Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:248

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
11-02-2014
Datum publicatie
08-04-2014
Zaaknummer
12/01445
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:845, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR ambtshalve: verjaring. De HR merkt op dat een zgn. VIP-controle die is uitgevoerd met het oog op het ter kennis van de verdachte brengen van een nog uit te printen gerechtelijke mededeling, op zichzelf niet kan worden aangemerkt als een daad van vervolging in de zin van art. 72.1 Sr.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 12/01445

Zitting: 11 februari 2014

Mr. Aben

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het gerechtshof te ‘s-Gravenhage heeft bij arrest van 31 maart 1999 de verdachte ter zake van “medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk.

2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. J.Y. Taekema, advocaat te Den Haag, bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Ambtshalve merk ik het volgende op betreffende verjaring in deze zaak.

4. Aan de verdachte is bij inleidende dagvaarding tenlastegelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan – kort gezegd – medeplegen van valsheid in geschrift, gepleegd “in of omstreeks” 1 oktober 1995 tot en met 31 mei 1996. Dit feit is overeenkomstig de tenlastelegging bewezenverklaard.

5. De aan de Hoge Raad toegezonden stukken van het geding houden, voor zover hier van belang, het volgende in:

(i) Een akte van uitreiking van de dagvaarding van de verdachte om te verschijnen op de terechtzitting in hoger beroep van 17 maart 1999 houdt in dat deze op 19 februari 1999 tevergeefs is aangeboden op het door de verdachte bij het instellen van hoger beroep opgegeven adres ([a-straat 1] te ‘s-Gravenhage) en vervolgens op 5 maart 1999 is uitgereikt aan de griffier van de rechtbank te 's-Gravenhage, omdat "van de geadresseerde geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is".1

(ii) Het arrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 31 maart 1999, parketnummer 22-002340-98 houdt in dat de verdachte bij verstek is veroordeeld.

(iii) Een akte van uitreiking van de mededeling van de uitspraak van het gerechtshof houdt in dat deze mededeling op 13 augustus 1999 is uitgereikt aan de griffier van de rechtbank te ’s-Gravenhage, “omdat van de geadresseerde geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is”.

(iv) Een uittreksel van 14 september 1999, geldend op 6 juli 1998 waaruit blijkt dat de verdachte op 6 juli 1998 uit Nederland is vertrokken naar het buitenland, land onbekend. Voorts drie uitdraaien van controles in de registers van het GBA via het VIP (Verwijs Index Personen) van respectievelijk 6 september 2004, 25 oktober 2005 en 26 maart 2007 in welke GBA-overzichten is opgenomen dat de verdachte niet gedetineerd was en dat er geen GBA-adres van hem bekend was in VIP. Ten slotte vier uitdraaien van controles in de registers van het GBA via het VIP van respectievelijk 5 februari 2008, 26 augustus 2009, 5 februari 2010 en 30 augustus 2010 in welke GBA-overzichten is opgenomen dat de verdachte niet is gedetineerd, dat hij vanaf 16 juni 2003 zonder vaste woon- of verblijfplaats is en de historische GBA-adressen van de verdachte.

(v) Een aan de akte cassatie aangehechte en aan de strafgriffie van het gerechtshof te ’s-Gravenhage gerichte brief van de verdachte d.d. 25 februari 2012, waarin hij - kort gezegd - verzoekt om cassatie in te stellen tegen het arrest van het hof te ‘s-Gravenhage met parketnummer 22-002340-98 en waarin hij opmerkt dat hij van de zitting noch de uitspraak van het gerechtshof eerder op de hoogte was en welke voorts inhoudt: “De mededeling uitspraak (bijgaand) is mij in persoon uitgereikt door de wijkagent op 22 februari 2012”. Aangehecht is een op 30 augustus 2010 gedateerde “mededeling uitspraak” afkomstig van het ressortsparket te ’s-Gravenhage, (kennelijk)2 uitgeprint op 22 december 2011, welke als kennisgeving aan de verdachte – voor zover hier van belang - bevat het rolnummer 22-002340-98, de kwalificatie, de pleegdata, de gebruikte wetsbepalingen en de opgelegde straf.

(vi) Een akte van uitreiking met als vermelding: “parketnummer: 22-002340-98” en de naam van de verdachte houdt voorts in dat “de hierboven bedoelde gerechtelijke brief”3 door wijkagent [verbalisant] op 22 februari 2012 is uitgereikt aan de geadresseerde in persoon. De akte bevat voorts de handtekeningen van de wijkagent en van “de veroordeelde”.

6. Op overtreding van art. 225 Sr stond ten tijde van de tenlastegelegde periode en staat heden ten dage nog steeds een gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren. Ingevolge art. 70, eerste lid aanhef en onder 3º Sr, zoals deze bepaling luidde ten tijde van de tenlastegelegde periode en zoals deze nog steeds luidt, bedraagt de verjaringstermijn voor misdrijven waarop tijdelijke gevangenisstraf van meer dan drie jaren is gesteld twaalf jaren. Op grond van art. 71 Sr vangt de termijn van verjaring – in ieder geval voor zover het de in deze zaak tenlastegelegde overtreding van art. 225 Sr betreft - aan op de dag na die waarop gebruik is gemaakt van het voorwerp ten opzichte waarvan de valsheid gepleegd is.4 Ingevolge art. 72, eerste lid, Sr stuit elke daad van vervolging de verjaring, terwijl op grond van art. 72, tweede lid, Sr na de stuiting een nieuwe verjaringstermijn aanvangt. Sinds de wetswijziging van 1 januari 20065 betreffende art. 72 Sr6 behoeft de daad van vervolging niet meer eerst aan de verdachte te worden betekend of hem anderszins bekend te zijn geworden, voordat deze stuitende werking heeft. Voor de wetswijziging van art. 72, eerste lid, Sr geldt dat deze verandering direct van toepassing is, met dien verstande dat een reeds voltooide verjaring wordt geëerbiedigd7. Nu in de onderhavige zaak de verjaring op 1 januari 2006 nog niet was voltooid (zie hierna onder 7), is het huidige art. 72 Sr toepasselijk.

7. Ik ga ervan uit dat de uitreiking van de mededeling van de verstekuitspraak aan de griffier op 13 augustus 1999 een daad van vervolging is die de verjaring stuit8, evenals de uitreiking van de mededeling van de verstekuitspraak aan de verdachte op 22 februari 2012.9 Dit betekent dat de in de onderhavige zaak geldende verjaringstermijn van twaalf jaren opnieuw is gaan lopen op 14 augustus 1999. Voor de vraag of de bewezenverklaarde feiten verjaard zijn is derhalve van belang of in de periode van 14 augustus 1999 tot aan 22 februari 2012 (te weten meer dan twaalf jaren) een daad van vervolging is verricht die de verjaring heeft gestuit. Uit de hiervoor onder 5 weergegeven stukken van het geding volgt dat als mogelijke daden van vervolging wellicht kunnen worden aangemerkt de VIP-controles dan wel de op 30 augustus 2010 gedateerde en op 22 december 2011 uitgeprinte mededeling uitspraak.

8. Wat is nu een daad van vervolging in de zin van art. 72 Sr? De strafrechtelijke dogmatiek beantwoordt die vraag als volgt. Een daad van vervolging betreft een daad welke erop is gericht een voor tenuitvoerlegging vatbare beslissing van de rechter te verkrijgen.10 Anders gezegd, “door een daad van vervolging geeft het openbaar ministerie te kennen dat het de strafvervolging wil voortzetten en nog een gerechtvaardigde behoefte aan toepassing van het strafrecht en mogelijkheden tot waarheidsvinding aanwezig acht”.11 In het hiervoor door de wetgever genoemde “te kennen geven” ligt naar mijn inzicht tot op zekere hoogte een eis van openbaarheid besloten. Een daad van vervolging moet met andere woorden in zichzelf een ‘action publique’12 vormen en een openbaar karakter hebben, ook na het verval van de eis van art. 72, eerste lid, Sr dat de daad van vervolging de verdachte bekend of betekend is. Het enkele voornemen om de strafvervolging voort te zetten is daarvoor ontoereikend. De vervolgende instantie moet dit voornemen hebben omgezet in daden. Die daden dienen zodanig te zijn dat zij zich lenen voor bekendmaking of betekening, ook al wordt die bekendmaking of betekening niet meer verlangd willen zij een stuiting van de verjaring (kunnen) bewerkstelligen. Een enigszins vergelijkbare opvatting lijkt mijn ambtgenoot Knigge voor te staan, waar hij in zijn conclusie van 29 maart 2011, ECLI:NL:PHR:2011:BQ2005 in noot 4 betoogt: “Tot 1 januari 2006 stelde art. 72 Sr de eis dat de daad van vervolging de vervolgde bekend of hem betekend is. Die eis zegt denk ik iets over het karakter van een daad van vervolging: het gaat om daden die de positie van de verdachte in het strafproces direct raken en waarvan hij dan ook niet onkundig kan of mag worden gehouden. Na 1 januari 2006 kent art. 72 Sr dit vereiste niet meer. Dat heeft in het begrip ‘daad van vervolging’ echter geen verandering gebracht.13

9. De Hoge Raad heeft zich, meer en/of anders dan dat een daad van vervolging een daad is welke erop is gericht een voor tenuitvoerlegging vatbare beslissing van de rechter te verkrijgen, (nog) niet expliciet uitgelaten over de vraag of daarin ook – in zekere zin – een eis van openbaarheid besloten ligt. Ik noem een aantal arresten van de Hoge Raad waaruit wellicht toch iets af te leiden valt over deze kwestie. Allereerst HR 5 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW7368. In deze zaak nam de Hoge Raad als moment waarop een nieuwe verjaringstermijn begon te lopen, “een mededeling als bedoeld in art. 366 Sv” in aanmerking. Uit het arrest (en evenmin uit de daarbij genomen conclusie waarin een andere daad van vervolging werd betrokken bij de vraag of sprake was van verjaring) blijkt niet of deze mededeling was uitgereikt of anderszins in de openbaarheid was gebracht. Dit arrest brengt in zoverre dus geen duidelijkheid. Voorts HR 10 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW1361. De Hoge Raad oordeelde in die zaak – kort gezegd - dat het huidige art. 72, eerste lid, Sr van toepassing was en dat dit betekent dat de verjaring van het recht tot strafvordering reeds is gestuit door het uitbrengen van de dagvaarding, en niet pas door de uitreiking van die dagvaarding. De dagvaarding hoeft derhalve niet bij de verdachte bekend te zijn. Het uitbrengen van de dagvaarding, een voor derden kenbare en dus ‘openbare’ handeling, is immers al voldoende om te kunnen spreken van een daad van vervolging. Uit dit arrest kan echter niet worden afgeleid of een handeling die in het geheel niet openbaar is al dan niet een daad van vervolging in de hier bedoelde zin kan opleveren. Ten slotte wijs ik op HR 3 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1555. De Hoge Raad wees hierin op vier zich bij de stukken bevindende verstekmededelingen als bedoeld in art. 366 Sv met betrekking tot een vonnis van de politierechter. Deze dienden volgens de Hoge Raad te worden aangemerkt als daden van vervolging, nu deze mededelingen in verband met het bepaalde in art. 557, tweede lid Sv ertoe strekten te bewerkstelligen dat het vonnis voor tenuitvoerlegging vatbaar werd. Deze formulering is (kennelijk) ontleend aan HR 31 oktober 1967, ECLI:NL:HR:1967:LJN AB6540, NJ 1968/85. Uit de conclusie bij het arrest van 3 december 2013 blijkt dat wel gepoogd is de bedoelde vier verstekmededelingen uit te reiken op een bepaald adres, maar dat dit zonder succes bleef nu de brieven met de akten steeds zijn teruggezonden naar de afzender. Voorts blijkt uit de conclusie dat voorafgaande aan deze pogingen geen adresverificatie door het OM heeft plaatsgevonden (waaruit in de conclusie vervolgens wordt geconcludeerd dat er, mede gelet op art. 588 Sv, geen sprake was van serieuze pogingen om de uitspraak aan de verdachte mede te delen en er derhalve geen sprake was van enige daad van vervolging). Gelet op de uit de conclusie volgende pogingen om de verstekmededelingen uit te reiken, welke pogingen m.i. als openbare aangelegenheden moeten worden beschouwd, kan uit het arrest van de Hoge Raad derhalve niets worden afgeleid over een eventuele eis van openbaarheid.

10. Ik keer terug naar de onderhavige zaak. Allereerst rijst de vraag of de VIP-controles die uitgevoerd zijn op de hiervoor onder 5 onder (iv) genoemde data als daden van vervolging kunnen worden aangemerkt. Daarover kan ik vrij kort zijn. Uit het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ2005, waarin het huidige art. 72, eerste lid, Sr toepasselijk was, kan worden afgeleid dat VIP-controles geen daden van vervolging belichamen. Uit de conclusie van mijn ambtgenoot Knigge voor dat arrest volgt immers dat in de periode waarin de verjaring gestuit had kunnen worden, op 3 oktober 2007 en 3 april 2008 VIP-controles zijn uitgevoerd, terwijl de Hoge Raad oordeelt dat uit de stukken van het geding niet blijkt dat gedurende drie jaren voorafgaande aan 23 september 2009 enige daad van vervolging is verricht.

11. In de tweede plaats komt de vraag op of de op 30 augustus 2010 gedateerde en op 22 december 2011 uitgeprinte mededeling uitspraak als een daad van vervolging kan worden beschouwd. Gelet op al het voorgaande meen ik dat het enkele in een computer opmaken van een mededeling uitspraak, zonder dat deze wordt uitgeprint, niet als een daad van vervolging kan worden beschouwd. Het is weliswaar op dat moment een mededeling van een uitspraak als bedoeld in art. 366 die de strekking heeft te bewerkstelligen dat het arrest van het hof voor tenuitvoerlegging vatbaar wordt, maar het openbaar ministerie geeft er door het niet uit te printen nog niets mee te kennen, het is met andere woorden niet voldoende openbaar. Hoewel de verjaringstermijn van twaalf jaren op 30 augustus 2010 nog niet was vervuld, kan het op die dag opmaken van de mededeling uitspraak derhalve m.i. niet leiden tot stuiting van de verjaring. Gelet op de afdrukgegevens14 op de mededeling uitspraak die aan de akte cassatie is aangehecht is deze kennelijk uitgeprint op 22 december 2011, op welke dag de verjaringstermijn van twaalf jaren al was verlopen. Hierdoor kon deze uitdraai van de mededeling uitspraak de verjaring niet stuiten. Bovendien geldt dat het enkele printen m.i. niet als een openbare handeling en derhalve als daad van vervolging kan worden beschouwd. Ik meen dat in elk geval moet blijken van een (wellicht halfslachtige) poging tot betekening. Ik betwijfel ten slotte of de verstekmededeling wel voldoende gegevens bevat om het verstekarrest te individualiseren.15 Hoewel de mededeling wel het parketnummer, de kwalificatie, de pleegdata, de gebruikte wetsbepalingen en de opgelegde straf bevat, wordt het gerecht en de datum van de uitspraak daarin niet vermeld. Hoe dan ook kan de enkele opmaak van een verstekmededeling in deze zaak m.i. niet worden beschouwd als een ‘daad van vervolging’ in de zin van art. 72, eerste lid, Sr.

12. Dat betekent dat, nu uit de stukken van het geding niet blijkt dat gedurende twaalf jaren voorafgaand aan de betekening van het verstekarrest op 22 februari 2012 enige daad van vervolging is verricht, het ervoor moet worden gehouden dat de verjaring gedurende die periode niet is gestuit. De in art. 70, aanhef en onder 3°, Sr bepaalde termijn van verjaring is dus vervuld, zodat het recht tot strafvordering is vervallen.

13. Gelet op het voorgaande behoeven de voorgestelde middelen geen bespreking. Mocht Uw Raad mij echter niet volgen in mijn conclusie, dan sta ik uiteraard paraat alsnog inhoudelijk te concluderen over de voorgedragen middelen van cassatie.

14. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak vernietigt en om redenen van doelmatigheid de officier van justitie alsnog niet-ontvankelijk verklaart in de vervolging.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 Het GBA-overzicht betreffende de verdachte van 2 maart 1999 vermeldt, voor zover van belang, als laatst opgegeven “verblijfplaats” van de verdachte [a-straat 1] te ’s-Gravenhage en vermeldt verder dat de verdachte per 6 juli 1998 is vertrokken uit Nederland, land onbekend.

2 Zie hierna onder 11.

3 Uit de akte wordt niet duidelijk wat met “gerechtelijke brief” wordt bedoeld, nu de akte (verder) geen melding maakt van een gerechtelijke brief en bovendien niets is aangehecht aan de akte. Waarschijnlijk wordt gedoeld op de hiervoor onder (v) bedoelde ‘mededeling uitspraak’.

4 Deze voorziening dateert al van 1 september 1886 en zij is als volgt toegelicht: “Wanneer de een de valschheid pleegt en de ander van het voorwerp gebruik maakte moet de verjaring voor beiden gelijktijdig loopen. Daarenboven zoude, als deze uitzondering niet werd aangenomen, ten aanzien van stukken die eerst na verloop van korteren of langeren tijd gevolg kunnen hebben, zooals testamenten, de vervolging van het misdrijf in zeer veel gevallen verjaard zijn, voordat dit kon worden ontdekt.” (Memorie van Toelichting bij het Oorspronkelijk Regeringsontwerp, Kamerstukken II 1878/79, 110, nr. 3, p. 79 (art. 80)). Het hier bedoelde gebruik is in de onderhavige zaak enigszins problematisch, aangezien de valse bescheiden zijn aangetroffen bij gelegenheid van een huiszoeking bij de verdachte. De exacte dag waarop de verjaringstermijn is aangevangen is voor de conclusie echter niet heel relevant, tenminste zolang die is gelegen vóór 14 augustus 1999.

5 Besluit van 7 december 2005 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de wet van 16 november 2005, Stb. 2005, 596.

6 Wet van 16 november 2005 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht in verband met het vervallen van de verjaringstermijn voor de vervolging van moord en enkele andere misdrijven alsmede enige aanpassingen van de regeling van de verjaring en de stuiting van de verjaring en de regeling van de strafverjaringstermijn (opheffing verjaringstermijn bij zeer ernstige delicten), Stb. 2005, 595.

7 HR 29 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK1998, NJ 2010/231, en HR 10 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW1361.

8 Vgl. HR 3 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1555

9 Vg. HR 31 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ2005.

10 Vgl. HR 19 november 1991, ECLI:NL:HR:1991: ZC8894, NJ 1992/265.

11 Aldus de gewijzigde memorie van toelichting, Kamerstukken II 2003-2004, 28 495, nr. 7, p. 9.

12 Vlg. Machielse in zijn commentaar op art. 72 Sr, Noyon Langemeijer Remmelink, bijgewerkt tot 25 september 2013 in noot 11 waarin hij ingaat tegen Röling die ook de opsporing als een stuk strafvordering en vervolging in de zin van art. 72 Sr beschouwt.

13 Knigge verwijst hierbij naar de wetsgeschiedenis: Kamerstukken II 28 495, nr. 3, p. 7 en nr. 5, p. 4 (Advies Raad van State) en nr. 7, p. 9 (gewijzigde MvT).

14 De tekst in de mededeling is geprint in een grijze letter. Bovenaan de pagina staat in een zwarte letter: “page 1 of 1”, onderaan de pagina in een zwarte letter: “http://bvi-ib.politie.local/BVIIV/Forms/DetailScherm.aspx” en “22-12-2011”.

15 Vgl. HR 10 januari 1989, ECLI:NL:HR:1989:AC1232, NJ 1990/57.