Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:2334

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
28-10-2014
Datum publicatie
19-12-2014
Zaaknummer
13/02803
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:3687, Gedeeltelijk contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Witwassen. 1. Verbergen of verhullen a.b.i. art. 420bis.1.a Sr. 2. Voorhanden hebben a.b.i. art. 420bis.1.b Sr. Ad 1. Nu uit de gebezigde bewijsvoering niet méér kan worden afgeleid dan dat op ongebruikelijke plaatsen in een bij verdachte in gebruik zijnde woning een grote hoeveelheid geld is aangetroffen, is de bewezenverklaring wat betreft het "verbergen" van de herkomst van het geldbedrag, mede gelet op de wetgeschiedenis, niet naar de eis der wet met redenen omkleed. Ad 2. De HR herhaalt toepasselijke overwegingen uit ECLI:NL:HR:2014:702. Het Hof heeft bij de kwalificatie van het bewezenverklaarde voorhanden hebben van geldbedragen als "witwassen" kennelijk geoordeeld dat zich hier niet een geval voordoet waarin sprake is van een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig is uit een door verdachte zelf begaan misdrijf zoals is vooropgesteld. Dat oordeel is niet z.m. begrijpelijk, gelet op ‘s Hofs bewijsvoering en het bewezenverklaarde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 13/02803

Mr. Machielse

Zitting 28 oktober 2014

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof Amsterdam heeft verdachte op 21 december 2012 voor 1: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd, en 2 subsidiair: medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk. Voorts heeft het hof de verbeurdverklaring van in beslag genomen geld uitgesproken.

2. Mr. R.T. Laigsingh, advocaat te Amsterdam, heeft cassatie ingesteld. Mr. W. de Vries, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden houdende vier middelen van cassatie.

3.1. Het eerste middel klaagt over het bewijs van feit 2. Het hof zou een te strenge maatstaf hebben aangelegd bij de beoordeling van de vraag of de verklaring van verdachte voor de herkomst van het geld zo onwaarschijnlijk is dat deze verklaring terzijde kan worden gesteld.

3.2. Als feit 2 is bewezenverklaard dat

"hij in de periode van 1 januari 2001 tot en met 17 oktober 2006, te Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, van voorwerpen, te weten geldbedragen (bankbiljetten en muntgeld, ongeveer 1,5 miljoen euro), de werkelijke aard en herkomst, heeft verborgen, terwijl hij en zijn mededader wisten dat die voorwerpen – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf

en

voorwerpen, te weten bankbiljetten/geld voorhanden heeft gehad, en heeft overgedragen, terwijl hij en zijn mededader wisten dat die voorwerpen – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf."

De verdediging heeft in hoger beroep bepleit dat de herkomst van de grote hoeveelheid geld door verdachte is aangetoond aan de hand van bewijzen. Het geld zou afkomstig zijn enerzijds uit de koffieshop [A] en anderzijds van rijstbouw in Suriname.

3.3. In het arrest van het hof is over dit onderwerp het volgende te lezen:

“1.3. Ter terechtzitting in hoger beroep gevoerde verweren met betrekking tot feit 2

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman in verband met feit 2 het volgende naar voren gebracht:

1. De verdachte heeft de werkelijke aard en herkomst van de geldbedragen aangetoond door middel van de door hem overlegde stukken in eerste aanleg, zowel van Coffeeshop [A] als van Stichting [B] . Dit bewijs zou ondersteund worden door de ter terechtzitting in hoger beroep getoonde videobeelden uit Suriname;

2) Uit niets blijkt dat de handelingen van de verdachte gericht waren op het veiligstellen van de door hem gegenereerde opbrengsten via de coffeeshop en die van Stichting [B] . De handelingen kunnen zodoende niet gekwalificeerd worden als het verbergen en verhullen van het geld met de bedoeling om het geld veilig te stellen dan wel voor justitie te verbergen en op deze wijze de integriteit van het financiële en economische verkeer en openbare orde aan te tasten.

3) Uit niets blijkt dat het aangetroffen geld zwart geld betreft, gegenereerd met de handel in softdrugs buiten de coffeeshop om. Als er al geld voor de fiscus is verzwegen, maakt dit de herkomst van het geld nog niet illegaal. Derhalve kan niet aangetoond worden dat het geld van enig misdrijf afkomstig is.

Ten aanzien van deze stellingen wordt als volgt overwogen.

Naar aanleiding van een anonieme melding op 26 augustus 2006 dat in coffeeshop [A] aan de [e-straat 1] te Amsterdam, waarvan de verdachte eigenaar is, grote partijen drugs worden verkocht en harddrugs worden bewaard, is een onderzoek gestart. Vervolgens hebben huiszoekingen plaatsgevonden in de coffeeshop van de verdachte, op het adres van zijn medewerker in de coffeeshop en zwager [betrokkene 3] , [a-straat 1] te Diemen, het officiële adres van de vrouw van [betrokkene 3] , [b-straat 1] te Amsterdam, het woonadres van zijn dochter, zoon en voormalig echtgenote en tevens wegens werkzaamheden aan het huis van de verdachte het regelmatig feitelijk verblijfadres van de verdachte, [d-straat 1] 9 te Amsterdam, en zijn eigen woonadres [c-straat 1] te Amsterdam.

Bij deze doorzoekingen is een grote hoeveelheid softdrugs en contant geld in beslag genomen. De totale waarde van het contante geld dat op diverse plaatsen in de woning aan de [d-straat 1] 9 te Amsterdam werd aangetroffen bedroeg ruim 1.4 miljoen euro. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard "dat de verdovende middelen die zijn aangetroffen in de coffeeshop, in het perceel aan de [d-straat 1] 9 en in het perceel aan de [c-straat 1] van hem zijn en dat het mogelijk is dat de verdovende middelen aangetroffen in het perceel aan [a-straat 1] en in het perceel aan de [b-straat 1] ook van hem zijn. Voorts heeft hij verklaard dat het enorme bedrag aan contant geld dat is aangetroffen in de [d-straat 1] van hem is.

Dit bedrag is niet verklaarbaar uit zijn legale inkomsten. In het dossier op pagina 80059 bevindt zich, afkomstig van de Belastingdienst, een verklaring van [verbalisant 5] die naar aanleiding van de nadere beoordeling van de door de politie in beslag genomen administratie van Coffeeshop [A] als volgt verklaart:

'Bii het doornemen van de administratie van het jaar 2006 is gebleken dat er nette dienstlijsten, opgeboden in ordners, en kladdienstlijsten bestaan. Opvallend is dat de kladversie een veel hogere omzet weergeeft dan in de administratie van 2006 is aangegeven. Volgens de kladlijsten blijkt dat er een gemiddelde omzet van €4.245.09 per dag wordt behaald. Volgens de nette administratie wordt een gemiddelde dagomzet van €877,44 behaald, een significante afwijking . Er zou dus een bedrag aan winst worden verzwegen'.

Hierdoor ontstaat het vermoeden dat de verdachte zeer veel extra inkomsten had die hij niet verantwoordde aan de Belastingdienst, maar die wel de herkomst van het aangetroffen geld onderbouwen. Gebleken is daarnaast dat een deel van het aangetroffen geld bestond uit biljetten van €500.00 terwijl bekend is dat deze biljetten doorgaans niet door consumenten in de coffeeshop als betaalmiddel worden aangeboden. Voorts is gebleken dat er zeven MOT-meldingen zijn, die aan de verdachte en/of zijn vrouw en zoon kunnen worden gerelateerd en dat de vrouw en zoon van de verdachte op één avond in het casino fl. 16.000.00 wisselden naar euro's. Verdachte en zijn gezin komen zeer regelmatig in het casino.

De verdachte heeft wisselend verklaard omtrent de herkomst van het aangetroffen geldbedrag. Bij zijn eerste verhoor op 18 oktober 2006 wanneer hij nog niet is geconfronteerd met het aangetroffen geldbedrag, verklaart hij dat hij eigenaar is van een coffeeshop en dat hij daarnaast geen andere werkzaamheden of inkomsten heeft. Als hij geconfronteerd wordt met het aangetroffen geldbedrag verklaart de verdachte dat het geld verdiend zou zijn met de coffeeshop en dat het geld afkomstig, is van zijn familie uit Suriname. Zijn familie zou rijstvelden in Suriname bezitten (dossierpagina 60009).

Voorts verklaart hij ter terechtzitting van 23 juni 2011 dat hij voorzitter is van Stichting [B] in Suriname. Deze stichting zou rijstvelden exploiteren en het geld zou aan de verdachte in bewaring zijn gegeven. De verdachte kan niet aangeven welk deel van het geld dat is aangetroffen van de coffeeshop afkomstig is, welk deel uit Suriname afkomstig is en of een deel van de kinderen is. Op geen enkele wijze heeft de verdachte inzichtelijk kunnen maken dat het geld op legale wijze is verkregen. De door de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg overgelegde stukken en de ter terechtzitting in hoger beroep getoonde, uit Suriname afkomstige videobeelden maken dit niet anders. Hiermee wordt immers slechts het bestaan van een eventuele bron van inkomsten aangegeven, doch worden geen geldstromen inzichtelijk gemaakt. Daarmee is de aanwezigheid van een contant geldbedrag van ruim 1,4 miljoen euro op diverse ongebruikelijke plaatsen in een woning in Amsterdam niet verklaard.

Daarbij verklaart de voormalige echtgenote van de verdachte. [betrokkene 1] . dat zij zeker weet dat al het geld afkomstig is uit de coffeeshop en dat het allemaal zwart geld betreft (doss.erpag.na 60019).

Later heeft zij verklaard dat het geld kwam uit de verkoop van een bedrijf in Suriname en vervolgens dat het het geld is verdiend met de exploitatie van rijstvelden in Suriname (dossierpagina's 60024 en 60025) Weer later verklaart zij dat ze nooit rijstvelden gehad hebben en dat de Stichting [B] nooit echt van de grond is gekomen. Zij verklaart dan dat de verdachte haar heeft gezegd dat het geld de dagopbrengst van de coffeeshop was (dossierpagina 60060).

Gezien de grote hoeveelheid contant geld die onder de verdachte is aangetroffen en het gebrek aan onderbouwing van de door de verdachte voor die hoeveelheid gegeven verklaringen is het hof van oordeel dat het niet anders kan dan dat dit geld van misdrijf afkomstig is. Bij dit oordeel speelt een rol dat onder de verdachte tevens grote hoeveelheden softdrugs in beslag zijn genomen en een schaduwboekhouding is gevonden die op niet aan de belastingdienst verantwoorde inkomsten wijst.

Voorts bevond het geld zich op ongebruikelijke plaatsen in een woning waarmee de verdachte de werkelijke aard en herkomst van het geld heeft verborgen. Het hof acht dus bewezen dat de verdachte het aangetroffen geldbedrag heeft witgewassen. De verweren worden verworpen.

Nadere bewijsoverweging

Het hof stelt vast dat uit overzichten van Holland Casino blijkt dat de ex-echtgenote en de zoon van de verdachte in 2002 fl. 6.000.00 hebben gewisseld in euro's (dossierpagina's 20023 tot en met 20034). Voorts stelt het hof vast dat de zoon wel studiefinanciering op zijn girorekening heeft ontvangen maar dat uit het verloop van zijn girorekening blijkt dat opnames voor dagelijkse uitgaven ontbreken (dossierpagina 80110 e.v.). Het hof trekt uit deze beide constateringen de conclusie dat de verdachte geldbedragen waarvan de herkomst niet is verantwoord en die - zoals hiervoor reeds bewezen geacht - van misdrijf afkomstig waren - heeft overgedragen.”

3.4. In de schriftuur worden onderdelen van de pleitnota van hoger beroep en het antwoord van het hof daarop aangehaald. De steller van het middel wijst erop dat verdachte legale inkomsten uit zijn koffieshop heeft gehad, hetgeen een deel van het aangetroffen bedrag zou kunnen verklaren. Ook het geld afkomstig van de Stichting [B] die in Suriname rijstvelden exploiteerde is te traceren. Van verdachte mag niet worden gevergd dat hij aannemelijk maakt dat het geld niet van misdrijf afkomstig is, door de onderliggende geldstromen inzichtelijk te maken. Voorts is algemeen bekend dat het in een casino niet ongebruikelijk is om biljetten van € 500 uit te geven.

3.5. Wat het laatste betreft merk ik op dat het volgens mij ook algemeen bekend is dat in een casino crimineel geld en wel met coupures van € 500 pleegt te worden witgewassen.

Het hof heeft in zijn overwegingen tot uitdrukking gebracht dat verdachte geen concrete, verifieerbare en niet op voorhand als hoogst onwaarschijnlijk aan te merken herkomst van het geld heeft genoemd.1 De steller van het middel ziet over het hoofd dat het hof niet zomaar tot dit oordeel is gekomen, maar dit oordeel doet steunen op de bevindingen van de belastingdienst, het feit dat verdachte geen duidelijkheid kan verschaffen over het deel van de bijna anderhalf miljoen euro dat van de Stichting [B] afkomstig zou zijn, het feit dat dit bedrag op ongebruikelijke plaatsen in woningen in Amsterdam is gedeponeerd, de inhoud van de verklaringen van de voormalige echtgenote van verdachte, inhoudende dat zij nooit rijstvelden hebben gehad, dat de stichting [B] nooit echt van de grond is gekomen en dat verdachte tegen haar heeft gezegd dat het geld de dagopbrengst van de koffieshop was, het gegeven dat verdachte grote hoeveelheden soft drugs in bezit had en dat uit een schaduwboekhouding is op te maken dat inkomsten niet zijn verantwoord.

Door de uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkende feiten en omstandigheden tot uitgangspunt te nemen voor het oordeel dat bewezen is dat het geld uit misdrijf afkomstig is, en de verklaring van de verdachte omtrent de herkomst van het geld kennelijk als hoogst onwaarschijnlijk terzijde te schuiven, heeft het hof – anders dan de steller van het middel kennelijk meent – de bewijslast ten aanzien van het bestanddeel "afkomstig uit enig misdrijf" niet op de verdachte gelegd.2

Ook als er al gedeelten van het aangetroffen geldbedrag zijn verkregen met legale activiteiten wil dat nog niet zeggen dat het totale bedrag niet meer kan worden aangemerkt als "mede" of "deels" afkomstig uit misdrijf. Met het oog op een effectieve bestrijding van het witwassen achtte de wetgever het immers nodig om niet alleen voorwerpen onder het bereik van die strafbepalingen te brengen die onmiddellijk of middellijk van misdrijf afkomstig zijn, maar ook voorwerpen die gedeeltelijk van misdrijf afkomstig zijn. De Hoge Raad is zich bewust van de bezwaren die tegen zo een ruime reikwijdte van de witwasbepalingen kunnen worden geopperd. Een te ruim bereik van deze bepaling zou een normaal handelsverkeer onevenredig kunnen bemoeilijken. Zo zou bijvoorbeeld de vermenging van een gering crimineel geldbedrag met een groot legaal verkregen vermogen tot gevolg hebben dat dit gehele vermogen besmet zou zijn. Daarom dient de toepassing van artikel 420bis Sr e.v. aan zekere grenzen te zijn gebonden.3 Maar wil een verdachte een beroep doen op deze beperkingen dan zal toch inzichtelijk moeten zijn hoe de verhoudingen tussen crimineel en niet crimineel vermogen moeten worden gezien. Dat heeft het hof terecht aan de verdediging voorgehouden.

Het middel faalt.

4.1. Het tweede middel klaagt dat er onvoldoende bewijs is voor enige bijdrage van verdachte aan het verbergen of verhullen van de gestelde criminele herkomst van het geld, noch voor het overdragen van dat geld. De schriftuur wijst er op dat in hoger beroep de verdediging heeft betoogd dat de handelingen van verdachte niet zijn te kwalificeren als het verbergen en verhullen van de herkomst van het geld met de bedoeling om dat geld veilig te stellen of voor Justitie te verbergen. Volgens de steller van het middel is er geen sprake geweest van het verbergen van de werkelijke aard en herkomst van het geld. De plaatsen waar het geld in het pand [d-straat 1] 9 te Amsterdam is aangetroffen laten deze conclusie niet toe. Evenmin kan blijken dat het voorhanden hebben en overdragen van het geld ertoe strekte om de criminele herkomst van het geld te verbergen. Noch is uit de gebezigde bewijsmiddelen vast te stellen dat verdachte geld heeft overgedragen, bijvoorbeeld aan zijn ex-echtgenote en zijn zoon.

4.2. De Hoge Raad heeft meerdere malen bevestigd dat niet iedere gedraging die in het eerste lid van artikel 420bis Sr is genoemd ook onder alle omstandigheden de kwalificatie witwassen kan dragen. Zo kan de vraag rijzen of er sprake is van witwassen als verdachte een voorwerp dat afkomstig is uit eigen misdrijf voorhanden heeft. Hetzelfde geldt voor het verwerven van dat voorwerp door dat misdrijf.

De strekking van de strafbaarstelling van het witwassen is de bescherming van de integriteit van het financieel en economisch verkeer en van de openbare orde. Van witwassen van de opbrengst van het eigen misdrijf kan sprake zijn als het handelen van de verdachte erop was gericht "om zijn criminele opbrengsten veilig te stellen". Als het verwerven of voorhanden hebben van een voorwerp uit eigen misdrijf niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp, levert het handelen geen witwassen op. Wil er witwassen zijn, dan zal de gedraging meer moeten omvatten dan het enkele verwerven of voorhanden hebben en een karakter moeten hebben dat is gericht op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het door eigen misdrijf verkregen voorwerp. Niet is uit te sluiten dat op andere in artikel 420bis Sr genoemde gedragingen, zoals "overdragen", "gebruikmaken" of "omzetten" van door eigen misdrijf verkregen voorwerpen, in bijzondere omstandigheden dezelfde beperking van toepassing is als geldt voor het "verwerven" en "voorhanden hebben". In zo'n bijzonder geval is dan ook het enkele "overdragen" van een door eigen misdrijf verkregen voorwerp zonder dat dit "overdragen" een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst gericht karakter heeft, evenmin als witwassen te kwalificeren.4

4.3. De plaatsen in de woning waar het geld is aangetroffen zijn nog niet doorslaggevend voor het aannemen van een strekking om de criminele herkomst van dat geld te trachten te verbergen.5

Maar in de onderhavige zaak is het geldbedrag niet in de woning van verdachte zelf ( [c-straat 1] te Amsterdam) aangetroffen, maar in de woning van zijn ex-echtgenote ( [d-straat 1] 9 te Amsterdam). Is deze omstandigheid voldoende om het handelen van verdachte de strekking te geven van verhulling en verberging van de criminele herkomst van het geldbedrag?

4.4. Voor het bewijs van feit 2 heeft het hof onder meer de volgende bewijsmiddelen gebezigd:

“18. Een proces-verbaal met nummer 2006219410-1 van 19 oktober 2006, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4] (doorgenummerde pagina's 44024 tot en met 44025).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:

Op 17 oktober 2006 vond in perceel [d-straat 1] 9 te Amsterdam een doorzoeking plaats, waarbij onder andere een groot geldbedrag werd aangetroffen en inbeslaggenomen. Vastgesteld is dat werd inbeslaggenomen aan euro-bankbiljetten een bedrag van in totaal € 1.400.720,-. Van het inbeslaggenomen geld bevond zich een bedrag van € 869.180,- in een afgesloten kluis, € 110.000,- in een blauwe schoenendoos en € 200.000,- in een witte schoenendoos. De overige bankbiljetten werden her en der in het huis aangetroffen.

19. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 11 december 2012.

Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Het geldbedrag van ruim 1,4 miljoen euro, dat contant bij mij in huis (het hof begrijpt: perceel [d-straat 1] 9 te Amsterdam) is aangetroffen, is van mij.

20. Een proces-verbaal met nummer 2006219410-66 van 19 oktober 2006, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (doorgenummerde pagina's 60023 tot en met 60026).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van [betrokkene 1] :

Het geld (het hof begrijpt: het geld dat is aangetroffen bij de doorzoeking in perceel [d-straat 1] 9 te Amsterdam) lag al vanaf het jaar 2000 in huis. Elk jaar werd het steeds meer. De kinderen wisten ook dat er geld in huis lag. Ik heb ook gebruik gemaakt van het geld.

21. Een verslag afkomstig van de Belastingdienst, opgemaakt door [verbalisant 5] .

Dit verslag houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Naar aanleiding van de nadere beoordeling van de door de politie in beslag genomen administratie van coffeeshop [A] het volgende: Bij het doornemen van de administratie van het jaar 2006 is gebleken dat er nette dienstlijsten, opgeborgen in ordners, en kladdienstlijsten bestaan.

Opvallend is dat de kladversie een veel hogere omzet weergeeft dan in de administratie van 2006 is aangegeven. Volgens de kladlijsten blijkt dat er een gemiddelde omzet van €4.245,09 per dag wordt behaald. Volgens de nette administratie wordt een gemiddelde dagomzet van €877,44 behaald, een significante afwijking. Er zou dus een bedrag aan winst worden verzwegen.”

Voor feit 1 heeft het hof ook een verklaring van de ex-echtgenote van verdachte, [betrokkene 1] gebruikt, waarin zij zegt dat op het moment van het afleggen van de verklaring, 18 oktober 2006, het huis van verdachte, aan de [c-straat 1] te Amsterdam, wordt gerenoveerd en dat hij daarom vaak bij haar in de woning, [d-straat 1] 9 te Amsterdam, verblijft (bewijsmiddel 15). Het in haar woning aangetroffen geld is zwart geld, afkomstig uit de koffieshop. Voorts zegt zij daar dat verdachte niet wist wat hij allemaal met het geld moest en dat hij het in haar woning heeft gelegd. Zij wist dat er overal in huis geld verstopt was. Zij wilde hem helpen en daarom liet zij het toe.

4.5. De steller van het middel is klaarblijkelijk van oordeel dat het brondelict van feit 2 een fiscaal delict is. Volgens mij is dit een onjuiste uitleg van de overwegingen van het hof. Het brondelict is de grootschalige handel in drugs. Het aangetroffen geld is volgens de overwegingen van het hof, dat daartoe onder meer naar de verklaringen van de ex-echtgenote van verdachte wijst, afkomstig van de koffieshop. Verdachte heeft geprobeerd zijn omzet verborgen te houden door de administratie van zijn koffieshop valselijk op te maken. Dat is de zin van het opnemen van het verslag van de Belastingdienst (bewijsmiddel 21) onder de gebezigde bewijsmiddelen. Door het aangetroffen geld niet in de administratie van de koffieshop te verantwoorden heeft verdachte geprobeerd de band tussen het voorhanden geld en de drugsdelicten door te snijden en te verhullen dat hij beschikte over veel geld uit de drugshandel. Daarbij past dat verdachte de criminele opbrengst van de koffieshop al vanaf het jaar 2000 in de woning van zijn ex-echtgenote verstopte (bewijsmiddel 20). Dat het geld in de woning van zijn ex-echtgenote is aangetroffen is dus geen noodmaatregel geweest in verband met de renovatie van de woning van verdachte zelf, maar sluit aan bij de poging de opbrengsten van de koffieshop te verdonkeremanen.

Het voorhanden hebben van het geld in een andere woning geeft het, bezien tegen de achtergrond van de grootschalige drugshandel waaruit dat geld afkomstig is en van de poging om in de administratie die omzet te bagatelliseren, een strekking die wijst op het verbergen en verhullen van de criminele herkomst van dat geld.

Wat betreft het bewezenverklaarde overdragen wijs ik erop dat deze term duidt op alle handelingen die tot gevolg hebben dat iemand de feitelijke zeggenschap over een goed verkrijgt of overdraagt.6 Uit bewijsmiddel 20 heeft het hof kunnen afleiden dat de ex-echtgenote van verdachte gebruik heeft gemaakt van het geld dat vanaf 2000 in haar huis werd gebracht. Daaruit heeft het hof kunnen afleiden dat (een deel van) de opbrengst van de drugshandel aan haar is overgedragen.

Het middel faalt.

5.1. Het derde middel klaagt over de strafmotivering. Het hof heeft volgens de steller van het middel nagelaten in het bijzonder de redenen op te geven die hebben geleid tot het afwijzen van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van de verdediging met betrekking tot strafoplegging.

5.2. Ik herhaal het onderdeel van de verklaring van verdachte, ter terechtzitting in hoger beroep op 11 december 2012 afgelegd, dat volgens de steller van het middel een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt zou inhouden:

"Ik ben mijn gedoogvergunning voor de coffeeshop kwijtgeraakt en de exploitatie van de coffeeshop is beëindigd. Ik leef nu van een uitkering. U houdt mij voor dat het vreemd is dat bij mij ruim 1,4 miljoen euro wordt aangetroffen, dat verdiend zou zijn in Suriname, en dat ik nu een uitkering krijg. Het geld dat bij mij is aangetroffen was niet van mij maar van de Surinaamse stichting. Omdat ik voorzitter was van die stichting lag het geld bij mij. Ik verkrijg nu geen inkomsten meer met de exploitatie van rijstvelden in Suriname. De stichting is gestopt. De percelen grond die ik bezat in Suriname zijn in beslag genomen. Ik heb geen schulden. Ik ben van mening dat ik geen straf heb verdiend. Ik heb mijn hele leven hard gewerkt. Ik heb psychisch veel last gehad van de periode die ik onterecht in de gevangenis heb doorgebracht. Ook heb ik hartproblemen, waarvoor ik in behandeling ben. Deze zaak heeft veel gevolgen gehad voor mij en mijn gezin."

Het hof heeft de opgelegde gevangenisstraf aldus gemotiveerd:

"Oplegging van straf en maatregel

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte ten aanzien van het onder 1 en 2 subsidiair ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 99 dagen met aftrek van voorarrest en een werkstraf van 160 uren, subsidiair 80 dagen hechtenis, waarvan 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte en het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 en 2 subsidiair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen strafen maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van een grote hoeveelheid verdovende middelen. Hennep en hashish zijn middelen waarvan het gebruik schadelijk kan zijn voor de volksgezondheid.

Voorts heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het witwassen van enorme geldbedragen. De verdachte heeft op deze wijze de bescherming aangetast van de integriteit van het financiële en economisch verkeer en van de openbare orde. Dit zijn ernstige feiten die het hof de verdachte zwaar aanrekent.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 26 november 2012 is de verdachte eerder, doch lange tijd geleden, ter zake van handelen in strijd met de Opiumwet veroordeeld.

Gelet op het voorgaande zou een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, in beginsel passend en geboden zijn.

In eerste aanleg heeft de behandeling van de zaak bijna vijf jaren geduurd. Dit is een overschrijding van de redelijke termijn met ruim drie jaren. De overschrijding is echter voor een groot deel veroorzaakt door het rechtshulpverzoek aan Suriname dat in verband staat met door de verdediging betrokken stellingen. Het hof schat het aan de verdediging toe te rekenen gedeelte van de overschrijding op 18 maanden. Vanwege de overschrijding van de redelijke termijn bij de berechting in eerste aanleg, voorzover deze niet aan de verdediging te wijten is. zal de straf gematigd worden tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk."

5.3. Het hof heeft in deze strafmotivering tot uitdrukking gebracht dat het heeft gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte maar dat de ernst en omvang van de bewezenverklaarde feiten, verminderd met het effect dat de schending van de redelijke termijn in eerste aanleg op de strafoplegging dient te hebben, de straf die het hof zal opleggen rechtvaardigen. In aanmerking genomen de inhoud en onderbouwing van hetgeen verdachte over zijn persoonlijke omstandigheden heeft aangevoerd, hetgeen er kort gezegd enkel op neerkomt dat de verdachte door de strafvervolging wordt getroffen, maar naar mijn oordeel op een wijze die volstrekt niet als buitengewoon of extra zwaar is te beschouwen, was het hof niet gehouden de strafoplegging nader te motiveren.

Het middel faalt.

6.1. Het vierde middel klaagt over de verbeurdverklaring van het in beslaggenomen geld. Volgens de steller van het middel kan een verbeurdverklaring alleen volgen als er een sterke band is tussen het voorwerp en het strafbaar feit. De motivering van de verbeurdverklaring in het bestreden arrest schiet op dit punt tekort. De motivering is te algemeen en ziet eraan voorbij dat de verdachte ook ruime inkomsten uit de legale handel in drugs via de koffieshop had.

6.2. Het hof heeft de verbeurdverklaring in het arrest aldus gemotiveerd:

"Het onder 2 subsidiair ten laste gelegde en bewezen verklaarde is begaan met betrekking tot de hierna te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen (geldbedragen, items 2 tot en met 15 van de in hoger beroep overgelegde beslaglijst). Zij behoren de verdachte toe. Zij zullen daarom worden verbeurd verklaard."

6.3. Het verbeurd verklaarde geldbedrag is het bedrag dat in de bewezenverklaring van feit 2 is opgenomen. Met betrekking tot dit geldbedrag is dat feit begaan, zodat voldaan is aan de eis van art. 33a lid 1 onder b Sr.

De steller van het middel gaat ervan uit dat de handel via de koffieshop legaal is geweest. Dat waag ik te betwijfelen. In het perceel [e-straat 1] 10 te Amsterdam, waar de koffieshop van verdachte was gevestigd, is op 17 oktober 2006 een hoeveelheid soft drugs aangetroffen die is aan te merken als een "grote hoeveelheid" in de zin van het vijfde lid van artikel 11 Opiumwet. Dat vijfde lid van artikel 11 Opiumwet is ingevoerd bij Wet van 1 juni 2006, Stb. 2006, 292 en in werking getreden op 1 juli 2006. Ik verwijs in dit verband naar artikel 1 lid 2 van het Opiumwetbesluit waarin met ingang van 22 september 2006 de grens is gesteld op 500 g.7 Ik wijs er voorts op dat de Aanwijzing Opiumwet 2000 (Stcrt. 2000, 250) die in de periode waarin feit 1, kort gezegd het opzettelijk bedrijfsmatig aanwezig hebben van hoeveelheden hennep en hasjiesj, zich afspeelde gold, inhield dat niet strafrechtelijk zou worden opgetreden tegen koffieshops die op grond van het lokale driehoeksoverleg worden gedoogd maar dat dit niet van toepassing was wanneer de handelsvoorraad van de koffieshop de 500 g te boven gaat. Overigens zou het voldoen aan alle gedoogcriteria voor de handel in de koffieshop nog niet het verboden karakter aan die handel ontnemen.8

Het middel faalt.

7. De voorgestelde middelen falen en kunnen naar mijn oordeel, op het tweede middel na, met de aan artikel 81 RO ontleende motivering worden verworpen. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.

8. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 HR 13 juli 2010,ECLI:NL:HR:2010:BM2471.

2 Zie de in de vorige voetnoot genoemde uitspraak van de Hoge Raad.

3 HR 23 november 2010, NJ 2011, 44 m.nt. Keijzer.

4 HR 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:714.

5 HR 18 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA3302; HR 28 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:174; HR 20 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1164; HR 27 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1237. Zie voorts de conclusie van mijn ambtgenoot mr. Vegter voor HR de 17 juni 2014,ECLI:NL:HR:2014:1444, waarnaar de HR in die zaak verwijst.

6 HR 26 oktober 2010, NJ 2010, 655 m.nt. Keijzer jo. HR 26 november 1996, NJ 1997, 210.

7 Besluit van 9 december 2002, Stb. 2002, 624.

8 Vergelijk HR 24 augustus 2004, nr. 02493/03 (niet gepubliceerd) waarin het oordeel van het hof dat een gedoogstatus van een vreemdeling de wederrechtelijkheid van het verblijf hier te lande van deze vreemdeling niet wegneemt in de ogen van de HR genade vond.