". In zo een bijzonder geval geldt eveneens dat, wil het handelen kunnen worden aangemerkt als "witwassen", sprake dient te zijn van een gedraging die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van die voorwerpen gericht karakter heeft in de hierboven onder 2.3 omschreven zin.”

45. Overigens wijs ik erop dat de recente rechtspraak van de Hoge Raad met betrekking tot de nadere motiveringseisen van het oordeel dat sprake is van witwassen in het geval dat de verdachte een uit enig door hemzelf begaan misdrijf afkomstig voorwerp heeft verworven of voorhanden heeft gehad, geen betrekking heeft op het bewezenverklaarde verbergen en verhullen als bedoeld in art. 420bis, eerste lid onder a, Sr.5

46. Kan uit de 38 pagina’s tellende bewijsvoering volgen dat het verwerven en voorhanden hebben van de geldbedragen gericht waren op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van die door eigen misdrijf verkregen geldbedragen?

47. Uit een aantal in de afgelopen twee jaar gewezen arresten blijkt dat de Hoge Raad ‘het verwerven en voorhanden hebben van voorwerpen gericht op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van die door eigen misdrijf verkregen voorwerpen’ niet snel aanneemt. Verhullend of verbergend in dat opzicht is bijvoorbeeld niet de omstandigheid dat de verdachte op verschillende plaatsen geld in zijn huis bewaart6, noch het bewaren van geld in enveloppen of in een kluis bij de verdachte thuis.7 Ik neem aan dat de Hoge Raad het te ver vindt gaan om in dergelijke gevallen aan te nemen dat de verdachte daarmee de criminele herkomst van de voorwerpen heeft willen verhullen of verbergen en daarbij in aanmerking neemt dat de verdachte al voor het grondmisdrijf kan worden vervolgd, bijvoorbeeld voor vermogensdelicten als opzetheling en verduistering. Daar komt in het onderhavige geval dan nog bij dat reeds het verbergen en/of verhullen van de vindplaats en de verplaatsing van de geldbedragen als bedoeld in art. 420bis, eerste lid onder a, Sr is bewezenverklaard.

48. Gelet op deze rechtspraak heeft de steller van het middel een punt. Het op een ongebruikelijke plaats verbergen van hoge geldbedragen, zoals € 100,000,- in kussens op een bank in een woning en € 95.500,- achter een plint van een keukenblok in een woning valt onder het verbergen of verhullen van de vindplaats en/of de verplaatsing van deze geldbedragen als bedoeld in art. 420bis, eerste lid onder a, Sr, en dat is (reeds) door het Hof bewezenverklaard.8 Niet echter kan uit de bewijsvoering van het Hof worden afgeleid dat sprake is van meer dan het enkele verwerven en voorhanden hebben van die geldbedragen, nu niet is vastgesteld dat de gedragingen van verzoeker en zijn medeverdachten ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van de geldbedragen. Dat betekent dat dit oordeel zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk is en dat de bewezenverklaring op dat onderdeel niet naar de eis der wet met redenen is omkleed.

49. Voor zover het middel daarover klaagt, is het terecht voorgesteld. De vraag is evenwel of dit tot cassatie moet leiden. Ik meen dat verzoeker daarbij geen belang heeft, nu uit de gebezigde bewijsmiddelen in ieder geval kan volgen dat verzoeker en zijn medeverdachten de vindplaats van de beide geldbedragen hebben verborgen en/of verhuld als bedoeld in art. 420, eerste lid onder a, Sr en een geldbedrag is overgedragen in de zin van art. 420bis, eerste lid onder b, Sr, en dit al zonder meer als ‘medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd’ kan worden gekwalificeerd. Indien de Hoge Raad mij daarin niet kan volgen, zal de uitspraak van het Hof in zoverre dienen te worden vernietigd.

50. Al met al meen ik dat het middel niet tot cassatie kan leiden.

51. Het tiende middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.

52. Door verzoeker is op 29 mei 2012 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 2 september 2013 bij de Hoge Raad binnengekomen. Dat brengt met zich dat de hier geldende inzendtermijn van acht maanden met iets meer dan zeven maanden is overschreden. Nu deze overschrijding van de inzendtermijn niet meer door een voortvarende behandeling van de zaak kan worden gecompenseerd, dient dit te leiden tot strafvermindering.

53. Het middel slaagt.

54. Hetgeen als zevende middel onderscheidenlijk als achtste middel is voorgesteld, levert niet op een cassatiemiddel in de zin der wet en behoeft mitsdien geen bespreking. Het eerste middel, het tweede middel, het derde middel, het vierde middel, het vijfde middel en het zesde middel falen en kunnen worden afgedaan met de in art. 81, eerste lid, RO bedoelde motivering. Het negende middel is tevergeefs voorgesteld, tenzij uw Raad van oordeel is dat verzoeker in dat verband wel belang bij cassatie heeft. Het tiende middel slaagt.

55. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

56. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de opgelegde straf, tot vermindering daarvan in de mate die de Hoge Raad gepast zal voorkomen (en subsidiair tot vernietiging van de bestreden uitspraak doch uitsluitend wat betreft de beslissingen aangaande het onder 1 bewezenverklaarde “Medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd”) en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Deze zaak hangt samen met de zaken met de griffienummers 12/02739 en 12/02934, in welke zaken ik heden eveneens concludeer.

2 Kennelijk is de verdediging daar ook vanuit gegaan, en zo ook de steller van het middel. Vgl. HR 8 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX6910, NJ 2013/266 m.nt. Borgers: “Ingeval de gedraging betrekking heeft op een gedeelte van die voorwerpen, kan slechts het voorhanden hebben van dat gedeelte worden aangemerkt als witwassen.”

3 A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Deventer: Kluwer 2012, p. 187.

4 Zie daarover R.M. Vennix, Het voorontwerp witwassen: samenloop met heling en enige beslagperikelen, DD 29, 1999, afl. 4, p. 311 e.v.

5 Zie HR 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:956, NJ 2014/304 en HR 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:716, rov. 3.4.1.

6 HR 18 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA3302, NJ 2013/453 m.nt. Reijntjes.

7 HR 8 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX6909, NJ 2013/265 m.nt. Borgers en HR 8 januari 3013, ECLI:NL:HR:2013:BX6910, NJ 2013/266 m.nt. Borgers.

8 Het enkel aantreffen van een plastic tas met geld in een auto levert echter nog niet het “verhullen” op in de zin van art. 420bis, eerste lid onder a, Sr, aldus HR 7 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:14, NJ 2014/63 met een beroep op de wetsgeschiedenis.