Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:232

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
04-02-2014
Datum publicatie
01-04-2014
Zaaknummer
13/02564
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:773
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Artt. 6 en 175 WVW 1994. Roekeloosheid. HR herhaalt toepasselijke overwegingen uit ECLI:NL:HR:2013:960. In het licht van die overwegingen schiet de bewijsvoering van het Hof tekort. De door het Hof in het bijzonder in aanmerking genomen omstandigheden – kort gezegd, dat door verdachte die niet beschikte over een rijbewijs is gereden met een snelheid van ongeveer tweehonderd kilometer per uur en dat verdachte met hoge snelheid een afrit is opgereden en daar over de vluchtstrook een voor hem rijdende auto rechts heeft ingehaald – zouden toereikend kunnen zijn voor het oordeel dat verdachte, zoals eveneens is tenlastegelegd, “zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend” heeft gereden, maar zij zijn niet zonder meer toereikend voor het oordeel van het Hof dat verdachte “roekeloos” in de zin van art. 6 jo. art. 175 WVW 1994 heeft gereden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 13/02564

Zitting: 4 februari 2013

Mr. Knigge

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem heeft bij arrest van 7 maart 2013 verdachte wegens 1. primair “overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden en hem de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen ontzegd voor de duur van twee jaren, en verdachte wegens 2. “overtreding van artikel 107 van de Wegenverkeerswet 1994” veroordeeld tot hechtenis voor de duur van een week. Voorts heeft het Hof de tenuitvoerlegging gelast van de eerder aan de verdachte voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie van een week.

2. Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld.

3. Namens verdachte heeft mr. H.K. ter Brake, advocaat te Hoorn, twee middelen van cassatie voorgesteld.

4 Het eerste middel

4.1.

Het middel klaagt dat het Hof het bewezenverklaarde ten onrechte en onbegrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd heeft aangemerkt als roekeloos rijgedrag.

4.2.

Ten laste van de verdachte heeft het Hof onder 1 primair bewezenverklaard dat:

“hij op 11 december 2010 te Wognum, gemeente Medemblik, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de Rijksweg A7, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos,

- met een snelheid van ongeveer 200 km/u te rijden over de Rijksweg A7 en

- op die Rijksweg A7, met hoge snelheid, vlak voor een vrachtwagen langs de uitrijstrook/afrit 10 (afslag Wognum) op te rijden/sturen en

- op die afrit, die, gelet op verdachtes rijrichting, een bocht naar rechts maakt (ter plaatste kenbaar gemaakt door aan weerszijden van de rijbaan van die afrit geplaatste waarschuwingsborden J4 als bedoeld in Bijlage 1 bij het RVV 1990, zijnde waarschuwingsborden voor S-bochten, eerst naar rechts), met een snelheid gelegen ruim boven de ter plaatse geldende adviessnelheid van 70 km/u, welke adviessnelheid bij het oprijden van die afrit kenbaar is gemaakt door aan weerszijden van de rijbaan van de afrit geplaatste verkeersborden (verkeersbord A4 als bedoeld in Bijlage l van het RVV 1990) en

- met (die) hoge snelheid een vóór hem, verdachte, op de rijbaan van die afrit rijdende personenauto, gelet op verdachtes rijrichting, rechts, via de vluchtstrook van die afrit, in te halen en

- (daarbij) de macht over het stuur te verliezen en

- van de weg te raken en in de, gelet op verdachtes rijrichting, rechts naast de rijbaan van die afrit gelegen berm te rijden en aldaar tegen een boom te botsen, waardoor een ander (genaamd [betrokkene]) zwaar lichamelijk letsel, te weten een bovenbeenfractuur links en drie middenvoetsfracturen links en een polsfractuur rechts werd toegebracht”

4.3.

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“1. De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van het hof van 21 februari 2013, voor zover inhoudende:

Op 11 december heb ik als bestuurder van een motorrijtuig gereden over de Rijksweg A7. Ik reed zo'n 160/180 km per uur op de linkerhelft van de snelweg. Ik nam de afslag Wognum. Ik moest uitwijken voor een auto die veel langzamer voor mij reed anders was ik er bovenop geklapt. Ik heb deze auto toen rechts ingehaald en ben toen over de vluchtstrook gereden. Vervolgens ben ik uit de bocht gevlogen en tegen een boom gebotst. [betrokkene], die bij mij in de auto zat, is door de botsing gewond geraakt.

2. Uit de bijlagen van het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van de politie Noord-Holland Noord, genummerd PL10VE 2010142225, opgemaakt door [verbalisant 1], hoofdagent van politie, gesloten op 8 januari 2011:

* een proces-verbaal van verhoor van verdachte, opgemaakt door [verbalisant 1], hoofdagent van politie, gesloten op 8 januari 2011, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (blz. 34 ev):

Toen heb ik dus wel even gas gegeven op de A7. Ik denk dat ik ongeveer 180 kilometer per uur reed. [betrokkene] zei dat ik nog harder moest rijden. Ik nam de afrit met ongeveer 100 a 110 kilometer per uur. Ik reed in een zilver grijze BMW, die had ik van een bekende uit Utrecht geleend.

Ik heb wel heel hard gereden, maar het stuk op de A7 ging wel hard, maar daar heb ik geen gekke dingen gedaan. Pas bij de afrit ging het mis.

* een proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door [verbalisant 1], hoofdagent van politie, gesloten op 12 december 2010, voor zover inhoudende, als relaas van verbalisant, zakelijk weergegeven (blz. 10 ev):

Zaterdag, 11 december 2010, omstreeks 16.00 uur, stond ik, verbalisant, in uniform gekleed en met solo-noodhulpsurveillance belast, naar aanleiding van een melding van de regionale meldkamer te Alkmaar, te posten op een voertuig, die mogelijk vanuit Purmerend over de rijksweg A7, in Noordelijke richting zou rijden. Ik, verbalisant, stond op de A7 rechts, ter hoogte van hectometerpaal 36,1, op de aldaar verbrede vluchtstrook geparkeerd, met de alarmlichten van mijn opvallende dienstvoertuig ingeschakeld.

Ik, verbalisant, zag op datzelfde moment dat mij een zilvergrijze BMW met hoge snelheid passeerde. Terwijl ik, verbalisant, de verkeerssituatie inschatte om te bepalen wanneer ik, verbalisant, veilig in kon voegen, zag ik de eerdergenoemde zilvergrijze BMW met opvallend hoge snelheid afrit 10 nemen. Ik, verbalisant, was ter hoogte van hectometerpaal 36,4, dit is ter hoogte van de uitvoegstrook van afrit 10, ingevoegd op de snelweg, toen ik de voornoemde zilvergrijze BMW rokend tegen een boom zag staan naast de afrit, tussen de hectometerpalen 36,5 en 36,6. Ik, verbalisant, heb mij direct naar de BMW begeven, en zag dat er reeds twee passanten aan de deur aan de passagierszijde stonden te trekken. Ik, verbalisant, zag ter plaatse dat de bestuurder van de BMW, op zijn knieën naast het voertuig aan de bestuurderszijde zat met zijn hoofd in zijn handen. Ik, verbalisant, herkende de bestuurder als de mij, verbalisant, ambtshalve bekende:

[verdachte]

Geboren: [geboortedatum] 1992

Wonende: [a-straat 1] te [woonplaats].

Ik, verbalisant, herkende de passagier als de mij, verbalisant, ambtshalve

bekende:

[betrokkene]

Geboren: [geboortedatum] 1992

Wonende: [b-straat 1] te [woonplaats].

* een proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door [betrokkene], hoofdagent van politie, gesloten op 8 januari 2011, voor zover inhoudende, als relaas van verbalisant, zakelijk weergegeven (blz. 13 ev):

Door mij, verbalisant, is op donderdag 16 december 2010, te 9.45 uur, telefonisch een getuige gehoord inzake het verkeersongeval. Deze getuige was als een van de eerste personen ter plaatse op de plaats van het ongeval, en heeft zijn personalia opgegeven aan [verbalisant 2], brigadier van politie Noord-Holland Noord. De getuige, die anoniem wenst te blijven, maar wiens gegevens bij mij, verbalisant, wel bekend zijn, verklaarde het volgende:

"Op zaterdag, 11 december 2010, omstreeks 16.00 uur, reed ik in mijn auto over de A7. Ik reed in Noordelijke richting tussen Hoorn en Wognum, met een snelheid van ongeveer 120 kilometer per uur, op de rechter rijstrook. Een paar honderd meter voor de afslag Wognum, werd ik ingehaald door een zilvergrijze BMW met een gigantische snelheid. Dit is altijd moeilijk in te schatten, maar ik vermoed dat de BMW ergens rond de 200 kilometer per uur, maar in ieder geval 180 plus reed.

Vlak voor de afslag Wognum zag ik een politieauto op de vluchtstrook staan met alarmlichten aan. Ik zag dat de BMW vol in de ankers ging ter hoogte van de politieauto. Op dat moment reed er een vrachtwagen ter hoogte van de rijstrook van de afrit. Ik zag dat de BMW nog voor deze vrachtwagen langs schoot, de afrit op. Ik ging achter de vrachtwagen langs de afrit op, en reed zo'n 200 meter achter de BMW.

Door de bomen langs de afrit heen, zag ik de BMW behoorlijk hard in de bocht van de afrit rijden. Voor de BMW op de afrit reed een andere auto met een naar mijn idee normale snelheid, maar in ieder geval aanzienlijk langzamer dan de BMW. Ik heb op dat moment geen remlichten gezien bij de BMW. Ik zag en hoorde dat de BMW met hoge snelheid en een gigantische knal tegen een boom naast de weg aanreed;

* een proces-verbaal opname en interpretatie plaats ongeval, genummerd N2010142225, opgemaakt door [verbalisant 3] en [verbalisant 4], beiden brigadier van politie, gesloten op 12 januari 2010 (het hof leest: 2011), voor zover inhoudende, als relaas van verbalisanten, zakelijk weergegeven (blz. 18

ev):

Op de afrit van Rijksweg 7 was de bestuurder van een personenauto vermoedelijk met hoge snelheid tegen een boom gereden. Bij dit ongeval was betrokken een personenauto, merk BMW, type 323i Sedan, kleur grijs, voorzien van een vals kenteken [AA-00-BB].

Het ongeval had plaatsgevonden op de oostelijke rijbaan van de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Rijksweg 7 (rechts), ter plaatse gelegen buiten de bebouwde kom van Wognum, gemeente Medemblik.

De maximumsnelheid ter plaatse is 120 kilometer per uur, ter plaatse is een adviessnelheid van 70 kilometer per uur, aangegeven middels borden A4 van de bijlage 1 van het RVV 1990;

Foto 3: de bocht naar rechts op de afrit met de verkeersborden met adviessnelheid 70 km/h en de borden S-bochten;

* een proces-verbaal van verhoor van [betrokkene], opgemaakt door [verbalisant 1], hoofdagent van politie, gesloten op 16 december 2010, voor zover inhoudende, als relaas van verbalisant, zakelijk weergegeven (blz. 43 ev):

Over de aanrijding waarbij ik als inzittende betrokken was, afgelopen zaterdag, 11 december 2010, kan ik u het volgende verklaren. [verdachte] kwam met zijn BMW in Obdam. We zijn naar Hoorn gereden, langs het werk van een vriend. [verdachte] zat achter het stuur. Toen wij in Hoorn waren, werd [verdachte] gebeld door zijn vader, dat hij binnen tien minuten in Heerhugowaard moest zijn. We zijn daarom meteen weggegaan, en [verdachte] gaf flink gas. We reden met ongeveer 220 kilometer per uur over de A7, in de richting van de afslag Wognum, om de A.C. de Graafweg te nemen. Vlak voor de afslag zagen we een politieauto staan. [verdachte] dacht dat die politieauto daar voor hem stond. Vlak voor de politieauto stond [verdachte] vol op de rem. Daarna maakte hij weer wat snelheid, en namen we net aan voor een vrachtwagen langs, afslag Wognum. De afrit gaat met een bocht naar links. Ik denk dat we daar iets van 130 a 140 kilometer per uur reden, maar voor ons reed een kleine auto, iets van een Fiat Panda, veel langzamer. Ik zag dat [verdachte] er omheen reed, en deze auto inhaalde. Ik weet niet zeker meer of hij deze auto aan de binnenkant, of via de vluchtstrook inhaalde. Ik denk via de vluchtstrook. Toen we voorbij deze auto waren verloor [verdachte] de macht over het stuur. Ik zag dat hij zijn armen voor zijn gezicht deed, en we reden recht op een verkeersbord af. We klapten vol op een boom achter het verkeersbord.

Ik heb mijn linker been gebroken, en mijn rechterarm. In zowel mijn arm als been zijn pennen geplaatst. Ik moet waarschijnlijk ook nog aan mijn linkervoet geopereerd worden. Mijn rechtervoet is verbrand. Ik kan sowieso drie maanden niet lopen;

* als schriftelijk bescheid, een geneeskundige verklaring betreffende [betrokkene], opgemaakt door de behandelend arts De Haan, gedateerd 21 december 2010, voor zover inhoudende (blz. 47):

Uitwendig waargenomen letsel:

-bovenbeenfractuur links

-middenvoetsfracturen (3x) linker

-polsfractuur rechts

Operatie:

-bovenbeen li en pols re

-middenvoetsbeentjes li.”

4.4.

Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring voorts nog het volgende overwogen:

“Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het onder feit 1 tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof overweegt daarbij in het bijzonder het volgende.

Verdachte heeft met een personenauto met valse nummerplaten met een snelheid van ongeveer 200 km/u gereden over de Rijksweg A7. Voor de afslag naar Wognum heeft hij, na het passeren van een op de vluchtstrook stilstaand surveillancevoertuig van de politie, eerst sterk afgeremd en is meteen daarna met weer zeer sterk verhoogde snelheid vlak voor een vrachtwagen langs de uitrijstrook/afrit 10 (afslag Wognum) opgereden. Een op die uitrijstrook/afrit voor hem rijdende personenauto werd door verdachte rechts over de vluchtstrook ingehaald. Vervolgens is verdachte de macht over het stuur verloren en tegen een boom gebotst.

Genoemde gedragingen van verdachte hebben tot een zeer gevaarlijke verkeerssituatie en uiteindelijk het eenzijdige ongeval geleid waarbij de door verdachte bestuurde auto tegen een boom is gebotst en verdachtes passagier zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Daarbij komt dat verdachte in het geheel niet over een rijbewijs beschikte (verdachte heeft driemaal het theorie-examen niet gehaald en heeft daardoor het praktijkexamen evenmin kunnen afleggen) en dus naar moet worden aangenomen niet over de kennis en vaardigheden beschikte om motorrijtuigen op veilige wijze te besturen. Bovendien reed verdachte in een voor hem onbekende auto met zware motor (een BMW 323i). Een en ander maakt naar het oordeel van het hof dat in casu sprake is van zeer onvoorzichtig rijgedrag waarbij welbewust onaanvaardbare risico's zijn genomen en verdachte een zodanig ernstig gebrek aan zorgvuldigheid te verwijten valt dat op zijn rijgedrag de schuldvorm roekeloosheid van toepassing is.”

4.5.

De Hoge Raad is blijkens zijn vanaf 2012 gewezen arresten een scherpere koers gaan varen waar het de bewijsvoering van roekeloosheid als bedoeld in art. 6 jo. art. 175 WVW 1994 betreft. Hij stelde daarbij in een aantal arresten van 15 oktober 2013 – waaronder HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:964 – het volgende voorop:

“Ingevolge bestendige rechtspraak kan in cassatie slechts worden onderzocht of de schuld aan een verkeersongeval in de zin van art. 6 WVW 1994 uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Daarbij komt het aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Voorts verdient opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.

Voor de schuldvorm "roekeloosheid" geldt op zichzelf hetzelfde, zij het dat daarbij moet worden betrokken dat deze roekeloosheid in de wetsgeschiedenis als "de zwaarste vorm van het culpose delict" wordt aangemerkt die tot onder meer een verdubbeling van het maximum van de op te leggen vrijheidsstraf heeft geleid. Mede met het oog op het strafverhogende effect van dit bestanddeel moeten daarom aan de vaststelling dat sprake is van roekeloosheid, dus de zwaarste vorm van schuld, bepaaldelijk eisen worden gesteld en dient de rechter in voorkomende gevallen daaraan in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht te geven. Dat geldt ook in de gevallen waarin de roekeloosheid in de kern bestaat uit de in art. 175, derde lid, WVW 1994 omschreven gedragingen, nu die gedragingen grond vormen voor een verdere verhoging van het ingevolge het tweede lid van dat artikel voor roekeloosheid geldende strafmaximum.

Het voorgaande brengt mee dat de vraag of in een concreet geval sprake is van roekeloosheid in de zin van art. 175, tweede lid, WVW 1994 een beoordeling vergt van de specifieke omstandigheden van dat geval. De Hoge Raad kan bij het beoordelen van cassatieberoepen die zich richten tegen beslissingen in concrete gevallen, slechts tot op zekere hoogte duidelijkheid verschaffen omtrent de inhoud van het begrip roekeloosheid. Bij die toetsing in cassatie van beslissingen in concrete gevallen kan een rol spelen of de rechter zijn oordeel dat sprake is van roekeloosheid in de zin van art. 175, tweede lid, WVW 1994, heeft voorzien van een nadere motivering die recht doet aan het bijzondere karakter van roekeloosheid. Van roekeloosheid als zwaarste, aan opzet grenzende, schuldvorm zal immers slechts in uitzonderlijke gevallen sprake zijn. Daarbij verdient opmerking dat "roekeloosheid" in de zin van de wet een specifieke betekenis heeft die niet noodzakelijkerwijs samenvalt met wat in het normale spraakgebruik onder "roekeloos" - in de betekenis van "onberaden" - wordt verstaan.

Om tot het oordeel te kunnen komen dat in een concreet geval sprake is van roekeloosheid in de zin van art. 175, tweede lid, WVW 1994, zal de rechter zodanige feiten en omstandigheden moeten vaststellen dat daaruit is af te leiden dat door de buitengewoon onvoorzichtige gedraging van de verdachte een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen, alsmede dat de verdachte zich daarvan bewust was, althans had moeten zijn.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit voort dat in dit verband doorgaans niet volstaat de enkele vaststelling dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een of meer in art. 175, derde lid, WVW 1994 genoemde, zelfstandig tot verhoging van het wettelijk strafmaximum leidende gedragingen.”

4.6.

In het onderhavige geval bestaat de kern van de door het Hof aanwezig geoordeelde roekeloosheid uit een gedraging die in art. 175 lid 3 WVW 1994 wordt genoemd als zelfstandige grond voor strafverzwaring, te weten het in ernstige mate overschrijden van de maximumsnelheid. Daarbij geldt dat de enkele vaststelling dat de verdachte zich aan een dergelijke gedraging heeft schuldig gemaakt, doorgaans onvoldoende is om roekeloosheid aan te nemen. Daarvoor is kortom meer nodig. Dat wordt geïllustreerd door de op 15 oktober gewezen arresten. Allereerst bespreek ik het arrest van 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:964. Het Hof nam voor de vraag of de verdachte roekeloos had gereden in aanmerking dat de verdachte de ter plaatse geldende maximumsnelheid in ernstige mate had overschreden en dat hij met (nagenoeg) onverminderde snelheid een kruising – met voor hem groen licht uitstralende verkeerslichten - is opgereden, terwijl het alcoholgehalte in zijn bloed 1,26 milligram alcohol per milliliter bloed bedroeg. De Hoge Raad oordeelde dat deze omstandigheden toereikend zouden kunnen zijn voor het oordeel dat de verdachte “in hoge, althans aanzienlijke mate onvoorzichtig en/of onachtzaam” heeft gereden, maar dat zij niet zonder meer toereikend zijn voor het oordeel dat de verdachte roekeloos heeft gereden. Vervolgens wijs ik op HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:962. Het Hof had geen nadere motivering gewijd aan het bewezenverklaarde, maar had kennelijk in het bijzonder in aanmerking genomen dat de verdachte (als bestuurder van een motorfiets) links van een middengeleider met zeer grote overschrijding van de ter plaatse geldende maximumsnelheid op een kruispunt over de rijstrook voor tegemoetkomend verkeer voertuigen inhaalde. De Hoge Raad oordeelde dat deze omstandigheden toereikend zouden kunnen zijn voor het oordeel dat de verdachte “(aanmerkelijk) onvoorzichtig en/of onoplettend” heeft gereden, maar dat zij niet zonder meer toereikend zijn voor het oordeel dat de verdachte roekeloos heeft gereden.1

4.7.

In twee gevallen oordeelde de Hoge Raad het bewijs van de roekeloosheid wel geleverd.2 In HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:959 had het Hof in het bijzonder acht geslagen op de gedragingen van de verdachte, inhoudende dat hij, nadat hij met een andere bestuurder, te midden van medeweggebruikers, in een ‘kat- en muisspel’ verwikkeld was geraakt, met zeer grote overschrijding van de ter plaatse geldende maximumsnelheid van 50 km per uur door rood licht een kruispunt was opgereden. Hiermee had het Hof, aldus de Hoge Raad, in zijn bewijsvoering tot uitdrukking gebracht dat hier sprake was van roekeloosheid. In HR 3 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1554 had het Hof in het bijzonder gelet op de gedragingen van de verdachte, eruit bestaande dat hij, terwijl hij in de bebouwde kom te midden van andere weggebruikers was verwikkeld in een snelheidswedstrijd met een andere automobilist, heeft gereden met een zeer grote overschrijding van de ter plaatse geldende maximumsnelheid van 50 km per uur en zonder bij de nadering van een bocht snelheid te verminderen, waarna hij de controle over de auto heeft verloren en met een groot snelheidsverschil is aangereden tegen een andere weggebruiker.

4.8.

Men kan twisten over de vraag waarin het “extra” is gelegen dat een zeer aanzienlijke overschrijding van de maximumsnelheid tot roekeloosheid maakt. Gaat het om de subjectieve zijde van de culpa, zoals Keijzer in zijn noot onder HR 3 december 2013, ECLINL:HR:2013:1554, NJ 2014/30 betoogt, en moet de verdachte daarom onverschillig zijn geweest jegens zijn mede weggebruikers? Of gaat het om de objectieve zijde van de culpa, zodat de gedraging “buitengewoon” onvoorzichtig moet zijn en het daardoor in het leven geroepen “zeer ernstig”? Misschien ligt de waarheid in het midden en gaat het om onverschilligheid die zich manifesteert in objectief gezien buitengewoon onvoorzichtig en gevaarlijk rijgedrag. Maar wat daarvan ook zij, gezien de door de Hoge Raad gekozen casuïstische aanpak moet het houvast vooral gezocht worden in een vergelijking met eerdere zaken. En dan moet de conclusie naar mijn mening zijn dat de zaak niet wezenlijk verschilt van de onder 4.6 besproken zaken en dat het rijgedrag niet zo buitengewoon is als in de onder 4.7 besproken zaken. Dat de verdachte de veel langzamer voor hem rijdende auto rechts over de vluchtstrook inhaalde, is tot op zekere hoogte inherent aan zijn te harde rijden en levert daarom weinig “extra’s” op. Hetzelfde geldt voor het feit dat de verdachte de macht over het stuur verloor. Dat is het directe gevolg van het te harde rijden. De omstandigheden dat de verdachte geen rijbewijs had en in een voor hem onbekende auto met zware motor reed, maken wellicht dat zijn onvoorzichtige rijgedrag hem zwaarder dan anders kan worden toegerekend, maar het rijgedrag zelf wordt daardoor niet gevaarlijker, terwijl onverschilligheid jegens het leven van anderen daaruit niet direct spreekt. Ik wijs in dit verband op het onder 4.6 besproken HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:962, waarin het feit dat de verdachte geen rijbewijs had en nog nooit op zo’n zware motor had gereden (bewijsmiddel 1) kennelijk onvoldoende gewicht in de schaal legde.

4.9.

Het middel slaagt.

5 Het tweede middel

5.1.

Gelet op het slagen van het voorgaande middel behoeft dit middel geen bespreking.

6. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

7. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde, in zoverre tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 Zie ook HR 4 december 2012, ECLI:NL:HR:BY2823, waarin de verdachte met drank op veel te hard reed, zijn aandacht niet bij de weg had en in een bocht van de weg de macht over het stuur verloor. Voor het bewijs van roekeloosheid was dat niet voldoende.

2 Het door annotator Keijzer (NJ 2014/30) genoemde HR 9 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ6518, waarin de Hoge Raad het beroep met art. 81 RO afdeed, is naar mijn mening niet maatgevend. Uit de conclusie van mijn ambtgenoot Vegter leid ik af dat het middel niet klaagde dat de roekeloosheid niet uit de bewijsmiddelen kon worden afgeleid.