Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:256

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
11-02-2014
Datum publicatie
08-04-2014
Zaaknummer
13/02998
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:853
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Economische zaak. Flora- en faunawet. 1. De klacht dat het Hof de grondslag van de tll. heeft verlaten, behoeft geen bespreking nu niet wordt aangevoerd dat blijkens de gebezigde bewijsmiddelen ’s Hofs bewezenverklaring méér dan 8 vinken en 55 goudvinken betreft. 2. Het opzettelijk onder zich hebben van vogels, behorende tot een inheemse beschermde diersoort, te weten afrikaanse vinken en een noorse goudvink. Falende bewijsklacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 13/02998 E

Mr. Vegter

11 februari 2014

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het Hof Arnhem-Leeuwarden van 16 april 2013. Namens de verdachte is een schriftuur houdende drie middelen van cassatie ingediend.

2. Het eerste middel heeft betrekking op de begrijpelijkheid van de volgende overweging in de strafmotivering:

‘De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het handelen van inheemse beschermde vogels die voor een deel in het wild waren gevangen. De verdachte heeft zich daarbij slechts laten leiden door zijn eigen financiële gewin en geen oog gehad voor de gevolgen die zijn handelen zou hebben aan de stand van de inheemse beschermde vogelsoorten. De verdachte maakte daarbij ook gebruik van vervalste ringen.’

3. Volgens de steller van het middel is deze overweging onbegrijpelijk, omdat de bewezenverklaring van feit 4 en 5 (onder het in eerste aanleg gevoegde parketnummer 05-982001-07) slechts betrekking heeft op het in voorraad hebben van beschermde inheemse vogels. Voorts zou de strafmotivering zien ‘op een bewezenverklaring van gedragingen die strafwaardiger zijn dan op de werkelijke bewezenverklaring’. Het middel berust op een verkeerde lezing van de overweging van het Hof omdat die overweging geenszins inhoudt dat de verdachte zich met betrekking tot inheemse beschermde vogels uitsluitend heeft schuldig gemaakt aan het handelen ervan terwijl het hof onder 1, 2 en 3 (onder het in eerste aanleg gevoegde parketnummer 05-982001-07) bewezen heeft verklaard dat de verdachte – kort gezegd - beschermde inheemse vogels ten verkoop voorhanden en in voorraad heeft gehad en heeft verkocht en ten verkoop heeft aangeboden. Voorts is op alle gedragingen in het door het Hof toepasselijk geachte art. 13, eerste lid aanhef en onder a, Flora en Faunawet – dat in het arrest is weergegeven en onder meer betrekking heeft op ‘verkopen’ en ‘in voorraad hebben’ – dezelfde straf gesteld zodat de klacht ook in zoverre feitelijke grondslag mist.1

4. Het tweede middel berust op de enigszins bizarre gedachte dat wanneer er tenlastegelegd wordt dat verdachte ‘5, althans een of meer’ vogels in voorraad heeft gehad, een bewezenverklaring van het in voorraad hebben van ‘meer’ vogels niet toegelaten is omdat daarmee de grondslag van tenlastelegging wordt verlaten. Als ik het goed begrijp zou het bezwaar tegen zo een bewezenverklaring van ‘meer’ vogels zijn dat niet valt uit te sluiten dat de verdachte zelfs meer dan vijf vogels in voorraad heeft gehad. Inderdaad zou dat het geval kunnen zijn. Dat ligt nu eenmaal besloten in deze wijze van tenlastelegging, al zal het alternatief doorgaans zijn opgenomen om minder dan vijf vogels bewezen te kunnen verklaren. Het woord ‘althans’ sluit echter niet uit dat ‘een of meer’ hier een (niet nader beperkt en bepaald) alternatief is van (zelfs meer dan) vijf. Het Hof heeft de tenlastelegging kennelijk zo uitgelegd en dat is niet onbegrijpelijk. Gelet op de enorme aantallen meest uiteenlopende vogels die bij de verdachte zijn aangetroffen – zoals blijkt uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen – getuigt de bewezenverklaring van het Hof van een praktische aanpak. In ieder geval behelst de gekozen wijze van tenlastelegging geen ‘limitering’ van het aantal vogels tot 5 (om bij het gegeven voorbeeld te blijven).

5. Het derde middel klaagt naar ik begrijp over de motivering van de bewezenverklaring van feit 3 (05-982001-07), voor zover die betrekking heeft op het door de verdachte in voorraad hebben en onder zich hebben van de Afrikaans vink en Noordse goudvink, behorend tot de beschermde inheemse diersoort. Met betrekking tot de vraag of deze vogels behoren tot een beschermde inheems vogelsoort heeft het Hof in zijn het volgende overwogen: ‘Voor zover de tenlastelegging ziet op de Noordse goudvink en de Afrikaanse vink is het hof, met de rechtbank, van oordeel dat dit ondersoorten van respectievelijk de goudvink en de vink zijn en dat zij van nature op Europees grondgebied van de Europese Unie voorkomen, zodat deze soorten daarmee behoren tot beschermde inheemse diersoorten.’ Die motivering is toereikend.

6. De middelen falen.

7. Het standpunt is dat verachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in het beroep in cassatie.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Art. 1a onder 1 (oud) WED i.v.m. artt. 2 en 6, eerste lid, WED.