Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:2772

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
02-12-2014
Datum publicatie
03-02-2015
Zaaknummer
14/03259
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:194, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Niet-naleving art. 322.3 Sv, geen instemming hervatting onderzoek bij gewijzigde samenstelling na schorsing. Het p-v tz. houdt in dat het onderzoek is hervat in de stand waarin het zich bevond t.t.v. de schorsing daarvan doch houdt niet in dat de AG en verdachte daarmee hebben ingestemd, zodat het er in cassatie voor moet worden gehouden dat die instemming niet is gegeven. Bij die stand van zaken had het Hof het onderzoek opnieuw moeten aanvangen. In zoverre is het middel terecht voorgesteld. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2014:180 Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat art. 322.3 Sv ertoe strekt te garanderen dat ‘het vereiste van de herhaling, indien en v.zv. dat door verdachte als een zijn rechten beschermend vereiste wordt beleefd’ in stand blijft. Art. 322.3 Sv biedt de verdediging daarom de mogelijkheid haar instemming te onthouden aan voortzetting van het onderzoek ttz. in een gewijzigde samenstelling, en aldus het onderzoek ttz. opnieuw te laten aanvangen. Hieruit volgt dat de naleving van het voorschrift dat bij een gewijzigde samenstelling het onderzoek opnieuw moet worden aangevangen, afhankelijk is van het belang dat de verdediging daaraan in een concreet geval hecht. Tegen die achtergrond en gelet op ECLI:NL:HR:2012:BX0146 brengt het voorgaande mee dat in cassatie aan een schriftuur waarin wordt geklaagd over de niet-naleving van het in die bepaling gegeven voorschrift, de eis moet worden gesteld dat wordt aangegeven in welk in rechte te respecteren belang de verdachte door die niet-naleving is getroffen. Het in de schriftuur aangevoerde belang – kort gezegd dat het verzuim meebrengt dat het Hof ten onrechte de door de verdachte ttz. afgelegde verklaring tot het bewijs heeft gebezigd – brengt niet mee dat verdachte een in rechte te respecteren belang heeft bij vernietiging van de bestreden uitspraak en hernieuwde behandeling van de zaak. De HR verklaart daarom – gezien art. 80a RO – het beroep niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 14/03259

Zitting: 2 december 2014

Mr. Knigge

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden heeft bij arrest van 27 juni 2013 verdachte wegens “poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van eenendertig maanden met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft het Hof de straf ten aanzien van de niet aan hoger beroep onderworpen, door de Rechtbank Groningen bij vonnis van 5 april 2012 onder 2, 5 en 6 bewezenverklaarde feiten, conform art. 423, vierde lid, Sv bepaald op een gevangenisstraf van negen maanden. Het Hof heeft ook bepaald dat de Rechtbank heeft beslist tot tenuitvoerlegging van het vonnis van de politierechter van de Rechtbank van 2 november 2011 onder parketnummer 18/179891-10, voor zover het betreft de voorwaardelijk opgelegde geldboete van € 250,- subsidiair 5 dagen vervangende hechtenis. Voorts heeft het Hof de benadeelde partij, [benadeelde partij 1], niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering en heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij, [benadeelde partij 2], toegewezen tot een bedrag van € 1.000,-. Ten behoeve van [benadeelde partij 2] heeft het Hof tevens een schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte opgelegd. De vordering tot gevangenneming heeft het Hof afgewezen.

2. Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld.1

3. Namens verdachte heeft mr. M.C. van Linde, advocaat te Groningen, twee middelen van cassatie voorgesteld.

4. Het eerste middel

4.1. Het middel behelst de klacht dat art. 322, derde lid, Sv niet is nageleefd, omdat het proces-verbaal van de zitting van 13 juni 2013 niet inhoudt dat de verdachte heeft ingestemd (en de Advocaat-Generaal bij het Hof overigens evenmin) met de hervatting van het onderzoek waarin het zich bevond ten tijde van de schorsing daarvan op 27 september 2012.

4.2. De procesgang in hoger beroep is, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, als volgt geweest.

i) De zaak heeft gediend op de terechtzittingen van 24 mei 2012 (regiezitting), 13 augustus 2012 (pro forma-zitting), 27 september 2012, 31 januari 2013 en 13 juni 2013.

ii) Op de terechtzittingen van 24 mei 2012, 13 augustus 2012 en 27 september 2012 was het Hof telkens anders samengesteld. Het onderzoek van de zitting van 27 september 2012 is met instemming van de raadsman van verdachte en de Advocaat-Generaal bij het Hof hervat in de stand waarin het zich ten tijde van de schorsing van 24 mei 2012 bevond, zo blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 27 september 2012. Uit dat proces-verbaal blijkt ook dat de verdachte op die zitting een uitgebreide verklaring heeft afgelegd met betrekking tot hetgeen aan hem onder feit 1 ten laste was gelegd.

iii) Het proces-verbaal van de zitting van 31 januari 2013 vermeldt: “De zaak zal vandaag niet inhoudelijk worden behandeld, omdat het wenselijk is dat een of meer raadsheren uit de samenstelling die de onderhavige zaak op 27 september 2012 inhoudelijk hebben behandeld, opnieuw deel uitmaken van de samenstelling die de getuigen zal gaan horen. Dat is vandaag niet het geval.”

iv) Op de zitting van 13 juni 2013 was het Hof wederom anders samengesteld dan op alle voorgaande zittingen. Het proces-verbaal van die terechtzitting vermeldt: “Het onderzoek ter terechtzitting wordt hervat in de stand waarin het zich ten tijde van de schorsing d.d. 27 september 2012 bevond.” Op de zitting van 13 juni 2013 zijn twee getuigen gehoord.

v) De bestreden uitspraak houdt onder meer in: “Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 27 september 2012, 31 januari 2013 en 13 juni 2013 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.”

vi) Uit de aanvulling op het verkorte arrest blijkt dat het Hof (een deel van) de verklaring die de verdachte aflegde op de terechtzitting van 27 september 2012 als bewijsmiddel 5 voor het bewijs van feit 1 heeft gebruikt.

4.3. Artikel 322, derde lid, Sv bepaalt:

“De rechtbank beveelt dat het onderzoek op de terechtzitting opnieuw wordt aangevangen in het geval de samenstelling van de rechtbank bij de hervatting gewijzigd is, tenzij de officier van justitie en de verdachte instemmen met hervatting in de stand waarin het onderzoek zich op het tijdstip van de schorsing bevond.”

4.4 Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 13 juni 2013 blijkt niet dat de Advocaat-Generaal bij het Hof en de verdachte hebben ingestemd met de hervatting van het onderzoek in de stand waarin het zich ten tijde van de schorsing van 27 september 2012 bevond. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat die instemming niet is gegeven. Het middel klaagt hier dus terecht over.

4.5. Vervolgens rijst de vraag of de verdachte als gevolg van de niet-naleving van art. 322, derde lid, Sv in enig rechtens te respecteren belang is getroffen. In de schriftuur wordt toegelicht dat en waarom dat het geval zou zijn. 2 Het belang is gelegen in het feit dat het Hof een deel van de door de verdachte ter zitting van 27 september 2012 afgelegde verklaring voor het bewijs heeft gebruikt, terwijl zonder die verklaring het bewijs onvoldoende is, aldus de steller van het middel. Nu is de vraag of daarin het belang moet worden gezocht dat het geschonden voorschrift beoogt te beschermen. Ik merk daarbij op dat, als het onderzoek op de zitting van 13 juni 2013 opnieuw was aangevangen, de op de eerdere zitting door de verdachte afgelegde verklaring wel degelijk voor het bewijs had kunnen worden gebruikt, mits het proces-verbaal van die zitting was voorgelezen of de korte inhoud daarvan was meegedeeld. Ik zou de verdachte daarop echter niet willen afrekenen en de schriftuur aldus willen verstaan dat het Hof een gedeelte van de afgelegde verklaring heeft gebruikt zonder dat alle rechters uit verdachtes eigen mond hebben gehoord hoe die verklaring volgens de verdachte moet worden begrepen. Op de zitting van 27 september 2012 is de verdachte uitvoerig verhoord, waarbij de verdachte een versie van het gebeuren heeft gegeven die hem vrijpleit. Op de zitting van 13 juni 2013 is de verdachte niet opnieuw gehoord over de feiten, althans lang niet zo uitvoerig. Wel zijn toen de getuigen gehoord, die verklaringen aflegden die afweken van die van de verdachte. Daarmee is een onevenwichtigheid in het proces geslopen. Niet alle rechters hebben de verdachte zijn verhaal horen vertellen, maar hebben wel “onmiddellijk” kennis genomen van de daarmee strijdige verklaringen van de getuigen. Daarmee heeft de verdachte inderdaad belang bij vernietiging van de bestreden uitspraak en een nieuwe feitelijke behandeling van de zaak.

4.6. Het eerste middel slaagt.

5. Het voorgaande betekent dat het tweede middel – dat overigens terecht klaagt over schending van de inzendtermijn - geen bespreking behoeft.

6. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

7. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 Deze zaak hangt samen met de zaken 13/03398 en 13/04457, in welke beide zaken ik vandaag eveneens concludeer.

2 Zie HR 28 januari 2014:ECLI:NL:HR:2014:180.