Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:2555

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
04-11-2014
Datum publicatie
18-03-2016
Zaaknummer
14/03350
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:410, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Herziening. Gegronde persoonsverwisseling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 14/03350 H

Mr. Aben

Zitting 4 november 2014

Conclusie inzake:

[aanvrager]

1. Bij verzoekschrift van 1 juli 2014 heeft mr. G.G.J. Knoops, advocaat te Amsterdam, zich gewend tot de Hoge Raad met een aanvraag tot herziening van het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 28 juli 2008, dat ten laste van de aanvrager, [aanvrager], bij verstek is gewezen. Volgens administratieve informatie is de verstekmededeling op 3 maart 2010 in persoon betekend, en is het betreffende arrest op 18 maart 2010 onherroepelijk geworden, aangezien hiertegen geen beroep in cassatie is ingesteld. Bij afzonderlijk arrest van diezelfde dag heeft het gerechtshof toewijzend beslist op een vordering tot ontneming.

2. Het arrest waarvan herziening wordt gevraagd behelst een veroordeling wegens (1) de opzettelijke invoer van hennep, (2) de weigering gevolg te geven aan een vordering tot afgifte van een autosleutel, alsook (3) het rijden zonder rijbewijs, een en ander begaan in de gemeente Eijsden op 10 april 2007. Voor de bewezenverklaarde misdrijven is de veroordeelde (onder meer) een werkstraf opgelegd voor de duur van 160 uren, en voor de overtreding een werkstraf voor de duur van 28 uren.

3. De aanvraag tot herziening berust op de stelling dat niet [aanvrager], maar in werkelijkheid zijn anderhalf jaar jongere broer, [betrokkene 2], de betreffende misdrijven heeft begaan. Bij de staandehouding en later bij het verhoor, diezelfde dag, heeft deze [betrokkene 2] valselijk de personalia van [aanvrager] opgegeven, aldus de aanvraag.

4. Het verkorte arrest is niet uitgewerkt, zodat niet valt na te gaan welke bewijsvoering het gerechtshof voor ogen heeft gestaan. De politierechter heeft blijkens de aantekening van het mondelinge vonnis van 24 augustus 20071 gebruik gemaakt van processen-verbaal van bevindingen van de politie en van de Koninklijke Marechaussee, waarin is gerelateerd dat de persoon die later opgaf te zijn genaamd [aanvrager] op 10 april 2007, om 12.19 uur, te Eijsden optrad als bestuurder van een Mazda 121 en bij die gelegenheid werd staande gehouden met het oog op de bestrijding van illegale immigratie. Ter controle van zijn identiteit werd het voertuig onderzocht, en daarbij is 940 gram hennep aangetroffen. Raadpleging van het ROMA-systeem wees uit dat ten name van de persoon [aanvrager] geen geldig rijbewijs was afgegeven. De persoon die opgaf te zijn genaamd [aanvrager] heeft volgens zijn diezelfde dag geverbaliseerde verklaring erkend de hennep met de auto te hebben ingevoerd. Hij verklaarde dat hij “helaas” werd staande gehouden, en dat hij geen rijbewijs heeft.

5. Lezing van de betreffende processen-verbaal leert mij dat de identiteit van de aangehouden persoon niet is kunnen worden geverifieerd met behulp van een identiteitsdocument. Van hem zijn geen vingerafdrukken afgenomen, noch is van hem een foto gemaakt. Kortom, wat betreft de identiteit van de aangehouden persoon berust de veroordeling, als ik het goed zie, uitsluitend op de personalia die door de aangehouden persoon zijn opgegeven.

6. Als nova worden in de aanvraag onder meer de volgende gegevens gepresenteerd:

(1) Producties 8, 9, 10 en 11: de schriftelijke verklaringen van [betrokkene 2] van 19 mei 2010, 11 december 2013, 27 december 2013 en van 10 juni 2014, waarin [betrokkene 2] erkent de persoonsgegevens van zijn broer [aanvrager] te hebben misbruikt. Hij heeft naar zijn zeggen enige tijd op het adres van zijn broer gewoond. De raadsman van de aanvrager verbindt aan dit laatste (ook) de gevolgtrekking dat [betrokkene 2] gerechtelijke stukken op naam van [aanvrager] (in persoon) in ontvangst heeft genomen c.q. kunnen nemen.

(2) Producties 13 en 14: de verklaringen van de leidinggevende van [aanvrager], genaamd [betrokkene 1], omtrent een alibi van de aanvrager, te weten dat [aanvrager] volgens een sluitend registratiesysteem op 10 april 2007 overdag aanwezig was op zijn werk (en dus niet in of bij Eijsden kon zijn). De afwezigheid van [aanvrager] zou op zijn werk zijn opgevallen en deze afwezigheid zou zijn geadministreerd, zo begrijp ik de mededelingen van [betrokkene 1]. Gelijke mededelingen gelden voor de dagen van 7 juni 2007 en 26 mei 2008, te weten de dagen waarop de dagvaardingen (in de hoofdzaak en in de ontnemingszaak, in eerste en tweede aanleg) zijn uitgereikt. Productie 15 behelst een uitdraai uit het registratiesysteem, waarvan de inhoud strookt met de mededelingen van [betrokkene 1].

7. Naar mijn inzicht hebben enkel deze hiervoor onder 6 omschreven gegevens de potentie om als novum te worden aangemerkt. De andere ‘nova’ die in de aanvraag onder die noemer worden gepresenteerd kunnen m.i. niet zelfstandig voor zodanig doorgaan. Bij de beoordeling van de kracht van de (globaal twee) potentiële nova zal de bewijsconstructie en zullen andere gegevens in aanmerking genomen moeten (en kunnen) worden. Ik loop hieronder enkele punten langs, nl. het gewicht van één van de nova op zichzelf beschouwd, de kracht van de bewijsconstructie, alsmede overige gegevens van belang voor een beoordeling van het gewicht van het novum.

8. Allereerst de kracht van de nova zelf. Ik zie op zichzelf geen aanleiding te twijfelen aan de uitlatingen van [betrokkene 1], de leidinggevende van [aanvrager]. [betrokkene 1] onderbouwt zijn mededelingen met afschriften van het (op het oog deugdelijke) aanwezigheidsregistratiesysteem dat uitwijst dat [aanvrager] gedurende zijn reguliere werktijden aanwezig was op zijn werkplek op de dagen van 10 april 2007, omstreeks 12.19 uur (datum en tijdstip delict), 7 juni 2007, om 11.23 uur (datum en tijdstip uitreiking dagvaardingen eerste aanleg in persoon) en 26 mei 2008 (datum uitreiking dagvaardingen in hoger beroep aan huisgenoot “[betrokkene 3]”).2

9. Ten tweede de bewijsvoering. Zoals gezegd is de bewijsconstructie waarop het hof de veroordeling heeft gestoeld niet rechtstreeks kenbaar wegens het ontbreken van een uitgewerkt arrest. Op basis van het strafdossier moet niettemin worden aangenomen dat het bewijsoordeel omtrent de identiteit van de dader uitsluitend is gegrond op de opgave van personalia door de aangehouden verdachte. Voor zich spreekt dat aan dit bewijsmiddel geen sterk onderscheidend vermogen toekomt. Er heeft indertijd geen nader identiteitsonderzoek plaatsgevonden, althans zijn de resultaten daarvan niet geverbaliseerd.

10. Ten slotte de overige gegevens. Ik heb mij in alle bescheidenheid gewaagd aan een handtekening- en schriftvergelijkend onderzoek. Mij valt op dat de handtekeningen die zijn geplaatst op het proces-verbaal van verhoor van de aangehouden verdachte sterke gelijkenis vertonen met de handtekening die is geplaatst op een brief van 19 mei 2010 die is (c.q. zou zijn) ondertekend door [betrokkene 2] (zie productie 8). Hetzelfde geldt in meer of mindere mate voor de schriftelijke verklaringen van (naar ik aanneem) [betrokkene 2] van 11 december 2013 (productie 9) en van 27 december 2013 (productie 10), doch niet voor zijn verklaring van 10 juni 2014 (productie 11).3 De handtekening van [aanvrager] daarentegen, te zien op een kopie van zijn paspoort (productie 20), vertoont geen gelijkenis met de handtekeningen op het proces-verbaal van verhoor van de aangehouden verdachte, doch weer wel enigszins met de handtekening op een faxkopie van het grievenformulier van 17 september 2007 (productie 3).

11. Verwarrend is in dit verband de handtekening die ik aantrof op de akte van uitreiking van de verstekmededeling. Bij gelegenheid van die uitreiking, op 3 maart 2010, legitimeerde (naar ik aanneem) [aanvrager] zich met een ID-kaart. De handtekening van ‘betrokkene’ lijkt weinig op de handtekening die is aangebracht op het paspoort van [aanvrager]. Van belang is evenwel dat deze beide handtekeningen hoe dan ook geenszins lijken op de handtekeningen op het meergenoemde proces-verbaal van verhoor van de aangehouden verdachte.

12. Wat betreft het schrift van de handgeschreven brieven op naam van [betrokkene 2] van 19 mei 2010 (productie 8) en van 27 december 2013 (productie 10) moet ik de raadsman toegeven dat ik daarin opmerkelijke gelijkenissen aantref met het schrift op het al genoemde faxkopie van het grievenformulier van 17 september 2007 dat als productie 3 bij de aanvraag is gevoegd. Referentiehandschrift van [aanvrager] ontbreekt evenwel onder de stukken, en dat zou voor een serieuze vergelijking niet mogen ontbreken.

13. Op basis van een en ander ben ik van oordeel dat de aanvraag gegrond is. De onder 6 opgesomde gegevens doen, mede wegens de onder 8, 9, 10, 11 en 12 aangevoerde argumenten, ernstige twijfel rijzen aan de juistheid van de veroordeling op naam van [aanvrager]. Deze voorgedragen gegevens doen daardoor het ernstige vermoeden ontstaan dat het onderzoek van de strafzaak zou hebben geleid tot een vrijspraak indien de rechter ermee bekend was.4 Dit brengt mij tot de volgende conclusie.

14. Ik concludeer dat Uw Raad deze aanvrage tot herziening van de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 28 juli 2008 gegrond zal achten, voor zover nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van dit arrest zal bevelen en de strafzaak zal verwijzen naar een ander gerechtshof ten einde deze opnieuw te onderzoeken en te beslissen als bedoeld in art. 472, tweede lid, Sv.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

1 Zie daarvoor het strafdossier.

2 Voor wat betreft de hiervoor genoemde data verwijs ik naar de originele aktes van uitreiking die zich in het strafdossier bevinden. [betrokkene 3] is waarschijnlijk de (inmiddels overleden) vader van [aanvrager] en [betrokkene 2]. De uitreiking in hoger beroep is m.a.w. niet relevant voor de beoordeling van het novum.

3 Ik ben niet bij machte de handtekening van [betrokkene 2] te onderscheiden op het kopie van het paspoort dat als productie 20 bij de aanvraag is gevoegd.

4 Ik wil er in dit verband graag op wijzen dat de aanvrager in de strafzaak op zijn naam in hoger beroep niet is verschenen en aan (ernstige) twijfel onderhevig is of hij voorafgaand daaraan van de terechtzitting in hoger beroep op de hoogte was. De afwezigheid van verweer in hoger beroep kan hem in dit verband m.i. dus niet worden tegengeworpen. Terzijde, indien niet in voldoende mate vaststaat welke niet-verschenen persoon in hoger beroep door een gemachtigd raadsman wordt vertegenwoordigd, is het naar mijn inzicht voor het onderzoek naar een eventuele persoonsverwisseling überhaupt niet relevant of de gestelde persoonsverwisseling bij wijze van verweer reeds in hoger beroep naar voren is gebracht. Dit klemt te meer indien in een herzieningsverzoek juist op grond van een persoonsverwisseling uitdrukkelijk wordt betwist dat de gemachtigd raadsman (die in hoger beroep zonder cliënt is verschenen) de aanvrager tot herziening vertegenwoordigde. Anders (in een overweging ten overvloede): HR 16 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2794, r.o. 4.4, tweede alinea.