Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:2354

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
12-12-2014
Datum publicatie
27-02-2015
Zaaknummer
14/01730
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:500, Gedeeltelijk contrair
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Strafrecht. Vordering in kort geding tot staking (verdere) tenuitvoerlegging gevangenisstraf. (On)bevoegdheid Openbaar Ministerie om af te zien van tenuitvoerlegging opgelegde straffen, art. 553 Sv (HR 3 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG5977, NJ 2009/139). Geen wettelijke voorziening om ‘te veel’ in voorarrest gezeten dagen te verdisconteren met straf ter zake van ander feit; 'bijzondere omstandigheid' in de zin van de Aanwijzing executie van het College van procureurs-generaal (Stcrt. 2013, nr. 5107) op grond waarvan Openbaar Ministerie tenuitvoerlegging had moeten stopzetten? HR doet zelf de zaak af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2015/95 met annotatie van mr. C. van Oort
Verrijkte uitspraak

Conclusie

14/01730

Mr. F.F. Langemeijer

12 december 2014

Staat der Nederlanden

tegen

[verweerder]

In dit kort geding gaat het om een geschil over de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf, die niet kan worden ‘verrekend’ met een preventieve vrijheidsbeneming in een andere zaak.

1 De feiten en het procesverloop

1.1.

In cassatie kan worden uitgegaan van het volgende1:

1.1.1.

Nadat verzoeker tot cassatie (hierna: de gedetineerde) in eerste aanleg wegens Opiumwetmisdrijven was veroordeeld tot een gevangenisstraf van achttien maanden, is hij in hoger beroep door het gerechtshof Den Haag bij arrest van 11 juli 2013 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden, met aftrek van voorarrest (art. 27 Sr). Omdat de gedetineerde inmiddels dertien maanden en vijf dagen in voorarrest had gezeten, heeft het hof het voorarrest opgeheven en de onmiddellijke invrijheidstelling gelast.

1.1.2.

Bij hetzelfde arrest heeft het hof voor de duur van zes maanden de tenuitvoerlegging gelast van een in een andere strafzaak (hierna: “de oudste strafzaak”) voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf.

1.1.3.

Het arrest van 11 juli 2013 is twee weken later onherroepelijk geworden.

1.1.4.

In verband met de tenuitvoerlegging van de aanvankelijk voorwaardelijk opgelegde straf is de gedetineerde op 21 september 2013 aangehouden. De einddatum van de tenuitvoerlegging is volgens de Staat: 20 maart 2014.

1.1.5.

De gedetineerde heeft zich op het standpunt gesteld dat de periode van drie maanden en vijf dagen die hij in de jongste strafzaak te lang in voorarrest heeft gezeten in mindering moet worden gebracht bij de tenuitvoerlegging van de in de oudste strafzaak voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf. Het Openbaar Ministerie heeft dit geweigerd.

1.2.

De gedetineerde heeft op 18 oktober 2013 de Staat in kort geding gedagvaard voor de rechtbank Den Haag, stellende dat de Staat onrechtmatig jegens hem handelt door de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf voort te zetten. Hij heeft primair gevorderd dat aan de Staat zal worden gelast bij de tenuitvoerlegging te handelen als waren beide gevangenisstraffen aaneengesloten geëxecuteerd en hem onmiddellijk in vrijheid te stellen: bij aaneengesloten tenuitvoerlegging van beide straffen zou hij naar zijn zeggen op 29 september 2013 in vrijheid zijn gesteld (art. 15 lid 5 Sr). Subsidiair heeft hij gevorderd dat de einddatum van de tenuitvoerlegging wordt vastgesteld in overeenstemming met de tijd die hij in de jongste strafzaak te lang in voorarrest heeft doorgebracht, in welk geval de genoemde periode van drie maanden en vijf dagen wordt verrekend met de nog uit te zitten periode van zes maanden en de einddatum van de detentie niet 20 maart 2014, maar 10 december 2013 zal zijn2.

1.3.

De Staat heeft als verweer aangevoerd dat het Openbaar Ministerie wettelijk gehouden is een door de rechter opgelegde straf onverkort ten uitvoer te leggen. Bij vonnis van 8 november 2013 heeft de voorzieningenrechter de vorderingen afgewezen. De voorzieningenrechter overwoog samengevat3:

- dat het O.M. verplicht is rechterlijke beslissingen ten uitvoer te leggen;

- dat de wet niet voorziet in een mogelijkheid om de in de jongste strafzaak ondergane voorlopige hechtenis in mindering te brengen bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf die in de oudste strafzaak (aanvankelijk: voorwaardelijk) is opgelegd4.

- dat op 11 juli 2013 de uitspraak van het hof nog niet onherroepelijk was. Het O.M. kon de ten uitvoer te leggen zes maanden gevangenisstraf niet aansluitend executeren.

- dat de stelling dat het O.M. onrechtmatig handelt door geen gebruik te maken van zijn in de Aanwijzing executie bedoelde mogelijkheid om de tenuitvoerlegging te stoppen, niet opgaat: die bevoegdheid is slechts bedoeld voor hoge uitzonderingen indien zich bijzondere, in de persoon gelegen omstandigheden voordoen.

1.4.

De gedetineerde heeft hoger beroep ingesteld. Bij arrest van 21 januari 2014 heeft het gerechtshof Den Haag het vonnis van de voorzieningenrechter vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de Staat bevolen de tenuitvoerlegging van de detentie onmiddellijk te staken. Omdat het arrest niet is gepubliceerd citeer ik de bestreden overwegingen:

“9. Tot slot heeft [de gedetineerde] zich (in grief 2 en de toelichting daarop) beroepen op de per 1 maart 2013 in werking getreden Aanwijzing executie van het College van procureurs-generaal, Stcrt. 2013, nr. 5107, (hierna ook: de Aanwijzing), voor zover inhoudende: 'Het OM kan gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval en bij wijze van hoge uitzondering - bijvoorbeeld omdat een zaak niet-gratieerbaar is of tenuitvoerlegging geen redelijk doel meer dient - besluiten om te stoppen met de executie'. Het hof begrijpt de stellingen van [de gedetineerde] aldus dat het openbaar ministerie ten onrechte heeft nagelaten om in de gegeven omstandigheden van deze bevoegdheid gebruik te maken.

10. Dit betoog van [de gedetineerde] slaagt. Naar het voorlopig oordeel van het hof doet in deze zaak zich een zodanige 'bijzondere omstandigheid' voor dat het openbaar ministerie in redelijkheid niet heeft kunnen weigeren van vorengenoemde bevoegdheid gebruik te maken. Hiertoe wijst het hof op de volgende feiten en omstandigheden:

a) Het voorarrest van [de gedetineerde] in zaak I heeft de uiteindelijke gevangenisstraf met ruim drie maanden overschreden.

b) [de gedetineerde] komt op grond van de strafwetgeving niet in aanmerking voor verrekening van dit voorarrest met de gevangenisstraf van zes maanden die hij in het kader van de tul uitzit.

c) De strafwetgever streeft ernaar om ondergane verzekering en voorlopige hechtenis zoveel mogelijk in mindering te brengen op de te ondergane straf, ook al heeft die straf betrekking op een ander feit dan het feit waarvoor de voorlopige hechtenis was bevolen (zie ook AG Vellinga onder 28 bij HR 3 maart 2009, ECLI:NL:PHR:2009:BG5977).

d) In het grondrecht van artikel 5 EVRM komt het gedachtengoed tot uitdrukking dat vrijheidsbeneming slechts in de daarin genoemde gevallen en onder strikte voorwaarden is toegestaan. Achteraf gezien moet worden geconstateerd dat de voorlopige hechtenis weliswaar op de juiste wijze is bevolen en tenuitvoergelegd, maar dat aan de voorlopigheid voor de betreffende drie maanden en vijf dagen materieel de rechtsgrond is komen te ontvallen.

e) [de gedetineerde] komt op grond van de strafwetgeving niet in aanmerking voor een andere vorm van compensatie, bijvoorbeeld in de vorm van een geldelijke vergoeding op grond van artikel 89 Sv voor de (achteraf gezien) te lange voorlopige hechtenis.

f) Na de invrijheidstelling op 11 juli 2013 is [de gedetineerde] op 21 september 2013 weer opgepakt, op dat moment voor het volledig uitzitten van de in het kader van de tul bevolen gevangenisstraf van zes maanden, terwijl hij op dat moment al drie maanden en vijf dagen te lang van zijn vrijheid ontnomen was geweest.

g) Invoelbaar is dan ook dat [de gedetineerde] deze gang van zaken, hoewel naar de letter van de wet correct, als zeer onredelijk ervaart.

h) Partijen hebben ter zitting verklaard dat gevallen als het onderhavige naar hun ervaring slechts zelden voorkomen.

Dit alles in onderling verband en samenhang beschouwd brengt het hof tot het voorlopige oordeel dat zich in dit concrete geval een situatie voordoet die te beschouwen is als zeer bijzonder en hoogst uitzonderlijk, zodat het openbaar ministerie in redelijkheid niet heeft mogen nalaten om van zijn in de Aanwijzing gegeven bevoegdheid tot het stoppen van de executie gebruik te maken. Dit betekent dat vordering I toewijsbaar is.”

1.5.

Namens de Staat is – tijdig5 – beroep in cassatie ingesteld. De gedetineerde heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Beide partijen hebben hun standpunten schriftelijk laten toelichten, waarna de gedetineerde heeft gedupliceerd.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

Wettelijk kader

2.1.

Op grond van art. 27 lid 1 Sr – voor zover van belang voor dit geschil − beveelt de rechter bij het opleggen van een gevangenisstraf dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van het vonnis in verzekering6 of in voorlopige hechtenis7 is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf geheel in mindering zal worden gebracht. In de wandeling wordt wel gesproken van ’aftrek van voorarrest’. De bepaling in het eerste lid is ook van toepassing in gevallen waarin, bij gelijktijdige vervolging wegens twee of meer feiten, de veroordeling wordt uitgesproken ter zake van een ander feit dan dat waarvoor de verzekering of de voorlopige hechtenis is bevolen: zie het vierde lid van art. 27 Sr.

2.2.

Een bevel tot voorlopige hechtenis kan slechts worden gegeven op bepaalde in de wet genoemde gronden; zie art. 67a lid 1 Sv. Het derde lid van art. 67a Sv bevat de volgende, tot de rechter die over de voorlopige hechtenis beslist gerichte vermaning:

“Een bevel tot voorlopige hechtenis blijft achterwege, wanneer ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat aan de verdachte in geval van veroordeling geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel zal worden opgelegd, dan wel dat hij bij tenuitvoerlegging van het bevel langere tijd van zijn vrijheid beroofd zou blijven dan de duur van de straf of maatregel.”

Omdat de rechter die over de voorlopige hechtenis beslist nooit met zekerheid kan weten tot welk oordeel de strafrechter in de hoofdzaak later zal komen, is onvermijdelijk dat het af en toe gebeurt dat de in de hoofdzaak opgelegde vrijheidsstraf korter is dan de tijd die de veroordeelde in verzekering of in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Dit is een al lang bestaand probleem, inherent aan de toepassing van voorlopige hechtenis8. De huidige regeling in art. 89-90 Sv van de schadevergoeding na voorlopige hechtenis biedt voor dit probleem geen uitkomst9. De feitelijke toepassing in Nederland van de – door de wetgever telkens verder verruimde − mogelijkheden voor voorlopige hechtenis staat de laatste jaren trouwens ook om andere redenen bloot aan kritiek10.

2.3.

Indien een vrijheidsstraf voorwaardelijk is opgelegd, is het O.M. belast met het toezicht op de naleving van de door de rechter gestelde voorwaarden. Indien de veroordeelde een of meer gestelde voorwaarden gedurende de proeftijd niet heeft nageleefd, kan het O.M. de tenuitvoerlegging vorderen van de voorwaardelijk opgelegde straf (resp. van het voorwaardelijk opgelegde gedeelte van de straf). Op zo’n vordering kan de rechter gelasten dat de straf alsnog ten uitvoer wordt gelegd; zie art. 14g Sr11. Tot behandeling van de vordering is bevoegd de rechter die de straf had opgelegd. Echter, indien de veroordeelde wordt vervolgd wegens een (nieuw) strafbaar feit, begaan vóór het einde van de proeftijd, is − kort gezegd − de rechter bevoegd ten overstaan van wie het nieuwe feit wordt vervolgd. In de onderhavige zaak is de vordering tot tenuitvoerlegging van de (in de oudste strafzaak) voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf behandeld tegelijk met de jongste strafzaak. Art. 557 lid 1 Sv heeft tot gevolg dat de beslissing van het hof eerst voor tenuitvoerlegging vatbaar werd toen het arrest onherroepelijk werd: veertien dagen na de uitspraak op 11 juli 2013.

2.4.

Op grond van art. 553 Sv geschiedt de tenuitvoerlegging van beslissingen van de strafrechter door het Openbaar Ministerie12. Het O.M. is niet slechts gemachtigd tot executie, maar is verplicht tot tenuitvoerlegging van de door de rechter opgelegde vrijheidsstraf. De duur van een vrijheidsstraf kan slechts worden bekort in geval van een op de wet gebaseerd gratiebesluit13. Dit is een zinvolle regel. In de vakliteratuur wordt de executieplicht dikwijls gebaseerd op het gesloten stelsel van rechtsmiddelen in strafzaken. Minstens zo belangrijk is, dat de verplichting tot executie van het vonnis van de onafhankelijke strafrechter bijdraagt aan de integriteit van het openbaar bestuur. In landen waar de zittende regering opdracht kan geven om strafvonnissen, gewezen tegen politieke vrienden, niet ten uitvoer te leggen, dreigt al spoedig willekeur.

2.5.

In het debat tussen partijen heeft het arrest van de Hoge Raad van 3 maart 2009 een belangrijke rol gespeeld14. In die strafzaak was de verdachte vrijgesproken van het hem primair ten laste gelegde feit en ter zake van de hem subsidiair ten laste gelegde mishandeling veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één week, met aftrek van het ondergane voorarrest. De duur van die in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd beliep 103 dagen. Bij hetzelfde arrest van het hof was de tenuitvoerlegging gelast van een voorwaardelijke gevangenisstraf van één week, opgelegd bij een eerder vonnis. In discussie was, of de in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd kon worden afgetrokken van de week die de betrokken veroordeelde nog zou moeten ondergaan. De Hoge Raad stond toe dat de tenuitvoerlegging van die week gevangenisstraf werd gelast en voegde hieraan toe:

“In een geval als het onderhavige waarin op de voet van art. 361a Sv bij de uitspraak in de hoofdzaak tevens de tenuitvoerlegging wordt gelast van een voorwaardelijke straf, is een bevel tot aftrek op die laatste straf van de in de hoofdzaak ondergane inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis niet mogelijk, nu de wet daarin niet voorziet.” (rov. 3.3).

2.6.

Op grond van art. 130 lid 4 RO kan het College van procureurs-generaal aanwijzingen geven betreffende de uitvoering van de taken en bevoegdheden van het O.M. Een van deze aanwijzingen is de (periodiek geactualiseerde) Aanwijzing executie15. Een dergelijke Aanwijzing moet worden aangemerkt als ‘recht’ in de zin van art. 79 RO16. De uitleg van de Aanwijzing is derhalve vatbaar voor toetsing in cassatie. De Aanwijzing executie vermeldt onder het kopje “Taken en bevoegdheden OM” het volgende:

“Het OM kan gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval en bij wijze van hoge uitzondering – bijvoorbeeld omdat een zaak niet gratieerbaar is of tenuitvoerlegging geen redelijk doel meer dient – besluiten om te stoppen met de executie”.

Met “niet-gratieerbaar” is kennelijk gedacht aan de kleine geldboetes als bedoeld in art. 558 lid 1 Sv17. De woorden “geen redelijk doel meer dient” doen de lezer denken aan de formulering van art. 2, aanhef en onder b, Gratiewet: “indien aannemelijk is geworden dat met de tenuitvoerlegging van de rechterlijke beslissing of de voortzetting daarvan geen met de strafrechtstoepassing na te streven doel in redelijkheid wordt gediend”.

2.7.

In de gedingstukken is ook verwezen naar art. 5 EVRM. In dit artikel wordt uitdrukkelijk onderscheid gemaakt tussen vrijheidsbeneming na veroordeling door een daartoe bevoegde rechter (art. 5 lid 1 onder a) en vrijheidsbeneming van een persoon teneinde voor de bevoegde rechterlijke instantie te worden geleid, wanneer er een redelijke verdenking bestaat dat hij een strafbaar feit heeft begaan of indien het redelijkerwijs noodzakelijk is hem te beletten een strafbaar feit te begaan of te ontvluchten nadat hij dit heeft begaan (art. 5 lid 1 onder c). Van een schending van art. 5 EVRM is naar het – in cassatie onbestreden – oordeel van het hof geen sprake (rov. 6). Daarnaast is van belang de onschuldpresumptie als bedoeld in art. 6 lid 2 EVRM. Omtrent de toepassing van voorlopige hechtenis zijn aanbevelingen gedaan door het Comité van Ministers van de Raad van Europa18.

Bespreking van de klachten van de Staat

2.8.

In eerste aanleg en hoger beroep heeft de gedetineerde het standpunt ingenomen dat het O.M., op grond van de Aanwijzing executie en gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval, had behoren af te zien van tenuitvoerlegging totdat het tijdvak van drie maanden en vijf dagen is gecompenseerd. Het hof heeft dit standpunt gevolgd: naar het oordeel van het hof doet zich in deze zaak een ‘bijzondere omstandigheid’ als bedoeld in de Aanwijzing executie voor, zodanig dat het O.M. in redelijkheid niet heeft kunnen weigeren van vorengenoemde bevoegdheid gebruik te maken (rov. 10). Onderdeel 1 behelst onder a de klacht dat het hof een onjuiste uitleg of toepassing heeft gegeven aan de (onder 2.6 hiervoor) geciteerde bepaling in de Aanwijzing executie. In het bijzonder heeft het hof volgens de Staat miskend dat het O.M. rechtens gehouden is de opgelegde straf volledig ten uitvoer te leggen. Dit volgt uit de wet, maar ook uit de Aanwijzing zelf, waarin immers is bepaald (par. 1):

“Het OM is verplicht door de rechter opgelegde straffen en maatregelen te executeren. Dit betekent dat het OM in geen geval de bevoegdheid heeft straffen te compenseren anders dan van rechtswege of krachtens een rechterlijke uitspraak ex art. 90 lid 4 Sv.”

De subsidiaire klacht onder b houdt in, dat de door het hof in rov. 10 onder a – h genoemde feiten en omstandigheden afzonderlijk noch gezamenlijk meebrengen dat in dit geval sprake is van “bijzondere omstandigheden”.

2.9.

Onderdeel 2 sluit hierbij aan met de klacht dat het hof onvoldoende rekening heeft gehouden met de mate waarin het O.M. beleids- of beoordelingsruimte toekomt bij de uitoefening van de in (deze passage in) de Aanwijzing executie opgenomen bevoegdheid en bij de beoordeling of zich ‘bijzondere’ of ‘uitzonderlijke’ omstandigheden voordoen. Daarbij past volgens het middelonderdeel een terughoudende toetsing door de rechter. Onderdeel 3 komt neer op de motiveringsklacht dat de door het hof in rov. 10 genoemde omstandigheden onder a tot en met h de beslissing niet kunnen dragen. De genoemde klachten lenen zich voor een gezamenlijke behandeling.

2.10.

De Aanwijzing executie stelt, terecht, voorop dat het O.M. verplicht is de door de rechter opgelegde straffen ten uitvoer te leggen. Een aanwijzing van het College van procureurs-generaal geeft richting aan de wijze waarop het O.M. zijn taak uitvoert en zijn bevoegdheden uitoefent. Een aanwijzing van het College kan niet een bevoegdheid scheppen die het O.M. wettelijk niet heeft: dus ook niet een bevoegdheid om af te zien van tenuitvoerlegging van een door de rechter onherroepelijk opgelegde vrijheidsstraf. Wil aan deze passage in de Aanwijzing executie een zinvolle betekenis worden gegeven, dan zou de duiding m.i. moeten zijn dat het College een richtlijn geeft voor gevallen waarin sprake is van overmacht of een conflict van plichten. Dan gaat het om gevallen waarin een geschreven of ongeschreven rechtsregel (naar nationaal recht of krachtens een toepasselijke en een ieder verbindende verdragsbepaling) zich verzet tegen de (verdere) tenuitvoerlegging van de straf, hetzij om gevallen waarin een norm van beschaving (humaniteit) zich verzet tegen verdere tenuitvoerlegging. Bij dit laatste valt bijv. te denken aan gevallen waarin de tot vrijheidsstraf veroordeelde als gevolg van een ernstige ziekte nog maar heel korte tijd te leven heeft.

2.11.

In de regel zal in gevallen waarin zulke uitzonderlijke omstandigheden aan de orde zijn, gratie kunnen worden verzocht; zie art. 558a en art. 559 Sv voor de opschortende werking van een gratieverzoek. Of in deze zaak een gratieverzoek is ingediend, is mij niet duidelijk. In dit kort geding was, achteraf beschouwd, misschien een betere oplossing geweest dat de voorzieningenrechter in hoger beroep de toewijzing van de gevorderde voorziening had beperkt tot het schorsen van de tenuitvoerlegging in afwachting van het resultaat van een gratieverzoek, maar die route is niet gekozen.

2.12.

Een conflict van plichten is in deze zaak niet gesteld. De vordering van de gedetineerde gaat uit van de veronderstelling dat het O.M. bevoegd is definitief af te zien van de tenuitvoerlegging van een (evenredig) gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf en dat de Aanwijzing executie in dit bijzondere geval het O.M. verplicht om van deze bevoegdheid gebruik te maken. Die veronderstelling is niet juist. Daarmee ontvalt ook de basis aan de bestreden beslissing van het hof. Om deze reden acht ik de primaire rechtsklacht van de Staat gegrond.

2.13.

Van de door het hof in rov. 10 genoemde feiten en omstandigheden, beschouw ik de constateringen onder a, b, f, g en h niet als werkelijk redengevend, ook al leiden die tezamen tot de gevolgtrekking dat gevallen als deze zeer uitzonderlijk zijn. De constatering onder c is in zoverre juist, dat uit diverse wettelijke bepalingen blijkt dat aftrek (verdiscontering) van voorarrest ook mogelijk is bij een vrijheidsstraf ter zake van een ander feit dan dat, waarvan de verdenking tot het voorarrest heeft geleid: zie bijv. art. 27 lid 4 Sr, art. 90 lid 4 Sv en art. 15 lid 5 Sr. Ter zijde kan worden opgemerkt dat in het genoemde wetsvoorstel het bepaalde in het huidige art. 15 lid 5 Sr op een andere plaats terugkeert, zonder dat een inhoudelijke wijziging is beoogd19. De constatering van het hof onder d, dat aan de rechtmatige voorlopige hechtenis in de jongste strafzaak, voor een tijdvak van drie maanden en vijf dagen (niet formeel, maar) materieel de rechtsgrond is komen te ontvallen doordat het hof in de hoofdzaak een gevangenisstraf heeft opgelegd die korter is dan de tijd die de gedetineerde in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, lijkt mij juist. Deze constatering verschaft het O.M. nog geen rechtsgrond om dit tijdvak in mindering te brengen bij de tenuitvoerlegging van een andere gevangenisstraf. De door het hof onder e genoemde omstandigheid dat de gedetineerde geen aanspraak kan doen gelden op een (financiële) vergoeding ex art. 89-90 Sv is evenzeer juist, maar verschaft die titel evenmin.

2.14.

Gelet op de in alinea 2.5 aangehaalde beslissing van de Hoge Raad, heeft de strafrechter geen mogelijkheid om, in een geval als het onderhavige waarin op de voet van art. 361a Sv bij de uitspraak in de hoofdzaak tevens de tenuitvoerlegging wordt gelast van een voorwaardelijke straf, te bevelen dat bij de executie van de gevangenisstraf, opgelegd in de oudste strafzaak, de in de jongste strafzaak ondergane inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis geheel of gedeeltelijk in mindering wordt gebracht. Of, en zo ja in welke mate, het hof in de strafzaak de cumulatie impliciet heeft verwerkt in de straftoemeting in de jongste strafzaak blijkt uit de desbetreffende strafmaatoverweging niet. Het viel mij wel op, dat het hof slechts een gedeelte van de vordering tot tenuitvoerlegging heeft toegewezen.

2.15.

Het geheel roept de vraag op, hoe een veroordeelde gecompenseerd kan worden voor een ondergane preventieve hechtenis die, in vergelijking met de in de strafzaak opgelegde vrijheidsstraf, te lang heeft geduurd. Zoals het hof constateert, is financiële compensatie langs de weg van art. 89-90 Sv hier uitgesloten. Het hof stelt onder d vast dat de voorlopige hechtenis op de juiste wijze is bevolen en ten uitvoer is gelegd: van een schadevergoeding wegens onrechtmatige tenuitvoerlegging van de voorlopige hechtenis is geen sprake. Het geschetste systeem vergunt, bij een samenloop van straffen als hier aan de orde, de gedetineerde zelfs niet de kans om compensatie te vragen, hoewel in vergelijkbare gevallen (art. 27 lid 4 Sr, art. 90 lid 4 Sv en art. 15 lid 5 Sr) wel een mogelijkheid tot verrekening bestaat. Deze ongelijke behandeling door de wetgever pleit vóór de bestreden beslissing en is in elk geval een onderwerp dat de aandacht van de wetgever behoeft.

2.16.

Tegen de bestreden beslissing pleit, dat zich wel meer situaties kunnen voordoen waarin een veroordeelde een vrijheidsbenemende straf of maatregel moet uitzitten, hoewel hij eerder een voorlopige hechtenis heeft ondergaan die niet is gevolgd door een vrijheidsstraf van ten minste dezelfde duur en voor die overschrijding nog niet op een andere manier is gecompenseerd. Het scheppen van een algemene aanspraak op verrekening van voorlopige hechtenis met een vrijheidsstraf, door welke rechter en uit welken hoofde ook opgelegd, gaat de rechtsvormende taak van de rechter te buiten.

2.17.

Gegrondbevinding van de primaire rechtsklacht van onderdeel 1 brengt mee dat de bestreden beslissing niet in stand kan blijven en dat de overige klachten geen bespreking meer behoeven. Indien de mogelijkheid om gratie te verzoeken nog moet worden verkend, ligt verwijzing naar een ander gerechtshof voor de hand. In het andere geval zou de Hoge Raad de zaak zelf kunnen afdoen door het vonnis van de voorzieningenrechter te bekrachtigen.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing naar een ander gerechtshof.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

a. – g.

1 Zie het bestreden arrest onder 2.1 en 2.2.

2 Zie nader: de pleitnota namens de gedetineerde in eerste aanleg, blz. 4 en 6.

3 Vgl. rov. 3 van het thans bestreden arrest.

4 De voorzieningenrechter verwees in dit verband naar HR 3 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG5977, NJ 2009/139.

5 Zie art. 339 lid 2 Rv i.v.m. art. 402 lid 2 Rv.

6 Zie voor de inverzekeringstelling: art. 57 e.v. Sv.

7 Zie voor de voorlopige hechtenis (bevel tot bewaring resp. bevel tot gevangenhouding): art. 63 e.v. Sv. G.J.M. Corstens/M.J. Borgers, Het Nederlands strafprocesrecht, 2014, blz. 435 e.v., resp. blz. 442 e.v.

8 Ik herinner aan de novelle van Marianne Philips, ‘De zaak Beukenoot’, Boekenweekgeschenk 1950, uitgave Commissie voor de collectieve propaganda van het Nederlandse Boek, die mede aan dit thema is gewijd (besproken door J. Leijten in Ars Aequi 2008, blz. 308 – 314, en door R.P. Bron in Trema 1999, blz. 405 – 407). Zie ook: T.M. Schalken, noot onder EHRM 5 juli 2007, NJ 2007/633, met verwijzingen naar oudere EHRM-rechtspraak; G.J.M. Corstens/M.J. Borgers, Het Nederlands strafprocesrecht, 2014, blz. 462 − 463 en blz. 484 – 487.

9 Art. 89 Sv is alleen van toepassing indien de zaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel of met zodanige oplegging, doch op grond van een feit waarvoor voorlopige hechtenis niet is toegelaten. Aan toepassing van art. 90 lid 4 Sv (“In plaats van het toekennen van schadevergoeding kan de rechter beschikken dat de dagen die de gewezen verdachte op grond van een bevel tot inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis in detentie heeft doorgebracht – geheel of gedeeltelijk – in mindering worden gebracht bij de tenuitvoerlegging van een uit anderen hoofde opgelegde onherroepelijke vrijheidsstraf”) komt de rechter dan niet toe.

10 Zie onder meer: L. Stevens, Voorlopige hechtenis en vrijheidsstraf. De strafrechter voor voldongen feiten?, NJB 2010/1208, blz. 1520 – 1525; Voorlopige hechtenis – maar dan anders. Verkenning van alternatieven in het kader van schorsing en tenuitvoerlegging, advies Raad voor de Strafrechtstoepassing, 2011 (www.rsj.nl); S. Jansen en P. van der Meij, Tekenen bij het kruisje. De motivering van de voorlopige hechtenis, NJB 2012/1468, blz. 1785 – 1789.

11 De in art. 14g lid 6 Sr bedoelde verrekening van een voorlopige tenuitvoerlegging als bedoeld in art. 14fa Sr blijft in deze zaak onbesproken.

12 Zie over de executieplicht: S. Meijer, Openbaar ministerie en tenuitvoerlegging, diss. 2012, hoofdstuk 5 (i.h.b. blz. 119-120, blz. 175-177 en blz. 181-182). In het wetsvoorstel Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (Kamerstukken II 2014-2015, 34 086, nr. 2; art. 6.1.1; zie ook de memorie van toelichting, 34 086, nr. 3, blz. 17) is voorgesteld de tenuitvoerlegging in handen van de minister van Veiligheid en Justitie te leggen.

13 Zie onder meer: HR 1 februari 1991, NJ 1991/413 m.nt. Th.W. van Veen; HR 16 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN7544, NJ 2004/223. Een uitzonderingsgeval, waarin de wijze van tenuitvoerlegging tot een schending van art. 3 EVRM had geleid en verkorting nodig was ter compensatie daarvan, is HR 31 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AI0351, NJ 2005/196 m.nt. E.A. Alkema.

14 HR 3 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG5977, NJ 2009/139.

15 Aanwijzing executie d.d. 28 januari 2013, nr. 2013A003, Stcrt. 2013/5107 (ook te raadplegen via www.om.nl).

16 Vgl. bijv. HR 15 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO9885, NJ 2011/340, rov. 2.5; S. Meijer, Openbaar ministerie en tenuitvoerlegging, diss. 2012, blz. 98.

17 In het genoemde wetsvoorstel 34 086 komt deze bepaling terug in art. 6:1:11: “Onze Minister is bevoegd de tenuitvoerlegging van geldboeten waarvoor geen gratie kan worden verleend te beëindigen indien hij van oordeel is dat met de voortzetting daarvan geen redelijk doel wordt gediend”.

18 Recommendation Rec (2006) 13 of the Committee of Ministers to member states on the use of remand in custody, the conditions in which it takes place and the provision of safeguards against abuse, 2006 (www.coe.int). Zie met name de aanbevelingen onder 3, 9, 22 (beginselen en duur van het voorarrest), 33 (aftrek van voorarrest) en 34 (compensatie).

19 MvT, Kamerstukken II 2014-2015, 34086, nr. 3, blz. 81. Het voorgestelde art. 6:2:6 Sv luidt: Indien de veroordeelde meer dan één straf achtereenvolgens moet ondergaan, worden zij voor de toepassing van artikel 6:2:5, eerste lid, als één straf aangemerkt en zo enigszins mogelijk aaneensluitend ten uitvoer gelegd. In dat geval worden geheel onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen vrijheidsstraffen gezamenlijk, met uitzondering van vervangende hechtenis die moet worden ondergaan, als één vrijheidsstraf aangemerkt voor de toepassing van de voorwaardelijke invrijheidstelling.”