Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:2753

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
02-12-2014
Datum publicatie
04-02-2015
Zaaknummer
13/05070
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:215, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

OM-cassatie. Dodelijk ongeval. Vrijspraak art. 5 WVW 1994. Het hof heeft geoordeeld dat de verdachte geen gevaar op de weg heeft veroorzaakt of het verkeer heeft gehinderd. Daarbij heeft het Hof in aanmerking genomen dat de X-weg een voorrangsweg is en verdachte erop mocht vertrouwen dat de bromfietser die bij de T-splitsing vanuit de Y-straat kwam, hem voorrang zou verlenen, althans niet zonder vaart te minderen en uit te kijken de X-weg zou oprijden. Die overwegingen geven niet blijk van een onjuiste opvatting omtrent het begrip “gevaar op de weg veroorzaken” a.b.i. art. 5 WVW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 13/05070

Zitting: 2 december 2014

Mr. Spronken

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Verdachte is bij arrest van 27 juni 2013 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, vrijgesproken van de verdenking dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan - kort gezegd - 1. overtreding van primair art. 6 WVW 1994, subsidiair art. 5 WVW 1994 en 2. overtreding van art. 8 WVW 1994.

  2. Mr. M. van der Horst, advocaat-generaal bij het hof, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het middel keert zich tegen de vrijspraak van feit 1 subsidiair, de overtreding van art. 6 WVW 1994. Geklaagd wordt dat het hof de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten doordat het verdachte heeft vrijgesproken van iets anders dan hem is ten laste gelegd, althans dat het oordeel van het hof van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, althans dat dit oordeel niet zonder meer begrijpelijk is en/of onvoldoende is gemotiveerd.

  4. Aan verdachte is, voor zover van belang, ten laste gelegd dat:

“1 primair:

hij op of omstreeks 30 oktober 2009 in de gemeente Epe, althans in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, (zijnde een personenauto merk: Volkswagen) daarmede rijdende de over de weg, de Kanaalweg, althans enige weg, (komende uit de richting Heerde, gaande in de richting Apeldoorn), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden,

immers is hij, verdachte, zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam, de kruising/splitsing van de Kanaalweg en de Ravenstraat genaderd en/of opgereden met een hogere snelheid dan de wettelijke toegestane snelheid van 60 kilometer per uur, en/of met een te hoge snelheid voor een veilig verkeer ter plaatse,

terwijl een scooter, bestuurd door [slachtoffer] (geboren [geboortedatum] 1929), van links vanuit de Ravenstraat de kruising/splitsing op is gereden, en/of

is hij, verdachte, niet in staat geweest om zijn personenauto tijdig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij voornoemde weg en/of voornoemde kruising kon overzien en/of waarover deze vrij was/waren,

waarbij en/of waardoor een botsing en/of aanrijding heeft plaatsgevonden tussen de door hem, verdachte, bestuurde personenauto en de door voornoemde [slachtoffer] bestuurde scooter,

waardoor voornoemde [slachtoffer] werd gedood,

terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8 lid 1 Wegenverkeerswet 1994;

1. subsidiair:

hij op of omstreeks 30 oktober 2009 in de gemeente Epe als bestuurder van een voertuig (personenauto merk: Volkswagen), daarmee heeft gereden op de weg, de Kanaalweg, althans enige weg, (komende uit de richting Heerde, gaande in de richting Apeldoorn), waarbij hij, verdachte, de kruising/splitsing van de Kanaalweg en de Ravenstraat is genaderd en/of opgereden met een hogere snelheid dan de wettelijke toegestane snelheid van 60 kilometer per uur, en/of met een te hoge snelheid voor een veilig verkeer ter plaatse, terwijl een scooter, bestuurd door [slachtoffer] (geboren 19 juli 1929), van links vanuit de Ravenstraat de kruising/splitsing op is gereden,

en/of niet in staat is geweest om zijn personenauto tijdig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij voornoemde weg en/of voornoemde kruising kon overzien en/of waarover deze vrij was/waren,

waarbij en/of waardoor een botsing en/of aanrijding heeft plaatsgevonden tussen de door hem, verdachte, bestuurde personenauto en de door voornoemde [slachtoffer] bestuurde scooter,

waarbij voornoemde [slachtoffer] is overleden,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd”.

5. Het hof heeft verdachte van zowel het primair als het subsidiair ten laste gelegde vrijgesproken en heeft daartoe het volgende overwogen:

“Schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994?

De vraag is of de feitelijke gedragingen, gegeven de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden, de conclusie kunnen rechtvaardigen dat verdachte schuld heeft aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 WVW 1994. Het gedrag van verdachte moet daarvoor worden afgemeten aan dat wat van een automobilist in het algemeen en gemiddeld genomen mag worden verwacht.

Het hof neemt daarbij in aanmerking dat blijkens de tenlastelegging het feit dat verdachte onder invloed van drugshoudend stof zou verkeren, niet als factoren van het schuldverwijt in de zin van artikel 6 WVW 1994 is ten laste gelegd maar als de strafverzwarende omstandigheid waaronder de aanrijding is veroorzaakt. Volgens de tenlastelegging zijn - kort samengevat - de dragende schuldfactoren het rijden met een hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane snelheid en/of een te hoge snelheid voor een veilig verkeer ter plaatse en het niet tijdig tot stilstand (kunnen) brengen van de auto binnen de afstand die verdachte kon overzien en waarover deze vrij was.

Verdachte reed als bestuurder van zijn auto over de Kanaalweg en naderde de T-kruising met de Ravenstraat die gezien vanuit de rijrichting van verdachte van links uitmondt op Kanaalweg. Op beide wegen gold een maximumsnelheid van 60 km/u. Bestuurders op de Kanaalweg hebben voorrang op bestuurders op de Ravenstraat. Dit is op de Kanaalweg aangegeven door middel van bord B4 Bijlage I RVV 1990 en op de Ravenstraat door middel van bord B6 Bijlage I RVV 1990 en haaientanden, als bedoeld in artikel 1 onder p RVV 1990, voor het kruisingsvlak. Het slachtoffer reed op een bromfiets over de Ravenstraat, in de richting van de T-kruising. Hij reed zonder voorrang te verlenen, voor verdachte van links, het kruisingsvlak op en sloeg linksaf teneinde in de rijrichting van verdachte zijn weg over de Kanaalweg te vervolgen. Verdachte reed toen met de linkervoorzijde zijn auto tegen de rechterzijde van de bromfiets. Vaststaat dat het slachtoffer geen voorrang heeft verleend aan verdachte.

De vraag rijst of verdachte enig verwijt val[t] te maken[.] Verdachte heeft vanaf zijn eerste verhoor verklaard dat hij direct nadat hij zag dat de bromfietser de Kanaalweg opreed, onmiddellijk heeft geremd, maar toen niet meer een aanrijding met het slachtoffer kon voorkomen. Getuigen die het ongeval hebben waargenomen, hebben verklaard dat het slachtoffer zonder vaart te minderen en zonder uit te kijken de T-spIitsing met de Kanaalweg op reed en dat verdachte de aanrijding niet had kunnen voorkomen.

Uit de verkeersongevallenanalyse blijkt dat verdachte mogelijk iets harder reed dan ter plaatse toegestaan vlak voorafgaand aan het ongeval. Verdachte heeft verklaard dat hij niet harder reed dan 60 km/u. Ook als ervan wordt uitgegaan dat verdachte wel harder reed dan de ter plaatse geldende maximum snelheid, namelijk de door de politie berekende snelheid (73-75 km/u), dan was, naar het oordeel van het hof, die snelheidsoverschrijding gezien die situatie ter plaatse niet van dien aard dat is geweest van aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend of onachtzaam rijgedrag van verdachte.

Verder zijn er evenmin andere gedragingen gebleken die zouden leiden tot een ander oordeel. Het hof is van oordeel dat verdachte er in beginsel op mocht vertrouwen dat hij voorrang zou krijgen van de bromfietser, het latere slachtoffer. Door zonder vaart te minderen en zonder uit te kijken de Kanaalweg op te rijden heeft [slachtoffer] zich plotseling en voor verdachte geenszins te verwachten gehandeld. Een botsing was als gevolg van de manoeuvre van het slachtoffer onvermijdelijk.

Het hof kan gelet op het vorenstaande niet buiten redelijke twijfel komen tot een bewezenverklaring van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994

Het hof zal verdachte daarom vrijspreken van het primair tenlastegelegde.

Schuld in de zin van artikel 5 WVW 1994?

Het hof acht evenmin buiten redelijke twijfel bewezen dat verdachte door zijn gedrag gevaar op de weg heeft veroorzaakt, althans kon veroorzaken, of het verkeer heeft gehinderd, althans kon hinderen. Het hof is van oordeel dat de aanrijding door het gedrag van het slachtoffer is veroorzaakt en is niet overtuigd dat verdachte de aanrijding heeft kunnen voorkomen. Het hof zal verdachte daarom ook van het subsidiair tenlastegelegde vrijspreken.”

6. In het middel wordt aangevoerd dat de vraag of verdachte de ontstane aanrijding kon voorkomen niet relevant is, maar slechts of verdachte door zijn rijgedrag, te weten de snelheid waarmee hij reed, in enige mate verwijtbaar heeft gehandeld en gevaar op de weg heeft veroorzaakt of kon veroorzaken. De steller van het middel stelt zich daarbij op het standpunt dat het het hof niet vrijstond in het midden te laten of verdachte harder reed dan de ter plaatse geldende maximumsnelheid toen hij de t-splitsing naderde.

7. Voorop staat dat het vaste rechtspraak van de Hoge Raad is dat in cassatie niet kan worden onderzocht of de feitenrechter die de verdachte op grond van zijn feitelijke waardering van het bewijsmateriaal heeft vrijgesproken, terecht tot dat oordeel is gekomen. Als de rechter die over de feiten oordeelt het ten laste gelegde bewezen acht, is het aan die rechter voorbehouden om, binnen de door de wet getrokken grenzen, van het beschikbare materiaal datgene tot bewijs te bezigen wat deze uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht. Deze beslissing inzake die selectie en waardering, die - behoudens bijzondere gevallen - geen motivering behoeft, kan in cassatie niet met vrucht worden bestreden. Hetzelfde geldt in het tegenovergestelde geval dat de rechter op grond van de aan hem voorbehouden selectie en waardering van het bewijsmateriaal tot de slotsom komt dat vrijspraak moet volgen. Hieruit volgt dat het oordeel over het al dan niet bewezen zijn van het ten laste gelegde, met de daartoe gegeven motivering, niet onbegrijpelijk genoemd zal kunnen worden als het beschikbare bewijsmateriaal - al dan niet in verband met een andere uitleg van gegevens van feitelijke aard - een andere (bewijs)beslissing toelaat.1

8. Aan de steller van het middel kan worden toegegeven dat de korte motivering onder het kopje “schuld in de zin van artikel 5 WVW 1994” op het eerste gezicht niet direct hout snijdt. Maar de overweging van het hof betreffende de vrijspraak van zowel het primair als het subsidiair ten laste gelegde in zijn geheel bezien,2 maakt naar mijn oordeel duidelijk dat het hof hierin tot uitdrukking heeft willen brengen dat het van oordeel is dat, zelfs als verdachte harder heeft gereden dan ter plaatse is toegestaan, hem geen strafrechtelijk relevant verwijt in de zin van de Wegenverkeerswet 1994 kan worden ge-maakt. Kennelijk is het hof van oordeel dat, gezien de situatie ter plaatse, een snelheid van 60 km/uur of zelfs een snelheid van 73-75 km/uur op zichzelf geen gevaar opleverde of kon opleveren als bedoeld in art. 5 WVW 1994.

9. Het OM is blijkbaar de opvatting toegedaan dat enkel de snelheid waarmee verdachte (mogelijk) de kruising is genaderd voldoende is om van gevaarzetting in de zin van art. 5 WVW 1994 te spreken. Dit uitgangspunt is echter onjuist. Aan het veroorzaken van gevaar als bedoeld in art. 5 WVW 1994 moet weliswaar ongeoorloofd gedrag ten grondslag liggen,3 zoals een overschrijding van de maximaal toegestane snelheid, maar een (mogelijk) enkele snelheidsovertreding is onvoldoende om het gevaar te construeren waarop in art. 5 WVW 1994 wordt gedoeld.4 Daar komt bij dat verdachte op een voorrangsweg reed en naar het niet onbegrijpelijke oordeel van het hof er in beginsel op mocht vertrouwen dat hij voorrang zou krijgen van verkeer van links. In cassatie staat verder niets vast omtrent de aard van de kruising en de mate van overzichtelijkheid daarvan en met welke regelmaat ter plaatse ander verkeer aanwezig placht te zijn.5

10. Gezien de voorhanden feiten en omstandigheden, waarvan in cassatie behoort te worden uitgegaan, getuigt het oordeel van het hof dat het verkeersgedrag van verdachte, ongeacht of hij nu wel of niet te hard reed, geen gevaarzetting oplevert in de zin van art. 5 WVW 1994, niet van een onjuiste rechtsopvatting terwijl het evenmin onbegrijpelijk is. De klacht dat sprake is van grondslagverlating is ongegrond.

11. Het middel faalt.

12. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.

13. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:54, rov. 2.3.

2 Hetgeen de steller van het middel klaarblijkelijk ook heeft gedaan.

3 Zie W.H. Vellinga, “Gevaar en schuld op de weg”, 1979, p. 30-31 ten aanzien van het voormalige art. 25 WVW.

4 Remmelink/Otte, bewerkt door Harteveld/Robroek, “Hoofdwegen door het verkeersrecht”, zesde druk 2012, p. 47-48.

5 Vgl. HR 6 november 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC8632, NJ 1991, 257 m.nt. Van Veen, rov. 5.1.