Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:2758

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
02-12-2014
Datum publicatie
03-02-2015
Zaaknummer
13/05831
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:203, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Betekening appeldagvaarding. Bij zijn onderzoek naar de naleving van art. 435.1 Sv heeft de HR vastgesteld dat verdachte van 6 nov. 2012 tot 7 mrt. 2014 ingeschreven stond in de basisadministratie persoonsgegevens van de gemeente X op het adres Y. Daaruit volgt dat de dagvaarding in h.b. niet is betekend overeenkomstig art. 588 Sv, zodat die dagvaarding nietig is. ’s Hofs oordeel dat de dagvaarding in h.b. geldig is betekend, is derhalve onjuist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 13/05831

Zitting: 2 december 2014

Mr. T.N.B.M. Spronken

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 18 september 2013 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, bij verstek niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.

  2. Mr. G.W. van der Zee, advocaat te Groningen, heeft namens de verdachte twee middelen van cassatie voorgesteld.

  3. Het eerste middel komt op tegen het oordeel van het hof dat de dagvaarding in hoger beroep rechtsgeldig is betekend.

  4. Bij de op de voet van art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevinden zich:

  • -

    De appelakte van 20 maart 2012 waarin als adres van de verdachte is opgeven: [a-straat 1] te [plaats];

  • -

    Een akte van uitreiking – gehecht aan het dubbel van de dagvaarding om te verschijnen op de terechtzitting in hoger beroep van 18 september 2013 – die inhoudt dat die dagvaarding op 10 juli 2013 is aangeboden op het adres [b-straat 1] te [plaats], maar dat deze niet is uitgereikt omdat de in de adressering aangeven woning niet bestaat, alsmede dat deze dagvaarding op 15 juli 2013 is uitgereikt aan de griffier van de rechtbank en op 15 juli 2013 als gewone brief is verzonden naar het adres [b-straat 1] te [plaats];

  • -

    Een akte van uitreiking – gehecht aan het dubbel van de dagvaarding om te verschijnen op de terechtzitting in hoger beroep van 18 september 2013 – die inhoudt dat die dagvaarding op 12 juli 2013 is aangeboden op het adres [a-straat 1] te [plaats], maar dat deze niet is uitgereikt omdat volgens mededeling van degene die zich op dat adres bevond, de geadresseerde daar niet woont noch verblijft, alsmede dat deze dagvaarding op 16 juli 2013 is uitgereikt aan de griffier van de rechtbank en op 16 juli 2013 als gewone brief is verzonden naar het adres [a-straat 1] te [plaats];

  • -

    Een akte van uitreiking – gehecht aan het dubbel van de dagvaarding om te verschijnen op de terechtzitting in hoger beroep van 18 september 2013 – die inhoudt dat deze op 28 augustus 2013 aan de griffier van de rechtbank is uitgereikt, omdat van de verdachte geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is;

  • -

    ID-staten SKDB van 8 juli 2013, 27 augustus 2013 en 17 september 2013 alle inhoudende dat er geen huidig GBA-adres van de verdachte beschikbaar is en dat de laatst opgegeven woon- of verblijfplaats van de verdachte de [b-straat 1] te [plaats] betreft.

5. Aan de schriftuur is gehecht een fotokopie van een gewaarmerkt “Uittreksel Gemeentelijke Basisadministratie Persoonsgegevens” van de gemeente Grootegast van 3 maart 2014, inhoudende:

“Uit de basisadministratie van de gemeente Grootegast blijkt, dat de hieronder vermelde persoon staat ingeschreven:

Naam : [verdachte]

Voorna(a)m(en) : [...]

Geboren op : 1970

Geboortegemeente : [geboorteplaats]

Adres : [c-straat 1]

Sedert : 6 november 2012

Woonplaats : [...] [plaats]”

6. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 18 september 2013 houdt in dat de verdachte aldaar niet is verschenen, dat de voorzitter constateert dat de betekening van de dagvaarding correct is geschied en dat het hof op vordering van de advocaat-generaal bij het hof verstek tegen de verdachte verleent.

7. Bij de op de voet van art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad gezonden stukken bevindt zich niet een Uittreksel uit de Gemeentelijke Basisadministratie Persoonsgegevens. Kennelijk heeft het hof zijn oordeel dat van de verdachte ten tijde van de betekening van de dagvaarding in hoger beroep geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland bekend was gebaseerd op de vermelding daarvan in de hiervoor genoemde ID-staten SKDB. Gelet op de inhoud van de hiervoor onder 5 genoemde kopie van het Uittreksel uit de Gemeentelijke Basisadministratie Persoonsgegevens moet de vermelding in de ID-staten SKDB voor onjuist worden gehouden. Uit het Uittreksel uit de Gemeentelijke Basisadministratie Persoonsgegevens blijkt immers dat de verdachte toen in de Gemeentelijke Basisadministratie Persoonsgegevens stond ingeschreven op het adres [c-straat 1] te [plaats], terwijl er geen reden is om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van dit document. Daardoor rijst het ernstige vermoeden dat het oordeel van het hof dat de oproeping in hoger beroep rechtsgeldig is betekend op een onjuiste feitelijke grondslag berust. De Hoge Raad kan de oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep om doelmatigheidsredenen zelf nietig verklaren.1

8. Het middel slaagt.

9. Het tweede middel, dat in de kern klaagt dat art. 51 Sv niet is nageleefd, faalt. Uit de stukken blijkt niet dat zich in hoger beroep een raadsman heeft gesteld conform art. 39, eerste lid Sv. Deze zogenaamde stelbrief geldt voor één aanleg.2 De ratio van de regeling is dat de bevoegde autoriteiten op de hoogte worden gesteld van het feit dat er een raadsman voor verdachte optreedt, zodat deze ook als zodanig wordt behandeld en erkend. Weliswaar is een stelbrief geen voorwaarde om als raadsman op te treden en kan ook uit enig ander stuk in het dossier blijken dat de verdachte is voorzien van rechtsbijstand, de appelakte waarin staat vermeld dat namens de verdachte door een advocaat het rechtsmiddel is aangewend, is, anders dan de steller van het middel meent, niet aan te merken als een dergelijk stuk. De advocaat die het rechtsmiddel instelt hoeft immers niet de raadsman te zijn die de verdachte ook daarna zal bijstaan.3 In het middel wordt niet gesteld dat er zich nog een ander stuk in het dossier zou bevinden, waaruit het hof had moeten opmaken dat verdachte in hoger beroep door een raadsman werd bijgestaan.

10. Het eerste middel is terecht voorgesteld. Het tweede middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging. Gronden waarop de Hoge raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

11. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot nietigverklaring van de dagvaarding in hoger beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 O.a. HR 27 augustus 2013, ECLI:NL:HR:2013:495 en HR 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:711 (in de conclusie voor die zaak (ECLI:NL:PHR:2014:139) gaat mijn ambtgenoot Bleichrodt onder 7 in op de verhouding tussen de ID-staat SKDB en mGBA-uitdraaien).

2 Zie T. Spronken in T&C Sv 2013, aant. 1 bij art. 39 Sv.

3 HR 19 december 2000, ECLI:NL:HR:2000:ZD2182.