Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:2561

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
11-11-2014
Datum publicatie
14-01-2015
Zaaknummer
13/03665
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:58, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 13/03665

Zitting: 11 november 2014

Mr. Vegter

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof te ‘s-Gravenhage heeft bij arrest van 9 juli 2013 de verdachte wegens “wederspannigheid” veroordeeld tot een taakstraf van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr.

2. Deze zaak hangt samen met de zaak tegen [medeverdachte] met nummer 14/00237, in welke zaak ik eveneens vandaag concludeer.

3. Namens verdachte heeft mr. H. Yilmaz, advocaat te Rotterdam, beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. B. Kizilocak, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld.

4. Het eerste middel klaagt over de verwerping van het verweer dat de politieambtenaar niet bevoegd was om inzage van een identiteitsbewijs te vorderen. Het tweede middel klaagt dat het oordeel van het Hof dat verbalisant [verbalisant 1] werkzaam was in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening onbegrijpelijk is. De middelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

5. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“hij op 12 september 2010 te Spijkenisse toen de aldaar dienstdoende [verbalisant 1], politieambtenaar, verdachte op verdenking van het gepleegd hebben van enig strafbaar feit, op heterdaad ontdekt, had aangehouden en vastgegrepen zich met geweld heeft verzet tegen bovengenoemde opsporingsambtenaar, werkzaam in de rechtmatige uitoefening zijner bediening, door opzettelijk gewelddadig zich los te rukken en trachten los te rukken.”

6. Deze bewezenverklaring steunt onder meer op het als bewijsmiddel 1 gebezigde proces-verbaal van bevindingen opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, inhoudende, voor zover hier van belang:

“Naar aanleiding van een inbraak in een bedrijf waar banden en velgen verkocht worden, waarbij vier velgen weggenomen zijn, gepleegd op 9 september 2010, hebben wij verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] een onderzoek ingesteld.

Op 12 september 2010 werd door de aangever contact opgenomen met de politie Spijkenisse dat de bij hem weggenomen velgen via www.marktplaats.nl (hierna: Marktplaats) te koop aangeboden werden door ene '[betrokkene]'. Op 12 september 2010 werd overleg gepleegd met de officier van justitie. Met zijn toestemming kon via de aangever contact worden gelegd met de verkoper om te trachten een pseudokoop in gang te zetten.

Op ons verzoek heeft de aangever een afspraak met de verkoper gemaakt dat hij op 12 september 2010 aan de [a-straat] te Spijkenisse zou komen kijken naar de velgen.

Op 12 september 2010 zijn wij in burgerkleding gekleed richting de [a-straat] te Spijkenisse gereden. Wij zagen dat in de voortuin van dit pand drie mannen stonden. Ik, verbalisant [verbalisant 1], zag dat er in de voortuin een man stond, die ik ambtshalve kende als [betrokkene]. Naast [betrokkene] stonden twee mannen die ik, verbalisant [verbalisant 2], ambtshalve kende als [medeverdachte] en zijn neefje [verdachte].

Wij zagen dat er in de voortuin twee velgen stonden, die ik, verbalisant [verbalisant 1], herkende van de advertentie op Marktplaats. Ik, verbalisant [verbalisant 1], zei tegen [betrokkene]: "Zijn dit de velgen?". [betrokkene] antwoordde hierop dat dit de velgen waren. Hierop maakte ik, verbalisant [verbalisant 1], mij bekend als politieambtenaar. Ik, verbalisant [verbalisant 2], maakte mij eveneens bekend als politieambtenaar. Omdat wij een afspraak hadden voor de autovelgen en dat deze drie mannen bij de genoemde velgen stonden, kregen wij het idee dat alle drie de mannen iets met deze velgen te maken hadden. Ik, verbalisant [verbalisant 1], zag op het moment dat ik [betrokkene] vertelde dat hij was aangehouden dat [betrokkene] oogcontact had met de voor mij twee onbekende mannen. Ik, verbalisant [verbalisant 1], zag dat de twee onbekende mannen de voortuin verlieten. Ik, verbalisant [verbalisant 1], heb hierna aan verbalisant [verbalisant 2] gevraagd om de identiteit van de twee eerder genoemde mannen vast te stellen. Ik, verbalisant [verbalisant 1], zag dat verbalisant [verbalisant 2] in gesprek was met de twee mij onbekende mannen en dat een van de geüniformeerde collega’s bij verbalisant [verbalisant 2] stond. Ik, verbalisant [verbalisant 2], vroeg naar een geldig legitimatiebewijs van beide mannen. Vervolgens hoorde ik, verbalisant [verbalisant 2], neefje [verdachte] zeggen dat hij geen legitimatiebewijs bij zich had en zich niet wilde legitimeren. Wij zagen dat neefje [verdachte] in de richting van de [b-straat] wilde weglopen. Ik, verbalisant [verbalisant 1], deelde neefje [verdachte] mede dat hij op dit moment was aangehouden. Ik, verbalisant [verbalisant 1], heb hierop neefje [verdachte] bij zijn schouder vastgepakt, teneinde hem daadwerkelijk te doen staande houden en aan te houden. Ik, verbalisant [verbalisant 1], voelde en zag dat neefje [verdachte] zich aan zijn aanhouding wilde onttrekken door in een andere richting te bewegen dan die ik van hem verlangde. Ik, verbalisant [verbalisant 1], hield neefje [verdachte] nog daadwerkelijk staande. Ik zag en voelde dat neefje [verdachte] zich van mij losrukte en zich onttrok aan zijn aanhouding.

Ik, verbalisant [verbalisant 1], heb neefje [verdachte] daadwerkelijk fysiek aangehouden en hij is overgebracht naar het politiebureau te Spijkenisse. De personalia van neefje [verdachte] bleken te zijn: [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1986 te [geboorteplaats].”

7. Het bestreden arrest houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, in:

“Ter terechtzitting heeft de raadsvrouw van de verdachte voorts betoogd - verkort en zakelijk weergegeven - dat de staandehouding van de verdachte onrechtmatig is geweest, nu er op het moment dat de verbalisanten de tuin in liepen geen feiten of omstandigheden waren die aanleiding gaven om een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit te kunnen opleveren. De zogenaamde blik van verstandhouding acht de verdediging daartoe onvoldoende. De omstandigheid dat de verdachte ambtshalve bekend was, had in de visie van de verdediging juist reden moeten vormen om hem niet naar zijn identiteit te vragen.

Het hof begrijpt het standpunt van de raadsvrouw aldus dat dientengevolge sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in het kader van het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte, waarvan het gevolg moet zijn dat - waar het daaruit voortvloeiende onderzoek als onrechtmatig moet worden beschouwd - de daaruit verkregen resultaten van het bewijs moeten worden uitgesloten.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt en stelt op basis van het procesdossier en het onderzoek ter terechtzitting de navolgende feiten en omstandigheden vast.

Blijkens het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] d.d. 13 september 2010 met nummer PL17KO 2010296485-23 en het proces-verbaal van aangifte van verbalisant [verbalisant 1] d.d. 13 september 2010 heeft de aangever van een bedrijfsinbraak op verzoek van de politie telefonisch contact opgenomen met een adverteerder op Marktplaats, genaamd ‘[betrokkene]', die de bij die bedrijfsinbraak gestolen velgen te koop aanbood. Deze adverteerder sprak volgens de aangever met een duidelijk buitenlands accent. Na daartoe een afspraak te hebben gemaakt met de verkoper, zijn de verbalisanten vervolgens ter plaatse gegaan. In de voortuin van de woning zagen de verbalisanten bij de velgen drie mannen staan, die ambtshalve werden herkend als [betrokkene], [medeverdachte] en diens neefje. Omdat de verbalisanten een afspraak hadden voor de velgen en deze mannen bij de velgen stonden, kregen zij het vermoeden dat zij allen iets met de velgen te maken hadden. Bij de aanhouding van [betrokkene] zag een van de verbalisanten dat deze [betrokkene] oogcontact had met de verdachte en zijn oom. Daarop liepen beiden weg.

Vervolgens werden de verdachte en zijn oom staande gehouden teneinde hun identiteit vast te stellen.

Naar het oordeel van het hof vormden voormelde feiten en omstandigheden, in onderling verband en in samenhang bezien, voldoende grond om een redelijk vermoeden van schuld te kunnen opleveren dat verdachte zich aan enig strafbaar feit schuldig had gemaakt. De verbalisanten waren redelijkerwijs voor hun taakvervulling gerechtigd om het identiteitsbewijs van de verdachte ter inzage te vorderen. Dat de verdachte reeds ambtshalve bekend was, doet daaraan niet af. De verdachte voldeed niet aan die vordering en werd pas aangehouden nadat hij zich trachtte te onttrekken aan zijn aanhouding.

Nu geen sprake is van enig vormverzuim, kunnen de uit het onderzoek voortvloeiende resultaten mitsdien voor het bewijs worden gebezigd."

8. Aan het eerste middel ligt de stelling ten grondslag dat het oordeel van het Hof dat het ambtshalve bekend zijn van de verdachte bij de verbalisanten geen gevolgen heeft voor zijn bevoegdheid om een vordering op grond van art. 8a Politiewet te doen, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting.

9. Ten tijde van het tenlastegelegde gold art. 8a Politiewet 1993, ingevoegd bij de Wet op de uitgebreide identificatieplicht (Stb. 2004, 300). Het eerste lid van dit artikel luidt:

“Een ambtenaar van politie aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, is bevoegd tot het vorderen van inzage van een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht van personen, voor zover dat redelijkerwijs noodzakelijk is voor de uitoefening van de politietaak.”

10. De conclusie van mijn ambtgenoot Knigge1 behelst de volgende samenvatting van de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet op de uitgebreide identificatieplicht, waarnaar in HR 31 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ1978, NJ 2011/274 wordt verwezen:

“4.5. Bij de Wet op de uitgebreide Identificatieplicht (Stb. 2004, 300) is art. 8a Politiewet ingevoegd. Het eerste lid van dit artikel bepaalt dat een ambtenaar van de politie aangesteld voor de uitvoering van de politietaak bevoegd is tot het vorderen van inzage van een identiteitsbewijs als bedoeld in art. 1 van de Wet op de identificatieplicht van personen, voor zover dat redelijkerwijs noodzakelijk is voor de uitoefening van de politietaak. Hierover geeft de Memorie van Toelichting op deze wet aan dat bij de uitbreiding van de toen reeds bestaande identificatieplichten als uitgangspunt is gekozen dat de politie haar bevoegdheid slechts uitoefent voor zover dat redelijkerwijs voor de invulling van haar taak noodzakelijk is.(1) Deze politietaak bestaat uit de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde, de handhaving van de openbare orde en de verlening van hulp aan hen die dit behoeven. In het kader van de strafrechtelijke handhaving bestond voor de wetswijziging reeds de mogelijkheid om een verdachte die staande was gehouden of was aangehouden te vragen naar zijn identiteitsbewijs. Voor de handhaving van de openbare orde en de hulpverleningstaak had de politie toen geen bevoegdheid om naar de identiteit van burgers te vragen. Als voorbeeld van situaties waarin het verkrijgen van de identiteitsgegevens de hulpverleningstaak vergemakkelijkt, noemt de Nota naar aanleiding van het verslag een ongeluk, waar burgers getuige van zijn geweest. Een ander voorbeeld dat wordt genoemd, is het verkrijgen van de identiteitsgegevens van een persoon die verward is. Als voorbeelden van situaties waarin voor de handhaving van de openbare orde de behoefte bestaat om een identiteitsbewijs te vragen noemt de Nota dreigende wanordelijkheden op straat, dreiging met terroristische aanslagen en oploopjes van omstanders die pogen een arrestatie te beletten.(2) Het gaat bij de handhaving van de openbare orde dus niet om een specifieke verdenking van een strafbaar feit, maar veel meer om het voorkomen van wanordelijkheden en criminaliteit.(3) Volgens de Nota naar aanleiding van het Verslag moet worden tegengegaan dat personen het idee hebben dat door het optreden in anonieme groepen aansprakelijkheid voor het veroorzaken van overlast kan worden ontlopen.(4)

4.6. Op kritische vragen vanuit de Kamer over het begrip "voor zover dat redelijkerwijs noodzakelijk is voor de uitoefening van de politietaak" heeft de minister van Justitie geantwoord dat voorop staat dat de politie niet zonder concrete aanleiding willekeurig om inzage van een identiteitsbewijs mag vragen, maar daarvoor een geldige reden gebaseerd op een van de onderdelen van haar taak moet hebben. Deze concrete aanleiding behoeft niet te bestaan in de verdenking van een strafbaar feit.(5) Op de vraag of de politie bij preventief fouilleren op wapens ook mag vragen om een identiteitsbewijs, antwoordde de Minister dat de taakuitoefening fouilleren op een wapen niet inhoudt dat men moet weten wie men voor zich heeft en dat als er geen wapen wordt aangetroffen, een redelijke uitvoering van de taak niet meebrengt dat er naar iemands identiteit wordt gevraagd.(6) Voorts is op de vraag of in een situatie waarin de openbare orde wordt verstoord of dreigt te worden verstoord, in beginsel van alle personen die daarbij aanwezig zijn de inzage van het identiteitsbewijs kan worden gevorderd, bevestigend gereageerd, waarbij erop is gewezen dat het criterium blijft dat de vordering noodzakelijk moet zijn voor een redelijke taakuitoefening.”

Met de voetnoten:

1 TK 2003-2004, 29218, nr. 3, p. 17.

2 Nota naar aanleiding van het verslag, TK 2003-2004, 29218, nr. 10, p. 13.

3 TK 2003-2004, 29218, nr. 21, p. 25.

4 TK 2003-2004, 29218, nr. 10, p. 15.

5 TK 2003-2004, 29218, nr. 10, p. 14.

6 TK 2003-2004, 29218, nr. 21, p. 26. Vgl Raad van State, 5 december 2008, LJN BG6783 waarin de Raad van State oordeelde dat niet in geschil was dat de ambtenaren niet op grond van de Wet wapens en munitie bevoegd waren de vreemdeling louter vanwege diens aanwezigheid in het veiligheidsrisicogebied naar zijn identiteit te vragen dan wel zijn identiteitsbewijs te vorderen.”

11. Daaraan werd in HR 31 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ1978, NJ 2011/274 nog uit Kamerstukken II, 2003/04, 29 218, nr. 21, p. 25 toegevoegd:

“Minister Donner: (…) Het gaat om de taken die redelijkerwijs meebrengen dat men de identiteit van een persoon moet kunnen achterhalen. Anders dan bij strafbare feiten of om specifieke situaties, heeft de politie die bevoegdheid nu niet. Het gaat dus om een makkelijker functioneren van de politie. Dat makkelijker functioneren van de politie, juist bij het voorkomen van criminaliteit, het voorkomen van wanordelijkheden op straat en het handhaven van de openbare orde, draagt wel degelijk bij aan de veiligheid (…).”

12. De op 1 januari 2010 in werking getreden Aanwijzing uitbreiding identificatieplicht (2009A024), Stcrt. 2009, 19481 houdt voorts onder meer - hier met weglating van voetnoten - in:

“De uitbreiding van de identificatieplicht beoogt een instrument te verschaffen om de handhaving en het toezicht door de overheid over de gehele linie te versterken door overheidsfunctionarissen te voorzien van een bevoegdheid om eenvoudig de identiteit vast te stellen van personen met wie zij in de uitoefening van hun taak in aanraking komen.

Met taak worden hier de politietaak (handhaving openbare orde, strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde, hulpverlening) en het uitoefenen van toezicht bedoeld. Daarmee beperkt de identificatieplicht zich niet tot verdachten, maar strekt deze zich ook uit tot getuigen, aangevers, melders, betrokkenen, veroordeelden, vreemdelingen, slachtoffers enzovoort.

Het is onvoldoende wanneer in het eventuele proces-verbaal slechts wordt aangegeven dat de bevoegdheid tot het vorderen van een identiteitsbewijs plaatsvond op grond van één van de genoemde taken. In het proces-verbaal moeten de feiten en omstandigheden worden vermeld op basis waarvan de opsporingsambtenaar het noodzakelijk heeft geacht de inzage van een identiteitsbewijs te vorderen. In het proces-verbaal moet de concrete activiteit die aan de vordering tot inzage van het identiteitsdocument ten grondslag ligt, worden beschreven.

2.1. Situaties waarin uitoefening van de controlebevoegdheid aangewezen kan zijn

Tijdens de parlementaire behandeling van de Wet op de uitgebreide identificatieplicht is benadrukt dat de bevoegdheid van de ambtenaar van politie, zoals verwoord in het nieuwe artikel 8a van de Politiewet 1993 of artikel 5:16a Awb, alleen mag worden toegepast in het kader van een redelijke taakuitoefening.

De volgende, geenszins uitputtend bedoelde, opsomming noemt een aantal situaties waarin identiteitscontrole aangewezen kan zijn.

 een auto rijdt ‘s nachts rond op een industrieterrein;

 er vindt op straat of in een café een schietpartij plaats en het is relevant voor het onderzoek om de identiteit van (mogelijke) getuigen vast te stellen;

 in een groepje bekende dealers duikt een onbekende op;

 hangjongeren veroorzaken overlast in de openbare ruimte;

 er woedt een brand en de (mogelijke) brandstichter zou zich kunnen bevinden tussen de toegestroomde belangstellenden;

 bij evenementen zoals voetbalwedstrijden en demonstraties in geval van rellen of (dreigende) escalatie;

 bij onrust of dreigend geweld in uitgaansgebieden en/of openbare manifestaties waarbij gevaar van ordeverstoring aanwezig is;

 verkeersovertredingen;

 bij een kraakactie;

 iemand wil aangifte doen van een strafbaar feit;

 bij het opnemen van een getuigenverklaring in een strafzaak;

 een vergunninghouder wordt gecontroleerd en deze komt de vergunningsvoorwaarden niet na.

2.2 Situaties waarin de uitoefening van de controlebevoegdheid niet zonder meer op zijn plaats is

Voorbeelden van concrete situaties waarin de uitoefening van de bevoegdheid tot identiteitscontrole niet zonder meer op zijn plaats is, zijn:

 wanneer van iemand de identiteit al bekend is bij de ambtenaar die de vordering tot inzage wil doen. Een identiteit is alleen ambtshalve bekend wanneer de identiteit eerder aantoonbaar is vastgesteld op basis van een document als bedoeld in artikel 1 Wid en alle relevante gegevens bekend zijn, waaronder het burgerservicenummer (BSN.). De noodzaak om inzage te vorderen van iemand die ambtshalve bekend is kan er ook in bestaan dat er een wettelijke plicht is om de identiteit vast te stellen.

 bij preventief fouilleren met betrekking tot personen bij wie geen wapens of drugs worden gevonden of een andere aanleiding bestaat. Het toepassen van preventief fouilleren impliceert immers niet het vragen naar een identiteitsbewijs.

 grotere groepen personen zonder verdere aanleiding in het algemeen controleren op het identiteitsbewijs.”

13. Blijkens zijn hiervoor onder 4 weergegeven overwegingen heeft het Hof de navolgende omstandigheden ten grondslag gelegd aan zijn oordeel dat ten aanzien van de verdachte een redelijk vermoeden van schuld bestond dat hij zich aan enig strafbaar feit schuldig had gemaakt.
(1) De aangever van een bedrijfsinbraak heeft op verzoek van de politie telefonisch contact opgenomen met een adverteerder op Marktplaats, genaamd ‘[betrokkene]’, die de bij die bedrijfsinbraak gestolen velgen te koop aanbood.
(2) Na een gemaakte afspraak hebben de verbalisanten ter plaatse drie mannen bij de velgen in de voortuin van de woning zien staan.
(3) Deze drie mannen werden ambtshalve herkend als [betrokkene], [medeverdachte] en diens neefje.
(4) Bij de aanhouding van [betrokkene] zag een van de verbalisanten dat deze [betrokkene] oogcontact had met de verdachte en zijn oom waarop beiden wegliepen.
(5) Vervolgens zijn de verdachte en zijn oom staande gehouden teneinde hun identiteit vast te stellen.
(6) Verdachte heeft gezegd dat hij geen legitimatiebewijs bij zich had, dat hij zich niet wilde legitimeren en is vervolgens weggelopen. Daarop heeft verbalisant [verbalisant 1] verdachte bij zijn schouder vastgepakt teneinde hem staande te houden en aan te houden. Als reactie heeft verdachte zich verzet.

14. Dat het Hof in het licht van deze omstandigheden tot het oordeel is gekomen dat de vordering van het legitimatiebewijs van de verdachte redelijkerwijs noodzakelijk was voor de uitoefening van de politietaak als bedoeld in art. 8a, eerste lid, Politiewet 1993 en dat er derhalve sprake was van een rechtmatige uitoefening van de bediening is niet onbegrijpelijk, al was het maar omdat voornoemde geschetste omstandigheden een concrete aanleiding geven voor de verdenking van een strafbaar feit2 en verdachte elke vorm medewerking heeft geweigerd.

15. Wel moet ik de steller van het middel nageven dat de zinsnede van het Hof “dat de verdachte reeds ambtshalve bekend was, doet daaraan niet af” ongelukkig gekozen is. Immers in de hiervoor onder 9 weergegeven Aanwijzing uitbreiding identificatieplicht wordt als voorbeeld van een situatie waarin de uitoefening van de controlebevoegdheid niet zonder meer op zijn plaats is genoemd de situatie wanneer van iemand de identiteit al bekend is bij de ambtenaar die de vordering tot inzage wil doen.

16. Tot cassatie behoeft dit evenwel gelet op het navolgende niet te leiden. In de eerste plaats volgt uit de hiervoor onder 9 opgenomen Aanwijzing uitbreiding identificatieplicht dat bij iemand wiens identiteit bekend is de uitoefening van de controlebevoegdheid niet zonder meer (cursivering van mij, PV) op zijn plaats is. Daaruit volgt al dat niet in elke situatie waarin bij de ambtenaar die de vordering tot inzage wil doen van iemand de identiteit bekend is, de bevoegdheid tot identiteitscontrole niet op zijn plaats is. In de tweede plaats volgt uit de hiervoor onder 9 opgenomen Aanwijzing uitbreiding identificatieplicht dat een identiteit alleen ambtshalve bekend is wanneer de identiteit eerder aantoonbaar is vastgesteld op basis van een document als bedoeld in art. 1 Wid en alle relevante gegevens bekend zijn, waaronder het BSN-nummer. Uit het door het Hof gebezigde proces-verbaal van bevindingen (bewijsmiddel 1) volgt dat de verbalisanten de verdachte hebben herkend als “het neefje” van de hen ambtshalve bekende [medeverdachte]. Dat het Hof gelet daarop kennelijk is uitgegaan van de situatie dat de identiteit van de verdachte niet bekend was bij de verbalisanten die de vorderingen tot inzage wilden doen, zoals bedoeld in de Aanwijzing uitbreiding identificatieplicht, is niet onbegrijpelijk. Aldus bezien geeft het oordeel van het Hof, ook in het licht van het gevoerde verweer, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het toereikend gemotiveerd.

17. Voor zover het tweede middel voorts opkomt tegen het bewezenverklaarde bestanddeel van de rechtmatige uitoefening van de bediening, kan het gelet op het gestelde met betrekking tot het eerste middel evenmin tot cassatie leiden. Ik voeg daar nog het volgende aan toe. De aanhouding zou niet rechtmatig zijn, omdat daaraan voorafgaande andere middelen ter identificatie zouden dienen te worden beproefd. Het Hof heeft overwogen dat verdachte niet voldeed aan de vordering en dat hij pas werd aangehouden nadat hij zich trachtte te onttrekken aan zijn aanhouding. In het oordeel van het Hof ligt besloten dat verdachte niet alleen identificatie weigerde, maar zich tevens aan identificatie onttrok zodat hij ook het inzetten van andere middelen ter identificatie dan aanhouding frustreerde.

18. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende overweging. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

19. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. ook de conclusie van mijn ambtgenoot Harteveld van 17 juni 2014, ECLI:NL:PHR:2014:1610.

2 Ik benadruk nogmaals dat ook in de fase voor de verdenking de bevoegdheid al kan bestaan; vgl. TK 2003-2004, 29218, nr. 10, p. 14.