Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:2552

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
04-11-2014
Datum publicatie
03-03-2015
Zaaknummer
13/05328
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:501, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Bewezenverklaring van zowel schuldheling als schuldwitwassen. Samenloop. Overwegingen van de HR over de combinatie van heling en witwassen aan de hand van de wetsgeschiedenis. Gelet daarop en in aanmerking genomen dat uit de bewezenverklaringen en de door het Hof gebezigde bewijsvoering volgt dat het bij de heling en het witwassen van de sieraden afkomstig uit een op 25 oktober 2010 gepleegde overval gaat om een uit het oogpunt van tijd, plaats, gedragingen en voorwerpen identiek feitencomplex, is niet z.m. begrijpelijk dat het Hof dit helen en witwassen als meerdaadse, en niet als eendaadse samenloop heeft aangemerkt. In zoverre slagen de middelen. Dit behoeft echter niet tot cassatie te leiden, nu, gelet op de i.g.v. toepassing van art. 55.1 Sr resp. 57.1 Sr toepasselijke strafmaxima en de i.c. opgelegde straf het belang van de verdachte bij zijn cassatieberoep niet evident is. De schriftuur bevat evenwel niet de in ECLI:NL:HR:2012:BX0146, rov. 2.6.2 bedoelde, in zo een geval vereiste toelichting m.b.t. het belang bij het ingestelde cassatieberoep en het - rechtens te respecteren - belang bij vernietiging van de bestreden uitspraak en een nieuwe feitelijke behandeling van de zaak.

Conclusie AG: anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M.L.C.C. de Bruijn-Lückers annotatie in JIN 2015/65
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 13/05328

Zitting: 4 november 2014

Mr. Vellinga

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch wegens 1 meest subsidiair “schuldheling” en 2 “schuldwitwassen” veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis. Voorts bevat het arrest enige bijkomende beslissingen, een en ander als in het arrest vermeld.

2. Namens verdachte heeft mr. J. Kuiper, advocaat te Amsterdam, vier middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel houdt in dat de bewijsmiddelen niet redengevend zijn voor het bewijs van het onder 1 meest subsidiair en 2 bewezenverklaarde “telkens redelijkerwijs moest vermoeden”.

4. Het Hof heeft ten laste van verdachte bewezenverklaard dat:

“1.

hij in de periode van 25 oktober 2010 tot en met 23 november 2010, in de gemeenten Vlissingen en Middelburg, op verschillende tijdstippen, sieraden (een ketting, ringen en oorbellen) voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van die voorwerpen telkens redelijkerwijs moest vermoeden, dat het door misdrijf verkregen goederen betrof;

2.

hij in de periode van 25 oktober tot en met 23 november 2010, in de gemeenten Vlissingen en Middelburg, op verschillende tijdstippen, sieraden (een ketting, ringen en oorbellen) voorhanden heeft gehad en heeft omgezet, terwijl hij redelijkerwijs moest vermoeden, dat bovenomschreven voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.”

5. Deze bewezenverklaring berust op onder meer de volgende bewijsmiddelen:

“6. Een proces-verbaal van verhoor van politie Zeeland, Divisie Recherche, Recherche Team 1 Wal, nr. PL193C 2010088723-25, blz. 702-705 (map 2), in de wettelijke vorm opgemaakt en welk deel uitmaakt van het dossier gekenmerkt PL193C 2010088723, gesloten op 28 maart 2011, doorgenummerde pagina's 1- 1506 (onderzoek IJzeren), voor zover dit - zakelijk weergegeven - inhoudt als verklaring van de getuige [betrokkene 3]:

Ik heb een relatie met de kleindochter van [betrokkene 2], [betrokkene 4].

Op 30 november 2010 belde [betrokkene 4] mij. Ze zei tegen mij dat ik gestolen sieraden naar [betrokkene 2] had gebracht. Ik zal u vertellen hoe ik met de sieraden bij opa ben gekomen.

Op 23 november 2010 kwam [verdachte] (het hof begrijpt [verdachte]) bij mij thuis. Ik ken [verdachte] al een paar jaar. Hij woont bij mij in de straat, [c-straat 1] te Vlissingen. Hij komt geregeld bij mij thuis. Hij liet mij gouden sieraden zien, twee oorbellen in de vorm van een hartje en een ketting met daaraan een gouden hartje. De sieraden hoorden bij elkaar. [verdachte] vroeg of ik ze wilde kopen. Vroeger kocht ik nog wel eens sieraden maar dat doe ik al lang niet meer. Opa koopt wel goud in. Ik had geen interesse in de sieraden maar ik dacht dat opa dat misschien wel had. Ik heb opa gebeld om te vragen of hij interesse had. We zijn naar opa gegaan (het hof begrijpt naar de woning van [betrokkene 2] te Middelburg). Hij heeft toen de sieraden bekeken en gaf er 550 euro voor. Opa moest de koop in een schrift zetten maar omdat [verdachte] geen legitimatiebewijs bij zich had werd mijn naam in het schrift gezet. [verdachte] verkocht de sieraden voor iemand anders. Ik weet niet aan wie hij het geld heeft gegeven.

7. Een proces-verbaal van relaas van politie Zeeland Divisie Recherche Recherche Team 1 Wal, nr. PL193C 2010088723-34, blz. 11-47A, (map 1), in de wettelijke vorm opgemaakt en welk deel uitmaakt van het dossier gekenmerkt PL193C 2010088723, gesloten op 28 maart 2011, doorgenummerde pagina's 1-1506 (onderzoek IJzeren), voor zover dit - zakelijk weergegeven - inhoudt als eigen waarneming of ondervinding van de desbetreffende verbalisant:

Uit de verklaring van [betrokkene 3] bleek dat hij de bij de overval weggenomen sieraden zou hebben gekregen van ene "[verdachte]" die zou wonen aan de [c-straat 1] te Vlissingen. Blijkens GBA-controle betreft dit [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989, wonende te [woonplaats].

8. Een proces-verbaal van verhoor van politie Zeeland, Divisie Recherche, Recherche Team 1 Wal, nr. PL193C 2010088723-35, blz. 61-66 (map 1), in de wettelijke vorm opgemaakt en welk deel uitmaakt van het dossier gekenmerkt PL193C 2010088723, gesloten op 28 maart 2011, doorgenummerde pagina's 1- 1506 (onderzoek IJzeren), voor zover dit - zakelijk weergegeven - inhoudt als verklaring van de verdachte:

Ik heb de sieraden van [betrokkene 5] (fonetisch, het hof begrijpt [betrokkene 5]). Hij woont in [d-straat] (het hof begrijpt: te Vlissingen). Ik moest van hem de sieraden verkopen. Ik heb gezegd dat ik het wel voor hem kon verkopen. We zijn toen samen met de sieraden naar [A] geweest, dit is een winkel in de stad (het hof begrijpt: Vlissingen). We hebben het daar aangeboden. We hebben ringen aangeboden. Volgens mij waren dat 7 ringen. We hebben het op mijn naam ingeleverd. Ik heb [betrokkene 5] al het geld gegeven. 2 tot 3 dagen later kwam hij weer bij mij en toen had hij een ketting met een hartje en een paar oorbellen. Hij wilde dit ook verkopen. Ik ben naar [betrokkene 3] (het hof begrijpt [betrokkene 3]) gaan met die ketting en die oorbellen. [betrokkene 3] kende wel iemand. Ik ben toen samen met hem naar opa (het hof begrijpt: [betrokkene 2]) gegaan in Middelburg. Opa heeft de spullen gekocht. Ik heb er 550 euro voor ontvangen. Ik heb dat geld aan [betrokkene 5] gegeven.

10. Een proces-verbaal van verhoor van politie Zeeland, Divisie Recherche, Recherche Team 1 Wal, nr. PL193C 2010088723-42, blz. 70-73 (map 1), in de wettelijke vorm opgemaakt en welk deel uitmaakt van het dossier gekenmerkt PL193C 2010088723, gesloten op 28 maart 2011, doorgenummerde pagina's 1- 1506 (onderzoek IJzeren), voor zover dit - zakelijk weergegeven - inhoudt als verklaring van de verdachte:

Verbalisanten: we laten je de inkooplijst (het hof begrijpt: het opkoopregister) van [A] zien.

Ik zal u vertellen dat de bedragen op de lijst kloppen. Ik ben de eerste keer bij de vrouw geweest, dat klopt. Toen heb ik drie ringen ingeleverd en 270 euro ontvangen. De tweede keer ben ik bij de man geweest in die zaak. Ik heb toen nog 4 ringen ingeleverd en daar 75 euro voor gekregen van de man. De eerste keer ben ik met [betrokkene 5] geweest, de tweede keer ben ik alleen geweest. Volgens mij was dat in dezelfde week. Ik kreeg de ringen allemaal tegelijk van [betrokkene 5] maar wilde ze niet in een keer verkopen. Ik dacht dat ze vals zouden gaan denken in de winkel van [A], daarom heb ik ze in twee keer verkocht. Ik heb eerst drie ringen aangeboden en later vier. De ringen waren van goud. In sommige zaten steentjes en in een van de ringen ging wat op en neer als je er mee schudde.”

6. Voorts heeft het Hof met betrekking tot het bewijs overwogen:

“Uit de bewijsmiddelen komt het volgende naar voren.

Op 23 november 2010 heeft [betrokkene 2] te Middelburg een ketting (collier), een hanger en een paar oorbellen voor EUR 550,-- gekocht van een tweetal jongens. Deze sieraden werden na een uitzending van het televisieprogramma "Opsporing Verzocht" door [betrokkene 2] herkend en bleken na controle van de serienummers bij een woningoverval te zijn buitgemaakt. Verdachte heeft verklaard dat hij naar "[betrokkene 2]" is geweest om een ketting, een hanger en oorbellen te verkopen. De sieraden had hij van [betrokkene 5] gekregen. [betrokkene 5] had aan verdachte gevraagd of hij die voor hem, [betrokkene 5], wilde verkopen. Tevens heeft hij verklaard dat hij van [betrokkene 5] eerder ook een paar gouden ringen had gekregen en dat hij deze op twee verschillende dagen bij "[A] Juweliers" te Vlissingen heeft aangeboden onder zijn eigen naam. Op verzoek van [betrokkene 5] heeft hij die verkocht. Voor 3 ringen heeft hij een bedrag van EUR 270,-- ontvangen en voor 4 andere ringen heeft hij een bedrag van EUR 75,-- ontvangen. Dit geld heeft hij aan [betrokkene 5] gegeven. [betrokkene 5] is de eerste keer met verdachte meegegaan naar [A]. De tweede keer was verdachte alleen.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft verdachte verklaard dat [betrokkene 5], een jongen van een jaar of 18, een deel van de sieraden in zijn zak had zitten en dat hij op straat aan verdachte heeft gevraagd of hij deze voor hem, [betrokkene 5], wilde verkopen. Omtrent de herkomst van de sieraden heeft verdachte aan [betrokkene 5] gevraagd of de sieraden eerlijk waren. [betrokkene 5] heeft deze vraag bevestigend beantwoord en verdachte heeft dit vervolgens voor waar aangenomen, omdat hij [betrokkene 5] geloofde. Hij heeft niet aan [betrokkene 5] gevraagd hoe hij aan die sieraden kwam en waarom hij ze niet zelf ging verkopen.

Onder deze omstandigheden is het hof van oordeel dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gehandeld door een aanzienlijke hoeveelheid sieraden die hij van [betrokkene 5], toen 17 jaar, had gekregen om te verkopen, in ontvangst te nemen en over te dragen zonder door te vragen. Bij enig nadenken had hij - gelet op de omstandigheden - redelijkerwijs kunnen vermoeden dat de sieraden niet eerlijk door [betrokkene 5] waren verkregen en had hij zonder nader onderzoek niet mogen handelen. Het stellen van de enkele vraag of de sieraden eerlijk waren acht het hof onvoldoende om vast te stellen dat verdachte heeft voldaan aan voormelde onderzoeksplicht.

Derhalve is het hof, anders dan de rechtbank en de verdediging, van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte, gelet op voormelde omstandigheden en nu hij het verrichten van nader onderzoek heeft nagelaten, zich schuldig heeft gemaakt aan schuldheling, alsmede aan schuldwitwassen.”

7. Naar het oordeel van het Hof heeft de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig gehandeld door sieraden in ontvangst te nemen en te verkopen, omdat deze sieraden van goud waren, de persoon van wie hij deze sieraden in ontvangst nam die sieraden in zijn broekzak had, deze op straat aan hem vroeg die sieraden te verkopen en deze persoon, naar verdachte heeft beseft, omstreeks 18 jaar oud was. Naar het oordeel van het Hof had de verdachte niet kunnen volstaan met de vraag aan genoemde persoon of de sieraden eerlijk waren, maar had hij in genoemde omstandigheden beter moeten nadenken over de vraag of deze voorwerpen van misdrijf afkomstig konden zijn. Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Het geeft immers reeds te denken dat iemand van een jaar of 18 op straat loopt met zo kostbare voorwerpen als gouden sieraden in zijn zak, een hoogst ongebruikelijke en ongebruikelijk kostbare inhoud van een (broek?)zak van een achttienjarige. Dit geldt temeer wanneer deze die voorwerpen door een ander voor hem wil laten verkopen, dusdoende voorkomende dat zijn naam in een register van aankoop wordt vermeld.

8. In de toelichting op het middel wordt gesteld dat er geen omstandigheden waren die de verdachte noopten tot nader onderzoek. Het Hof heeft die omstandigheden echter gezien in de aard van de voorwerpen, de plaats waar deze door genoemde persoon, [betrokkene 5], werden meegevoerd en aan verdachte werden aangeboden, en de leeftijd van die persoon. Dat oordeel is, gelet op hetgeen ik hiervoor onder 7 heb uiteengezet, niet onbegrijpelijk en leent zich wegens zijn feitelijke aard niet voor verdere toetsing in cassatie.

9. Voorts wordt in de toelichting op het middel aangevoerd dat de verdachte niet aan de onrechtmatige verkrijging door [betrokkene 5] heeft gedacht en zo hij dat wel had gedaan anders gehandeld zou hebben. Deze opmerking vindt in zoverre weerlegging in de gebezigde bewijsmiddelen dat de verdachte aan [betrokkene 5] heeft gevraagd of de sieraden eerlijk waren en dus kennelijk wel aan onrechtmatige verkrijging door [betrokkene 5] heeft gedacht.

10. Ook al zou dat laatste niet het geval zijn, dan staat dit niet in de weg aan het oordeel van het Hof dat de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig is geweest door de sieraden in ontvangst te nemen en voor [betrokkene 5] te verkopen. Uit die omstandigheid blijkt immers niet meer dan dat verdachte in de omstandigheden van het geval nogal argeloos te werk zou zijn gegaan, te argeloos naar het - gelet op de omstandigheden van het geval niet onbegrijpelijke - oordeel van het Hof.

11. Het middel faalt.

12. Het tweede middel klaagt dat het Hof (onder meer) art. 420quater Sr en art. 350, 358 en 359 Sv heeft geschonden door schuldwitwassen bewezen te verklaren, zulks terwijl vaststaat dat het voorhanden hebben en omzetten van de bewuste voorwerpen afkomstig uit een eveneens bewezenverklaard en door verdachte zelf begaan misdrijf (schuldheling), niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van die voorwerpen.

13. Alvorens dit middel te bespreken merk ik op dat het Hof heeft geoordeeld dat heling en witwassen niet hetzelfde belang beschermen en er dus sprake is van meerdaadse samenloop. Over dit oordeel wordt in cassatie niet geklaagd.

14. Aan het middel ligt de opvatting ten grondslag dat het misdrijf waarvan de witgewassen voorwerpen afkomstig zijn bestaat in heling van die voorwerpen door de verdachte. Deze opvatting is niet verenigbaar met de hiervoor onder 6 aangehaalde overwegingen van het Hof. Het Hof ziet als misdrijf waarvan de voorwerpen afkomstig zijn de overval op [betrokkene 2]. Dit betekent dat in casu niet aan de orde is hetgeen de Hoge Raad overwoog in zijn arrest van 3 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7017:

“4.2. In een geval als het onderhavige, waarin het gaat om een verdachte die een voorwerp verwerft of voorhanden heeft als bedoeld in art. 420bis Sr dat afkomstig is uit het door hemzelf begane misdrijf van het voorhanden hebben van dat goed als bedoeld in art. 417bis Sr, kan het enkele verwerven of voorhanden hebben van dat voorwerp niet worden aangemerkt als witwassen indien die gedraging niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp (vgl. HR 26 oktober 2010, LJN BM4440, NJ 2010/655, rov. 2.4.2).”

15. Voor zover het middel is gebaseerd op de opvatting dat het misdrijf waarvan de witgewassen voorwerpen afkomstig zijn bestaat in heling van die voorwerpen door de verdachte, mist het dus feitelijke grondslag.

16. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat ten aanzien van het bewezenverklaarde witwassen uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat verdachtes gedragingen gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van de voorwerpen. In dit verband is van belang hetgeen de Hoge Raad overwoog in zijn arrest van 7 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2913, in het bijzonder in rov. 2.4 – 2.5.2:

“2.3. Wat betreft de stelling dat het handelen van de verdachte ten aanzien van de geldbedragen die hij op zijn bankrekening heeft gestort, niet gericht is geweest op het verbergen of verhullen van de criminele herkomst daarvan moet worden vooropgesteld dat op zichzelf noch de tekst noch de geschiedenis van de totstandkoming van de art. 420bis en 420quater Sr eraan in de weg staat dat iemand die een in die bepalingen omschreven gedraging verricht ten aanzien van een voorwerp dat afkomstig is uit enig door hemzelf begaan misdrijf, wordt veroordeeld wegens - kort gezegd - (schuld)witwassen. Dat geldt, naar uit de tekst van de wet volgt, ook voor het verwerven of voorhanden hebben van zo'n voorwerp.

Dit betekent niet dat elke gedraging die in de art. 420bis, eerste lid, en 420quater, eerste lid, Sr is omschreven, onder alle omstandigheden de - in beide bepalingen nader omschreven - kwalificatie witwassen onderscheidenlijk schuldwitwassen rechtvaardigt. Zo kan ingeval het gaat om een voorwerp dat afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf en hem het "verwerven" of "voorhanden hebben" daarvan wordt verweten, de vraag rijzen of een dergelijk enkel verwerven of voorhanden hebben voldoende is om als (schuld)witwassen te worden aangemerkt.

Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de strafbaarstelling van witwassen strekt ter bescherming van de aantasting van de integriteit van het financieel en economisch verkeer en van de openbare orde, dat witwassen een veelomvattend, maar ook te begrenzen fenomeen is, en dat ook in het geval het witwassen de opbrengsten van eigen misdrijf betreft, van de witwasser in beginsel een handeling wordt gevergd die erop is gericht "om zijn criminele opbrengsten veilig te stellen". Gelet hierop moet worden aangenomen dat indien vaststaat dat het enkele verwerven of voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, die gedraging niet als (schuld)witwassen kan worden gekwalificeerd.

Daarmee wordt mede beoogd te voorkomen dat een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan en die de door dat misdrijf verkregen voorwerpen verwerft of onder zich heeft en dus voorhanden heeft, zich automatisch ook schuldig maakt aan het witwassen van die voorwerpen. Bovendien wordt aldus bevorderd dat in zo een geval het door de verdachte begane (grond)misdrijf, dat in de regel nader is omschreven in een van specifieke bestanddelen voorziene strafbepaling, in de vervolging centraal staat.

Er moet in dergelijke gevallen dus sprake zijn van een gedraging die meer omvat dan het enkele verwerven of voorhanden hebben en die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat door eigen misdrijf verkregen voorwerp gericht karakter heeft. Ingeval de gedraging betrekking heeft op een gedeelte van die voorwerpen, kan slechts het verwerven of voorhanden hebben van dat gedeelte worden aangemerkt als witwassen.

Een vonnis of arrest moet voldoende duidelijkheid verschaffen over de door de rechter in dit verband relevant geachte gedragingen van de verdachte. Wanneer het gaat om het verwerven of voorhanden hebben van een voorwerp dat afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf, moeten daarom bepaaldelijk eisen worden gesteld aan de motivering van het oordeel dat sprake is van (schuld)witwassen. Uit die motivering moet kunnen worden afgeleid dat de verdachte het voorwerp niet slechts heeft verworven of voorhanden heeft gehad, maar dat zijn gedragingen ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp.

Deze rechtsregels hebben slechts betrekking op het geval dat de verdachte voorwerpen heeft verworven of voorhanden heeft gehad, terwijl aannemelijk is dat die voorwerpen onmiddellijk afkomstig zijn uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf. (Vgl. HR 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:702, NJ 2014/302.)

2.4. Deze regels zien uitsluitend op gevallen waarin slechts het verwerven en/of voorhanden hebben van onmiddellijk door eigen misdrijf verkregen voorwerpen is bewezenverklaard. Zij hebben in beginsel geen betrekking op een geval als het onderhavige waarin is bewezenverklaard het "overdragen" en het "omzetten" - een en ander in de betekenis die ingevolge art. 420bis, eerste lid sub b, Sr aan die begrippen toekomt - van zulke voorwerpen, en evenmin op het daarin voorkomende begrip "gebruik maken".

In het vorenstaande wordt gesproken over "in beginsel", omdat niet valt uit te sluiten dat anders moet worden geoordeeld in het bijzondere geval dat zulk "overdragen", "gebruik maken" of "omzetten" van door eigen misdrijf verkregen voorwerpen plaatsvindt onder omstandigheden die niet wezenlijk verschillen van gevallen waarin een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan en die daarmee de door dat misdrijf verkregen voorwerpen verwerft of voorhanden heeft, zich automatisch ook schuldig zou maken aan het witwassen van die voorwerpen. Voorkomen moet immers worden dat de hiervoor onder 2.3 weergegeven regels worden omzeild enkel door het tenlasteleggen en/of bewezenverklaren van een andere delictsgedraging dan "verwerven" of "voorhanden hebben". In zo een bijzonder geval geldt eveneens dat, wil het handelen kunnen worden aangemerkt als "witwassen", sprake dient te zijn van een gedraging die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van die voorwerpen gericht karakter heeft in de hierboven onder 2.3 omschreven zin. (Vgl. HR 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:716.)

2.5.1. In het onderhavige geval gaat het om het bewezenverklaarde verwerven, voorhanden gehad hebben, overdragen of omzetten van voorwerpen - te weten geldbedragen - die afkomstig zijn uit door de verdachte zelf begane misdrijven (vermogenscriminaliteit) ten aanzien waarvan het Hof heeft geoordeeld dat zulks witwassen oplevert. Het Hof heeft vastgesteld dat verschillende geldbedragen contant op een (eigen) bankrekening zijn gestort, die bedragen nadien contant zijn opgenomen en vervolgens zijn aangewend voor betaling van de huur en het CJIB.

2.5.2. In die gevallen waarin het enkele storten op een eigen bankrekening van contante geldbedragen die onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig zijn kan worden aangemerkt als "omzetten" of "overdragen" in de betekenis van art. 420bis, eerste lid sub b, Sr, zal in de regel sprake zijn van een bijzonder geval als hiervoor onder 2.4. bedoeld, hetgeen meebrengt dat, wil het handelen kunnen worden aangemerkt als "witwassen", sprake dient te zijn van een gedraging die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van die geldbedragen gericht karakter heeft.”

De vraag is dus of zich in casu een geval voordoet waarin, hoewel verdachte de volgens de bewezenverklaring geheelde en witgewassen voorwerpen niet door eigen misdrijf heeft verkregen en niet alleen van voorhanden hebben maar ook van omzetten sprake is, voor witwassen vereist is dat blijkt van een gedraging die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van die geldbedragen gericht karakter heeft.

17. Art. 417bis Sr luidt:

1. Als schuldig aan schuldheling wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de vijfde categorie:

a. hij die een goed verwerft, voorhanden heeft of overdraagt, dan wel een persoonlijk recht op of zakelijk recht ten aanzien van een goed vestigt of overdraagt, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van het goed dan wel het vestigen van het recht redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

b. hij die uit winstbejag een goed voorhanden heeft of overdraagt dan wel een persoonlijk recht op of zakelijk recht ten aanzien van een goed overdraagt, terwijl hij redelijkerwijs moet vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betreft.

2. Met dezelfde straf wordt gestraft hij die uit de opbrengst van enig goed voordeel trekt, terwijl hij redelijkerwijs moet vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betreft.

18. Art. 420 quater Sr luidt:

1. Als schuldig aan schuldwitwassen wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de vijfde categorie:

a. hij die van een voorwerp de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding of de verplaatsing verbergt of verhult, dan wel verbergt of verhult wie de rechthebbende op een voorwerp is of het voorhanden heeft, terwijl hij redelijkerwijs moet vermoeden dat het voorwerp – onmiddellijk of middellijk – afkomstig is uit enig misdrijf;

b. hij die een voorwerp verwerft, voorhanden heeft, overdraagt of omzet of van een voorwerp gebruik maakt, terwijl hij redelijkerwijs moet vermoeden dat het voorwerp – onmiddellijk of middellijk – afkomstig is uit enig misdrijf.

2. Onder voorwerpen worden verstaan alle zaken en alle vermogensrechten.

19. Over de verhouding tussen heling en witwassen houdt de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet van 6 december 2001, Stb. 2001, 606, tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en enkele andere wetten in verband met de strafbaarstelling van het witwassen van opbrengsten van misdrijven, onder meer het volgende in:

“In Nederland heeft de wetgever er aanvankelijk voor gekozen om het witwassen van opbrengsten van misdrijven langs de weg van de helingbepalingen (artikelen 416–417bis Wetboek van Strafrecht (Sr)) te bestrijden. De hiervoor beschreven witwashandelingen zullen doorgaans immers een door de helingbepalingen verboden handeling opleveren, bijvoorbeeld het voorhanden hebben of overdragen van een door misdrijf verkregen goed (zie artikel 416, eerste lid, onderdeel a, Sr). Mede met het oog op de aanpak van het witwassen zijn de helingbepalingen bij de Wet van 9 oktober 1991, houdende aanvulling van het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering met voorzieningen ten behoeve van de bestrijding van heling, Stb. 520, verruimd. De met die wet opgedane ervaringen, alsmede ontwikkelingen die zich de afgelopen jaren hebben voorgedaan ten aanzien van criminaliteit met een financiële component, hebben mij echter tot de conclusie gebracht dat de helingbepalingen niet in alle gevallen toereikend meer zijn voor de aanpak van het witwassen. De helingbepalingen blijken, vergeleken bij de hierboven bedoelde internationale omschrijvingen van het witwassen, enkele meer en minder belangrijke lacunes te vertonen die aan een optimale bestrijding van het witwassen in de weg staan. Zo'n lacune blijkt vooral gelegen in de door de rechtspraak aangenomen en herhaaldelijk bevestigde regel dat de «steler» niet wegens heling van de door hemzelf gestolen goederen kan worden gestraft. Deze zogenaamde heler-steler-regel bemoeilijkt de witwasbestrijding in gevallen waarin de criminele opbrengsten door de witwasser zelf –of mede door hem – zijn gegenereerd.1
(…)
b. De eigen aard van het witwassen en het belang van een aparte aanpak

Ook vanwege andere redenen is bij nader inzien een aparte strafbaarstelling van het witwassen wenselijk. Eén zo'n reden is gelegen in de eigen aard van het witwassen en het (toegenomen) belang van een aparte aanpak.

Sinds de herziening van de helingbepalingen in 1991 is de aandacht voor witwassen verder toegenomen. Justitie en politie hebben meer kennis gekregen van de aard en verschijningsvormen van dit fenomeen en van de mogelijke bestrijdingswijzen. Duidelijk is geworden dat het witwassen niet zozeer als een species van heling moet worden gezien als wel als een zelfstandig delict met een eigen aard, dat een aparte aanpak verdient. Het bewustzijn is toegenomen dat van manipulaties met misdaadgeld een grote bedreiging uitgaat voor de samenleving. De integriteit van het financiële en economische verkeer wordt aangetast doordat gelden met een criminele oorsprong worden «gewit» en weer een (schijnbaar) legale rol in dat verkeer kunnen gaan spelen zonder dat dit voor de bonafide deelnemers aan dat verkeer kenbaar is. Deze laatsten worden dus ongemerkt betrokken bij het handelen van criminelen. Anderen, die wel op de hoogte zijn, worden door de grote sommen geld waarom het gaat, in de verleiding gebracht om hun medewerking te verlenen aan de betrokken constructies door beschikbaarstelling van hun (financiële of juridische) expertise of door gebruikmaking van de gelegenheid die hun functie hun biedt. Hierbij kan worden gedacht aan medewerkers van financiële instellingen of ambtenaren belast met overheidstoezicht of subsidieverlening. In het uiterste geval zouden grootschalige witwashandelingen ertoe kunnen leiden dat van misdrijf afkomstig geld een machtsfactor wordt die de samenleving corrumpeert. Witwassen vormt dus een bedreiging voor de maatschappelijke orde.

Op dit punt bestaat een verschil met de klassieke heling. Heling bestaat uit het profiteren van andermans misdrijven door het overnemen en/of verhandelen van de door die misdrijven (de zogenaamde gronddelicten) verkregen goederen. Daardoor wordt bevorderd dat anderen die misdrijven (blijven) plegen. Dit zogenaamde begunstigende karakter van heling staat voorop. Ook witwassen werkt in zekere zin begunstigend ten opzichte van misdrijven zoals drugshandel en fraude. Zoals in de inleiding gezegd zouden bepaalde lucratieve vormen van criminaliteit immers niet zo aantrekkelijk zijn als de daders er niet in slaagden wegen te vinden om de opbrengsten ervan aan het zicht van de overheid te onttrekken. Primair gaat het bij het witwassen echter om de aantasting van de integriteit van het financiële en economische verkeer en de bedreiging van de openbare orde. Dit is reden om de nieuwe strafbaarstelling niet op te nemen in de titel over begunstiging maar in een aparte titel over witwassen.

Ook in ander opzicht verschilt de klassieke heling van het witwassen. In de opvatting van de wetgever behoefde de heler voor het beheer van de grotendeels concrete en tastbare voorwerpen geen gecompliceerde handelingen te verrichten en behoefde die persoon daarbij geen hulp van of samenwerking met anderen. Dit is anders bij het witwassen. Daar blijft het zelden bij één laakbare handeling en gaat het vaak om een aantal samenhangende kunstgrepen.

Behalve overeenkomsten tussen heling en witwassen zijn er dus verschillen tussen beide delicten, in het bijzonder gelegen in de aard ervan. De twee strafbaarstellingen hebben een verschillende bestaansgrond. Dit neemt overigens niet weg dat de strafbaarstellingen van heling en witwassen, tekstueel gezien, elkaar deels overlappen. In het bijzonder de onderdelen a van de artikelen 416 en 417bis en de onderdelen b van de voorgestelde artikelen 420bis en 420quater zijn grotendeels gelijkluidend. Dit betekent dat in bepaalde gevallen zowel een van de helingbepalingen als een van de witwasbepalingen toepasbaar zal zijn. De officier van justitie kan in zo'n geval kiezen welk feit hij telastelegt (eventueel kan hij de twee feiten ook alternatief telaste leggen). Deze keuze heeft geen gevolgen voor het toepasselijke strafmaximum. Dat is namelijk voor heling en witwassen gelijk, zowel wat betreft de opzettelijke als wat betreft de culpoze varianten.”2

20. In het onderhavige geval gaat het voor wat betreft schuldheling om voorhanden hebben en overdragen, voor wat betreft schuldwitwassen om voorhanden hebben en omzetten van dezelfde voorwerpen in dezelfde periode, dus mede gelet op de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen om in wezen dezelfde gedragingen. De bewezenverklaringen van schuldheling en schuldwitwassen verschillen slechts van elkaar op het punt van hetgeen verdachte met de voorhanden voorwerpen heeft gedaan, respectievelijk “overdragen” en “omzetten”, en op het punt van het al dan niet beperken tot het moment van voorhanden krijgen van het redelijkerwijze moeten vermoeden van de criminele herkomst van de voorwerpen.

21. In onder meer het hiervoor aangehaalde arrest van 7 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2913 overwoog de Hoge Raad over de parlementaire geschiedenis van witwassen:

“Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de strafbaarstelling van witwassen strekt ter bescherming van de aantasting van de integriteit van het financieel en economisch verkeer en van de openbare orde, dat witwassen een veelomvattend, maar ook te begrenzen fenomeen is, en dat ook in het geval het witwassen de opbrengsten van eigen misdrijf betreft, van de witwasser in beginsel een handeling wordt gevergd die erop is gericht "om zijn criminele opbrengsten veilig te stellen".

22. Voor het als witwassen bewezenverklaarde voorhanden hebben en omzetten geldt dat de verdachte die ten aanzien van de onderhavige voorwerpen schuldheling in de vorm van – zoals in casu – voorhanden hebben en overdragen pleegt, zich automatisch schuldig maakt aan het witwassen van die voorwerpen. Het als witwassen bewezenverklaarde voorhanden hebben en omzetten bestaat gelet op de gebezigde bewijsmiddelen immers in het als schuldheling bewezenverklaarde voorhanden hebben en overdragen van dezelfde voorwerpen, terwijl de schuld in de wet voor schuldheling weliswaar iets anders is omschreven dan voor schuldwitwassen doch aan die verschillen gelet op de wetsgeschiedenis niet enig inhoudelijk verschil van betekenis toekomt.

23. In gevallen als de onderhavige dacht de wetgever aan tenlasteleggen van óf schuldheling óf witwassen, of aan alternatief tenlasteleggen van schuldheling en witwassen, maar niet – zoals in casu is geschied - aan cumulatief tenlasteleggen van beide delicten (zie 19, slot). Met deze gedachte strookt de in de hiervoor aangehaalde rechtspraak van de Hoge Raad besloten liggende opvatting dat vervolging ter zake van witwassen naast vervolging ter zake van andere delicten enige zelfstandige betekenis moet toekomen in die zin dat het plegen van een ander delict niet automatisch tot witwassen leidt.

24. In feite stuiten we hier op de onmacht van de wetgever het verschil tussen schuldheling en schuldwitwassen in de beschrijving van de bestanddelen van schuldwitwassen tot uitdrukking te brengen. Dit gebrek zal dus, zoals ook in het hiervoor aangehaalde HR 7 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2913 is geschied, door de rechter dienen te worden geheeld.

25. Aansluitend bij de wijze waarop de Hoge Raad de kern van het witwassen heeft geaccentueerd in onder meer HR 7 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2913 betekent dit dat, wil het onder 2 bewezenverklaarde handelen kunnen worden aangemerkt als ‘schuldwitwassen’, er sprake moet zijn van een gedraging die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van die voorwerpen gericht karakter heeft. Daarvan blijkt noch uit de gebezigde bewijsmiddelen noch uit de motivering van het Hof. Dit betekent dat de bewezenverklaring voor wat betreft het onder 2 bewezenverklaarde schuldwitwassen niet voldoende met redenen is omkleed.

26. Het middel slaagt.

27. Het derde middel houdt in dat de bewezenverklaring van feit 2 onvoldoende met redenen is omkleed omdat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet blijkt dat sprake is geweest van het daadwerkelijk verhullen of verbergen van de sieraden.

28. Gelet op hetgeen ik hiervoor ten aanzien van het tweede middel onder 16 e.v. heb uiteengezet, slaagt dit middel eveneens.

29. Het vierde middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM is overschreden.

30. Het cassatieberoep is ingesteld op 14 maart 2012. De stukken van het geding zijn blijkens een daarop gezet stempel op 23 oktober 2013 bij de Hoge Raad binnengekomen. Dat brengt met zich dat de inzendtermijn van acht maanden is overschreden. Voorts zal de Hoge Raad in deze zaak uitspraak doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Het middel is dan ook terecht voorgesteld.

31. Het middel kan echter onbesproken blijven indien de Hoge Raad met mij van oordeel is dat het bestreden arrest om andere redenen niet in stand kan blijven en de zaak dient te worden teruggewezen of verwezen.3

32. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen waarop het bestreden arrest zou dienen te worden vernietigd.

33. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Hof dan wel verwijzing van de zaak naar een aangrenzend Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Kamerstukken II 1999–2000, 27 159, nr. 3, p. 2.

2 Kamerstukken II 1999–2000, 27 159, nr. 3, p. 4, 5.

3 HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358, rov. 3.5.3.