Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:2742

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
02-12-2014
Datum publicatie
03-02-2015
Zaaknummer
13/02560
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:198, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Wettelijk voorschrift a.b.i. art. 184.1 Sr. Artt. 159, 160.1, 177 en 178.2 WVW 1994. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2008:BB4108 en ECLI:NL:HR:2014:3639 m.b.t. het feit dat het in art. 184.1 Sr bedoelde wettelijk voorschrift uitdrukkelijk moet inhouden dat de betrokken ambtenaar gerechtigd is tot het geven van een bevel of het doen van een vordering. Aan een algemeen taakstellend voorschrift, zoals art. 3 Politiewet, zal zodanige uitdrukkelijke bevelsbevoegdheid niet kunnen worden ontleend, terwijl een wettelijk voorschrift waarin uitsluitend een verplichting of gebod wordt geformuleerd te voldoen aan een bevel of vordering van de betreffende ambtenaar doorgaans niet een uitdrukkelijke bevelsbevoegdheid zal inhouden. In dergelijke gevallen voorziet de wet bovendien veelal in strafbaarstelling van handelen in strijd met de op dat voorschrift gebaseerde verplichting of gebod. Indien de strafvervolging niet betrekking heeft op het misdrijf van art. 184 Sr, zoals in gevallen van overtreding van in bepalingen van een APV neergelegde verplichtingen of geboden, is veelal niet vereist dat de vordering of het bevel door de politieambtenaar is gedaan of gegeven krachtens een wettelijk voorschrift dat uitdrukkelijk inhoudt dat de betrokken ambtenaar gerechtigd is tot het doen van de vordering of het geven van het bevel. In die gevallen steunt de vervolging immers niet op handelen in strijd met art. 184 Sr, maar op overtreding van een APV. ’s Hofs oordeel dat het door de betrokken politieambtenaren gegeven bevel het motorrijtuig te doen stilhouden een krachtens art. 160.1 WVW 1994 gedane vordering is, die heeft te gelden als krachtens wettelijk voorschrift gegeven bevel of gedane vordering in de zin van art. 184.1 Sr, geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting, in aanmerking genomen dat art. 160.1 WVW 1994 verplichtingen bevat voor de bestuurder - waarvan niet-naleving in de WVW 1994 (art. 177.1 onder a, i.v.m. art. 178.2) specifiek als overtreding is strafbaar gesteld - en niet uitdrukkelijk inhoudt dat de betrokken ambtenaar gerechtigd is tot het doen van de vordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 13/02560

Mr. Machielse

Zitting 2 december 2014

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, heeft verdachte op 18 april 2013 voor “opzettelijk niet voldoen aan een bevel, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast” veroordeeld tot een geldboete van € 750. Voorts heeft het hof de tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van vier maanden gelast.

2. Op 2 mei 2013 heeft een ambtenaar van de griffie van het hof als schriftelijk gemachtigde cassatie ingesteld. Aan de cassatie-akte is een faxbrief gehecht van mr. J. Bredius, advocaat te Zeist, waarin deze als uitdrukkelijk daartoe gevolmachtigd advocaat van verdachte, de griffier verzoekt beroep in cassatie in te stellen tegen het arrest van het hof en mededeelt dat verdachte instemt met het door de griffiemedewerker in ontvangst nemen van de oproeping van de terechtzitting in cassatie. Deze fax dient mijns inziens te worden verstaan als een machtiging van verdachte aan zijn advocaat om de griffiemedewerker namens verdachte bemachtigen om cassatie in te stellen. Aldus begrepen is het cassatieberoep ontvankelijk te achten.1

3.1. Het eerste middel klaagt dat het hof ten onrechte de politierechter te Utrecht in eerste aanleg bevoegd heeft geacht. Het gaat om een overtreding van artikel 160 WVW 1994, waarvoor de kantonrechter en niet de rechtbank bevoegd is. Ten onrechte heeft het gerechtshof aangenomen dat het misdrijf van artikel 184 Sr is ten laste gelegd.

3.2. Als feit 1 is ten laste gelegd dat

"hij op of omstreeks 2 oktober 2010 te Zeist opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel of vordering, krachtens artikel 160 Wegenverkeerswet, in elk geval krachtens enig wettelijk voorschrift gedaan door [verbalisant], die was belast met de uitoefening van enig toezicht en/of die was belast met en/of bevoegd verklaard tot het opsporen en/of onderzoeken van strafbare feiten, immers heeft verdachte toen en daar opzettelijk, nadat deze ambtenaar hem had bevolen, althans van hem had gevorderd zijn motorrijtuig te doen stilhouden, geen gevolg gegeven aan dit bevel of die vordering".

3.3. Het eerste lid van artikel 184 Sr luidt aldus:

"Hij die opzettelijk niet voldoet aan een bevel of een vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast of door een ambtenaar belast met of bevoegd verklaard tot het opsporen of onderzoeken van strafbare feiten, alsmede hij die opzettelijk enige handeling, door een van die ambtenaren ondernomen ter uitvoering van enig wettelijk voorschrift, belet, belemmert of verijdelt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie."

Het eerste lid van artikel 160 WVW 1994 heeft de volgende inhoud:

"Op de eerste vordering van de in artikel 159 bedoelde personen is de bestuurder van een motorrijtuig verplicht dat motorrijtuig te doen stilhouden (...)".

Ingevolge artikel 177 lid 1 onder a jo. artikel 178 lid 2 WVW 1994 gaat het om een overtreding.

3.4. De uitleg van de tenlastelegging is overgelaten aan de rechter die over de feiten oordeelt, maar kan wel op begrijpelijkheid worden getoetst.2 De bewoordingen waarin feit 1 is omschreven vormen een blauwdruk van de inhoud van artikel 184 Sr. Met name is van belang dat de tenlastelegging vermeldt dat de verdachte opzettelijk heeft gehandeld.

De verhouding tussen artikel 184 Sr en strafbepalingen die als overtreding benoemen het niet voldoen aan specifieke vorderingen of bevelen is mijns inziens aldus te begrijpen dat de wetgever met deze afzonderlijke strafbepalingen de mogelijkheid heeft willen creëren dat het niet voldoen aan een bevel of vordering als overtreding kan worden ten laste gelegd en dat het OM niet is gebonden aan het zwaardere artikel 184 Sr. Maar het OM kan het niet voldoen aan bevel of vordering ook opwaarderen tot een misdrijf door opzet in de tenlastelegging te vermelden. Hoewel de wetgever van het Wetboek van Strafrecht daar wellicht anders over heeft gedacht, heeft de rechtsontwikkeling een andere koers genomen.3 Het arrest van het Gerechtshof Leeuwarden van 22 september 2008, VR 2009/89, waarin het hof oordeelde dat vervolging op grond van artikel 184 Sr wegens overtreding van artikel 160 eerste lid WVW 1994 het wettelijk systeem van de WVW 1994 zou doorkruisen, kan ik niet onderschrijven. In de wetsgeschiedenis noch in de rechtspraak van de Hoge Raad heb ik steun gevonden voor de opvatting dat het de bedoeling van de wetgever zou zijn om artikel 184 Sr buitenspel te zetten ingeval van het opzettelijk negeren van een stopverbod.

Het middel faalt.

4.1. Het tweede middel klaagt dat het hof ten onrechte heeft bewezenverklaard dat verdachte opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel krachtens artikel 160 WVW omdat het eerste lid van dat artikel spreekt van het niet op eerste vordering doen stilhouden van het motorrijtuig.

4.2. De steller van het middel ziet mijns inziens eraan voorbij dat de tenlastelegging van feit 1 primair is geënt op het eerste lid van artikel 184 Sr. Uit de bewijsmiddelen 1 en 2 is op te maken dat verbalisant een stopteken gaf in verband met een alcoholcontrole. Aan het eerste lid van artikel 160 WVW 1994 is niet te ontlenen dat een stopteken enkel mag worden gegeven om de in die bepaling genoemde bewijzen ter inzage te krijgen. Die bepaling houdt immers in dat een bestuurder verplicht is te stoppen alsmede zijn papieren te laten zien.

Overigens vermag ik niet in te zien welk belang van verdachte ermee is gediend dat het hof in plaats van te spreken van "een vordering, krachtens artikel 160 Wegenverkeerswet" in de bewezenverklaring heeft opgenomen "een bevel, krachtens artikel 160 Wegenverkeerswet". Ook een bevel om een motorrijtuig te doen stilhouden mag op grond van artikel 160 Wegenverkeerswet worden gegeven.

Het middel faalt.

5.1. Het derde middel klaagt, als ik het goed begrijp, over het opzet. Voor veroordeling voor artikel 160 WVW 1994 is geen opzet nodig. Wel moet de eerste vordering kenbaar zijn. Dat blijkt niet uit de bewezenverklaring.

5.2. Bewijsmiddel 1 betreft een verklaring van verbalisant, inhoudende dat hij met collegae op 2 oktober 2010 omstreeks 23:40 uur belast was met een alcoholcontrole. Zij bevonden zich op de kruising van Het Rond met de Slotlaan te Zeist. Verbalisanten wilde de bestuurder van een auto doen stilhouden. Maar deze reed door. Verbalisant heeft de bestuurder recht in zijn gezicht gekeken. Verbalisant is de auto gevolgd en uiteindelijk bleek verdachte in de buurt van de auto in de struiken te liggen. Bewijsmiddel 2 is de verklaring van een andere verbalisant die heeft gezien dat de collega van bewijsmiddel 11 een stopteken gaf en nog heeft geroepen dat de auto moest stoppen, maar dat de auto doorreed.

5.3. Het hof heeft de bewezenverklaring van het opzet kunnen doen steunen op de inhoud van deze bewijsmiddelen, met name op het feit dat verbalisant [verbalisant] een stopteken heeft gegeven en de bestuurder recht in het gezicht heeft kunnen zien. Daaruit heeft het hof klaarblijkelijk afgeleid dat die bestuurder ook gezien moet hebben dat een verbalisant een stopteken gaf.

Het middel faalt.

6.1. Het vierde middel klaagt dat de redelijke termijn is overschreden omdat het hof eerst uitspraak heeft gedaan nadat meer dan twee jaar zijn verstreken sinds [verdachte] als verdachte is aangemerkt.

6.2. Als al op 2 oktober 2010 zich de toestand heeft voorgedaan dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld,4 dan heeft het hof ruim binnen vier jaar na dat moment arrest gewezen. De redelijke termijn is dus niet geschonden.5

Het middel faalt.

7. De voorgestelde middelen falen en kunnen naar mijn oordeel, behoudens het eerste middel, met de aan artikel 81 RO ontleende motivering worden verworpen. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.

8. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Vgl. HR 29 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY9002. Voor de ontvankelijkheid van hoger beroep HR 16 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ7148.

2 HR 10 november 1998, NJ 1999, 200; HR 18 september 2001, LJN ZD2853.

3 NLR 12/184; HR 25 september 2012, HR 25 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4998; HR 5 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ2949.

4 Bijv. HR 9 januari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ2470.

5 HR 17 juni 2008, NJ 2008, 358 m.nt. Mevis, rov. 3.14 t/m 3.16.