Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:2739

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
02-12-2014
Datum publicatie
04-02-2015
Zaaknummer
13/00435
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:205
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Noodweerexces. Art. 41.2 Sr. ’s Hofs oordeel dat onder de gegeven omstandigheden kon en mocht worden gevergd dat de verdachte zich zou onttrekken aan de confrontatie met de politieambtenaar X geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Het oordeel draagt de verwerping van het verweer zelfstandig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 13/00435

Mr. Machielse

Zitting 2 december 2014 (bij vervroeging)

Conclusie inake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof Amsterdam heeft verdachte op 15 november 2012 voor: openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk. Voorts heeft het hof de vorderingen van benadeelde partijen toegewezen en schadevergoedingsmaatregelen opgelegd zoals in het arrest omschreven.

2. Mr. C. Maat, advocaat te Amsterdam, heeft cassatie ingesteld. Mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden, houdende drie middelen van cassatie.

3.1. Het hof heeft ten laste van verdachte bewezenverklaard dat

“hij op 12 april 2009 te Amsterdam, met anderen, aan de openbare weg, de Oostelijke Handelskade, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen

- [verbalisant 1], brigadier van politie bij de Regiopolitie Amsterdam-Amstelland, belast met motorsurveillance en

- [verbalisant 2], brigadier van politie bij de Regiopolitie Amsterdam-Amstelland, belast met motorsurveillance en

- [verbalisant 3], brigadier van politie bij de Regiopolitie Amsterdam-Amstelland, belast met motorsurveillance

welk geweld bestond uit het

- van zijn dienstmotor duwen van [verbalisant 1] en met kracht [verbalisant 1] schoppen terwijl [verbalisant 1] op de grond lag en [verbalisant 1] slaan en

- tegen het (gehelmde) hoofd van die [verbalisant 2] slaan en tegen het lichaam schoppen en

- met kracht tegen het (gehelmde) hoofd van [verbalisant 3] slaan/stompen.”

3.2. Het eerste middel klaagt over de verwerping door het hof van het beroep op noodweerexces. De pleitnota van hoger beroep houdt in dat de verdediging zich niet op het standpunt stelt dat de duw die verdachte de agent heeft gegeven uit noodweer zou hebben plaatsgevonden. Verdachte zelf heeft ook verklaard dat hij weg had kunnen lopen. Maar dat verdachte de hand van de verbalisant zou hebben weggeslagen, waarop de verbalisant vervolgens een vuistslag zou hebben uitgedeeld, vindt volgens de pleitnota geen steun in het bewijsmateriaal. Daarna brak chaos uit en heeft verdachte geprobeerd zichzelf en familieleden te verdedigen. In die fase was er voor verdachte sprake van noodweer of noodweerexces.

De steller van het middel voert aan dat het hof zich niet mocht onthouden van een oordeel over de vraag of de verbalisant [verbalisant 1] een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding op verdachte heeft begaan.

3.3. Het hof heeft onder het hoofd “Gevoerde verweren” het volgende overwogen:

“Wat het hof betreft kan vervolgens in het midden blijven of de verdachte wel of niet eerst de arm van [verbalisant 1] heeft weggeslagen. Het hof acht bewezen dat de verdachte op [verbalisant 1] is afgelopen en heel dicht bij [verbalisant 1] is gaan staan. Dit is door [verbalisant 1] naar eigen zeggen als bedreigend ervaren en heeft hem ertoe gebracht de verdachte een vuistslag in het gezicht te geven. Uit het feit dat dit handelen voor de op een motor gezeten [verbalisant 1] fysiek mogelijk was, blijkt dat en hoe dicht de verdachte op [verbalisant 1] heeft gestaan. Het is de politie, uiteraard binnen de daaraan gestelde grenzen, onder omstandigheden toegestaan geweld tegen burgers te gebruiken. Het hof kan in het midden laten of het optreden van [verbalisant 1] in dit geval wel of niet als proportioneel en/of professioneel kan of moet worden aangemerkt, omdat de daaropvolgende reactie van de verdachte en/of zijn mededaders naar zijn oordeel in beide gevallen niet daardoor wordt gerechtvaardigd.

Gelet op de inhoud van de hiervoor weergegeven redengevende feiten en omstandigheden is de confrontatie tussen [verbalisant 1] en de verdachte de aanleiding en het begin geweest van de vervolgens ontstane vechtpartij tussen leden van het gezelschap waarmee de verdachte op stap was enerzijds en de politie anderzijds, terwijl de verdachte daarin een relevant aandeel heeft gehad. Aldus heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het primair ten laste gelegde.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

De raadsvrouwe van de verdachte heeft ter terechtzitting desgevraagd uitdrukkelijk verklaard dat de verdachte zich, anders dan in de door de raadsvrouwe ter terechtzitting in hoger beroep voorgedragen en aan het hof overgelegde pleitnota is venneld, niet beroept op noodweer.

Ook overigens is er geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het primair bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

(…)

Strafbaarheid van de verdachte

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat verdachte een geslaagd beroep op noodweerexces kan doen, nu het door hem toegepaste geweld een reactie is geweest op het geweld van [verbalisant 1] jegens de verdachte en op het geweld jegens de moeder van de verdachte, die zich volgens de verdachte mengde in de confrontatie tussen de verdachte en [verbalisant 1] en daarbij op de grond terecht is gekomen. Hierbij is sprake van twee directe wederrechtelijke aanrandingen waarop de verdachte in de verdediging schoot en heeft geduwd, aldus de raadsvrouwe. Gelet op zijn gemoedstoestand, veroorzaakt door deze wederrechtelijke aanrandingen, kon - zo begrijpt althans het hof - van de verdachte niet worden verwacht dat hij niet zou ingrijpen en zijn moeder op de grond zou laten liggen.

Het hof is van oordeel dat, zelfs al zou er sprake zijn geweest van de gestelde wederrechtelijke aanrandingen, er in de omstandigheden van dit geval geen noodzakelijke verdediging door de verdachte daartegen was geboden. Van de verdachte mocht en kon worden verwacht dat hij zich zou onttrekken aan zijn confrontatie met [verbalisant 1]. Dit is door de verdediging ook met zoveel woorden erkend. Waar dit voor de verdachte geldt, geldt dit eens te meer voor verdachtes moeder. Er was voor haar geen noodzaak om zich uit eigen beweging in het handgemeen te mengen. Zij had zich, ook zonder de hulp van de verdachte, afzijdig kunnen houden en buiten het strijdgewoel.

Ook overigens acht het hof niet aannemelijk dat er voor de verdachte geen andere mogelijkheid heeft bestaan dan te handelen volgens het bewezenverklaarde.

Nu het hof geen noodzaak tot verdediging aanwezig acht, kan ook het beroep op noodweerexces niet slagen.”

3.4.

Voor de beoordeling van het middel dient te worden vooropgesteld dat van een verontschuldigbare overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging slechts sprake kan zijn als:

a. de verdachte de hem verweten gedraging heeft verricht in een situatie waarin, en op een tijdstip waarop, voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, maar daarbij als onmiddellijk gevolg van een hevige door die aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging verder gaat dan geboden is, dan wel indien

b. op het tijdstip van de aan de verdachte verweten gedraging de onder a bedoelde situatie weliswaar is beëindigd en derhalve de noodzaak tot verdediging niet meer bestaat, doch niettemin deze gedraging toch het onmiddellijk gevolg is van een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding.1

Als van een verdachte, bijvoorbeeld op grond van eigen voorafgaande gedragingen, kan worden gevergd dat hij zich aan geweldpleging door een ander onttrekt, zal een beroep op noodweer niet opgaan en, omdat de verdediging niet noodzakelijk is, evenmin een beroep op noodweerexces.2 Een beroep op noodweerexces zal evenmin slagen als de gedraging van degene die zich daarop beroept op grond van diens bedoeling noch op grond van de uiterlijke verschijningsvorm van zijn gedraging kan worden aangemerkt als verdedigend, maar – naar de kern bezien – als aanvallend, bijvoorbeeld gericht op een confrontatie.3

3.5.

Als verbalisant [verbalisant 1], zoals het hof uitdrukkelijk in het midden heeft gelaten, niet proportioneel en niet professioneel heeft gehandeld, is het gebruik van geweld door deze verbalisant jegens verdachte niet gerechtvaardigd geweest. De noodzaak en proportionaliteit van het optreden van politiefunctionarissen zijn immers relevant voor de beoordeling of zich omstandigheden voordoen waardoor hun optreden niet meer rechtmatig is.4 De politieambtenaar mocht onder de gelding van artikel 8 lid 1 Politiewet 1993 slechts geweld gebruiken wanneer het daarmee beoogde doel dit, mede gelet op de aan het gebruik van geweld verbonden gevaren, rechtvaardigt en dat doel niet op een andere wijze kon worden bereikt. Maar dat betekent niet automatisch dat dús een beroep op noodweer(exces) van degene die daarop reageert aanvaardbaar is.

3.6.

Het hof heeft vastgesteld dat de vechtpartij haar aanleiding vond in de gedragingen van verdachte. Ook heeft het hof vastgesteld dat verbalisant [verbalisant 1] zich door het optreden van verdachte bedreigd voelde en hem heeft gewaarschuwd. Gelet daarop is het oordeel van het hof dat van verdachte – die behoorlijk wat alcohol had gedronken en xtc had geslikt – mocht en kon worden verwacht dat hij de confrontatie met [verbalisant 1] niet behoorde aan te gaan niet onbegrijpelijk, mede gelet op de omstandigheid dat deze verbalisant zich nog op zijn motor en dus in een kwetsbare positie jegens verdachte bevond wiens nadering door verbalisant als intimiderend en bedreigend is ervaren.5 Kennelijk heeft het hof in de gedragingen die verdachte daarna nog heeft gepleegd, het duwen zodat verbalisant ten val kwam en het vervolgens schoppen en slaan van verbalisant, een voortzetting gezien van een eerder agressief gedrag en niet een handelen dat werd gedragen door een hevige emotie die door een wederrechtelijke aanranding zou zijn veroorzaakt.

Dat verdachte in een hevige gemoedsbeweging zou hebben gereageerd op een wederrechtelijke aanranding van zijn moeder kan hem evenmin baten, omdat ook voor haar gold dat zij niet in een situatie verkeerde waarin haar zoon zich op noodweer zou kunnen beroepen.

Het middel faalt.

4.1.

Het tweede middel klaagt dat de bewijsmiddelen niet redengevend zijn voor de bewezenverklaring. Volgens de steller van het middel biedt de bewijsvoering geen steun voor de aanname dat verdachte een significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het geweld dat vervolgens tegen verbalisanten werd uitgeoefend.

4.2.

Het hof heeft vastgesteld dat verbalisant [verbalisant 1] door verdachte en omstanders is vastgepakt en naar de grond gewerkt. Vervolgens is [verbalisant 1] vele malen met kracht tegen zijn hoofd en rug geschopt. Verbalisant [verbalisant 3] heeft waargenomen dat zijn collega [verbalisant 1], op de grond liggend, door verdachte werd geschopt en dat ook zijn collega [verbalisant 2] op de grond lag en werd geschopt en geslagen door anderen.6 [getuige] heeft gezien dat de vader van verdachte, [betrokkene 1], met verbalisant [verbalisant 1] aan het vechten was, dat verdachte hem hielp en ook sloeg.

Uit deze bewijsmiddelen heeft het hof kunnen afleiden dat verdachte openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen personen.7

Het middel faalt.

5.1.

Het derde middel klaagt over schending van de redelijke termijn. Het cassatieberoep is op 28 november 2012 ingesteld en het dossier is eerst op 18 december 2013 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen.

5.2.

De in de schriftuur genoemde data zijn correct. Dat betekent dat de door de Hoge Raad op acht maanden gestelde inzendtermijn met vier maanden en twintig dagen is overschreden. Op het moment dat deze conclusie wordt genomen, is tevens sinds het instellen van het cassatieberoep meer dan twee jaar verlopen. De Hoge Raad zal de straf wegens deze schending van de redelijke termijn zelf kunnen verminderen.

6. Het derde middel is gegrond, hetgeen tot een vermindering van de opgelegde straf aanleiding behoort te geven. De overige middelen falen. Het tweede middel kan naar mijn mening met de aan artikel 81 RO ontleende motivering worden verworpen. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.

7. Deze conclusie strekt tot vermindering van de opgelegde straf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Bijv. HR 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:971.

2 HR 21 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX9177.

3 HR 8 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK4788. Zie ook reeds in soortgelijke zin HR 1 juli 1987, NJ 1989, 389 m.nt. Melai.

4 Vgl. HR 7 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2919.

5 HR 12 maart 2013, NJ 2013, 395 m.nt. Reijntjes; HR 17 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV9085.

6 Ik neem aan dat de inhoud van de op een na laatste zin van § 2 van de schriftuur, waarin de steller schrijft dat, nadat [verbalisant 1] door toedoen van de verdachte was gevallen, “een aantal van de ook ter plekke aanwezige familieleden en vrienden van rekwirant [verbalisant 1] zijn ter plaatse gekomen collega's [verbalisant 2] en [verbalisant 3]” te lijf zijn gegaan, niet weergeeft wat aan de steller voor ogen staat.

7 Vgl. HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:132.