Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:266

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
04-02-2014
Datum publicatie
09-04-2014
Zaaknummer
12/05989
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:865
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Beklag, beslag. OM-cassatie. Art. 94 Sv, art. 552a Sv. De Rb heeft bij de beoordeling van het klaagschrift weliswaar het juiste toetsingskader vooropgesteld, maar de aan te leggen maatstaf niet juist toegepast. Aan haar oordeel dat het belang van strafvordering niet meer kan verlangen dat het beslag wordt voortgezet, heeft de Rb ten grondslag gelegd dat “thans door het OM onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat (illegale) gelden van de belanghebbende zijn gebruikt om de inbeslaggenomen voorwerpen (…) aan te schaffen”. Hiermee heeft de Rb als haar oordeel tot uitdrukking gebracht dat niet ervan kan worden uitgegaan dat aan de – in art. 33a.2.a Sr gestelde – voorwaarden is voldaan voor v.v. van voorwerpen die toebehoren aan een ander dan de veroordeelde. Daardoor is de Rb, die in dit verband had moeten beoordelen of niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de v.v. van die voorwerpen zal bevelen, vooruitgelopen op de mogelijke uitkomst van een nog te voeren procedure in de hoofdzaak. De beslissing van de Rb is ontoereikend gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 12/05989

Zitting: 4 februari 2013

Mr. Knigge

Conclusie inzake:

[klaagster]

1. De Rechtbank te Rotterdam heeft bij beschikking van 28 augustus 2012 het op de voet van art. 552a Sv door klaagster ingediende klaagschrift (gedeeltelijk) gegrond verklaard en de teruggave aan klaagster gelast van verschillende in het kader van een strafzaak tegen de ex-echtgenote van klaagster inbeslaggenomen voorwerpen.

2. Tegen deze uitspraak heeft mr. G. Visser, officier van justitie bij het Landelijk Parket, cassatieberoep ingesteld. Het kan ervoor gehouden worden dat het beroep zich niet richt tegen de genoemde beschikking voor zover klaagster daarin niet-ontvankelijk is verklaard in haar beklag.

3. Mr. M.E. de Meijer, plaatsvervangend officier van justitie bij het Arrondissementsparket te Rotterdam, heeft een middel van cassatie voorgesteld.

4. Het middel

4.1. Het middel klaagt dat de Rechtbank in het kader van haar oordeel dat de teruggave van de in casu relevante inbeslaggenomen voorwerpen aan klaagster dient te worden gelast een onjuiste maatstaf heeft toegepast, althans dat het genoemde oordeel van de Rechtbank zonder nadere motivering niet begrijpelijk is.

4.2. De bestreden beschikking houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in.

“Inhoud van de klacht

Het klaagschrift strekt tot opheffing van het op de voet van artikel 94 Sv onder de belanghebbende gelegde beslag, met last tot teruggave aan de klaagster van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen.

Namens de klaagster is in raadkamer hiertoe - zakelijk weergegeven - aangevoerd dat de voorwerpen aan de klaagster toebehoren en door de klaagster zijn aangekocht uit legale middelen. De klaagster heeft een uitkering naar aanleiding van een verzekeringskwestie ontvangen van € 415.000,=. De in beslaggenomen voorwerpen zijn (onder andere) hiervan bekostigd en derhalve niet afkomstig van enige (illegale) gelden van de belanghebbende.

Het standpunt van de officier van justitie

(…)

Voor wat betreft de overige in beslag genomen voorwerpen heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat het strafvorderlijk belang zich thans nog verzet tegen een teruggave van de in beslag genomen voorwerpen. De klaagster is getrouwd geweest met de belanghebbende. Het is niet ongebruikelijk dat echtgenoten van personen die geld verdienen door middel van criminele activiteiten ook meegenieten van dit geld. De klaagster ontvangt een WAO-uitkering en heeft in 2009 bij de Belastingdienst opgegeven geen vermogen meer te bezitten. Over gelden uit de in 2008 ontvangen verzekeringsuitkering beschikt de klaagster derhalve niet meer. De klaagster heeft geen logische verklaring afgelegd omtrent de herkomst van de financiering van de aangetroffen en in beslag genomen voorwerpen. Nu onvoldoende duidelijk is welke goederen een legale herkomst hebben en welke goederen middels illegale middelen zijn verworven dienen alle goederen aangemerkt te worden als illegaal verworven. Daarnaast is sprake van typologieën van witwasgedrag onder andere gezien de wijze waarop verschillende voorwerpen zijn aangetroffen.

Beoordeling van de klacht

Vooropgesteld wordt dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Niet gevergd kan worden dat ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak wordt getreden.

In een geval als het onderhavige, waarin inbeslagneming op grond van artikel 94 Sv heeft plaatsgehad, dient te beoordeeld te worden of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert. Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor artikel 94 Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen - ook in een zaak betreffende een ander dan de betrokken klaagster - of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen. Voorts verzet het door artikel 94 Sv beschermde belang van strafvordering zich tegen teruggave indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen.

(…)

Voor wat betreft het overige deel van het beklag van de klaagster overweegt de rechtbank als volgt.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de aan de klaagster betaalde verzekeringsuitkering van € 415.000,= reeds moet zijn opgemaakt nu geen restanten van dit geldbedrag bij de doorzoeking van de woning van de klaagster zijn aangetroffen en de klaagster ook bij de Belastingdienst deze gelden na 2009 niet heeft opgegeven. De officier van justitie heeft hierbij ter onderbouwing aangevoerd dat de klaagster in de eerste drie maanden van 2009 een bedrag van € 120.000,= heeft opgemaakt en dat bij voortzetting van dit bestedingspatroon het overige deel van het geldbedrag van de klaagster binnen zeer korte tijd moet zijn opgemaakt.

Het feit dat de klaagster in drie maanden tijd een bedrag van € 120.000,= heeft opgemaakt is onvoldoende om aan te nemen dat de klaagster ook hierna hetzelfde uitgavenpatroon heeft gehanteerd. Dat de klaagster in 2009 bij de Belastingdienst heeft opgegeven over geen vermogen te beschikken, doet daar niet aan af. De relatie van de klaagster ten opzichte van de Belastingdienst met betrekking tot het wel of niet correct opgeven van haar vermogen kan momenteel in deze procedure niet worden beoordeeld.

De rechtbank is van oordeel dat thans door het openbaar ministerie onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat (illegale) gelden van de belanghebbende zijn gebruikt om de in beslag genomen voorwerpen, waarvan thans de teruggave is verzocht, aan te schaffen, nu door de klaagster voldoende is aangetoond dat de voorwerpen uit de legale bronnen van de klaagster kunnen zijn aangeschaft. Het belang van strafvordering kan derhalve niet meer verlangen dat het beslag wordt voortgezet. Het klaagschrift zal dan ook op dit onderdeel gegrond worden verklaard.

De in beslag genomen voorwerpen zijn onder de belanghebbende in beslag genomen in het kader van de tegen de belanghebbende aanhangige strafzaak. In beginsel geldt als uitgangspunt dat de teruggave van het beslag aan de beslagene, te weten de belanghebbende, wordt gelast. De klaagster heeft echter gesteld rechthebbende te zijn op de in beslag genomen voorwerpen, omdat alle voorwerpen in haar woning in beslag genomen zijn. De belanghebbende heeft daarnaast tijdens de behandeling in raadkamer van 19 juni 2012 te kennen gegeven dat alle in beslag genomen goederen aan de klaagster toebehoren. De rechtbank is derhalve van oordeel dat de klaagster als redelijkerwijs rechthebbende dient te worden aangemerkt en dat de teruggave van de in beslag genomen voorwerpen aan de klaagster dient te worden gelast.”

5. Bij de beoordeling van het middel geldt het volgende als vooropstelling. Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave van inbeslaggenomen voorwerpen indien het veiligstellen van de belangen waarvoor art. 94 Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen – ook in een zaak betreffende een ander dan de klager – of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen. Voorts verzet het door art. 94 Sv beschermde belang van strafvordering zich tegen teruggave indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen, al dan niet naar aanleiding van een afzonderlijke vordering daartoe als bedoeld in art. 36b, eerste lid onder 4°, Sr in verbinding met art. 552f Sv.1

6. Blijkens de inhoud van een schriftuur die is gehecht aan het proces-verbaal van de openbare raadkamer van de Rechtbank van 19 juni 2012 heeft de officier van justitie bij die gelegenheid gesteld dat het ten aanzien van een aantal in de strafzaak tegen de ex-echtgenote van klaagster inbeslaggenomen voorwerpen – meer bepaald: een personenauto van het merk Audi, een geldbedrag en horloges – niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de later oordelende strafrechter zal beslissen tot verbeurdverklaring. In de toelichting op het middel wordt opgemerkt dat de Rechtbank in de bestreden beschikking weliswaar heeft overwogen dat het door art. 94 Sv beschermde belang van strafvordering zich tegen de teruggave van inbeslaggenomen voorwerpen verzet indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de later oordelende strafrechter de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van deze voorwerpen zal bevelen, maar dat zij er geen blijk van heeft gegeven deze maatstaf ook daadwerkelijk te hebben toegepast.

7. De Rechtbank heeft haar oordeel dat het belang van strafvordering zich in casu niet tegen teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen verzet met name doen steunen op de overweging dat “thans door het openbaar ministerie onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat (illegale) gelden van de belanghebbende zijn gebruikt om de in beslag genomen voorwerpen, waarvan thans de teruggave is verzocht, aan te schaffen, nu door klaagster voldoende is aangetoond dat de voorwerpen uit de legale bronnen van de klaagster kunnen zijn aangeschaft.” Mede gelet op de direct daaraan voorafgaande vaststellingen van de Rechtbank komt deze overweging erop neer dat de mogelijkheid dat klaagster de in casu relevante inbeslaggenomen voorwerpen daadwerkelijk op legale wijze onder zich had c.q. uit legale middelen heeft bekostigd naar het oordeel van de Rechtbank in de onderhavige klaagschriftprocedure niet valt uit te sluiten. Dat moge zo zijn, maar daarmee is nog niet gezegd dat hoogst onwaarschijnlijk is dat de later oordelende strafrechter deze voorwerpen verbeurd zal verklaren. Het (impliciete) oordeel van de Rechtbank op dit punt is derhalve niet zonder meer begrijpelijk.

8. Het middel slaagt.

9. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden beschikking ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

10. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking voor zover die aan het oordeel van de Hoge Raad is onderworpen en voor zover die betrekking heeft op andere voorwerpen dan de in de bestreden beschikking met 1 t/m 16 genummerde voorwerpen waarvan de officier van justitie heeft aangegeven dat het belang van de strafvordering zich niet tegen teruggave verzet, in zoverre tot zodanige beslissing met betrekking tot terug- of verwijzing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, BJ 2010/654, rov. 2.9.