Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:259

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
11-02-2014
Datum publicatie
08-04-2014
Zaaknummer
12/02123
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:858, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Noodweer. Verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding zal niet noodzakelijk kunnen worden geacht, indien verdachte zich aan de aanranding had kunnen en moeten onttrekken. Het oordeel van het Hof dat het beroep op noodweer moet worden verworpen, steunt enkel op de grond dat niet aannemelijk is geworden dat verdachte “zich niet heeft kunnen verwijderen uit de positie hangend over de op de grond op zijn zij liggende aangever heen”. Nu het Hof niet de vraag heeft beantwoord of van verdachte ook mocht worden gevergd dat hij “zich uit die positie zou hebben verwijderd”, is dat oordeel zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 12/02123

Mr. Vegter

Zitting 11 februari 2014

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Bij arrest van 29 maart 2012 heeft het Hof te ’s-Gravenhage de verdachte wegens ‘mishandeling’ veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van zestig uren te vervangen door dertig dagen hechtenis. Tevens heeft het Hof de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk verklaard.

2. Namens de verdachte heeft mr. C.C. Peters, advocaat te ’s-Gravenhage, cassatieberoep doen instellen en een schriftuur houdende een middel van cassatie ingediend.

3. Het middel behelst de klacht dat het Hof het beroep op noodweer ten onrechte althans onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen.

4. De zaak betreft een vechtpartij die heeft plaatsgevonden in een discotheek genaamd Teejater te Naaldwijk. Uit het arrest en de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen valt op te maken dat de verdachte op de bewuste avond tegen het latere slachtoffer is aangelopen. Vervolgens heeft het slachtoffer enkele keren contact met de verdachte gezocht. Tijdens een van die contacten heeft het slachtoffer de verdachte bij diens T-shirt vastgepakt waarna de verdachte het slachtoffer op de grond heeft gelegd. Daarna is het slachtoffer opnieuw contact blijven zoeken met de verdachte waarbij de geschiedenis zich heeft herhaald: het slachtoffer pakte de verdachte wederom aan diens T-shirt vast waarna de verdachte het slachtoffer wederom op de grond heeft gewerkt. Aansluitend vinden de feiten plaats waarvoor de verdachte is veroordeeld: als de verdachte boven het slachtoffer ‘hangt’ maakt het slachtoffer slaande bewegingen waarbij hij één maal de kin van de verdachte raakt; de verdachte geeft het slachtoffer vervolgens twee vuistslagen in het gezicht terwijl het slachtoffer op zijn zij op de grond lag. Nadat de mishandeling door de verdachte was geëindigd is het slachtoffer vervolgens ook nog door een ander mishandeld.

5. Ter terechtzitting van het Hof van 15 maart 2012 heeft de raadsvrouwe van de verdachte zich op noodweer(exces) beroepen. Blijkens de ter terechtzitting van het Hof overgelegde pleitnota, die deel uitmaakt van het daarvan opgemaakte proces-verbaal, heeft zij in het bijzonder het navolgende aangevoerd (randnummers en voetnoten zijn weggelaten):

‘De verdediging is van oordeel dat er wel vastgesteld moet worden dat er sprake was van een onmiddellijke en wederrechtelijke aanranding tegen lijf, eerbaarheid of goed. De aangever viel immers cliënt aan, zij vielen door zijn toedoen uiteindelijk beiden op de grond en de aangever begon cliënt te slaan. De toegepaste verdediging, tweemaal een vuistslag die - gelet op het feit dat er geen letsel uit voortgekomen is - ook niet overdreven hard zijn geweest, voldoet aan de proportionaliteitseis. De vraag die overblijft, is of er sprake was van een noodzakelijke verdediging (subsidiariteiteis). Gesteld zou kunnen worden dat, nu cliënt boven op de aangever terechtgekomen was, hij niet had hoeven te slaan uit verdedigingsoogpunt, maar er voor had kunnen en ook moeten kiezen om op te staan en weg te lopen (zoals hij dat ook de eerste keer deed). Volgens de HR kan de vraag of het zich niet onttrekken aan een aanranding een beroep op noodweer in de weg staat, niet in zijn algemeenheid worden beantwoord. Het komt aan op de omstandigheden van het geval. De rechter dient zich eerst af te vragen of van degene die zich op noodweer beroept gevergd kon worden dat hij zich aan de aanranding zou onttrekken en pas daarna, wanneer die vraag bevestigend wordt beantwoord, of vluchten voor de verdachte ook mogelijk was.

In dit geval is de Politierechter voorbijgegaan aan de feitelijke situatie dat cliënt meermalen geprovoceerd werd en al eerder, op slechts verbale wijze, had aangegeven dat hij met rust gelaten wilde worden maar toen opnieuw aan zijn T-shirt werd getrokken door de aangever, dat de aangever hem vervolgens juist mee naar beneden had getrokken door hem aan zijn shirt vast te houden en dat de aangever vervolgens begon met hem te slaan (terwijl cliënt juist eerder tegen hem had gezegd dat hij hem niet zou slaan). De verdediging is van oordeel dat in deze situatie niet van cliënt gevergd kon worden dat hij zich op andere wijze zou onttrekken. Voor zover gesteld zou worden dat cliënt de klappen van de aangever zou kunnen verwachten, omdat hij bovenop de aangever lag en de aangever zich moest verdedigen, geldt in de eerste plaats dat dit te wijten is geweest aan de handelingen van aangever zelf. Cliënt viel gewoon met hem mee omdat hij zijn shirt nog vast had. Voorts geldt nog dat, indien al zou worden aangenomen dat cliënt zichzelf willens en wetens in een situatie heeft begeven waarin een agressieve reactie van het latere slachtoffer te verwachten is – quod non –, dit op zichzelf niet uitsluit dat het handelen van de verdachte tijdens die confrontatie (toch) als "geboden door de noodzakelijke verdediging" kan worden aangemerkt. Cliënt verkeerde echter buiten zijn eigen toedoen in een noodweersituatie en moest zichzelf wel verdedigen door terug te slaan, om de kans te krijgen om op te staan en weg te lopen. Dit heeft hij vervolgens ook gedaan. Het verdedigingsmiddel, twee niet al te harde vuistslagen in het gezicht, is gelet op de aanranding door de aangever (meermalen vastpakken t-shirt en kaakslagen) proportioneel, zodat cliënt niet strafbaar is en een ontslag van alle rechtsvervolging dient te volgen.’

6. Het Hof heeft het beroep op noodweer in zijn arrest als volgt samengevat en verworpen:

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw – overeenkomstig de door haar overgelegde pleitnota – het verweer gevoerd dat verdachte een beroep op noodweer toekomt. De raadsvrouw heeft betoogd dat de verdachte derhalve niet strafbaar is en er ontslag van alle rechtsvervolging dient te volgen.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Bewezen verklaard is dat verdachte aangever heeft geslagen.
Volgens de door de verdachte tegenover de politie afgelegde verklaring (zie p. 63 van proces-verbaal) heeft de verdachte de aangever niet eerder geslagen dan op het moment dat de aangever op zijn zij lag en de verdachte over hem heen hing en de aangever de verdachte meerdere malen naar boven slaand, één keer raakte en wel op verdachtes kin. Verdachte heeft verklaard aangever vervolgens twee maal met zijn vuist naar beneden in zijn gezicht te hebben geslagen.

Het hof heeft allereest te beoordelen of aan de door de verdachte uitgedeelde (vuist-)slagen een onmiddellijke wederrechtelijke aanranding van de verdachte voorafging.

Ofschoon de verdachte het voorafgaande gedrag van aangever als hinderlijk heeft ervaren en aangever niet een heenkomen heeft gezocht nadat hij door de verdachte op de grond was gelegd en hem aldaar de les was gelezen en de aangever integendeel de verdachte vervolgens bij zijn t-shirt greep en terwijl, hij door de verdachte werd weggeduwd, verdachte aan het t-shirt dat aangever nog steeds vasthad in zijn val meetrok, is het hof van oordeel dat met de bewezenverklaarde gedragingen van verdachte geen sprake was van verdediging tegen een onmiddellijke wederrechtelijke aanranding dan wel een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor.
Het hof overweegt daartoe in het bijzonder dat verdachte niet heeft gesteld – en dat ook overigens niet aannemelijk is geworden – dat verdachte, nadat hij met aangever ten tweeden male op de grond was terechtgekomen, nog steeds aan zijn t-shirt werd vastgehouden, zodat niet aannemelijk is dat verdachte zich niet heeft kunnen verwijderen uit de positie hangend over de op de grond op zijn zij liggende aangever heen die hem meermalen sloeg maar slechts een maal raakte.
Gelet daarop wordt het verweer verworpen.’

7. Opmerking verdient allereerst dat de door het Hof gebezigde woorden dat ‘geen sprake was van verdediging tegen een onmiddellijke wederrechtelijke aanranding’ op zich zelf beschouwd niet zonder meer begrijpelijk zijn. Die woorden laten namelijk in het midden of het Hof nu van oordeel is dat er geen aanranding was of dat het Hof meent dat er geen aanranding is waartegen verdediging is geboden. Gelet op het vervolg kan het moeilijk anders dan dat de genoemde woorden zo gelezen moeten worden dat er weliswaar sprake was van een aanranding, maar dat daartegen geen verdediging geboden was. De slotoverweging van het Hof komt er namelijk op neer dat de verdachte zich had kunnen verwijderen en dat ook had moeten doen omdat hij niet langer door het slachtoffer aan zijn T-shirt werd vastgehouden. Vooruitlopend op hetgeen hieronder uiteen zal worden gezet, geef ik nu reeds aan dat ik dit oordeel zonder nadere motivering, welke ontbreekt, onbegrijpelijk vind mede gelet op de door het Hof in zijn overweging vastgestelde feiten en omstandigheden en hetgeen de raadsvrouwe ter terechtzitting heeft aangevoerd.

8. Bij de beoordeling van het middel dient voorop te staan dat de vraag of de verdachte zich aan de aanranding had kunnen en moeten onttrekken, niet in algemene zin is te beantwoorden. Het komt aan op de omstandigheden van het geval.1

9. In de rechtspraak met betrekking tot het ‘vluchtvereiste’ kan een onderscheid gemaakt worden tussen een feitelijke en een normatieve vraag: bestond de mogelijkheid te vluchten (feitelijke vraag) en was de aangerande gehouden te vluchten (normatieve vraag)?2

10. Met betrekking tot de te onderscheiden vragen schrijft mijn ambtegenoot Machielse het volgende:

‘Onjuist is in ieder geval de verwerping van een beroep op noodweer met de motivering dat verdachte zich aan de aanranding had kunnen onttrekken en dat dus ook had moeten doen. De rechter dient juist andersom tewerk te gaan. Hij zal zich eerst moeten afvragen of gevergd kon worden dat degene die zich op noodweer beroept zich aan de aanranding zou onttrekken en pas daarna, wanneer die vraag bevestigend is beantwoord, of vluchten voor verdachte ook mogelijk was.’3

11. Met deze benadering stem ik in.4

12. In de onderhavige zaak heeft het Hof wel vastgesteld dat de verdachte kon vluchten, maar heeft het niet aangegeven dat en waarom van de verdachte kon worden gevergd zich aan de aanranding te onttrekken. In zoverre is het arrest onvoldoende gemotiveerd.5 Tot cassatie zou dit niet behoeven te leiden indien op basis van hetgeen het Hof heeft overwogen en blijkens de gebezigde bewijsmiddelen heeft vastgesteld, alsnog zou kunnen worden vastgesteld dat van de verdachte kon worden gevergd dat hij zich aan de aanranding zou onttrekken. Op basis van de overwegingen van het Hof lijkt eerder het tegendeel het geval.

13. Uit de overwegingen van het Hof volgt dat het slachtoffer meerdere keren de confrontatie met de verdachte heeft gezocht en dat het slachtoffer de verdachte tot tweemaal toe op de grond heeft (mee) getrokken. Zelfs nadat het slachtoffer de verdachte de eerste keer mee naar de grond had getrokken en de verdachte hem – zoals het Hof dat uitdrukt – de les had gelezen, heeft het slachtoffer opnieuw de confrontatie met de verdachte gezocht en hem wederom bij zijn T-shirt vastgepakt. Al op dat moment was zonder meer sprake van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding waartegen de verdachte zich in beginsel ook mocht verdedigen.

14. Zolang het slachtoffer de verdachte nog bij zijn T-shirt vast had, kon van de verdachte in redelijkheid niet worden gevergd dat hij zich verwijderde. Zodra het slachtoffer het T-shirt van de verdachte had losgelaten, wordt van belang dat de verdachte zich reeds eerder die avond had verwijderd nadat het slachtoffer hem mee naar de grond had getrokken (wederom door zich aan het T-shirt van de verdachte vast te houden). Vervolgens heeft het slachtoffer echter opnieuw de confrontatie met de verdachte gezocht en is hij deze door te slaan daadwerkelijk aangegaan met als gevolg de feiten waarvoor de verdachte terecht staat. Met andere woorden: duidelijk was geworden dat het zich verwijderen bepaald geen garantie bood voor een definitief einde aan de door het slachtoffer gezochte confrontatie.

15. Ter terechtzitting heeft de raadsvrouwe de hierboven aangegeven feiten en omstandigheden naar voren gebracht door erop te wijzen dat de verdachte ‘meermalen geprovoceerd werd [door het latere slachtoffer, PCV] en al eerder, op slechts verbale wijze, had aangegeven dat hij met rust gelaten wilde worden maar toen opnieuw aan zijn T-shirt werd getrokken door de aangever, dat de aangever hem vervolgens juist mee naar beneden had getrokken door hem aan zijn shirt vast te houden.’

16. Samenvattend is het oordeel van het Hof, dat niet aannemelijk is geworden dat verdachte zich heeft kunnen verwijderen uit de positie hangend over het op de grond op zijn zij liggende slachtoffer heen die hem meermalen sloeg maar slechts een maal raakte, in het licht van hetgeen de raadsvrouwe ter terechtzitting heeft aangevoerd en het Hof heeft vastgesteld, niet zonder meer begrijpelijk voor de verwerping van een beroep op noodweer. Het middel slaagt daarmee. Andere gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

17. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak ten einde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden


A-G

1 HR 12 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW7944, NJ 2012/380 r.o. 2.7. onder verwijzing naar HR 6 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BM7508, NJ 2010/301 m.nt. M.J. Borgers r.o. 2.4.1.

2 J.P. Balkema e.a., ‘Vluchten kan niet meer’, in J.W. Fokkens e.a. (red.), Ad hunc modem. Opstellen over materieel strafrecht. Liber amicorum A.J. Machielse, Deventer: Kluwer 2013, p. 1 e.v. op p. 8.

3 N/L/R, art. 41 aant. 13 (Machielse) bijgewerkt tot 24 maart 2012, onder verwijzing naar HR 21 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX9177, NJ 2006/650; HR 6 oktober 2009, ECLI:NL:HR:BI3874, NJ 2010/301 m.nt. M.J. Borgers; HR 12 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ6720; HR 15 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT8775, NJ 2011/542; HR 22 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT6449.

4 Balkema e.a., a.w. 2013, p. 11.

5 HR 21 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX9177, NJ 2006/650 r.o. 3.4; HR 12 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ6720 r.o. 2.6; HR 6 oktober 2009, ECLI:NL:HR:BI3874, NJ 2010/301 m.nt. M.J. Borgers r.o. 2.4.2; HR 22 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT6449 r.o. 2.6.