Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:2481

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
09-12-2014
Datum publicatie
09-01-2015
Zaaknummer
14/01168
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:45, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

OM-cassatie en cassatie vd. HR: 81 RO cfm CAG, ook m.b.t. afwijzing vordering TBS.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 14/01168

Zitting: 9 december 2014

Mr. Hofstee

Conclusie inzake:

[verdachte]1

1. De verdachte is bij arrest van 10 februari 2014 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, wegens 1. “doodslag”, 2. primair “poging tot moord”, 3. “voorbereiding van moord”, 4. primair “belaging”, 6. “gijzeling” en 7. “diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twintig jaren, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander op de wijze vermeld in het arrest.

2. Namens de verdachte heeft mr. M.L.M. van der Voet, advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Namens het Openbaar Ministerie heeft mr. M. van der Horst, Advocaat-Generaal bij het ressortsparket, één middel van cassatie voorgesteld. Namens de verdachte heeft mr. M.L.M. van der Voet, advocaat te Amsterdam, het middel van de Advocaat-Generaal schriftelijk tegengesproken.

4. In de voorliggende zaak hebben blijkens de in cassatie voorhanden stukken van het geding de feiten waarvoor de verdachte door het Hof is veroordeeld, zich afgespeeld in de laatste drie maanden van 2009.2 De feiten 2 tot en met 4 hebben betrekking op het dossier-Nijkerk. Daarbij gaat het om het volgende. Wanneer de verdachte in april 2008 wordt gearresteerd, beëindigt [betrokkene] hun relatie. De verdachte zou dit niet hebben geaccepteerd en haar vanuit zijn detentie hebben lastiggevallen door soms tientallen keren per dag te bellen en diverse bedreigende brieven te sturen, waarvan de strekking is dat zij van hem is. Op 23 oktober 2009 komt de verdachte vrij en geeft [betrokkene] hem zijn spullen terug. Vervolgens zou de verdachte een dag lang voor haar woning hebben rondgehangen. Op enig moment wordt [betrokkene] wakker van geluid uit de badkamer. Het badkamerraam blijkt wagenwijd open te staan. [betrokkene] ziet een schim en heeft het vermoeden dat de verdachte heeft geprobeerd haar woning binnen te komen. Volgens het Hof is de verdachte op 28 oktober 2009 met een kloofbijl de woning van [betrokkene] binnengedrongen. [betrokkene] en haar zoon vluchten uit doodsangst naar het dak van de woning en kunnen op tijd de politie alarmeren.3 Als de verdachte enige uren later vlakbij de woning van [betrokkene] wordt aangehouden door de politie, blijkt hij messen en een klauwhamer bij zich te hebben. Feit 1 betreft het dossier-Leusden. Op 2 november 2009 wordt het slachtoffer [slachtoffer], die op 27 oktober 2009 voor het laatst is gezien, dood aangetroffen in een plas bloed in zijn slaapkamer. Hij blijkt 11 snij- en steekverwondingen te hebben opgelopen, sommige diep, in schouders, hals, nek, buik, borst en armen, die fataal bloedverlies hebben veroorzaakt. De feiten 6 en 7 zien op het dossier-Arnhem, dat wil zeggen op de ontsnapping van de verdachte op 6 december 2009 uit de penitentiaire inrichting in Arnhem en het vervolg, waarbij hij, volgens de verdenking, allereerst beveiligers heeft bedreigd met een vuurwapen of een daarop gelijkend voorwerp en het overleggen van briefjes met teksten als: “ik hou een doorgeladen pistool op je gericht en ik heb semtex”, “Jij bent gegijzeld, voer deze opdracht goed uit, gedraag je onopvallend, maak geen oogcontact met mij” en “dus maak geen fout anders schiet ik.” Buiten gekomen zou de verdachte een toevallig passerende automobilist hebben gedwongen tot stoppen, deze hebben gegijzeld en onder het tonen van een vuurwapen of een daarop gelijkend voorwerp hebben opgedragen hoe hij moest rijden. Voorts zou de verdachte de automobilist hebben gedwongen diens pincodes af te staan, zou de verdachte vervolgens daarmee tweemaal € 1.250,-. hebben gepind, en zou hij de automobilist bij een camping hebben achtergelaten en er met de auto, de pasjes en het geld vandoor zijn gegaan. Er wordt groot alarm geslagen. Op 9 december 2009 wordt de verdachte in België opgepakt. Daar pleegt hij nog een aantal strafbare feiten waaronder de gijzeling van zijn advocaat in een penitentiaire inrichting. Hij wordt in België tot zes jaar cel veroordeeld. Na het onherroepelijk worden van deze veroordeling in 2011, kan worden gewerkt aan de overbrenging van de verdachte naar Nederland, zodat hij hier terecht kan staan voor de (onderhavige) feiten die hij in 2009 in Nederland heeft gepleegd. Op 22 november 2011 wordt de verdachte naar Nederland overgebracht. Doordat de verdachte telkens wisselt van advocaat, loopt de Nederlandse procesgang vertraging op.

Beoordeling van de namens de verdachte voorgestelde middelen

5. Het eerste middel klaagt over de verwerping door het Hof van een verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging.

6. De bestreden uitspraak houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

“Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De verdachte heeft niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie bepleit, omdat hij van mening is dat de strafdossiers valselijk opgemaakt zijn. Het hof is van oordeel dat, gelet op hetgeen door verdachte ter zitting naar voren is gebracht ter onderbouwing van zijn stelling, zelfs geen begin van aannemelijkheid voor deze stelling is gebleken. Het hof verwerpt dan ook het verweer van de verdachte.”

7. Gelet op hetgeen door en namens de verdachte op ’s Hofs terechtzitting van 27 januari 2014 is aangevoerd - kort gezegd dat het standpunt van de verdachte luidt: alles wat zich in de dossiers bevindt is valselijk opgemaakt, dit wil hij uitgezocht hebben, anders heeft hij geen eerlijk proces gehad -, is de verwerping door het Hof van het in het middel bedoelde verweer geenszins onbegrijpelijk, zodat het middel niet tot cassatie kan leiden. Voor zover in de toelichting op het middel wordt betoogd dat het schrijven van de verdachte d.d. 27 en 31 januari 2014 – waarin samengevat wordt gesteld dat ten aanzien van hem sprake is van een samenzwering van het huidige kabinet-Rutte, justitie, (oud) OM-bazen, politie, etc. etc., en van vervalste processen-verbaal, een door de gemeente Leusden in samenspraak met de politie vervalste akte van overlijden, een vals opgemaakt requisitoir, e.d. – kan worden aangemerkt als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt als bedoeld in art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv, mist dat betoog feitelijke grondslag.

8. Het tweede middel klaagt over ’s Hofs afwijzing van het verzoek van de verdediging om een achttal getuigen te horen.

9. Dit verzoek is gedaan bij appelschriftuur en als volgt onderbouwd:

“Cliënt heeft in eerste aanleg aangevoerd dat voornoemde personen in werkelijkheid politie-infiltranten zijn en valse processen-verbaal hebben opgesteld. Tevens stelt cliënt dat zij in het dossier valse verklaringen hebben afgelegd. Het is voor de verdediging van groot belang dat voornoemde personen hierover door en ten overstaan van Uw Hof onder ede worden gehoord en dat zij rechtstreeks door de verdediging kunnen worden bevraagd.”

10. De bestreden uitspraak houdt over deze getuigenverzoeken het volgende in:

“Voorafgaand aan de zitting zijn de verzoeken voorgelegd aan de advocaat-generaal. De advocaat-generaal adviseerde om de verzoeken niet toe te wijzen. De voorzitter heeft vervolgens beslist dat de verzoeken vooralsnog niet zullen worden toegewezen. De verzoeken zijn ter terechtzitting herhaald.

(…)

Oordeel van het hof

Het hof zal deze verzoeken afwijzen, nu niet aannemelijk is geworden dat het horen van deze getuigen van belang kan zijn met het oog op enige door het hof te nemen beslissing. Door het achterwege blijven van het horen van deze getuigen wordt de verdachte niet in zijn verdediging geschaad.”

11. Gelet op de reden waarom de in het middel bedoelde getuigen zouden moeten worden gehoord, kan het verzoek daartoe niet los worden gezien van de door de verdachte ter ’s Hofs terechtzitting van 27 januari 2014 gepresenteerde (aanvullende) onderzoekswensen en de reactie daarop van het Hof in de bestreden uitspraak:

Aanvullende onderzoekswensen

Ter terechtzitting heeft verdachte zelf aanvullende onderzoekswensen kenbaar gemaakt. Kort gezegd heeft verdachte verzocht om drie maal een schouw, het afluisteren van telefoontaps en het horen van een groot aantal getuigen. Deze getuigen, waaronder politieambtenaren, zouden zich onder meer schuldig hebben gemaakt aan het opmaken van valse processen-verbaal en aan samenzwering. Een groot aantal van de gevraagde getuigen, waaronder medegedetineerden van verdachte, zijn volgens de verdachte in werkelijkheid politie-infiltranten en hebben gelogen over hun status. Dit zal volgens de verdachte tijdens getuigenverhoren bij de rechter-commissaris aan het licht komen.

(…)

Oordeel van het hof

Naar het oordeel van het hof is er nog geen begin van aannemelijkheid dat er sprake is van samenzwering, dan wel het opmaken van valse processen-verbaal door politieambtenaren en door de overige door verdachte verzochte getuigen. Het horen van getuigen of doen van nader onderzoek naar - onder meer - telefoontaps acht het hof dan ook niet noodzakelijk voor enige in deze strafzaak te nemen beslissing. De verzoeken worden daarom afgewezen.”

12. Het verzoek om de in het middel genoemde personen als getuigen te (doen) horen is, evenals de aanvullende onderzoekswensen, slechts gebaseerd op de stelling van de verdachte dat sprake is van een samenzwering jegens hem (zie hierboven onder 7) en het valselijk opmaken van processen-verbaal. Met betrekking tot deze loutere stelling is echter van een deugdelijke onderbouwing, zoals bedoeld in het overzichtsarrest van HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496 (rov. 2.5., 2.6. en 2.47), in het geheel geen sprake. In die zin moet het oordeel van het Hof worden verstaan dat niet aannemelijk is geworden dat het horen van deze getuigen van belang kan zijn met het oog op enige door het Hof te nemen beslissing en dat door het achterwege blijven van het horen van deze getuigen de verdachte niet in zijn verdediging wordt geschaad, waarbij ik het niet onbegrijpelijke oordeel van het Hof ter zake van de aanvullende onderzoekswensen betrek, dat geen begin van aannemelijkheid voor de stelling van de verdachte bestaat. Aldus beschouwd acht ik, met verwijzing naar rov. 2.76 van voormeld overzichtsarrest, ’s Hofs afwijzing van het verzoek tot het horen van het achttal getuigen niet van een onjuiste rechtsopvatting getuigen – het Hof heeft daarbij de juiste maatstaf toegepast -, geenszins onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

13. Ook het tweede namens de verdachte voorgestelde middel faalt.

Beoordeling van het door de Advocaat-Generaal bij het ressortsparket voorgestelde middel

14. Het middel klaagt dat het Hof bij de afwijzing van de vordering tot oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging (verder: TBS met dwangverpleging) is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel dat het Hof die beslissing ontoereikend heeft gemotiveerd.

15. De bestreden uitspraak houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

“Strafbaarheid van de verdachte

Het openbaar ministerie heeft gerequireerd tot oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging. Daartoe is ter zitting in hoger beroep verwezen naar oudere multidisciplinair samengestelde persoonsrapportages over verdachte die ten dele uitgaan van een bij verdachte vastgestelde persoonlijkheidsstoornis. Het hof wijst deze redenering en onderbouwing af. De sterk verouderde persoonsrapportages zijn niet eenduidig interpretabel en zijn evenmin unaniem in het oordeel dat terbeschikkingstelling met dwangverpleging is geïndiceerd. Zo concludeert psycholoog Zuidhof, die in 2000 over verdachte heeft gerapporteerd in de zaak waarin verdachte later is veroordeeld terzake van doodslag op zijn toenmalige partner, dat er bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens en een gebrekkige ontwikkeling in de zin van cocaïnemisbruik en een persoonlijkheidsstoornis NAO bestaande uit narcistische en psychopathe kenmerken. Zuidhof acht de verdachte licht verminderd toerekeningsvatbaar. Zuidhof adviseert echter om verdachte een passende straf op te leggen en om niet de maatregel van terbeschikkingstelling op te leggen. Psychiater Offermans, die in 2001 in dezelfde zaak over verdachte heeft gerapporteerd, concludeert dat er bij verdachte onder meer sprake is van een persoonlijkheidsstoornis met antisociale, borderline en afhankelijke kenmerken en cocaïneafhankelijkheid. Offermans acht verdachte in die zaak enigszins verminderd toerekeningsvatbaar en concludeert dat een specifiek gedragskundig advies niet geïndiceerd is. Met name is het verband tussen de ziekelijke stoornis/gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens volstrekt onvoldoende om een maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging te rechtvaardigen.

De laatste observaties van verdachte stammen uit 2012 toen verdachte is onderzocht in het Pieter Baan Centrum. Mede door de weigering van verdachte mee te werken, en er dus sprake is van een weigerende observandus, komt het Pieter Baan Centrum niet tot concludente bevindingen. Omdat de vraag of er bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling niet beantwoord kan worden, kan volgens de psycholoog en de psychiater evenmin een uitspraak worden gedaan over eventuele pathologie ten tijde van de tenlastegelegde feiten of over een eventuele relatie met die feiten. De onderzoekers onthouden zich daarom zich van een advies over de toerekeningsvatbaarheid en van een uitspraak over pathologisch bepaald recidivegevaar. Ook een advies ten aanzien van een eventuele behandeling in een juridisch kader kan volgens de onderzoekers niet worden gegeven.

Ook het onderzoek ter zitting in hoger beroep heeft het gerechtshof geen valide houvast opgeleverd voor het oordeel dat sprake zou zijn van verminderde toerekenbaarheid tijdens het begaan van de bewezen verklaarde feiten. Nu er sprake is van sterk lacunaire bevindingen van de gedragskundigen die ter zake deze verdachte hebben gerapporteerd en eenduidige en daarmee overtuigende conclusies ontbreken, zal het hof, anders dan de rechtbank, de verdachte volledig toerekeningsvatbaar achten.

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen -en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden- dat verdachte het slachtoffer [slachtoffer] heeft gedood. [slachtoffer] werd door een vriend dood aangetroffen in zijn [AG: ik begrijp slaapkamer], liggend in een plas bloed. Uit sectie op het lichaam van [slachtoffer] blijkt dat [slachtoffer] circa elf steek -en snijwonden heeft opgelopen, die fataal bloedverlies hebben veroorzaakt.

Aan de nabestaanden van [slachtoffer] is onnoemelijk veel leed toegebracht. De schriftelijke slachtofferverklaring van de moeder van het slachtoffer heeft nogmaals duidelijk gemaakt hoe zeer het slachtoffer gemist wordt en hoe het leven van degenen die van hem hielden onherstelbaar is veranderd. De nabestaanden zullen bovendien moeten leven met het feit dat veel vragen over het hoe en waarom onbeantwoord zullen blijven. Een feit als het onderhavige schokt bovendien de rechtsorde ernstig en brengt gevoelens van onrust en onveiligheid in de maatschappij teweeg.

Verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan voorbereiding van moord en poging tot moord op zijn ex-vriendin [betrokkene]. Verdachte is daarbij met een kloofbijl de woning van [betrokkene] binnengedrongen. [betrokkene] en haar zoon zijn uit angst naar het dak van de woning gevlucht en konden op tijd de politie alarmeren. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan belaging van [betrokkene], gedurende een periode van een jaar. Verdachte heeft zich, toen hij gedetineerd zat in Penitentiaire Inrichting De Berg in Arnhem, schuldig gemaakt aan gijzeling van een inrichtingswerker waarna hij uit de P.I. is ontsnapt en vervolgens onder bedreiging van geweld een auto van een toevallig passerende automobilist heeft gestolen.

De feiten zijn in een relatief korte periode achter elkaar gepleegd. Daarbij heeft verdachte vele slachtoffers gemaakt. Voor ernstige feiten als de onderhavige, die voor de direct betrokkenen en de samenleving zeer schokkend zijn, komt naar het oordeel van het hof alleen een vrijheidsbenemende straf van aanmerkelijke duur in aanmerking.

Het hof heeft bij de hoogte van de op te leggen straf rekening gehouden met een verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 13 januari 2014, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld terzake van strafbare feiten, waaronder ook doodslag. In het nadeel van verdachte wordt bovendien meegewogen dat verdachte geen openheid van zaken heeft willen geven over de door hem gepleegde feiten, in het bijzonder over de dood van [slachtoffer].

Bij de hoogte van de op te leggen straf is ook gelet op de straffen die in andere, enigszins vergelijkbare zaken zijn opgelegd, waarbij het hof voor het onder 1 bewezenverklaarde als uitgangspunt neemt dat voor doodslag in Nederland gemiddeld een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaar wordt opgelegd. Weliswaar is er in het geval van verdachte sprake van recidive, hetgeen strafverhogend werkt, maar alles afwegende, ook ten aanzien van de overige bewezenverklaarde feiten, komt het hof niet tot de straf van 25 jaar zoals door de rechtbank is opgelegd. Dit alles maakt dat de straf van het hof lager zal zijn dan de rechtbank heeft opgelegd.

Het hof is dan ook van oordeel, alles overwegende, dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 20 jaar de passende en geboden reactie vormt.

Gelet op hetgeen hierboven is overwogen ten aanzien van de strafbaarheid van de verdachte, zal het hof, anders dan de rechtbank en anders dan gevorderd door de advocaat-generaal, aan verdachte niet de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging opleggen.”

16. Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. In het kader van de vraag of een last tot terbeschikkingstelling als bedoeld in art. 37a Sr moet worden gegeven, is het aan de rechter die over de feiten oordeelt om vast te stellen of bij de verdachte ten tijde van het plegen van het feit een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond. De rechter heeft daarin een eigen verantwoordelijkheid en is niet gebonden aan de door deskundigen uitgebrachte adviezen. De vaststelling dat sprake is van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens, is van feitelijke aard en kan in cassatie slechts op haar begrijpelijkheid worden getoetst.4 Zonder vaststelling van een dergelijke psychische stoornis, kan geen TBS worden opgelegd. Andersom gezegd: voor oplegging van een TBS is een noodzakelijke voorwaarde dat de feitenrechter het bestaan van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens tijdens het begaan van het feit heeft kunnen vaststellen.5

17. In ’s Hofs overwegingen ligt als zijn oordeel besloten dat er te weinig houvast is om vast te stellen dat bij de verdachte ten tijde van het begaan van de bewezenverklaarde feiten sprake was van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens. Daarbij heeft het Hof blijkens zijn overwegingen in aanmerking genomen dat:

- de over de verdachte bestaande persoonsrapportages sterk verouderd zijn, deze rapportages niet eenduidig interpretabel zijn en deze evenmin unaniem zijn in het oordeel dat TBS met dwangverpleging is geïndiceerd;

- als gevolg van de weigerachtige opstelling van de verdachte meer recente observaties niet tot enig resultaat hebben geleid; en

- ook het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep geen valide houvast heeft opgeleverd om te oordelen dat van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bij de verdachte sprake was.

18. Het Hof heeft dus feitelijk vastgesteld dat in de onderhavige zaak niet is gebleken van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bij de verdachte en dat de bewezenverklaarde feiten volledig aan hem kunnen worden toegerekend.6 Op grond daarvan is het Hof tot zijn oordeel gekomen dat de door het Openbaar Ministerie gevorderde maatregel van TBS met dwangverpleging niet kan worden opgelegd.

19. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk, mede gezien de inhoud van de door het Hof aangehaalde rapportages van de gedragsdeskundigen, die zich in het aan de Hoge Raad gezonden dossier bevinden. Voorts is dat oordeel toereikend gemotiveerd.

20. Voor zover in de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het Hof in zijn overweging met de passage “Met name is het verband tussen de ziekelijke stoornis/gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens volstrekt onvoldoende om een maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging te rechtvaardigen” ten onrechte een causaal verband tussen de psychische stoornis en de bewezenverklaarde feiten verlangt, merk ik het volgende op. Allereerst heeft het Hof, als gezegd, geen psychische stoornis bij de verdachte kunnen vaststellen. In de tweede plaats heeft het Hof met die passage enkel de conclusie van de psychiater Offermans willen weergeven. En in de derde plaats is, los van de onderhavige zaak, naar het thans geldende recht in het algemeen een dergelijk verband inzake de TBS weliswaar niet vereist, maar mag het in de oordeelsvorming van de feitenrechter, zo deze zulks relevant acht, wel degelijk worden meegewogen.7

21. Anders dan de steller van het middel meent, is van een door elkaar halen van de vraag of de bewezenverklaarde feiten aan de verdachte kunnen worden toegerekend en de vraag of de maatregel van TBS met dwangverpleging kan worden opgelegd, geen sprake. Het Hof heeft immers zijn antwoord op beide vragen gebaseerd op zijn oordeel dat een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bij de verdachte ten tijde van de bewezenverklaarde feiten niet kan worden vastgesteld. Reeds op grond daarvan is het Hof niet toegekomen aan het wegen van de ernst van het feit en de veelvuldigheid van de voorafgegane veroordelingen als bedoeld in art. 37a, vierde lid, Sr, zodat ook de daartegen gerichte klacht doel mist.

22. Het middel faalt.

23. De namens de verdachte voorgestelde middelen en het door de Advocaat—Generaal bij het ressortsparket voorgestelde middel falen en kunnen naar mijn inzicht alle worden afgedaan met de in art. 81, eerste lid, RO bedoelde motivering.

24. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

25. Deze conclusie strekt tot verwerping van beide beroepen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Deze zaak hangt samen met de zaken met griffienummers 14/01167, 14/01169 en 14/01171 waarin ik vandaag eveneens zal concluderen.

2 Het navolgende is vooral ontleend aan het requisitoir van de officier van justitie in eerste aanleg.

3 De verdachte was al eens eerder veroordeeld voor doodslag op zijn toenmalige vriendin in 2000.

4 Zie HR 18 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY5355, NJ 2013/466 en HR 22 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC1311, NJ 2008/193.

5 HR 9 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD4678, NJ 2001/112.

6 Overigens is bij volledige toerekening oplegging van de TBS-maatregel op zichzelf niet uitgesloten. Zie daaromtrent HR 14 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU5496, NJ 2007/345 (rov. 9.4).

7 HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX9407 (rov. 5.4), NJ 2013/436.