Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:2563

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
11-11-2014
Datum publicatie
14-01-2015
Zaaknummer
13/04322
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:60, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 13/04322

Zitting: 11 november 2014

Mr. Vegter

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof te ‘s-Gravenhage heeft bij arrest van 5 november 2012 het vonnis van de Rechtbank ’s-Gravenhage van 19 januari 2012 bevestigd, waarbij de verdachte wegens “diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr en waarbij de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk is toegewezen en een daarmee corresponderende schadevergoedingsmaatregel is opgelegd, als nader in het vonnis omschreven.

2. Namens verdachte heeft mr. A.P. Stipdonk, advocaat te Leiden beroep in cassatie ingesteld en bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel behelst de klacht dat het Hof ten onrechte het verzoek van de raadsman om aanhouding van de behandeling van de zaak heeft afgewezen, althans die beslissing ontoereikend heeft gemotiveerd.

4. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 22 oktober 2012 houdt in, voor zover hier van belang:

“De verdachte, (…), thans zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats hier te lande, is niet verschenen.

Als raadsman van de verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. A.P. Stipdonk, advocaat te 's-Gravenhage, die mededeelt door de verdachte niet uitdrukkelijk te zijn gemachtigd de verdediging te voeren.

(…)

Daartoe door de voorzitter in de gelegenheid gesteld deelt mr. Stipdonk mede dat hij eerst op 18 oktober 2012 op de hoogte gesteld is van de zitting van heden. (…)

De raadsman verzoekt aanhouding van de behandeling nu hij zich tijdig heeft gesteld maar eerst op 18 oktober 2012 van de zitting op de hoogte is gesteld en hij niet is voorzien van een machtiging door de verdachte om de verdediging te voeren.

Door de raadsman wordt desgevraagd door de jongste raadsheer medegedeeld dat hij d.d. 23 januari 2013 een appelschriftuur inhoudende grieven heeft ingediend en dat dat formulier tevens als stelbrief had moeten worden aangemerkt.

De voorzitter deelt mede dat zich bij de stukken een grievenformulier Hoger beroep van de rechtbank 's-Gravenhage bevindt, voorzien van de tekst "tevens stelfax hoger beroep", welk formulier op 23 januari 2012 is ondertekend door de raadsman mr. A.P. Stipdonk. De raadsman verklaart vervolgens dat dit stuk de appelschriftuur inhoudende grieven is, welke door hem tevens als stelbrief werd bedoeld.

(…)

Na beraad wordt het onderzoek hervat en deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat het verzoek van de raadsman tot aanhouding van de behandeling van de zaak wordt afgewezen.

De onderhavige appelschriftuur inhoudende grieven is, overeenkomstig het bepaalde in artikel 410, eerste lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering gericht aan de rechtbank 's-Gravenhage. De schriftelijke kennisgeving van optreden als gekozen raadsman als bedoeld in artikel 39, eerste lid van evengenoemd Wetboek behoort te worden gericht tot de griffier van het gerecht en geldt voor één instantie. Daaruit volgt dat de kennisgeving van optreden als raadsman in hoger beroep niet met vrucht kan worden opgenomen in de schriftuur houdende grieven. Weliswaar behoort de raadsman als zodanig te worden erkend indien uit enig in het dossier aanwezig stuk blijkt dat de verdachte is voorzien van rechtsbijstand, maar zulks is in de onderhavige zaak niet eerder gebleken dan uit de toelichting van de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep op de appelschriftuur.

Nu derhalve aan de door de raadsman gekozen vorm is te wijten dat hij niet eerder van de zittingsdatum op de hoogte is gesteld en hij geen klemmender belangen naar voren heeft gebracht dan zich alsnog te kunnen voorzien van een machtiging zijdens de deugdelijk opgeroepen verdachte om diens verdediging te kunnen voeren, is het hof van oordeel dat bij afweging van de belangen van de verdediging tegen die der voortvarende rechtspleging, het aanhoudingsverzoek behoort te worden afgewezen.”

5. Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. Een verdachte heeft het recht in zijn tegenwoordigheid te worden berecht, maar tot aanwezigheid is hij niet verplicht. Indien de verdachte niet ter terechtzitting verschijnt en de dagvaarding op wettige wijze is betekend, kan de rechter - behoudens duidelijke aanwijzingen voor het tegendeel - uitgaan van het vermoeden dat de verdachte van zijn recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht vrijwillig afstand heeft gedaan. Wanneer aan de stukken of het verhandelde ter terechtzitting duidelijke aanwijzingen kunnen worden ontleend dat de verdachte niet vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht, behoort het onderzoek ter terechtzitting, dat op grond van een dagvaarding die op wettige wijze is betekend, rechtsgeldig is aangevangen, te worden geschorst teneinde de verdachte in de gelegenheid te stellen alsnog bij het onderzoek aanwezig te zijn. Het aanwezigheidsrecht van de verdachte is geen absoluut recht. Bij de beslissing op een verzoek tot schorsing van het onderzoek dient de rechter in feitelijke aanleg een afweging te maken tussen alle daarvoor in aanmerking komende belangen, waaronder het aanwezigheidsrecht van de verdachte, het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een spoedige berechting en het belang van een goede organisatie van de rechtspleging. De vraag of een verdachte buiten zijn tegenwoordigheid kan worden berecht of dat daarmee zijn aanwezigheidsrecht tekort wordt gedaan zal dus steeds gepaard gaan met een concrete afweging.1 Justitie heeft de verantwoordelijkheid de verwezenlijking van het aanwezigheidsrecht te waarborgen en zich daartoe voldoende in te spannen, maar het gaat niet om een ongelimiteerde plicht waarbij kosten noch moeite bespaard mogen worden. Er komt hierbij mede betekenis toe aan het van een verdachte te vergen initiatief. Zo dient een verdachte zich bereikbaar te houden voor zijn raadsman, opdat hij in voorkomende gevallen (ook) langs die weg van het tijdstip van de behandeling van zijn zaak op de hoogte komt.2

6. In cassatie wordt niet betwist dat in de onderhavige zaak de appèldagvaarding op rechtsgeldige wijze is betekend door de uitreiking aan de griffier, omdat blijkens de gemeentelijke basisadministratie geen woon- of verblijfplaats van verdachte bekend was, en door de verzending van een afschrift van die appèldagvaarding naar het op de appèlakte vermelde, en laatst bekende, adres van verdachte, nadat tevergeefs was geprobeerd de dagvaarding op dat adres uit te reiken.

7. Voor zover het Hof ten aanzien van de afwijzing van het verzoek om aanhouding heeft geoordeeld dat de kennisgeving van optreden als raadsman in hoger beroep niet met vrucht kan worden opgenomen in de schriftuur houden grieven, heeft het miskend dat een raadsman als zodanig behoort te worden erkend indien uit enig in het dossier aanwezig stuk aan de rechter of aan andere justitiële autoriteiten kan blijken dat de verdachte voor de desbetreffende aanleg is voorzien van rechtsbijstand. Nu dat reeds kan volgen uit de omstandigheid dat de raadsman een schriftuur houdende grieven heeft ingediend (te meer nu daarop in het onderhavige geval met de hand “tevens stelfax hoger beroep” is geschreven), kan ik het Hof niet volgen in zijn oordeel dat het aan de raadsman van de verdachte is te wijten dat de hij niet eerder van de zittingsdatum op de hoogte is gesteld, omdat eerst op de terechtzitting in hoger beroep uit de toelichting van de raadsman op de appelschriftuur zou zijn gebleken dat de verdachte was voorzien van rechtsbijstand.3

8. Desalniettemin meen ik dat ’s Hofs afwijzing van het verzoek om aanhouding, gelet op hetgeen hiervoor onder 5 is vooropgesteld, geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en, mede in het licht van hetgeen aan dat verzoek ten grondslag is gelegd, niet onbegrijpelijk is. Het Hof heeft daarbij van belang kunnen achten dat de raadsman uitsluitend als klemmend belang bij de aanhouding naar voren heeft gebracht dat hij zich alsnog wilde kunnen voorzien van een machtiging, terwijl uit hetgeen de raadsman heeft aangevoerd bijvoorbeeld niet blijkt dat hij contact heeft gezocht met de verdachte, dan wel wist hoe hij de verdachte - die op dat moment geen vaste woon- of verblijfplaats had - kon bereiken, laat staan dat daaruit blijkt dat de verdachte te kennen had gegeven gebruik te willen maken van zijn aanwezigheidsrecht maar niet op de geplande zitting kon verschijnen. Daarbij merk ik op dat de tijdspanne van vier dagen tussen het moment dat de raadsman op de hoogte raakte van de zittingsdatum en de dag van de terechtzitting weliswaar kort was, maar dat ik de raadsman, zonder nadere motivering die ontbreekt, niet kan volgen in zijn stelling dat het daardoor “feitelijk onmogelijk” was om contact op te nemen met de verdachte. Nu niet blijkt dat verdachte enig initiatief heeft genomen om van zijn aanwezigheidsrecht gebruik te maken, en hij zich kennelijk ook niet bereikbaar heeft gehouden voor zijn raadsman (in de schriftuur merkt de raadsman op dat verdachte zwervende en onbereikbaar was), terwijl het op de weg van verdachte had gelegen om aan de betrokken autoriteiten of aan zijn raadsman kenbaar te maken dat hij gebruik wilde maken van zijn aanwezigheidsrecht, heeft het Hof kunnen oordelen dat de verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht. ’s Hofs oordeel dat het belang van voortvarende rechtspleging en daarmee het belang van een spoedige berechting, diende te prevaleren boven het belang van verdachte om bij de behandeling van de zaak aanwezig te zijn, dan wel in de gelegenheid te worden gesteld om zijn raadsman alsnog te machtigen om ter terechtzitting namens verdachte zijn verdediging te voeren, geeft geen blijk van een onjuiste opvatting en is niet onbegrijpelijk. De omstandigheid dat de verdachte in eerste aanleg niet werd bijgestaan door een raadsman en zijn aanhoudingsverzoek ook toen is afgewezen, maakt dat niet anders.

9. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende overweging. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

10. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie HR 5 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK2145, NJ 2010/176 m.nt. Schalken onder verwijzing naar HR 26 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1314, NJ 1999/294. Voorts ook Corstens/Borgers, Het Nederlands strafprocesrecht, 8e druk, p. 656.

2 Vgl. bijv. HR 21 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:138 en HR 19 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ2176.

3 Vgl. HR 11 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY4303.