Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:2540

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
02-12-2014
Datum publicatie
14-01-2015
Zaaknummer
13/02145
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:50, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Afstand aanwezigheidsrecht. HR doet het middel af onder verwijzing naar de CAG. Het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel dat vd kennelijk vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht en dat geen aanleiding bestaat het onderzoek t.tz. (nogmaals) te schorsen is niet onbegrijpelijk. Door de niet-gemachtigde rm van vd is geen aanhoudingsverzoek gedaan, terwijl het Hof uit de ontvangen informatie dat vd zich niet in “prison custody” bevond redelijkerwijs kon afleiden dat een mogelijk verblijf van vd in een psychiatrische instelling niet een strafrechtelijk relevante detentie u.a.h. onder verantwoordelijkheid van de Britse penitentiaire autoriteiten betrof, en ook kort voorafgaand aan of op de tz. in h.b. niet is gebleken van een detentie u.a.h..

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 13/02145

Mr. Machielse

Zitting 2 december 2014

Conclusie inzake:

[verdachte]1

1. Het gerechtshof ’s-Gravenhage heeft verdachte op 3 maart 2009 bij verstek wegens “bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden.

2. Mr. M.R. Mantz, advocaat te ’s-Gravenhage, heeft namens verdachte beroep in cassatie ingesteld en een schriftuur ingezonden houdende één middel van cassatie.

3.1 Het middel bedoelt kennelijk te klagen dat het hof de onderhavige strafzaak ten onrechte heeft berecht buiten aanwezigheid van verdachte, omdat ten tijde van de inhoudelijke behandeling van zijn zaak sterke aanwijzingen bestonden dat verdachte gedwongen verbleef in een psychiatrische kliniek in Engeland en niet vrijwillig afstand had gedaan van zijn aanwezigheidsrecht.

3.2 De stukken van het geding houden, voor zover hier van belang, het volgende in:

(i) een dagvaarding van verdachte in hoger beroep om op 21 maart 2008 ter terechtzitting van het hof te verschijnen.

Uit een akte van uitreiking behorend bij deze dagvaarding blijkt dat:

- de dagvaarding op 28 december 2007 is uitgereikt aan een persoon die zich bevond op het GBA-adres van verdachte, te weten [a-straat] te [woonplaats], en die zich bereid verklaarde de brief in ontvangst te nemen en onverwijld aan verdachte te doen toekomen;

- de dagvaarding op 3 januari 2008 is uitgereikt aan de griffier van de rechtbank te Den Haag onder toezending van een afschrift van de dagvaarding naar voornoemd adres;

- een afschrift van de dagvaarding op 11 januari 2008 is verzonden naar het door verdachte bij het instellen van het hoger beroep opgegeven adres, te weten [b-straat] te [woonplaats].

Uit een tweede akte van uitreiking behorend bij deze dagvaarding blijkt dat:

- de dagvaarding op 28 december 2007 tevergeefs is aangeboden op het adres [b-straat] te [woonplaats] omdat aldaar niemand werd aangetroffen en dat ter plaatse een bericht van aankomst is achtergelaten waarin is vermeld dat de dagvaarding kon worden afgehaald op het in dat bericht genoemde postkantoor;

- de dagvaarding op 11 januari 2008 is uitgereikt aan de griffier van de rechtbank te Den Haag onder toezending van een afschrift van de dagvaarding naar voornoemd adres.

(ii) een GBA-overzicht van 11 januari 2008 inhoudende dat verdachte vanaf 5 maart 2007 in de GBA stond ingeschreven op het adres [a-straat] te [woonplaats] en niet was gedetineerd.

(iii) een proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 21 maart 2008 inhoudende, voor zover relevant:

“De verdachte, gedagvaard als:

[verdachte],

(…)

is niet ter terechtzitting verschenen.

De voorzitter doet mededeling van een brief van de raadsman van de verdachte, d.d. 8 maart 2008, inhoudende de mededeling dat hij, noch een vervanger, op de onderhavige terechtzitting zullen verschijnen nu de raadsman betwijfelt of de verdachte ter terechtzitting zal kunnen verschijnen omdat hij mogelijk in Engeland is gedetineerd. (…)

Daartoe door de voorzitter in de gelegenheid gesteld deelt de advocaat-generaal mede dat na telefonisch onderzoek thans is gebleken dat de verdachte in de week van 21 december 2007 in Engeland is aangehouden. Vervolgens is hij daar opgenomen in een psychiatrische inrichting. Het is de advocaat-generaal niet bekend geworden of de verdachte thans nog in Engeland is gedetineerd (…).

De voorzitter deelt mede dat het hof het naar aanleiding van het bovenstaande wenselijk acht de behandeling van de zaak aan te houden teneinde het openbaar ministerie in de gelegenheid te stellen te onderzoeken of de verdachte in Engeland gedetineerd is of anderszins verblijft, gelet op het aanwezigheidsrecht van de verdachte bij de behandeling van zijn strafzaak in hoger beroep.”

(iv) een brief van [betrokkene 1], werkzaam bij het ressortsparket ’s-Gravenhage, van 14 mei 2008 aan de ‘Prisoner Location Service’ te Birmingham, Engeland, inhoudende:

“The advocate-general in The Hague would like to summon [verdachte], date of birth [geboortedatum]1967, in an appeal case. Information has reached the advocate-general that [verdachte] has been arrested in December 2007 in the U.K. and is being held in custody.

Is it possible for you to provide the advocate-general with the present whereabouts of [verdachte]?”

( v) een e-mailbericht van [betrokkene 2], werkzaam bij de ‘Prisoner Location Service’, van 16 mei 2008 aan [betrokkene 1], inhoudende:

“Re: [verdachte]

Thank you for your enquiry about the above named.

I regret that we are unable to assist you as our records do not disclose this person to be held in prison custody.”

(vi) een oproeping van verdachte in hoger beroep om op 17 februari 2009 ter terechtzitting van het hof te verschijnen.

Uit een akte van uitreiking behorend bij deze oproeping blijkt dat de oproeping op 11 december 200[8]2 is uitgereikt aan de griffier van de rechtbank te Den Haag omdat van verdachte geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend was.

Uit een tweede akte van uitreiking behorend bij deze oproeping blijkt dat:

- de oproeping op 12 december 2008 tevergeefs is aangeboden op het adres [b-straat] te [woonplaats], omdat verdachte volgens mededeling van degene die zich op dat adres bevond daar niet woonde noch verbleef;

- de oproeping op 18 december 2008 is uitgereikt aan de griffier van de rechtbank te Den Haag onder toezending van een afschrift van de oproeping naar voornoemd adres.

(vii) een GBA-overzicht van 18 december 2008 inhoudende dat verdachte van 5 maart 2007 tot 6 december 2007 in de GBA stond ingeschreven op het adres [a-straat] te [woonplaats], dat hij sinds laatstgenoemde datum zonder vaste woon- of verblijfplaats is en dat hij niet was gedetineerd.

(viii) een proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 17 februari 2009 inhoudende, voor zover relevant:

“De verdachte, opgeroepen als:

[verdachte],

(…)

is niet ter terechtzitting verschenen.

De raadsman van de verdachte, mr. M.R. Mantz, advocaat te ’s-Gravenhage, is evenmin ter terechtzitting verschenen.

(…)

Het gerechtshof verleent verstek tegen de niet-verschenen verdachte.

(…)

De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten”.

3.3 De steller van het middel doet een beroep op een kennelijk in zijn bezit zijnde kopie van een proces-verbaal, maar legt dat stuk in cassatie niet over, zodat op de inhoud van dat stuk geen acht kan worden geslagen.

3.4 Ingevolge art. 588, eerste lid aanhef en onder b sub 3°, Sv wordt een oproeping uitgereikt aan de griffier indien de geadresseerde niet als ingezetene is ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens noch een feitelijke woon- of verblijfplaats in Nederland of een adres in het buitenland bekend is. Onbekendheid van een feitelijke woon- of verblijfplaats kan niet worden aangenomen, indien niet is onderzocht of de verdachte in Nederland is gedetineerd of niet is getracht de uitreiking van de dagvaarding te doen plaatsvinden op een uit de stukken van het geding blijkend - voor de hand liggend en niet door een latere opgave achterhaald - adres dat redelijkerwijs als feitelijke woon- of verblijfplaats van de verdachte zou kunnen gelden, zoals een adres dat de verdachte bij zijn verhoor door de politie of ten tijde van het instellen van het hoger beroep heeft opgegeven.3

3.5 De oproeping om te verschijnen op de terechtzitting in hoger beroep van 17 februari 2009 is uitgereikt aan de griffier omdat van verdachte geen woon- of verblijfplaats bekend was en is tevens tevergeefs aangeboden op het door verdachte ten tijde van het instellen van het hoger beroep opgegeven adres. Uit de hierboven onder (vii) vermelde GBA-uitdraai blijkt dat verdachte op dat moment niet in Nederland was gedetineerd. Het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel dat de oproeping voor de terechtzitting van 17 februari 2009 op de juiste wijze is betekend zodat rechtsgeldig verstek kon worden verleend tegen verdachte geeft daarom niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

3.6 Wanneer echter aan de stukken of het verhandelde ter terechtzitting duidelijke aanwijzingen kunnen worden ontleend dat de verdachte niet vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht, behoort het rechtsgeldig aangevangen onderzoek ter terechtzitting te worden geschorst teneinde de verdachte in de gelegenheid te stellen alsnog bij het onderzoek aanwezig te zijn. Die schorsing behoort in de regel plaats te hebben, onder meer in het geval dat op de terechtzitting blijkt dat de verdachte op dat moment uit anderen hoofde is gedetineerd. In dat geval dient het onderzoek ter terechtzitting te worden geschorst opdat de gedetineerde verdachte alsnog in de gelegenheid wordt gesteld op een nadere terechtzitting aanwezig te zijn.4

3.7 Maar van degene die hoger beroep instelt en - achteraf bezien kennelijk - prijs stelt op berechting op tegenspraak, mag wel worden verwacht dat hij de in het maatschappelijk verkeer gebruikelijke maatregelen neemt om te voorkomen dat de appeldagvaarding hem niet bereikt of de inhoud daarvan niet te zijner kennis komt.5 Tot een zodanige maatregel kan worden gerekend dat de verdachte zich voor zijn raadsman - die uit eigen hoofde afschriften van oproepingen ontvangt - bereikbaar houdt, opdat de verdachte in voorkomende gevallen (ook) langs die weg van het tijdstip van de behandeling op de hoogte geraakt.6 Verdachte heeft dit in casu nagelaten en heeft er kennelijk tevens voor gekozen geen contact op te nemen met zijn vaste raadsman teneinde namens hem een aanhoudingsverzoek te doen. Ook de advocaat van een verdachte die geen contact meer heeft met zijn cliënt en door deze niet is gemachtigd tot het voeren van de verdediging kan de rechter verzoeken om aanhouding van de behandeling van de zaak met het oog op de effectuering van het aanwezigheidsrecht van de verdachte.7 Zo een aanhoudingsverzoek is in de onderhavige zaak niet gedaan.

3.8 Was het hof dan desalniettemin op 17 februari 2009 gehouden om op eigen initiatief de behandeling van de zaak nogmaals aan te houden? Het hof heeft op 21 maart 2008 in reactie op de mededeling van de advocaat-generaal dat verdachte in de week van 21 december 2007 in Engeland was aangehouden en aldaar was opgenomen in een psychiatrische inrichting, het rechtsgeldig aangevangen onderzoek geschorst en een onderzoek gelast naar de vraag of verdachte nog steeds in Engeland was gedetineerd of anderszins aldaar verbleef. Toen uit de bevraging van de ‘Prisoner Location Service’ omtrent de “present whereabouts” van verdachte in mei 2008 de informatie werd ontvangen dat verdachte zich niet in “prison custody” bevond, kon het hof daaruit redelijkerwijs afleiden dat een mogelijk verblijf van verdachte in een psychiatrische inrichting niet een strafrechtelijk relevante detentie uit anderen hoofde onder verantwoordelijkheid van de Britse penitentiaire autoriteiten betrof. Ook kort voorafgaand aan of op de terechtzitting van 17 februari 2009 is kennelijk niet gebleken van een detentie uit anderen hoofde. De in het middel besloten liggende stelling dat het hof de behandeling van de zaak – ook zonder daartoe strekkend verzoek – nogmaals had moeten aanhouden teneinde verdachte in de gelegenheid te stellen alsnog op een nadere terechtzitting aanwezig te zijn, kan ik daarom niet onderschrijven. Welke andere mogelijkheden voor het hof nog openstonden om meer te weten te komen over een mogelijk verblijf van verdachte in Engeland wordt in het middel niet aangegeven, zodat een hernieuwde aanhouding kennelijk ook volgens de steller van het middel de kans dat de verdachte de volgende keer wel aanwezig zou zijn niet in relevante mate kon vergroten en neer zou komen op het parkeren van het proces in de wachtstand.8 Ik benadruk in dit verband nogmaals dat de advocaat van verdachte, hoewel niet bepaaldelijk gemachtigd om de verdediging te voeren, geen verzoek om aanhouding heeft gedaan.9

3.9 Het in de bestreden beslissing besloten liggende oordeel van het hof dat verdachte kennelijk vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht en dat geen aanleiding bestond het onderzoek ter terechtzitting (nogmaals) te schorsen, acht ik niet onbegrijpelijk. Het middel faalt.

4. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.

5. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Deze zaak hangt samen met de zaak 13/02146 ([verdachte]) waarin ik vandaag ook concludeer.

2 De akte van uitreiking vermeldt het jaartal 2009, maar redelijkerwijs kan worden aangenomen dat dit een kennelijke verschrijving betreft.

3 Vgl. HR 12 maart 2002, NJ 2002, 317 m.nt. Schalken, rov. 3.23-3.24.

4 HR 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:707, rov. 2.3.

5 HR 9 mei 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV6209, NJ 2006, 298 rov. 4.3.

6 HR 25 september 2001, NJ 2002, 83.

7 HR 23 oktober 2001, NJ 2002, 77 m.nt. Reijntjes.

8 Onder de gedingstukken trof ik overigens nog aan een brief van de raadsman mr. Mantz van 29 januari 2009, gericht aan de afdeling Consulaire zaken van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, met het verzoek hem te berichten “of wellicht bekend is of verdachte in het buitenland is gedetineerd”. Hierop is op dezelfde datum een handgeschreven aantekening geplaatst, voorzien van een stempel van het ministerie, luidende: “Betrokkene is alhier onbekend!”.

9 Zie HR 2 september 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF0559 waarin een wel gemachtigd advocaat ter terechtzitting had verklaard dat haar cliënt in Marokko gedetineerd was, maar geen verzoek om aanhouding had gedaan. Onder die omstandigheden was het hof niet gehouden te doen blijken van een onderzoek of de aanwezigheid van verdachte ter terechtzitting desalniettemin wenselijk was. Doet de wel gemachtigd advocaat in een dergelijk geval wel een verzoek tot aanhouding, dan ligt het geheel anders. Zie HR 8 februari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR8428; HR 11 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU1988.