Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:2696

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
18-11-2014
Datum publicatie
18-03-2015
Zaaknummer
14/00198
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:637, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Strafmotivering. Het Hof heeft de strafoplegging, ook in het licht van hetgeen namens de verdachte in dat verband is aangevoerd, toereikend gemotiveerd. Art. 359.2 tweede volzin Sv noopte het Hof niet tot een nadere motivering. CAG: anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 14/00198

Mr. Harteveld

Zitting 18 november 2014

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch heeft op 21 november 2013 het ten laste van de verdachte gewezen vonnis van de politierechter in de Rechtbank Breda, waarbij de verdachte wegens diefstal is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van een week, met verbetering en aanvulling van gronden bevestigd.

2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. A.A. Nunnikhoven, advocaat te Tilburg, heeft namens verdachte bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.

3.1. Het middel klaagt over de motivering van de strafoplegging.

3.2. Ten laste van verdachte is bewezen verklaard dat hij:

“op 10 juni 2012 te Tilburg met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen negentien pakjes scheermesjes, geheel of ten dele toebehorend aan Albert Heijn.”

3.3. De politierechter in de Rechtbank Breda heeft ten aanzien van de strafoplegging overwogen :

“Gelet op de ernst van het feit en op de documentatie van verdachte, waaruit volgt dat sprake is van recidive, acht de politierechter een gevangenisstraf voor de duur van 1 week een passende straf.”

3.4. Ter terechtzitting in hoger beroep is door de verdediging het volgende aangevoerd:

“(…) verzoek ik u bij de op te leggen straf rekening te houden met de persoon en persoonlijke omstandigheden van mijn cliënt. Hij kampt met een verslaving, maar wil daar wel van af komen. Om die reden is hij in eerste instantie bij De Hoop een behandeltraject ingegaan en volgt hij nu een behandeltraject in Duitsland. Deze behandeling wordt particulier bekostigd, namelijk door zijn ouders. Zijn vader heeft een klusbedrijf. De ouders van cliënt willen graag voor hun zoon instaan. De behandeling verloopt redelijk goed. Cliënt wil niet weg uit de kliniek. Hij moet daar ook intern verblijven tot 5 maart 2014. De behandeling eindigt pas in juni 2014. Hij heeft dus nog een redelijke tijd te gaan. Het gaat nu redelijk goed met cliënt, hij heeft wel behandeling nodig, maar er heeft geen terugval plaatsgevonden. Als hij nog een week gevangenisstraf zou krijgen, wordt dit traject doorkruist. Verslaafden plegen vaak vermogensdelicten om hun verslaving te bekostigen. Daarmee wordt een patroon in stand gehouden. Cliënt tracht nu dit patroon te doorbreken. Cliënt is getrouwd. Zijn vrouw woont in België. Er is een sterk fundament. Hij kan terugvallen op zijn ouderlijk huis en kan bij zijn vader in het bedrijf in dienst komen. Dat is voor veel drugsgebruikers anders. Zij missen een dergelijk vangnet. Ik verzoek u, gelet op deze omstandigheden, een voorwaardelijke straf op te leggen. Mocht u van oordeel zijn dat daarmee onvoldoende recht wordt gedaan aan de zaak, dan geef ik u in overweging daarnaast een werkstraf op te leggen. Dat is nog geen gepasseerd station.”

3.5. Het Hof heeft met betrekking tot de strafoplegging het volgende overwogen:

“De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat bij de strafoplegging dient te worden volstaan met een geheel voorwaardelijke straf, gelet op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Het hof overweegt als volgt.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte is blijkens een hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 16 september 2013 vaker veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, ook voor vermogensdelicten. Daarbij zijn aan verdachte naast werkstraffen ook voorwaardelijke straffen opgelegd. Dit heeft de verdachte er echter niet van weerhouden zich opnieuw schuldig te maken aan diefstal. Deze omstandigheden rechtvaardigen naar het oordeel van het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf als door de politierechter opgelegd. Het hof ziet in hetgeen de raadsman heeft aangevoerd geen reden om hiervan af te wijken.”

3.6. Volgens de steller van het middel was er gelet op de aard van het misdrijf en de duur van de opgelegde gevangenisstraf ook een ander soort straf mogelijk en heeft het Hof geen rekening gehouden met de in zeer positieve zin gewijzigde persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Vooropgesteld moet worden dat de feitenrechter vrij is in de keuze van de straf en in de waardering van factoren die hij voor de strafoplegging van belang acht.1 In beginsel is de hogere rechter niet gehouden verantwoording af te leggen omtrent het opleggen van een zwaardere straf dan de rechter in voorgaande aanleg geboden heeft geacht.2 Enkel wanneer de strafoplegging op zichzelf onbegrijpelijk is of verbazing wekt en daardoor onbegrijpelijk is, is er voor de cassatierechter reden voor ingrijpen.3

3.7. De responsieplicht van art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv strekt zich mede uit tot uitdrukkelijk onderbouwde standpunten die zien op de straftoemeting. Vereist is dan wel dat sprake is van een standpunt dat duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van het Hof naar voren is gebracht.4 Bij de vraag of daarvan sprake is, komt betekenis toe aan de aard van het aan de orde gestelde onderwerp alsmede aan de inhoud en indringendheid van de aangevoerde argumenten.5 In het kader van een straftoemetingsverweer vereist dit naar mijn mening dat het verweer in ieder geval betrekking heeft op de specifieke omstandigheden van het geval en voorts voldoende concreet is: verzoeken waarin slechts gewezen wordt op mogelijke gevolgen voor de verdachte zijn in het licht van een straftoemetingsverweer mijns inziens doorgaans te algemeen van aard en daarmee onvoldoende onderbouwd om aan te kunnen merken als een standpunt dat noopt tot een antwoord. Dat stelt dus ‘hoge’ eisen aan hetgeen door de verdediging ter adstructie van het strafmaatverweer wordt aangevoerd. Dit kan worden geïllustreerd aan de hand van de problematiek van de ongewenstverklaring van vreemdelingen die kan voortvloeien uit het opleggen van een specifieke straf. In HR 26 maart 2003, ECLI:NL:HR:2013:BZ5381 was in de visie van de Hoge Raad slechts een beroep gedaan op de enkele mogelijkheid dat de veroordeling zou worden gevolgd door een ongewenstverklaring en aldus was het niet onbegrijpelijk dat het Hof daarin geen grond zag voor het bepalen van een andere straf dan in verband met de (wel, AEH) vaststaande en door het Hof relevant geachte omstandigheden aangewezen was. Daarvan valt te onderscheiden het geval dat wel voldoende aannemelijk is gemaakt is dat de oplegging van een bepaalde straf(soort) inderdaad voor de betrokkene, vergaande, vreemdelingenrechtelijke consequenties meebrengt. De rechter moet daarop dan wel ingaan; een algemene verwijzing naar de persoonlijke omstandigheden van de verdachte is als respons niet toereikend. 6

3.8. De verdediging heeft in het onderhavige geval verzocht een voorwaardelijke gevangenisstraf, al dan niet gecombineerd met een taakstraf, op te leggen en heeft dit standpunt onderbouwd door te wijzen op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, in het bijzonder op de consequenties die de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de verdachte zouden hebben: een doorkruising van het behandeltraject van met verslavingsproblematiek kampende verdachte, die daartoe is opgenomen in een kliniek in Duitsland. Bovendien is er ‘een sterk fundament’, hetgeen in vergelijkbare gevallen doorgaans anders is, aldus de raadsman. Het Hof heeft in het aangevoerde kennelijk een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt herkend en heeft in bij de strafmotivering overwogen dat de verdachte vaker is veroordeeld waarbij naast werkstraffen ook voorwaardelijke straffen zijn opgelegd, hetgeen de verdachte er kennelijk niet van heeft weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen: zodoende acht het Hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gerechtvaardigd. Naar mijn mening ligt in deze overweging van het Hof niet een voldoende kenbare reden besloten voor de afwijking van het uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van de verdediging ten aanzien van de straftoemeting. De verwijzing van het Hof, naast de algemene verwijzing naar de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, naar de justitiële documentatie van de verdachte, waar het uit afleidt dat werkstraffen en voorwaardelijke gevangenisstraffen de verdachte kennelijk niet weerhouden van het opnieuw plegen van misdrijven, is daarvoor in dit geval naar het mij voorkomt onvoldoende, in aanmerking genomen dat de verdediging expliciet heeft aangegeven dat verslaafden (waaronder dus de verdachte) vaak vermogensdelicten plegen om hun verslaving te bekostigen en dat de verdachte ditmaal - kennelijk anders dan andere keren - getracht heeft dit patroon te doorbreken door zich te laten behandelen. Op dit essentiële onderdeel van de argumentatie is het Hof niet ingegaan.

3.9. Het middel is terecht voorgesteld.

4. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

5. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, doch uitsluitend wat betreft de strafoplegging, en tot terugwijzing naar het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch teneinde in zoverre opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393 m.nt. Buruma, rov. 3.8.1.

2 HR 16 januari 1990, NJ 1990/580; HR 27 maart 2001, NJ 2001/297; HR 1 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ8686 inzake het derde middel (81 RO); HR 25 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5005 inzake het derde middel (81 RO).

3 Vgl. HR 17 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY0190; HR 2 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH8313; HR 7 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN6965. Zie ook Corstens/Borgers, Het Nederlands strafprocesrecht, zevende druk, p. 772 e.v. en Van Dorst, Cassatie in strafzaken, zevende druk, p. 286-288.

4 HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393 m.nt. Y. Buruma.

5 Vgl. HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393 m.nt. Buruma, rov. 3.7.1.

6 HR 15 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5162, zie ook HR 26 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6467, NJ 2011/360 m. nt. Schalken.