Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:2547

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
04-11-2014
Datum publicatie
04-02-2015
Zaaknummer
13/04372
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:214, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Falende bewijsklacht witwassen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 13/04372

Zitting: 4 november 2014

Mr. Vellinga

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam wegens zaak A (parketnummer 13-528193-08) onder 1 “witwassen, meermalen gepleegd”, zaak A (parketnummer 13-528193-08) onder 3 “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie”, zaak C (parketnummer 13-480384-08) “in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf en terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van zijn recht op die verstrekking of tegemoetkoming” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 98 dagen en een werkstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis. Voorts heeft het Hof goederen verbeurdverklaard en aan het verkeer onttrokken verklaard, een en ander als in het arrest omschreven.

2. Namens verdachte heeft mr. Th.J. Kelder, advocaat te Den Haag, vijf middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel houdt in dat het Hof bij het bewezenverklaren van witwassen (feit 1 in zaak A (parketnummer 13-528193-08) niet heeft gekozen tussen “wist” en “redelijkerwijs had moeten vermoeden” doch beide heeft bewezenverklaard hoewel keuze tussen deze beide begrippen, gelet op het bepaalde in art. 420bis Sr (witwassen) en art. 420quater Sr (schuldwitwassen) voor de strafrechtelijke betekenis van het feit wel van belang is.

4. Het Hof heeft in de zaak A onder 1 ten laste van verdachte bewezenverklaard dat:

“hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2008 tot en met 1 september 2008, te Amsterdam, althans in Nederland, voorwerpen, te weten geldbedragen heeft omgezet, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat bovenomschreven geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf

en

hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2008 tot en met 1 september 2008, te Amsterdam, in elk geval in Nederland, van voorwerpen, te weten motoren, de vindplaats heeft verhuld, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat die voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - uit misdrijf afkomstig waren.”

5. Deze bewezenverklaring heeft het Hof gekwalificeerd als “witwassen”. Daaruit volgt dat in de bewezenverklaring ten onrechte is opgenomen dat verdachte redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de in de bewezenverklaring genoemde voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - uit misdrijf afkomstig waren.

6. Dit gebrek kan worden hersteld omdat verdachte door dat herstel niet in zijn rechtens beschermde belangen wordt geschaad.1 Uit bewijsmiddel 20 blijkt immer onmiskenbaar dat verdachte wist dan wel bewust het risico op de koop toe nam2 dat de in de bewezenverklaring genoemde voorwerpen van misdrijf afkomstig waren.

7. Het middel is tevergeefs voorgedragen.

8. Het tweede middel bevat een drietal klachten over de bewijsvoering.

9. In de eerste plaats wordt geklaagd dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de motorfietsen, die verdachte volgens het Hof in eigendom heeft verkregen, door verdachte zijn aangeschaft in de bewezenverklaarde periode. Dit betekent, aldus de toelichting op het middel, dat er onvoldoende bewijs is voor het onder 1 bewezenverklaarde omzetten van geldbedragen in de periode van 1 januari 2008 tot en met 1 september 2008.

10. In de toelichting op het middel wordt er aan voorbijgegaan dat uit de bewijsmiddelen 9 en 10 blijkt van 12 gevallen van huur dan wel aankoop in de bewezenverklaarde periode, waarin de verdachte steeds contant heeft betaald. De klacht gaat dus niet op.

11. Ten tweede wordt geklaagd dat het Hof in zijn bewijsoverweging onder het hoofd “Eigenaar van de motorfietsen” en het hoofd “Waarde van de motorfietsen” feiten heeft genoemd die niet blijken uit de gebezigde bewijsmiddelen terwijl ook niet met voldoende nauwkeurigheid is aangeduid aan welke bewijsmiddelen deze feiten zijn ontleend. Het gaat om de volgende feiten:

- de motorfietsen staan op naam van de verdachte;

- er zijn aankoopbonnen (verzoeker begrijpt: van deze motorfietsen) in de woning van zijn moeder aangetroffen;

- verdachte had de motorsleutels (verzoeker begrijpt: van deze motorfietsen) in zijn bezit;

- verdachte had zeggenschap over de motorfietsen;

- verdachte heeft voor een bedrag van € 17.700,- aan motorfietsen aangeschaft.

12. Het Hof heeft onder het hoofd “Eigenaar van de motorfietsen” en het hoofd “Waarde van de motorfietsen” overwogen:

Eigenaar van de motorfietsen

Het hof is van oordeel dat de motorfietsen, in tegenstelling tot de verklaring van de verdachte en zijn vader, in eigendom toebehoorden aan de verdachte. Het hof sluit aan bij de feiten en omstandigheden welke door de rechtbank zijn genoemd in het vonnis onder punt 5.3.1.3. tot en met 5.3.1.6. Nu de motorfietsen niet alleen op naam van de verdachte staan, maar ook aankoopbonnen in de woning van zijn moeder - waar de verdachte feitelijk woonde - zijn aangetroffen, de verdachte de motorsleutels in zijn bezit en zeggenschap over de motorfietsen had, beschikte verdachte als heer en meester over de motorfietsen.

Waarde van de motorfietsen

Het hof sluit wat betreft de aanschafwaarde van de motorfietsen aan bij de bedragen welke door de rechtbank zijn genoemd in het vonnis onder punt 5.3.1.7. In totaal heeft de verdachte aldus voor een bedrag van € 17.700,- aan motorfietsen aangeschaft.”

13. De Rechtbank heeft in haar vonnis onder meer overwogen:

“5.3.1.3 Ten aanzien van de vijf motoren die in de tenlastegelegde periode op naam van verdachte stonden, is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat deze van misdrijf afkomstig zijn, omdat het niet anders kan zijn dan dat verdachte deze met geld heeft gekocht dat van misdrijf afkomstig is. De rechtbank overweegt hierover als volgt. De rechtbank acht de verklaring van verdachte en de verklaring van zijn vader bij de rechter-commissaris inhoudende, kort gezegd, dat vier van de genoemde vijf motoren niet van verdachte zijn, maar door vader zijn betaald en alleen op naam van verdachte zijn gesteld om te voorkomen dat vader problemen met de belastingdienst zou krijgen, zo onwaarschijnlijk dat daaraan geen geloof wordt gehecht. Daartoe is het volgende redengevend. Geen van de motoren is bij vader aangetroffen en vader weet ook niet waar de motoren zijn gestald. Dit is vreemd omdat de motoren een behoorlijke waarde vertegenwoordigen. Verder is gebleken dat de aangetroffen aankoopbonnen op naam van verdachte en niet op naam van vader staan. Ook wordt de motor met kenteken [MM-00-NN] bij verdachte thuis aangetroffen en worden de twee motoren met kentekens [AA-00-BB] en [EE-00-FF] in de achtertuin van iemand anders aangetroffen, waarvan de zoon die op het desbetreffende adres woont, laat weten dat deze motoren van een vriend van hem zijn. Tevens is ten aanzien van de motor met kenteken [MM-00-NN] een verkoopbewijs op naam van verdachte en niet op naam van vader gevonden. Voorts is de enkele stelling dat vader problemen zou krijgen met de belastingdienst als de motoren op zijn naam zouden staan, niet zonder meer begrijpelijk, op zichzelf al niet en zeker nu er verder geen verdere toelichting is verstrekt.

5.3.1.4 Ter terechtzitting heeft de verdediging gewezen op een vrijwaringsbewijs van 3 februari 2003 met betrekking tot de motor met kenteken [KK-00-LL], echter, ten aanzien van deze motor heeft verdachte zelf verklaard dat hij er € 4.500,- voor heeft betaald. Hoewel vader hierover verklaart dat verdachte € 1.500,- voor de motor aan hem heeft betaald en verdachte ter terechtzitting op zijn eerdere verklaring is teruggekomen en heeft gezegd niet meer precies te weten hoe hoog het bedrag is, maar dat het geen groot bedrag is geweest, gaat de rechtbank er op basis van de in het bovenstaande onder 3.1.3 genoemde bewijsmiddelen van uit dat verdachte eigenaar is van deze motor en er een bedrag van € 4.500,- voor heeft betaald. Naast de verklaringen van verdachte met betrekking tot de hoogte van het betaalde bedrag, vindt de rechtbank steun in een andere verklaring van verdachte, te weten de verklaring dat verdachte bij verkoop via internet (ook) een bedrag van € 4.500,- zou krijgen.

5.3.1.5 Ter terechtzitting heeft de verdediging ten aanzien van de motor met kenteken [AA-00-BB] een tenaamstelling op de vader van verdachte, gedateerd 14 augustus 2007, en een vrijwaringsbewijs op naam van vader met datum 23 augustus 2007 overgelegd. Hieruit kan naar het oordeel van de rechtbank worden geconcludeerd dat vader aanvankelijk deze motor op zijn naam heeft gehad, maar niet dat de motor ook door vader is aangeschaft. Op basis van de genoemde bewijsmiddelen (de eigen verklaring van verdachte dat hij heeft betaald voor de motor en het bedrag daarvoor bij elkaar heeft gespaard en het feit dat zijn naam op de aankoopnota staat) blijkt dat verdachte de motor heeft betaald. Verdacht krijgt deze motor later ook op zijn naam.

5.3.1.6 Tenslotte heeft de verdediging een aankoopnota van [B] overgelegd waarop de aankoop van een Suzuki GSX 1300 R is bevestigd. Anders dan de verdediging stelt, is de rechtbank van oordeel dat deze aankoopnota niet ziet op één van de Suzuki motoren uit het dossier met kentekens [AA-00-BB] of [EE-00-FF]. Immers het framenummer in de door de verdediging overgelegde nota (eindigend op 1160) komt blijkens het proces-verbaal van inbeslagneming niet overeen met het framenummer van de [AA-00-BB] (eindigt op 4576) en ook niet met het framenummer van de [EE-00-FF] (eindigt op 6395), en moet derhalve betrekking hebben op een geheel andere motor. Daarbij komt dat verdachte heeft gezegd dat de Suzuki GSX motoren zijn gekocht respectievelijk in Eindhoven en in Limburg of bij Op Hij motoren richting de grens, terwijl de firma [B] in Zwolle is gevestigd. De rechtbank acht niet aannemelijk dat verdachte dit bedrag geheel zou toekomen als hij de motor nog niet volledig zou hebben afbetaald.

(…)

5.3.1.7 Uit het dossier kan niet worden afgeleid dat de stelling van de verdediging, dat het hier schademotoren betreft met een lagere waarde dan de door de ANWB gehanteerde cataloguswaarde, niet juist zou zijn. De rechtbank gaat daarom ook uit van de aanschafbedragen die ten aanzien van de vijf motoren uit de bewijsmiddelen blijken dan wel daaruit kunnen worden afgeleid. Zoals reeds is overwogen gaat de rechtbank voor de motor met kenteken [KK-00-LL] uit van een bedrag van € 4.500,-. Voor de motor met kenteken [MM-00-NN] geldt dat de ANWB deze taxeert op € 7.925,- (occasionprijs), maar dat verdachte hem in 2008 verkoopt aan [A] voor € 4.500,-. De rechtbank zal uitgaan van dit verkoopbedrag als het bedrag waarvoor verdachte de motor ook heeft gekocht. Ten aanzien van de motor met kenteken [AA-00-BB] geldt dat verdachte zelf heeft verklaard dat hij € 6.000,- heeft betaald, maar dat uit de aankoopnota blijkt dat alleen een bedrag van € 3.000,- is aanbetaald. Ten aanzien van deze motor gaat de rechtbank daarom uit van een door verdachte betaald bedrag van € 3.000,-. Ten aanzien van de motor met kenteken [CC-00-DD] gaat de rechtbank uit van een bedrag van € 700,-. Ten aanzien van de motor met kenteken [EE-00-FF] taxeert de ANWB de waarde op € 6.500,- (occasion) en verklaart verdachte zelf dat een oom de motor voor € 6.000,- zou kopen. Uitgaande van de verklaring van verdachte dat hij wel eens een motor verkoopt en dan gemiddeld een winst van € 1.000,- maakt, gaat de rechtbank ervan uit dat verdachte voor deze motor € 5.000,- heeft betaald. In totaal heeft verdachte aldus voor de aanschaf van de motoren een bedrag van € 17.700,- betaald.”

14. Blijkens de verwijzing van het Hof naar de hiervoor aangehaalde overwegingen van de Rechtbank heeft het Hof in zijn hiervoor aangehaalde overwegingen het oog op de motoren met de kentekens [KK-00-LL], [MM-00-NN], [AA-00-BB], [CC-00-DD] en [EE-00-FF].

15. Verdachte heeft verklaard dat de motoren met de kentekens [AA-00-BB] (bewijsmiddel 2 en 7), [KK-00-LL] (bewijsmiddel 3), en [MM-00-NN] (bewijsmiddel 4) van hem zijn dan wel hem in vrije en onbezwaarde eigendom toebehoorden. Voorts behelst bewijsmiddel 10 een in de woning van verdachte aangetroffen aankoopbon die blijkens bewijsmiddelen 6 en 13 – waarin kennelijk bij abuis van een verkoopbon in plaats van van een aankoopbon wordt gesproken - betrekking heeft op een motor met het kenteken [CC-00-DD]. Verder heeft de verdachte naar zijn zeggen (bewijsmiddel 7) een Suzuki GSX 1300R op zijn naam staan met in het kenteken iets van 09, maar wil hij niet wil zeggen waar deze staat (bewijsmiddel 7). Elders is aangetroffen een Suzuki GSX 1300R [EE-00-FF] (bewijsmiddel 23) hetgeen het Hof niet onbegrijpelijk tot de conclusie brengt (“het hof begrijpt” in bewijsmiddel 7) dat de motor waar de verdachte in bewijsmiddel 7 over spreekt de Suzuki GSX 1300R met het kenteken [EE-00-FF] is. Aldus kan uit de gebezigde bewijsmiddelen worden afgeleid dat genoemde motoren eigendom van de verdachte waren. Dit betekent dat de klacht in zoverre tevergeefs is opgeworpen.

16. Hetgeen het Hof overweegt over de waarde van genoemde motorfietsen moet kennelijk aldus worden verstaan dat het Hof uit het vernietigde vonnis overneemt hetgeen de Rechtbank heeft overwogen onder 5.3.1.7. De door de Rechtbank voor de motoren met de kentekens [KK-00-LL] en [MM-00-NN] genoemde waarde blijkt uit de bewijsmiddelen 3 en 4, die voor de motor met het kenteken [AA-00-BB] uit bewijsmiddel 5, die van de motor met het kenteken [CC-00-DD] uit bewijsmiddel 6. Voor de vaststelling van de waarde van de motor met het kenteken [EE-00-FF] verwijst de Rechtbank naar de verklaring van verdachte van 3 september (doorgenummerde pagina 33-37). Aldus is met voldoende precisie aangeduid aan welk bewijsmiddel de waarde van de motor met het kenteken [EE-00-FF] is ontleend. Bovendien houdt bewijsmiddel 7 in hetgeen de Rechtbank als verklaring van de verdachte in aanmerking neemt. Derhalve mist de klacht ook voor het overige doel.

17. Ten derde wordt geklaagd over tegenstrijdigheid in de bewijsvoering ten aanzien van de eigendom van de motor met het kenteken [EE-00-FF] en ten aanzien van de aanschafwaarde van de motorfietsen.

18. Bewijsmiddel 2, voor zover inhoudende dat de motor met het kenteken [EE-00-FF] eigendom van verdachtes vader is, is inderdaad in strijd met de overweging van het Hof dat die motor eigendom van verdachte is. In de overweging over de eigendom van de motorfietsen overweegt het Hof uitdrukkelijk en gemotiveerd dat het voorbijgaat aan de verklaring van verdachte en zijn vader dat die motorfiets van de vader van verdachte was. Kennelijk is dus bij vergissing in bewijsmiddel 2 opgenomen als verklaring van verdachte dat bedoelde motor van zijn vader was. Deze vergissing kan worden hersteld zonder tekort te doen aan de rechtens beschermde belangen van verdachte. Daarom behoeft deze tegenstrijdigheid niet tot vernietiging van het bestreden arrest te leiden.

19. Voor wat betreft de klacht over tegenstrijdigheid in de bewijsvoering ten aanzien van de aanschafwaarde van de motorfietsen verwijs ik naar de bespreking van het vierde middel onder 36 en 37.

20. Het middel faalt.

21. Het derde middel houdt in dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat verdachte de vindplaats van de motoren met de kentekens [AA-00-BB] en [EE-00-FF] opzettelijk heeft verhuld.

22. Blijkens de bewijsmiddelen 22 en 23 zijn deze motoren aangetroffen in de tuin respectievelijk de achtertuin van [c-straat 1]. Zoals hiervoor reeds aan de orde is geweest behoorden deze motoren aan de verdachte in eigendom toe.

23. De memorie van toelichting op de witwasbepalingen houdt onder meer in:

“Zoals het woord al zegt gaat het bij het witwassen van opbrengsten van misdrijven om het verbergen of verhullen van de illegale herkomst van gelden of voorwerpen. Doel hiervan is om die opbrengsten aan het zicht van politie en justitie te onttrekken, zodat confiscatie wordt voorkomen.3

(…)

2 De gronden voor het voorstel nader beschouwd

a. De internationale strafbaarstellingsverplichting Welke handelingen dienen ingevolge internationale overeenkomsten in de Nederlandse wetgeving te zijn strafbaar gesteld? EG-richtlijn nr. 91/308/EEG, waarin blijkens de considerans de definitie van het witwassen is overgenomen uit de verdragen van Wenen en Straatsburg, omschrijft het «witwassen van geld» als volgt: de hierna genoemde daden, indien opzettelijk begaan: (1) de omzetting of overdracht van voorwerpen, wetende dat deze zijn verworven uit een criminele activiteit of uit deelneming aan een dergelijke activiteit, met het oogmerk de illegale herkomst ervan te verhelen of te verhullen of een persoon die bij deze activiteit is betrokken, te helpen te ontkomen aan de wettelijke gevolgen van zijn daden; (2) het verhelen of verhullen van de werkelijke aard, oorsprong, vindplaats, vervreemding, verplaatsing, rechten op of de eigendom van voorwerpen, wetende dat deze zijn verworven uit een criminele activiteit of uit deelneming aan een dergelijke activiteit;4
(…)

3 Het bewijs van witwassen

De kern van het witwassen zoals omschreven in onderdeel a van artikel 420bis, eerste lid, is het verbergen of verhullen van de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats enz. van bepaalde voorwerpen. Het effect van deze handelingen is dat de opbrengsten van misdrijven aan het zicht worden onttrokken. Juist dit verhullende element maakt het bewijs van witwassen nogal eens moeilijk: of het voorwerp van de (vermoede)witwashandelingen inderdaad (direct of indirect) afkomstig is uit een misdrijf, is niet eenvoudig vast te stellen. Dit is overigens bij alle vormen van witwassen het geval, ook bij die vormen die als een gedraging in de zin van artikel 420bis of 420quater, eerste lid, onderdeel b, moeten worden gekwalificeerd. Het handelen van de witwasser zal er steeds op gericht zijn de criminele opbrengsten voor justitie te verbergen.5

Artikelen 420bis en 420quater Wetboek van Strafrecht

Verbergen of verhullen van de werkelijke aard, herkomst, vindplaats enz. (eerste lid, onderdeel a) Bij de in het eerste lid, onderdeel a, strafbaar gestelde gedraging gaat het om al die handelingen die tot doel hebben èn geschikt zijn om de werkelijke aard, herkomst, vindplaats enzovoort van een voorwerp te verbergen of verhullen. De strafbaarstelling geeft niet nader aan om welke handelingen het allemaal kan gaan; bepalend voor de strafbaarheid is het effect van het handelen. De termen «verbergen» en «verhullen» impliceren dus een zekere doelgerichtheid: het handelen is erop gericht het zicht op de aard, herkomst, vindplaats enz. van voorwerpen te bemoeilijken en is ook geschikt om dat doel te bereiken. Veelal zal bij een enkele handeling ten aanzien van een voorwerp nog niet van een dergelijk doelgerichtheid kunnen worden gesproken. Vaak zal het gaan om een reeks van handelingen, die tezamen een geval van witwassen opleveren. Dit betekent dat voor het bewijs van het verbergen of verhullen vaak naar meer handelingen (transacties) in het witwastraject zal moeten worden gekeken. Uit alle stappen tezamen moet duidelijk worden dat er (zonder redelijke economische grond) met geld is geschoven op een manier die geschikt is het spoor aan de waarneming te onttrekken. Juist die ondoorzichtigheid van de opeenvolgende transacties brengt mee dat werkelijke aard, herkomst, vindplaats, rechten enzovoort buiten beeld blijven. Het voorgaande sluit niet uit dat onder omstandigheden ook een enkele handeling verbergen of verhullen zou kunnen opleveren, hoewel in zo’n geval waarschijnlijk eerder gesproken kan worden van een van de gedragingen genoemd in het eerste lid, onderdeel b, van de artikelen 420bis en 420quater (zie hierna). Over de termen «verbergen of verhullen» kan nog het volgende worden opgemerkt. In plaats van de in richtlijn 91/308/EEG voorkomende, wat verouderde term «verhelen» is de term «verbergen» gekozen. «Verbergen» en «verhullen» zullen elkaar grotendeels overlappen. Van een volstrekt onzichtbaar maken van de werkelijke aard, herkomst, vindplaats Tweede Kamer, vergaderjaar 1999–2000, 27 159, nr. 3 14 enzovoort behoeft geen sprake te zijn. Als dat zo zou zijn, zou het zelden tot een strafvervolging kunnen komen. Van «verhullen» – volgens Van Dale synoniem voor «versluieren» – zal al sprake kunnen zijn als door bepaalde constructies een mistgordijn wordt opgeworpen dat weliswaar enig zicht op het voorwerp en de daarbij betrokken personen toelaat, maar het niet mogelijk maakt om met enige zekerheid de (legale) herkomst en de rechthebbende vast te stellen. De trits feiten die volgens de richtlijn verhuld kunnen worden (werkelijke aard, oorsprong, vindplaats, vervreemding, verplaatsing, rechten op of eigendom van voorwerpen), is in zijn geheel in artikel 420bis, eerste lid, onder a, overgenomen. Veelal zullen feiten samenvallen, dat wil zeggen tezamen door een en dezelfde witwashandeling worden verhuld. Zo zal het verbergen of verhullen van de vervreemding of de verplaatsing vaak neerkomen op het verbergen van de vindplaats of de rechthebbende. Met het verbergen of verhullen van de «werkelijke aard» van het voorwerp wordt bedoeld het voorwenden van een andere aard dan de werkelijke (bijvoorbeeld gelden worden gepresenteerd als de winst uit een legaal bedrijf, terwijl ze in werkelijkheid uit drugshandel afkomstig zijn). Toegevoegd is het verbergen of verhullen van degene die het voorwerp voorhanden heeft. Hierbij gaat het om degene die het voorwerp feitelijk tot zijn beschikking heeft. Vaak laten witwasconstructies er namelijk geen twijfel over bestaan wie in juridische zin rechthebbende op het voorwerp is, maar zijn ze er juist op gericht te verhullen wie feitelijk de beschikkingsmacht over het voorwerp heeft.”6

24. De kern van het witwassen, aldus de memorie van toelichting, is het verbergen of verhullen van de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats enz. van bepaalde voorwerpen. Het effect van deze handelingen is dat de opbrengsten van misdrijven aan het zicht worden onttrokken. Bij verbergen of verhullen van de werkelijke aard, herkomst, vindplaats enz. gaat het om handelingen die tot doel hebben én geschikt zijn om de werkelijke aard, herkomst, vindplaats enzovoort van een voorwerp te verbergen of verhullen. De strafbaarstelling geeft niet nader aan om welke handelingen het allemaal kan gaan; bepalend voor de strafbaarheid is het effect van het handelen. De termen «verbergen» en «verhullen» impliceren dus een zekere doelgerichtheid7: het handelen is erop gericht het zicht op de aard, herkomst, vindplaats enz. van voorwerpen te bemoeilijken en is ook geschikt om dat doel te bereiken.

25. Bij gebreke van aanwijzingen voor het tegendeel, in het bijzonder een ter zake door de verdachte gevoerd verweer, kan uit de bewijsmiddelen worden afgeleid dat het de verdachte als eigenaar van de motoren is geweest die heeft bewerkstelligd dat die motoren in de bewuste (achter)tuin stonden.

26. In het onderhavige geval stonden de uit misdrijf verkregen motoren niet bij de verdachte thuis, maar bij een ander in de achtertuin. Zij waren daar neergezet zonder dat de bewoner van de woning waarbij de tuin hoort daarvan op de hoogte was gesteld. De achtertuin was voorzien van een schutting, er was een sleutel nodig om in de tuin te komen en van de openbare weg was niet zichtbaar wat in de tuin stond (bewijsmiddel 21). In deze omstandigheden kan het plaatsen van de motoren in de achtertuin worden aangemerkt als een vorm van verhullen van de vindplaats van de uit misdrijf verkregen motoren. Zo wordt immers de vindplaats van die motoren bemoeilijkt: zij stonden niet bij de verdachte, die de – naar hij wist - uit misdrijf – afkomstige motoren had gekocht, maar bij een derde in de (achter)tuin, niet zichtbaar vanaf de openbare weg. Dat bemoeilijkte het vinden en dus de confiscatie van de motoren. Als zodanig was verdachtes handelen van dien aard dat het erop was gericht zijn criminele opbrengsten veilig te stellen, bij uitstek een kenmerk van witwassen.8

27. Ook al zou uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kunnen worden afgeleid dat verdachtes oogmerk met het (doen) plaatsen van de motoren in genoemde (achter)tuin op het verhullen van de vindplaats was gericht, dan kan, in aanmerking genomen dat de verdachte wist dat de motoren van misdrijf afkomstig waren, toch minstgenomen uit de bewijsmiddelen worden afgeleid dat verdachte besefte dat hij met het (doen) plaatsen van de motoren in de (achter)tuin van een derde de vindplaats van die motoren verhulde.

28. Uit verdachtes uitdrukkelijke weigering de plaats te noemen waar de motoren zich bevonden spreekt nog eens dat verdachtes handelen erop gericht was confiscatie van de motoren te voorkomen. Die weigering zou kunnen worden gezien als te dien aanzien een (impliciet) beroep op verdachtes zwijgrecht. Omdat die weigering – zoals uit het voorgaande volgt - niet noodzakelijk is om het bewijs “rond” te maken en verdachte niet klaagt over dit onderdeel van de bewijsvoering laat ik de vraag rusten of die weigering, gelet op verdachtes zwijgrecht, aan het bewijs kan meewerken.9

29. Het middel faalt.

30. Het vierde middel bevat twee klachten over het bewijs van het in zaak C bewezenverklaarde feit.

31. In zaak C is ten laste van de verdachte bewezenverklaard:

“hij op tijdstippen in de periode van 18 januari 2008 tot en met 31 augustus 2008 te Amsterdam, in strijd met een hem, verdachte, bij of krachtens wettelijk voorschrift (artikel 17 van de Wet werk en bijstand) opgelegde verplichting, telkens opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken aan de Dienst Werk en Inkomen, immers heeft hij in die periode en op die plaats geheel of gedeeltelijk niet aan genoemde dienst medegedeeld of kenbaar gemaakt dat hij

- werkzaamheden verrichtte en

- (oncontroleerbare) inkomsten ontving en

- beschikte over een vermogen groter dan het vrij te laten bescheiden vermogen

zijnde dit gegevens waarvan hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze gegevens van belang waren voor de vaststelling van het recht op een verstrekking of tegemoetkoming - namelijk een uitkering krachtens de Wet werk en bijstand - dan wel voor de hoogte of de duur van voornoemde verstrekking of tegemoetkoming, zulks terwijl dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf.”

32. Met betrekking tot het bewijs van dit feit heeft het Hof overwogen:

“De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde, terwijl de verdediging vrijspraak heeft bepleit, kort weergegeven omdat opzet ontbrak nu de verdachte geen juridisch en economisch eigenaar is van de motorfietsen.

Het hof heeft hiervoor reeds uiteengezet dat de verdachte naar het oordeel van het hof wel moet worden aangemerkt als eigenaar van de motorfietsen. Dat verweer wordt derhalve verworpen.

Voor zover de verdachte eertijds inderdaad een of meer schademotorfietsen heeft aangeschaft, hebben in elk geval de inspanningen van de verdachte en zijn investeringen in onderdelen om de schade te herstellen, ertoe geleid dat de motorfietsen weer hersteld waren en kennelijk weer op de weg konden rijden, zodat de waarde van de (beweerdelijke schade)motorfietsen op hierboven vermelde waarde van € 17.700 is te stellen. Die toegevoegde waarde is derhalve door de werkzaamheden van de verdachte gerealiseerd terwijl na afloop van die werkzaamheden de motorfietsen in totaal een waarde hadden die aanmerkelijk groter was dan het vrij te laten bescheiden vermogen. Ten slotte heeft de verdachte verklaard dat hij met de bemiddeling in gesloten motoronderdelen inkomsten genereerde.”

33. In de toelichting op het middel wordt in de eerste plaats geklaagd dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid, dat “de inspanningen van de verdachte en zijn investeringen in onderdelen om de schade te herstellen, ertoe hebben geleid dat de motorfietsen weer hersteld waren en kennelijk weer op de weg konden rijden, zodat de waarde van de (beweerdelijke schade)motorfietsen op hierboven vermelde waarde van € 17.700,- is te stellen.”

34. Deze klacht is terecht voorgedragen, en wel reeds daarom omdat uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat verdachte inspanningen heeft verricht en in onderdelen heeft geïnvesteerd om de schade aan de motorfietsen te herstellen en dus evenmin dat daardoor de waarde van de motorfietsen op € 17.700 is te stellen.

35. Ten laste van verdachte is bewezenverklaard dat hij werkzaamheden heeft verricht. Blijkens de gebezigde bewijsmiddelen bestonden deze niet in herstel van motorfietsen maar in handel/bemiddeling in motorfietsen en onderdelen daarvan alsmede in sleutelen aan motoren (bewijsmiddelen 7, 8 en 20). Voorts is bij de bespreking van middel 2 al uiteengezet dat er voldoende bewijs is voor de waarde van de motorfietsen van € 17.700 en dus – zoals bewezenverklaard – van het beschikken over een vermogen groter dan het vrij te laten bescheiden vermogen. Er is dus voldoende bewijs voor de onderdelen van de bewezenverklaring waarop het middel betrekking heeft. Dit betekent dat de verdachte onvoldoende belang heeft bij zijn klacht.

36. In de tweede plaats bevat het middel een klacht over tegenstrijdigheid tussen twee overwegingen van het Hof. Het gaat om de volgende overwegingen:

Waarde van de motorfietsen

Het hof sluit wat betreft de aanschafwaarde van de motorfietsen aan bij de bedragen welke door de rechtbank zijn genoemd in het vonnis onder punt 5.3.1.7. In totaal heeft de verdachte aldus voor een bedrag van € 17.700,- aan motorfietsen heeft aangeschaft.”

en

“Voor zover de verdachte eertijds inderdaad een of meer schademotorfietsen heeft aangeschaft, hebben in elk geval de inspanningen van de verdachte en zijn investeringen in onderdelen om de schade te herstellen, ertoe geleid dat de motorfietsen weer hersteld waren en kennelijk weer op de weg konden rijden, zodat de waarde van de (beweerdelijke schade)motorfietsen op hierboven vermelde waarde van € 17.700 is te stellen. Die toegevoegde waarde is derhalve door de werkzaamheden van de verdachte gerealiseerd terwijl na afloop van die werkzaamheden de motorfietsen in totaal een waarde hadden die aanmerkelijk groter was dan het vrij te laten bescheiden vermogen.”

37. De tegenstrijdigheid tussen deze twee overwegingen zou hierin bestaan dat het Hof er in de eerste overweging vanuit gaat dat verdachte motorfietsen voor een waarde van € 17.700 heeft aangeschaft en in de tweede overweging dat hij de door hem aangeschafte motorfietsen door herstel op een waarde van € 17.700 heeft gebracht. Inderdaad zijn bovenstaande twee overwegingen op dit punt niet met elkaar te verenigen. Voor de bewezenverklaring is dit echter niet van belang. Deze houdt immers niet meer in dan dat verdachte beschikte over een vermogen groter dan het vrij te laten bescheiden vermogen. Dat deed hij gelet op de waarde van de motorfietsen van € 17.700. Hoe die motorfietsen aan die waarde kwamen is daarvoor niet relevant.

38. Het middel faalt.

39. Het vijfde middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM is overschreden.

40. Het cassatieberoep is ingesteld op 9 augustus 2012. De stukken van het geding zijn blijkens een daarop gezet stempel op 19 juli 2013 bij de Hoge Raad binnengekomen. Dat brengt met zich dat de inzendtermijn van acht maanden is overschreden. Voorts zal de Hoge Raad in deze zaak uitspraak doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Het middel is dan ook terecht voorgesteld. Dit dient te leiden tot strafvermindering.

41. Het eerste, het tweede en het vierde middel kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

42. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen waarop het bestreden arrest zou dienen te worden vernietigd.

43. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor wat betreft de opgelegde straf. De Hoge Raad kan de hoogte daarvan verminderen naar de gebruikelijke maatstaf. Voor het overige dient het beroep te worden verworpen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. o.a. HR 27 augustus 2013, ECLI:NL:HR:2013:486, HR 5 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1117.

2 Zie HR 30 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC8673, rov. 3.6: “Onder opzet is in het algemeen mede voorwaardelijk opzet begrepen. In de rechtspraak van de Hoge Raad is in verscheidene gevallen aangenomen dat het bestanddeel ‘wetende dat’ opzet in voorwaardelijke vorm omvat (bijvoorbeeld HR 19 januari 1993, ECLI:NL:HR:1993:AD1812, NJ 1993/491 (art. 416 Sr) en HR 3 december 2002, ECLI:NL:HR:AE8908, NJ 2004/353 (art. 243 Sr)).”

3 Kamerstukken II 1999–2000, 27 159, nr. 3, p. 2.

4 Kamerstukken II 1999–2000, 27 159, nr. 3, p. 3.

5 Kamerstukken II 1999–2000, 27 159, nr. 3, p. 8.

6 Kamerstukken II 1999–2000, 27 159, nr. 3, p. 14, 15.

7 Zie ook Kamerstukken I 2000-2001, nr. 288a, p. 9, 2001-2002, 27 159, 33a, p. 5.

8 HR 18 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA3302, rov. 2.5.1.

9 Vgl. HR 16 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2764.