Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:268

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
11-02-2014
Datum publicatie
09-04-2014
Zaaknummer
13/01126
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:867, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Noodweer. Hetgeen het Hof heeft overwogen, laat in het ongewisse of het Hof de door de raadsvrouwe aan het verweer ten grondslag gelegde feitelijke toedracht niet aannemelijk geworden acht, dan wel naar het oordeel van het Hof die toedracht een beroep op noodweer niet rechtvaardigt. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen dat de verwerping van het beroep op noodweer niet z.m. verenigbaar is met de voor het bewijs gebezigde verklaring van verdachte. Het verweer is dus ontoereikend gemotiveerd verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 13/01126

Zitting: 11 februari 2014

Mr. Vellinga

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden wegens ‘mishandeling’ veroordeeld tot een geldboete van € 300, subsidiair zes dagen hechtenis.

2. Namens verdachte heeft mr. W.H. Jebbink, advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het Hof heeft ten laste van verdachte bewezenverklaard dat:

“hij op 14 oktober 2011 te Utrecht opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [betrokkene]), met kracht aan de haren heeft getrokken en meermalen met kracht met de vuist tegen het hoofd heeft geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;”

4. Deze bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen:

“Ten aanzien van het bewezenverklaarde.

1. Een in wettelijke vorm door [verbalisant 1], brigadier, Wijk Binnenstad, Politie Utrecht, opgemaakt proces-verbaal, gesloten en getekend op 14 oktober 2011 te Utrecht, op pagina 4 tot en met 8 gevoegd bij het stamproces-verbaal, voor zover inhoudende de aangifte van [betrokkene],- zakelijk weergegeven -:

Ik ben op 14 oktober 2011 omstreeks 00:30 uur naar de Filemon aan het Janskerkhof 22 te Utrecht gegaan. Ik was daar met [getuige 1]. Ik was daar ook met mensen uit mijn klas.

Toen we naar de wc geweest waren liepen we terug. Ik zag dat er halverwege de zaak een opstootje was. Ik zag dat een jongen met lang donkerblond mijns inziens de aanstichter was van het opstootje.

Ik sprak de jongen aan en zei: "He gast, zoek toch geen ruzie. Maak er gewoon een fijne avond van." Of woorden van gelijke strekking.

Ik zag dat de jongen zich omdraaide en met zijn linkerhand mijn haar vast pakte. Ik voelde dat dit flink pijn deed. Ik voelde dat ik uit balans getrokken werd aan mijn haar. Ik zag dat de jongen met zijn rechter, tot vuist gebalde, hand uithaalde naar mijn hoofd. Ik voelde dat de jongen mij raakte op mijn hoofd. Ik voelde dat ik ongeveer 6 maal geraakt werd op mijn hoofd. Ik had het idee dat de jongen uit volle kracht op mijn hoofd stompte met gebalde vuist. Ik probeerde de slagen af te weren met mijn armen. Ik werd door de jongen zo ver naar voren getrokken dat ik mij niet kon verdedigen. Ik voelde dat de jongen zo hard aan mijn haar trok dat ik niet op kon staan. Ik kan u zeggen dat ik een heel erg gevoel van onmacht had. Ik voelde me aangevallen en raakte bijna in paniek.

Ik wreef over mijn wang en zag dat mijn hand onder het bloed zat. Ik had een snee in mijn voorhoofd waar flink bloed uit kwam.

Ik had pijn aan de snee in mijn voorhoofd. Ik voelde pijn in mijn hoofd waar aan getrokken was. Ook voelde ik pijn op mijn linkerwang.

(Opmerking verbalisant: Ik zie dat de aangever een snee van ongeveer 2 cm lang op zijn linkerzijde van zijn voorhoofd heeft bij zijn haargrens. Ook zie ik dat de aangever een kras heeft over zijn linkerwang en een gedeelte van zijn wang van ongeveer 13 cm lang. Verder zie ik dat de aangever hele plukken haar uit zijn hoofd trok die los zaten).

2. Een in wettelijke vorm door [verbalisant 2], buitengewoon opsporingsambtenaar van Politie Utrecht, opgemaakt proces-verbaal, gesloten en getekend op 14 oktober 2011 te Utrecht, op pagina 21 tot en met 23 gevoegd bij het stamproces-verbaal, voor zover inhoudende de verklaring van getuige [getuige 1], - zakelijk weergegeven - :

Op vrijdag 14 oktober 2011, omstreeks 02:30 uur was ik in de Filemon gevestigd aan het Janskerkhof 29 te Utrecht. Ik was hier samen met een aantal vrienden. Een van de vrienden was [betrokkene].

Op het moment van het voorval waren [betrokkene] en ik met zijn tweeën. Het was heel druk in de Filemon. Zo druk dat er geduwd werd. Sommige mensen deden dit per ongeluk, andere mensen deden dit met opzet.

Ik liep achter [betrokkene] aan. Ik hoorde dat [betrokkene] zei: "Doe rustig aan" of woorden van gelijke strekking of inhoud.

Ik zag dat [betrokkene] werd beetgepakt aan zijn haar door een jongen. Ik weet niet meer precies met welke hand de jongen dit deed. Ik zag dat [betrokkene] aan de voorkant van zijn hoofd, aan zijn haar werd getrokken. Ik zag dat [betrokkene] voorover bukte.

Ik kan de jongen die dit bij [betrokkene] deed als volgt omschrijven:
Blanke man

Tussen de 1.80m en de 1.85m lang

Tussen de 20 en 25 jaar oud

Normaal postuur

De jongen droeg een houthakkersblouse met de kleuren rood bruin en blauw.

De jongen had blond haar tot in zijn nek ongeveer.

3. Een in wettelijke vorm door [verbalisant 3], brigadier, Wijkteam Noordwest, Politie Utrecht, opgemaakt proces-verbaal, gesloten en getekend op 14 oktober 2011 te Houten, op pagina 18 tot en met 20 gevoegd bij, het stamproces-verbaal, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte, - zakelijk weergegeven -:

Vrijdag 14 oktober 2011 om 00:30 uur, zijn we met z'n vijven naar dancing Filemon gegaan.

Het was druk in de Filemon. Ik kwam van achteren en zag ook een beetje aan de achterkant dat er een opstootje was.

De jongen sprak mij aan. Hij was met een vriend. Ik weet niet meer wat hij tegen mij gezegd heeft.

We zaten elkaar te irriteren en tegen elkaar te duwen. Ik werd door die jongen in mijn gezicht geduwd. Ik werd daarop boos en we begonnen harder tegen elkaar te duwen en te trekken. Ik werd daarbij naar beneden getrokken. Niet doelbewust trok ik hem aan zijn haren.

Ik heb die jongen ook geslagen met mijn vuisten. U laat mij foto's zien van het letsel van die jongen. Dit kan van mij zijn, maar ook van mijn vrienden die zich er mee bemoeiden.”

5. Voorts heeft het Hof overwogen:

“De raadsvrouw heeft ter terechtzitting betoogd dat verdachte heeft gehandeld uit noodweer, immers verdachte stelt dat aangever hem in zijn gezicht heeft geduwd en vervolgens aan zijn T-shirt omlaag heeft getrokken. Vanuit die positie - met zijn gezicht naar de grond en zijn bovenlijf naar beneden getrokken - heeft verdachte geprobeerd zich te verdedigen tegen die wederrechtelijke aanranding van eigen lijf. De raadsvrouw betoogt voorts dat de mishandeling door verdachte van aangever daarom niet wederrechtelijk was en dat hij derhalve dient te worden vrijgesproken.

Het hof is van oordeel dat de verklaring die verdachte ter terechtzitting heeft afgelegd niet overeenstemt met de verklaring die hij eerder bij de politie heeft afgelegd. Het hof gaat uit van de verklaring door verdachte afgelegd bij de politie ook omdat deze verklaring op wezenlijke onderdelen steun vindt in de verklaring van de aangever en acht het derhalve niet aannemelijk geworden dat er sprake is geweest van een noodweersituatie.”

6. Het eerste middel houdt in dat verdachtes voor het bewijs gebezigde verklaring dat hij [betrokkene] niet doelbewust aan de haren heeft getrokken niet verenigbaar is met de bewezenverklaring voor zover deze inhoudt dat verdachtes opzet was gericht op mishandeling van [betrokkene].

7. Het Hof heeft bedoelde verklaring van de verdachte kennelijk aldus verstaan dat hij [betrokkene] niet aan de haren heeft getrokken met de bedoeling hem pijn of letsel toe te brengen. Deze uitleg van verdachtes verklaring is niet onverenigbaar met de inhoud daarvan. Aldus verstaan laat deze verklaring onverlet dat verdachtes opzet, zoals kan worden afgeleid uit de aard van de door hem verrichte handelingen, gericht was op het toebrengen van pijn of letsel.

8. Het middel faalt.

9. Het tweede middel klaagt over de motivering van de verwerping van het beroep op noodweer.

10. In de toelichting op het middel wordt onder meer geklaagd dat het Hof door te overwegen dat een noodweersituatie niet aannemelijk is geworden in het midden heeft gelaten of het de aan het verweer ten grondslag gelegde feiten niet aannemelijk heeft geacht of dat het van oordeel is dat deze geen noodweersituatie opleveren.

11. Deze klacht is gegrond. Het Hof heeft inderdaad in het midden gelaten of het de aan het verweer ten grondslag gelegde feiten niet aannemelijk heeft geacht of dat het van oordeel is dat deze geen noodweersituatie opleveren.1 Dat springt te meer in het oog omdat de motivering van de verwerping van het beroep op noodweer bij gebreke van een nadere motivering niet verenigbaar is met de voor het bewijs gebezigde verklaring van de verdachte, dat hij, zoals hij juist aan zijn beroep op noodweer ten grondslag heeft gelegd, [betrokkene] pas aan de haren is gaan trekken toen hij door [betrokkene] in het gezicht werd geduwd, [betrokkene] en hij elkaar begonnen te duwen en te trekken en hij daarbij naar beneden werd getrokken.

12. Het middel slaagt.

13. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen waarop het bestreden arrest zou dienen te worden vernietigd.

14. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Hof dan wel verwijzing van de zaak naar een aangrenzend Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 3 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF6994, HR 8 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO9862, HR 22 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO7977, NJ 2011, 103.