Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:275

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
18-02-2014
Datum publicatie
15-04-2014
Zaaknummer
12/05921
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:915, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 12/05921

Mr. Harteveld

Zitting 18 februari 2014

Conclusie inzake:

[verdachte]1

1. Het Gerechtshof Amsterdam, zitting houdende te Leeuwarden, heeft op 4 december 2012 verdachte ter zake van het onder 1 primair tenlastegelegde “medeplegen [van] witwassen een gewoonte maken, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Het Hof heeft het OM en verdachte niet in het hoger beroep ontvangen, voor zover gericht tegen de beslissingen ter zake van het onder 2 primair en subsidiair en het onder 4 tenlastegelegde. Van het onder 3 tenlastegelegde heeft het Hof verdachte vrijgesproken.

2. Namens verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. D. Moszkowicz en mr. J.W.E. Luiten, beiden advocaat te Maastricht, hebben een schriftuur ingezonden, houdende vijf middelen van cassatie.

3.1. Alvorens de in de middelen vervatte bewijsklachten te bespreken, geef ik eerst de daartoe relevante passages uit de bestreden uitspraak weer.

3.2. Ten laste van verdachte is van het onder 1 primair tenlastegelegde bewezen verklaard dat:

“[B] BV in de periode van 13 april 2005 tot en met 13 februari 2007, te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers hebben die [B] BV en haar mededaders, (personen)auto's en een grote hoeveelheid geldbedragen, te weten:

- een Mercedes Benz, type CLK 240 coupe voorzien van kenteken [AA-00-AA] en de aanbetaling van 10.000 EURO en de (maandelijkse) leasetermijnen van (telkens) 2017,82 EURO, en

- een Opel, type Vectra GTS voorzien van kenteken [BB-00-BB], de aanbetaling van 6 18.000,- en de (maandelijkse) leasetermijnen van (telkens) 768,85 EURO (exclusief btw),

- de aanbetaling van 7.000 EURO en de (maandelijkse) leasetermijnen van 1. 000 EURO voor een Mini Cooper, type S voorzien van kenteken [CC-00-CC],

voorhanden gehad, terwijl die [B] BV en haar mededaders (telkens) wisten dat die auto's en geldbedragen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf,

aan welke verboden gedragingen hij, verdachte, telkens feitelijk leiding heeft gegeven.”

3.3. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“1. Een proces-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend op 13 februari 2007 door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, (p. 522001 ev van een dossier met het nummer 2006054753 [...]) zakelijk weergegeven inhoudende:

als verklaring van [medeverdachte 2]:

Van de transacties van [B] BV gaat 90 tot 95 procent contant. [A] (het hof begrijpt: de handelsnaam van [B] BV, hierna: [A]) was één van de weinige. [medeverdachte 1] zei altijd: het is een gat in de markt om contant te betalen.

Vraag verbalisanten: wat is de reden dat klanten contant de huur betalen?

Antwoord [medeverdachte 2]: Er zijn natuurlijk ook veel mensen met zwart geld. We kunnen er wel omheen draaien, maar dat is het natuurlijk. De mogelijkheid om bij ons contant te huren is wat ons onderscheidt ten opzichte van Europcar of Hertz.

Het is altijd een op contant geld gerichte organisatie geweest. [medeverdachte 1] zag dat als gat in de markt. Er was geen enkele belemmering om contant geld aan te nemen.

[medeverdachte 1], [medeverdachte 3] (het hof begrijpt: [medeverdachte 3]) en [verdachte] (het hof begrijpt: [verdachte]) zijn de oprichters van het bedrijf.

2. Een proces-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend op 13 februari 2007 door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, (p. 522017 ev van het onder 1 genoemde dossier) zakelijk weergegeven inhoudende:

als verklaring van [medeverdachte 1]:

Vroeger zijn [medeverdachte 3] (het hof begrijpt [medeverdachte 3]), [verdachte] (het hof begrijpt: [verdachte]) en ik samen begonnen met [A]. [medeverdachte 3] en [verdachte] zijn compagnon en mede-eigenaar. [verdachte] en ik zijn op het strand begonnen met praten over autoverhuur. Er werkten veel maatschappijen met creditcards en wij begonnen het contant te doen. Het was eerst een limited en later een BV (het hof begrijpt: [B] BV). Op grond van het gegeven dat er veel politie bij mij aan de zaak komt ga ik er van uit dat er veel klanten zijn die crimineel zijn en hun inkomsten hebben uit criminaliteit. Voor mij is het belangrijk dat er betaald wordt. Hoe ze aan hun geld komen kun je wel invullen. [medeverdachte 4] is een goed betalende klant. Ik ben een verhuurbedrijf begonnen 12 jaar geleden omdat ik met kontante betalingen een gat in de markt heb gevonden. Ik wil het eigenlijk niet weten wie mijn klanten zijn. Ik heb gehoord dat [medeverdachte 4] heeft gezeten voor overvallen.

3. Een proces-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend op 13 februari 2007 door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, (p. 522040 ev van het onder 1 genoemde dossier) zakelijk weergegeven inhoudende:

als verklaring van [medeverdachte 3]:

Uiteindelijk zijn we met het autoverhuurbedrijf begonnen. Sinds 12 jaar hebben we al [B] BV/[A]. Dit samen met [verdachte] (het hof begrijpt: [verdachte]) en [medeverdachte 1] (het hof begrijpt: [medeverdachte 1]). [medeverdachte 1] wilde in de autohandel en overtuigde ons om in de lease te gaan. We zijn met zijn drieën aandeelhouder geworden, ieder 33,3 % van de aandelen. We waren alle drie directeur. Tot de dag van vandaag zijn we alle drie nog bestuurder. Ik vind het klantenbestand voor het grootst gedeelte gajes. [medeverdachte 1] zei steeds: maar ze betalen wel. Deze klanten betaalden contant. Ze betaalden zomaar 5000 als borg. Er wordt veel contant betaald. Creditcard komt weinig voor. Deze klanten brengen wel geld in de onderneming.

[medeverdachte 1] bepaalt de bedrijfsvoering bij [A], maar hij overlegt met ons. De koers van het bedrijf zou worden gewijzigd, we wilden van de klanten af. We wilden andere klanten. [medeverdachte 1] heeft wel eens gezegd: als ik een contant betalende klant de deur wijs, kunnen we wel stoppen. Het (het hof begrijpt: het contant betalen) heeft vermoedelijk te maken met het soort klant dat bij [B] huurt.

4. Een proces-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend op 13 februari 2007 door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, (p. 522291 ev van het onder 1 genoemde dossier), zakelijk weergegeven inhoudende:

als verklaring van [medeverdachte 1]:

[medeverdachte 3], [verdachte] en ik zijn alle drie voor een derde eigenaar van de zaak.

Als ze er zijn hebben we het vrijwel elke dag over de zaak. [medeverdachte 3] en [verdachte] vertrouwen mij volledig, maar ik deel wel alles aan ze mee. Tot een jaar of twee terug deden we dat wekelijks. De laatste tijd is [verdachte] wat meer met hout bezig, maar wel hebben wel altijd lastige klanten met elkaar besproken. Tegenwoordig is het één keer in de week dat [verdachte] er is. We hebben alle drie het vermoeden over sommige klanten (het hof begrijpt: dat ze een criminele achtergrond hebben). Ik bepaalde het beleid maar dat ging altijd in goed informeel overleg met [medeverdachte 3] en [verdachte]. [medeverdachte 4] is een kennis van [medeverdachte 3] en [verdachte], zij kennen elkaar al van jongs af aan.

5. Een proces-verbaal, zijnde een letterlijk uitgewerkt verslag van een videoverhoor d.d. 8 oktober 2008, in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend op 24 oktober 2008 door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, (p. 0603 ev, VV 1.125 van het onder 1 genoemde dossier), zakelijk weergegeven inhoudende:

als verklaring van verdachte:

Er waren een paar klanten bij van [B] BV, dat was gajus. Jullie (het hof begrijpt: de politie) kwamen regelmatig langs bij [A]. Als ik vijf dagen in de week bij [A] was, zag ik op twee of drie dagen de recherche langskomen.

Vraag: Waarom kwamen de klanten bij [B] BV?

Antwoord [verdachte]: ik denk dat ze kwamen voor de cash. Daarom zijn we [B] BV ook begonnen. Elk autoverhuurbedrijf vraagt creditcards. Toen dachten wij hé. Ik heb [B] BV helpen oprichten. Als ik [medeverdachte 1] zag dan sprak ik met hem over de zaak. We hebben het ook gehad over het bezoek van de politie aan het bedrijf.

6. De verklaring van verdachte, ter zitting in eerste aanleg d.d. 9 september 2009:

Ik had het wel voor het zeggen, maar ik werd niet als directeur gezien, dat was [medeverdachte 1].

We kwamen met zijn drieën bij elkaar om de situatie in het bedrijf te bespreken. Als er iets te bespreken was kwamen we bijeen in een vergadering. Ik denk dat dit 3 a 4 keer per maand was.

7. Een proces-verbaal, nr. 2005064348. d.d. 5 oktober 2006, op ambtseed/belofte opgemaakt door [verbalisant 1], inspecteur van politie en [verbalisant 2], buitengewoon opsporingsambtenaar, Dienst Centrale Recherche Amsterdam-Amstelland. houdt zakelijk weergegeven - in:

als verklaring van [medeverdachte 1] (p. 21000 t/m 21002 van het onder 1 genoemde dossier):

Ik heb een bedrijf genaamd [B] B.V. De handelsnaam is [A], gevestigd te [plaats]. Ons bedrijf least auto's contant. Ik heb zeer sterke vermoedens dat een groot deel van mijn klantenbestand werk doet dat het daglicht niet kan verdragen. Ik maak dat op uit het feit dat ik regelmatig politie op de zaak krijg.

V: Wij doen onderzoek naar een man genaamd [medeverdachte 4].

A: Ik ken hem al heel lang. [medeverdachte 4] least een auto bij mij.

V. [medeverdachte 4] rijdt in een Mercedes CLK 240, kenteken [AA-00-AA]. Deze auto is op naam gesteld van [B] BV.

A: Deze auto is door [medeverdachte 4] uitgezocht.

V: hoelang heeft [medeverdachte 4] deze auto in gebruik?

A: Dat staat in het leasecontract, 26 april 2005.

V. Op welke wijze wordt er betaald?

A: Hij betaalt contant.

V: Hoe is de auto betaald?

A: Er is € 10.000,- contant betaald. [medeverdachte 4] heeft dat bedrag aan mij gegeven en ik betaal weer aan de dealer.

8. Een proces-verbaal, nr. 2006054753, d.d. 6 oktober 2006, op ambtsbelofte opgemaakt door [verbalisant 3] en [verbalisant 4], respectievelijk brigadier en hoofdagent van politie, dienstdoende bij de Dienst Centrale Recherche van de Regiopolitie Amsterdam-Amstelland, houdt - zakelijk weergegeven - in:

als verklaring van [medeverdachte 4] (p. 21027 t/m 21031 van het onder 1 genoemde dossier):

V. Wat voor werk doet u?

A: Ik werk meestal zwart.

V: Wat voor soort werk.

A: Meestal in een kroeg achter de bar.

V: Je rijdt in de auto?

A: Ja, maar die auto is niet van mij. Als je iets huurt of least dan ben je niet aansprakelijk voor de verzekering, keuring, wegenbelasting en onderhoud.

9. Een proces-verbaal, nr. 2006255437, d.d. 6 december 2006, op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 1], inspecteur van politie, Dienst Regionale Recherche, Regiopolitie Amsterdam Amstelland, houdt - zakelijk weergegeven - in:

als verklaring van [medeverdachte 1] (p. 21032 van het onder 1 genoemde dossier):

Wij maken elke maand een factuur van de leasetermijn en als er een bekeuring betaald is door ons dan komt het bedrag van die bekeuring op de factuur te staan en deze facturen zijn door [medeverdachte 4] allemaal contant betaald.

10. Een schriftelijk stuk, te weten een afschrift van een leasecontract d.d. 26 april 2005, afgesloten tussen [A] en [medeverdachte 4] (p. 21005 van het onder 1 genoemde dossier).

11. Een schriftelijk stuk, te weten een calculatie leaseprijs met betrekking tot de Mercedes Benz, CLK 240 Coupe, kenteken [AA-00-AA], houdt - zakelijk weergegeven - in:

Leaseprijs inclusief verzekeringen: € 2.017.82.

12. Een proces-verbaal, nr. 2006054753, d.d. 2 mei 2007, op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 6] voornoemd, houdt - zakelijk weergegeven - in:

als verklaring van verbalisant (Zaakdossier H, p. 1 t/m 15 van het onder 1 genoemde dossier):

Een van de onderzochte auto's, een personenauto, merk Mini Cooper, type S, kenteken [CC-00-CC] is in gebruik bij [medeverdachte 8]. [medeverdachte 8] heeft het voertuig ondergebracht in een leaseconstructie bij [B] B.V.

13. Een proces-verbaal, nr. 2006053754, d.d. 17 april 2007, op ambtseed/belofte opgemaakt door [verbalisant 6] voornoemd en [verbalisant 7], inspecteur van politie, Bureau Financieel Economische Recherche, houdt - zakelijk weergegeven - in:

als verklaring van [medeverdachte 8] (p. 28024 t/m 28032 van het onder 1 genoemde dossier):

Vraag verbalisanten: Uit tapgesprekken blijkt datje een auto least bij [B] B.V. Welke auto is dit?

Antwoord [medeverdachte 8]: Een Mini Cooper S. Dat was voor het eerst in november 2005. Het begon met huren. Ik gaf [medeverdachte 1] steeds wat geld en dan mocht ik die auto weer wat langer houden. In 2006 begon [medeverdachte 1] over leasen. Ik ben ongeveer in februari, maart 2006 begonnen met leasen, maar er is nooit een contract getekend. Ik dacht dat de auto op [medeverdachte 1] naam stond.

V. Hoeveel heb jij aanbetaald voor die auto?

A: Ik heb misschien 7 ruggen aanbetaald.

V. Wat is de prijs die jij met [medeverdachte 1] hebt afgesproken die jij in totaal moest betalen voor de auto?

A: [medeverdachte 1] kwam met een bedrag van € 28.000,-.-, maar de dealer zei tegen mij € 19.000,-- We hadden een afspraak, 28 maanden betalen, € 1.000,-- per maand.

V Was de Mini nou van jou of van [betrokkene 1].

A: Eigenlijk van mij.

V. Waar betaal je de leasetermijnen van? In een jaar heb jij namelijk €7.000,- aanbetaald op die auto.

A: Ik kwam vaak in tenten waar gegokt werd. Soms won ik weleens wat. Ik regelde ook wel eens wat pakjes coke voor hem (het hof begrijpt: [medeverdachte 1]).

V. Bij [B] BV zijn er een aantal huurcontracten gevonden op naam van [betrokkene 5].

Jouw broer. Echter onder aan de huurcontracten zien wij jouw naam slaan. [medeverdachte 8].

Wie heeft deze auto's nu precies gehuurd en gebruikt?

A: Sommige heb ik inderdaad gehuurd. Soms worden er valse huurcontracten uitgegeven op naam van anderen door [medeverdachte 1]. Ze kunnen m'n handtekening wel vervalsen. De Mini Cooper klopt wel.

14. Een proces-verbaal, nr. 2006053754, d.d. 18 april 2007, op ambtseed/belofte opgemaakt door [verbalisant 6] voornoemd en [verbalisant 8], brigadier van politie, Politieregio Amsterdam-Amstelland, Bureau Financieel Economische Recherche, - zakelijk weergegeven-inhoudende:

als verklaring van [medeverdachte 8] (p. 28058 t/m 28060 van het onder 1 genoemde dossier):

V: Wist [medeverdachte 1] dat jij geen vast, legaal inkomen had?

A: Ik had een uitkering, maar het kon [medeverdachte 1] niks schelen. Zolang er maar geld op tafel kwam, dan was er niks aan de hand.

V: Wist [medeverdachte 1] hoe jij aan je geld kwam.

A: Ja, hij wist dat wel.

V: er is een aanzienlijke hoeveelheid weed en wat bouwlampen gevonden in een box van je vriendin.

A: die zijn van mij.

15. Een proces-verbaal, nr. 2007047171, d.d. 26 april 2007, op ambtseed/belofte opgemaakt door [verbalisant 5], brigadier van Regiopolitie Amsterdam-Amstelland, Dienst Regionale Recherche, Bureau Financieel Economische Recherche, houdt -zakelijk weergegeven - in:

als verklaring van [medeverdachte 1] (p. 28113 t/m 28121 van het onder 1 genoemde dossier, Dossier H: Mini Cooper [CC-00-CC]).

V: Wie heeft deze auto hij jou gehuurd of geleased.

A: [betrokkene 5].

V: Wat is er voor betaald.

A:€ 1.100,-- per maand.

V: Hoe is dit betaald.

A: Contant.

16. Een schriftelijk stuk, te weten een afschrift van een huurcontract, afgesloten tussen [betrokkene 5] en [B] B.V., d.d. 11-11-2005 betreffende de Mini Cooper S, kenteken [CC-00-CC] (p. 28048 van het onder 1 genoemde dossier).

17. Een geschrift zijnde een orderbevestiging/leasecontract ingaande op 13 april 2005, afkomstig van [A] betreffende een Opel Vectra GTS 3.0 met het kenteken [BB-00-BB]. De leasetermijn bedraagt per maand € 768,85 excl BTW, looptijd 24 maanden. De factuur staat op naam van [betrokkene 3] e/v [betrokkene 4]. In de bijlage bij deze orderbevestiging staat dat er een aanbetaling van € 25.000,- dient te worden voldaan, alvorens de auto zal worden geleverd (p. 000165 en 00166 van het onder 1 genoemde dossier, zaaksdossier B).

18. Een proces-verbaal d.d. 14 februari 2007 in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, - zakelijk weergegeven - inhoudende:

als verklaring van [medeverdachte 1] (zaaksdossier B, p 220185 van het onder 1 genoemde dossier): .

Vraag: Op 19 oktober 2006 te 9.46 uur krijgt [medeverdachte 9] de volgende SMS van jou “Ben tussen twee en drie op de zaak. Dan zou ik het zeer op prijs stellen als je er dan ook bent.

Groetjes [medeverdachte 1]". Waarom moest [medeverdachte 9] bij jou op de zaak komen?

Antwoord [medeverdachte 1]: Om de auto te betalen van [betrokkene 3] en [betrokkene 4].

19. Een proces-verbaal d.d. 14 februari 2007 in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, - zakelijk weergegeven - inhoudende:

als verklaring van [medeverdachte 7]:

Vraag verbalisanten: zegt de naam [medeverdachte 9] je wat?

Antwoord [medeverdachte 7]: Die ken ik van het werk. Die leasede een auto bij ons.

20. Een proces-verbaal d.d. 7 maart 2007 in de wettelijke vorm opgemaakt door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, - zakelijk weergegeven - inhoudende:

als verklaring van verbalisant: (p. 220207 en 220208 van het onder 1 genoemde dossier zaakdossier B):

Ik heb op 2 oktober 2006 van de belastingdienst de volgende gegevens ontvangen van [medeverdachte 9], geboren op [geboortedatum] 1962.

Inkomsten:

2003 Bijstand gemeente Amsterdam 13.229 euro

2004 Bijstand gemeente Amsterdam 7.207 euro

2005 geen loongegevens.

Van het UWV heb ik de volgende gegevens ontvangen op 5 oktober 2006: geen uitkering bekend, geen werkgever bekend.

21. Een proces-verbaal d.d. 22 oktober 2006 in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, - zakelijk weergegeven - inhoudende:

als verklaring van [medeverdachte 9]: (p. 220042 van het onder 1 genoemde dossier)

Ik heb sinds een week geen werk. Voor die tijd heb ik zwart gewerkt, ik heb wat klusjes gedaan. De Opel Vectra waar ik in rij is van [medeverdachte 1] (het hof begrijpt: [B] BV).

22. Een proces-verbaal d.d. 28 november 2006 in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, - zakelijk weergegeven - inhoudende:

als verklaring van [betrokkene 2]:

Ik ben verkoper bij het autobedrijf [C] BV. U vraagt mij wanneer een Opel Vectra met het kenteken [BB-00-BB] is verkocht. Wij hebben deze auto verkocht. Begin maart 2005 kwamen er drie personen kijken naar deze auto. [medeverdachte 2] van [B] BV gaf aan dat zij de auto wilden kopen. Overeengekomen was dat [C] BV € 7.000,- aan inruil zou geven op een Ford Focus. Deze Ford focus had het kenteken [DD-00-DD] en stond op naam van [medeverdachte 9].

23. Een proces-verbaal d.d. 1 maart 2007 in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, - zakelijk weergegeven - inhoudende:

als verklaring van [betrokkene 3] e/v [betrokkene 4] (p. 220093, van het onder 1 genoemde dossier, zaaksdossier B):

[B] BV/[A]

V: Heeft u ooit weleens een auto gehuurd bij het bedrijf [B] BV/[A]?

A: Nee, nog nooit

V: Volgens het bedrijf [B] BV, least u vanaf 13 april 2005 een Opel Vectra [BB-00-BB]

A: Ik ben nog nooit een stap binnengeweest daar. Laat staan dat ik een leasecontract heb getekend. Ik ben wel benieuwd welke handtekening er dan op staat.

V: Volgens het bedrijf [B] BV, heeft u een aanbetaling van 25.000 euro gedaan voor het leasen van de Opel Vectra. Voorts moet u een maandbedrag van 768,85 euro exclusief BTW per maand betalen voor de Opel Vectra. Wat kan u hierover verklaren?

A: Ik heb niet eens een bank, met een bankrekening.

V In het klantenbestand van het bedrijf [B] BV, staat u bekend onder klantnummer 2730.

Uw adres volgens het bedrijf is [a-straat 1] te [plaats]. Voorts staat er als contactpersoon [medeverdachte 9]. Wie is deze [medeverdachte 9]?

A: Ik ken wel die jongen die in die Opel rijdt, die heet [medeverdachte 9]. Ik ken hem niet van zijn achternaam. Eind 2006 in november, kwam [medeverdachte 9] opeens helemaal over de rode naar [betrokkene 6] toe dat hij geld opeens moest terugbetalen. [medeverdachte 9] had het toen over dat hij zijn auto nog moest betalen enzo.

V: Hoe weet u dat [medeverdachte 9] in die Opel rijdt?

A: Ik ben weleens door [medeverdachte 9] in die auto naar huis gebracht met de kinderen. Ook heeft hij weleens in juni 2005 aan [betrokkene 6] die auto laten zien en toen heeft hij tegen [betrokkene 6] gezegd dat hij een nieuwe auto had. [medeverdachte 9] heeft mij eind 2004 weleens gevraagd of hij mijn rijbewijs mocht lenen in verband met het huren van een auto. [medeverdachte 9] kon namelijk geen auto op zijn eigen naam huren, omdat hij nog boetes had openstaan. Ik zei hem dat ik bij een curator liep en dat ik ook financiële problemen had. [medeverdachte 9] zei dat dat niet erg was en [betrokkene 6] zou ook met [medeverdachte 9] meegaan om die auto te huren. Diezelfde dag heb ik mijn rijbewijs van [medeverdachte 9] teruggekregen. Ik heb er geen geld voor gekregen van [medeverdachte 9], het was een vriendendienst. Maar nu blijkt dat [medeverdachte 9] dus misbruik heeft gemaakt van mijn rijbewijs.

3.4. De aanvulling op het verkorte arrest behelst voorts de volgende bewijsoverweging van het Hof:

“Uit het feit dat de auto aan [medeverdachte 9] is geleverd leidt het hot af dat ook de aanbetaling van € 25 000 - is voldaan, zoals is bepaald in het leasecontract (bewijsmiddel 17).

Daarvan is € 7.000 aanbetaald door middel van het inruilen van een Ford Focus. Dat deze auto van misdrijf afkomstig is, is niet gebleken. Uit het feit dat [medeverdachte 9] de auto geleverd heeft gekregen, concludeert het hof dat derhalve een bedrag van € 18.000,- is aanbetaald.

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte 9] ook degene is geweest die de betalingen heeft gedaan, nu het zijn Ford is geweest die op de Opel is ingeruild en de betalingen blijkens de verklaring van [betrokkene 3] e/v [betrokkene 4] niet door haar zijn gedaan. De verklaringen van [medeverdachte 9] op dit punt zijn derhalve als onjuist aan te merken. Dat wordt bevestigd door de verklaring van [medeverdachte 1] dat [medeverdachte 9] de auto bij hem moest komen betalen.”

3.5. Het Hof heeft voor zover hier van belang tevens in het verkorte arrest het volgende overwogen:

“Bewijsoverweging

Feit 1 primair: feitelijk leidinggeven aan (gewoonte)witwassen

Het gronddelict; de verboden gedraging [medeverdachte 4], [medeverdachte 9] en [medeverdachte 8] hebben auto's geleased van [B] BV, waarbij de aanbetalingen(en) en leasetermijnen contant werden afgerekend.

Van [medeverdachte 4] zijn evenwel geen inkomensgegevens bekend bij de belastingdienst of het UWV. Van [medeverdachte 9] is bij de belastingdienst bekend dat hij een bijstandsuitkering ontving in 2003 en 2004 en over het jaar 2005 zijn geen loongegevens van hem bekend. [medeverdachte 4] heeft verklaard dat hij zijn inkomsten (hij werkte zwart in een kroeg) in de ten laste gelegde periode niet aan de belastingdienst/UWV op heeft gegeven. [medeverdachte 9] heeft geen aannemelijke concrete en verifieerbare verklaring gegeven over de herkomst van de gelden die hij aan [B] BV heeft betaald.

Het hof overweegt dat het voorwerp dat wordt witgewassen afkomstig dient te zijn uit een misdrijf. In het arrest van 28 september 2004 (LJN: AP2124) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat uit het bewijs geen nauwkeurig aangeduid misdrijf behoeft te worden afgeleid en evenmin door wie, wanneer en waar het misdrijf is gepleegd. Voor het bewijs van dit bestanddeel kan de conclusie dat het niet anders kan dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is voldoende zijn.

Gelet op het voorgaande in samenhang bezien met de hoogte van de gedane contante betalingen, kan het niet anders zijn dan dat de door [medeverdachte 4] en [medeverdachte 9] betaalde geldbedragen aan [B] BV voor de door hen geleasede auto's afkomstig zijn uit misdrijf.

[medeverdachte 8] heeft verklaard dat hij inkomsten had uit illegale gokactiviteiten en uit de handel in cocaïne. Dit laatste was bij medeverdachte [medeverdachte 1] bekend.

Gelet op het voorgaande is sprake geweest van het verrichten van betalingen aan [B] BV met door van misdrijf afkomstig geld door [medeverdachte 4], [medeverdachte 9] en [medeverdachte 8], zijnde de zaaksdossiers A, B en H. De overige ten laste gelegde zaaksdossiers bevatten onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat de gelden die zijn betaald aan [B] BV van misdrijf afkomstig waren.

Dat er een gewoonte werd gemaakt van het witwassen acht het hof bewezen gelet op de vele maandbetalingen die contant werden gedaan voor de langlopende leasecontracten. Het verweer van de raadsman dat het maar om een klein aantal gevallen van witwassen gaat wordt derhalve verworpen.

(…)”

4.1. Het eerste middel klaagt dat het Hof weliswaar heeft vastgesteld dat de geldbedragen voor de leaseauto’s uit misdrijf afkomstig zijn, maar niet dat de auto’s zelf uit misdrijf afkomstig zijn.

4.2. Het middel berust evenwel op een verkeerde lezing van de bestreden uitspraak. Bewezen is verklaard dat verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan [B] BV, welke rechtspersoon met anderen een gewoonte maakte van witwassen. Mede gezien de bewijsvoering zijn de bij [B] BV geleasede auto’s middellijk van misdrijf afkomstig vanwege de (gehele of gedeeltelijke) criminele herkomst van het contante geld waarmee de auto’s werden geleased, terwijl de in de bewezenverklaring genoemde mededaders van [B] BV (ook) degenen zijn die de desbetreffende auto’s leaseden: [medeverdachte 4], [medeverdachte 8] en [medeverdachte 9]. Het Hof heeft derhalve toereikend gemotiveerd vastgesteld dat ook de in de bewezenverklaring opgenomen auto’s, middellijk, van misdrijf afkomstig zijn.

5.1. Het tweede middel klaagt dat het Hof ontoereikend gemotiveerd heeft vastgesteld dat verdachte het onder 1 bewezenverklaarde heeft begaan, voor zover inhoudende: “een Mercedes Benz, type CLK 240 coupe voorzien van kenteken [AA-00-AA] en de aanbetaling van 10.000 EURO en de (maandelijkse) leasetermijnen van (telkens) 2017,82 EURO”. Het gaat om de auto die [medeverdachte 4] leasede bij [B] BV. Geklaagd wordt dat de vaststellingen dat [medeverdachte 4] meestal in een kroeg werkte en meestal zwart werkte, in combinatie met een gebrek aan gegevens bij de belastingdienst/UWV omtrent een verklaarbaar legaal vermogen, onvoldoende zijn voor het oordeel “dat het niet anders kan” dan dat de door [medeverdachte 4] voor de auto betaalde geldbedragen uit misdrijf afkomstig zijn.

5.2. Het middel berust op een te beperkte lezing van de bestreden uitspraak. In de bewijsmiddelen is vervat dat [B] BV - met verdachte, [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] als eigenaars - een autoverhuurbedrijf is, dat het altijd een op contant gerichte organisatie is geweest en dat het grootste deel van het klantenbestand gajes is: “maar ze betalen wel”. Voorts houden de bewijsmiddelen naast de in het middel genoemde vaststellingen tevens voor zover hier van belang in:

- als verklaring van [medeverdachte 1] (bewijsmiddel 4):

“Op grond van het gegeven dat er veel politie bij mij aan de zaak komt ga ik er van uit dat er veel klanten zijn die crimineel zijn en hun inkomsten hebben uit criminaliteit. Voor mij is het belangrijk dat er betaald wordt. Hoe ze aan hun geld komen kun je wel invullen. [medeverdachte 4] is een goed betalende klant. Ik ben een verhuurbedrijf begonnen 12 jaar geleden omdat ik met kontante betalingen een gat in de markt heb gevonden. Ik wil het eigenlijk niet weten wie mijn klanten zijn. Ik heb gehoord dat [medeverdachte 4] heeft gezeten voor overvallen.”

- als verklaring van verdachte (bewijsmiddel 5):

“Er waren een paar klanten bij van [B] BV, dat was gajus. Jullie (het hof begrijpt: de politie) kwamen regelmatig langs bij [A]. Als ik vijf dagen in de week bij [A] was, zag ik op twee of drie dagen de recherche langskomen.

Vraag: Waarom kwamen de klanten bij [B] BV?

Antwoord [verdachte]: ik denk dat ze kwamen voor de cash. Daarom zijn we [B] BV ook begonnen. Elk autoverhuurbedrijf vraagt creditcards. Toen dachten wij hé. Ik heb [B] BV helpen oprichten. Als ik [medeverdachte 1] zag dan sprak ik met hem over de zaak. We hebben het ook gehad over het bezoek van de politie aan het bedrijf.”

- als verklaring van [medeverdachte 1] (bewijsmiddel 7):

“Ik heb een bedrijf genaamd [B] B.V. De handelsnaam is [A], gevestigd te [plaats]. Ons bedrijf least auto's contant. Ik heb zeer sterke vermoedens dat een groot deel van mijn klantenbestand werk doet dat het daglicht niet kan verdragen. Ik maak dat op uit het feit dat ik regelmatig politie op de zaak krijg.

V: Wij doen onderzoek naar een man genaamd [medeverdachte 4].

A: Ik ken hem al heel lang. [medeverdachte 4] least een auto bij mij.

V. [medeverdachte 4] rijdt in een Mercedes CLK 240, kenteken [AA-00-AA]. Deze auto is op naam gesteld van [B] BV.

A: Deze auto is door [medeverdachte 4] uitgezocht.

V: hoelang heeft [medeverdachte 4] deze auto in gebruik?

A: Dat staat in het leasecontract, 26 april 2005.

V. Op welke wijze wordt er betaald?

A: Hij betaalt contant.

V: Hoe is de auto betaald?

A: Er is € 10.000,- contant betaald. [medeverdachte 4] heeft dat bedrag aan mij gegeven en ik betaal weer aan de dealer.”

5.3. Op grond van deze vaststellingen tezamen getuigt het oordeel van het Hof dat ook voor zover de bewezenverklaring ziet op de door [medeverdachte 4] bij [B] BV geleasede Mercedes Benz, type CLK 240 coupe, tegen betaling van contanten die zich niet met een legale herkomst laten verklaren, sprake is van een auto en geldbedragen die geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf niet van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk. Ook dit middel faalt.

6.1. Het derde middel behelst de klacht dat het Hof de wetenschap van [B] BV en haar mededaders dat de auto’s en geldbedragen van misdrijf afkomstig waren ontoereikend heeft gemotiveerd, in ieder geval voor zover het de door [medeverdachte 4] en [medeverdachte 9] geleasede auto’s betreft.

6.2. Ook dit middel berust op een te beperkte en dus verkeerde lezing van de bestreden uitspraak. Het Hof heeft toereikend gemotiveerd vastgesteld dat sprake is van gewoontewitwassen, dat [B] BV juist handelde met klanten - het merendeel gajes - die in contanten betaalden en juist daarom bij [B] BV kwamen en “Hoe ze aan hun geld komen kun je wel invullen”, aldus [medeverdachte 1] als één van de drie eigenaren. Nu het Hof voorts heeft vastgesteld op welke wijze [medeverdachte 4], [medeverdachte 8] en [medeverdachte 9] auto’s bij [B] BV leaseden zonder dat het daartoe besteedde geld zich legaal laat verklaren, is toereikend gemotiveerd dat de BV ten aanzien van deze drie wetenschap had omtrent de (on)middellijke criminele herkomst van de gehele of gedeeltelijke voor de auto’s betaalde bedragen. Ik wijs nog op bewijsmiddel 3, welk bewijsmiddel aldus door het Hof zal zijn opgevat, dat de verklaring van (mede)eigenaar [medeverdachte 3] inhoudt dat (juist) het deel van het klantenbestand dat gajes was bij [B] BV contant betaalde. Deze lezing acht ik, mede gezien de overige tot het bewijs gebezigde verklaringen, niet onbegrijpelijk.

7. Het vierde middel klaagt dat het Hof ontoereikend gemotiveerd heeft vastgesteld dat sprake is van medeplegen, doch berust eveneens op een onjuiste lezing van het arrest van het Hof. Anders dan gesteld, omvatten de in de bewezenverklaring genoemde mededaders [medeverdachte 4], [medeverdachte 8] en [medeverdachte 9] en daaraan staat niet in de weg dat de bewuste en nauwe samenwerking met [B] BV met ieder van hen telkens op één van de drie bewezenverklaarde auto’s betrekking heeft. Ook dit middel faalt derhalve bij gebrek aan feitelijke grondslag.

8. Het vijfde middel klaagt dat het Hof de tot het bewijs gebezigde verklaring van [medeverdachte 8] (bewijsmiddel 13) in de nadere bewijsoverweging heeft gedenatureerd, omdat het daarin heeft betrokken dat sprake zou zijn van inkomsten uit illegale gokactiviteiten. Dat valt volgens de steller van het middel niet af te leiden uit de tot het bewijs gebezigde zinsnede “Ik kwam vaak in tenten waar gegokt werd.” Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft het Hof de bewijsmiddelen 13 en 14 tezamen en in onderling verband gelezen, en dan is (te meer) duidelijk dat ook de gokactiviteiten van [medeverdachte 8] niet tot legale inkomsten konden worden gerekend en derhalve illegaal waren. Van denatureren is hier geen sprake. Ook dit middel faalt derhalve.

9. De middelen falen en kunnen naar mijn oordeel met de aan artikel 81, eerste lid, RO ontleende motivering worden verworpen.

10. Ambtshalve gronden die tot vernietiging aanleiding behoren te geven heb ik niet aangetroffen.

11. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Deze zaak hangt samen met vier andere zaken. Het gaat om de zaaknummers 12/05617 ([medeverdachte 5], geen middelen); 12/05921 ([verdachte]); 12/05957 ([medeverdachte 6]); 13/00403 ([medeverdachte 2]); en 13/00413 ([medeverdachte 4]). In al deze zaken zal ik vandaag concluderen. Het cassatieberoep in een zesde samenhangende zaak is bij akte tijdig ingetrokken (13/00675, [medeverdachte 7]).