Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:2301

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
11-11-2014
Datum publicatie
17-12-2014
Zaaknummer
13/02799
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:3638, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Medeplegen poging doodslag. Bewijsklacht opzet. Blijkens de bewijsmiddelen heeft het Hof vastgesteld dat verdachte tezamen en in vereniging met zijn mededaders tegen X het bewezenverklaarde geweld heeft uitgeoefend, o.m. bestaande uit het als een razende met vuisten meerdere keren op het hoofd slaan en vervolgens met geschoeide voet meermalen tegen het hoofd schoppen, terwijl X door de eerste schop het bewustzijn heeft verloren. Daaruit heeft het Hof het bewezenverklaarde opzet kunnen afleiden. De bewezenverklaring is derhalve toereikend gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 13/02799

Mr. Vegter

Zitting 11 november 2014

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden, heeft bij arrest van 8 mei 2013 de verdachte ter zake van “medeplegen van poging tot doodslag” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden met aftrek als bedoeld in artikel 27 Sr. Voorts heeft het Hof de vordering benadeelde partij toegewezen en een daarmee corresponderende schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander in het arrest nader bepaald.



2. Namens verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. R. J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, heeft een schriftuur ingezonden, houdende een middel van cassatie.

3. Het middel behelst de klacht dat het Hof ten onrechte heeft bewezenverklaard dat verdachte ‘ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk een persoon van het leven te beroven, met dat opzet die persoon tegen het lichaam heeft gestompt en/of geslagen en tegen de grond heeft gewerkt en meermalen tegen het hoofd en elders tegen het lichaam heeft geschopt en getrapt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, nu uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen niet, althans niet zonder meer kan volgen dat verdachte en de ander het opzet hebben gehad die persoon van het leven te beroven, zodat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed.’

4. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“primair:

hij op 24 juni 2007, in de gemeente Groningen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk een persoon, genaamd [slachtoffer], van het leven te beroven, met dat opzet met zijn mededader [slachtoffer]

- in de nek en elders tegen het lichaam heeft gestompt en geslagen, en

- tegen de grond heeft gewerkt en

- meermalen tegen het hoofd en elders tegen het lichaam heeft geschopt en getrapt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”

5. De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

‘’Bewijsmiddelen

Het hof bezigt met betrekking tot hetgeen ten laste van verdachte is bewezenverklaard de navolgende bewijsmiddelen:

1. Een proces-verbaal van aangifte, met het nummer PL01KF/07-080649 (het stuk met nummer 26), op 25 juni 2007 op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 1], hoofdagent van Regiopolitie Groningen, District Groningen/Haren, voor zover – zakelijk weergegeven - inhoudende:

als verklaring van [slachtoffer]:

Gisternacht, het was zaterdagnacht was ik op stap in de binnenstad van Groningen. (...). Ik liep via de Grote Markt. Toen ik ongeveer 100 meter bij Hasret vandaan was, zag ik dat een mij onbekende man in de Poelestraat stond. (...). Deze man was heel luidruchtig, maar ik weet niet meer wat hij zei. Ik maakte een opmerking van iets in de trant van beetje rustig of zo. Ik had het idee dat het bij de man in zijn verkeerde keelgat schoot. Ik zag dat de man dicht voor mij ging staan. (...). Ik zei nog tegen de man dat ik er niets mee bedoelde. Ik heb nog sorry gezegd. Ik stond op dat moment met mijn rug naar de Grote Markt. Ik liep een beetje naar achteren omdat de man behoorlijk dreigend overkwam. Het volgende moment kreeg ik een vuistslag/klap van deze man in mijn nek. Dat was aan de linkerzijde. (...). Ik heb niet teruggeslagen. Inmiddels was ik al achterwaarts lopend op de hoek van de Grote markt/Oosterstraat gekomen. Ik zag toen dat zo wie zo een (1) persoon naar mij toe kwam. (...). Ik weet nog wel dat ik dacht dat dit ook een buitenlandse man was. Ik weet nog wel dat ik al die tijd heb gezegd dat ik er niets mee bedoelde en dat ik er geen zin in had. (...). Ik weet nog dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] zich ermee bemoeiden. Ik kan mij herinneren dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] mij probeerden weg te krijgen. Ik ben richting de kiosk gelopen, voor de fietsenstalling langs. Ik weet nog dat ik op de stoeprand, voor de fietsenstalling een paar klappen kreeg. Ik weet nog dat ik door die klappen niet neer ging, maar uiteindelijk is dat wel gebeurd. (...). Toen ik dus wel neer ging heb ik een trap in mijn gezicht gekregen. (...). Wat ik mij wel kan herinneren dat het volgende moment de politie er bij stond en dat er een ambulance was. Ik kan mij herinneren dat ik door die ambulance naar het ziekenhuis aan de Van Swietenlaan ben gebracht. Ik ben daar behandeld aan mijn wond boven de wenkbrauw. Volgens mij hebben ze er vijf hechtingen in gedaan. (...). Thuis gekomen heb ik de hele dag op bed gelegen. Ik had hoofdpijn en nu nog steeds.

2. Een proces-verbaal van verhoor, met het nummer PL01KF/07-080649 (het stuk met nummer 28), op 28 juni 2007 op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 1], hoofdagent van Regiopolitie Groningen, District Groningen/Haren, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -:

als verklaring van [slachtoffer]:

Ik heb afgelopen maandag bij u aangifte gedaan. In de dagen daarna is mijn gezicht opgezwollen, zoals u ook kunt zien. Mijn rechteroog zit nagenoeg helemaal dicht en ook mijn linkeroog is opgezwollen. Omdat ik veel pijn had en mijn gezicht gigantisch dik was, ben ik afgelopen dinsdag, weer naar het martini ziekenhuis, locatie Van Swietenlaan, geweest. Ze hebben foto's gemaakt van mijn beide oogkassen. (...). Ook heb ik de afgelopen dagen veel last gehad van de buil en wond op mijn voorhoofd. Daar zat zoveel druk op dat de wond is opengesprongen. Al dit letsel heb ik dus opgelopen doordat ik mishandeld/geslagen werd, dan wel het is een gevolg van de stompen/klappen op mijn hoofd en de trap in mijn gezicht.

3. Een schriftelijk stuk, te weten een brief van de Hulpverleningsdienst Groningen d.d. 30 oktober 2007, kenmerk TN07/G037, betreffende [slachtoffer], geboren 21-04-1986, wonende [a-straat 1] te Groningen, opgemaakt door mevrouw drs. T. Naujocks, coördinerend forensisch arts, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -:

Betrokkene werd op 23 juni jl. (het hof leest 24 juni jl.) wegens aangezichtsletsel gezien op de spoedeisende hulp van het Martiniziekenhuis. (...). Op 29 juni jl., 6 dagen na het incident, werd betrokkene gezien door de kaakchirurg. Deze vond bij onderzoek, naast een pussende wond (met zwelling) op het voorhoofd en een zwelling rond het rechteroog, ook een botbreuk van het jukbeen links.

4.Een proces-verbaal, met het nummer PLOlKF/07-080649 (het stuk met nummer 27), op 26 juni 2007 op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 1] en op ambtsbelofte door [verbalisant 2], beiden hoofdagent van Regiopolitie Groningen, District Groningen/Haren, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -:

Op zondag, 24 juni 2007, omstreeks 06.07 uur, vond er op de openbare weg, de Grote Markt te Groningen, een vechtpartij plaats, waarbij een man gewond raakte, die later bleek te zijn genaamd: [slachtoffer], geboren te Groningen op 21 april 1986. (...). De bovengenoemde vechtpartij bleek te zijn geregistreerd door de bewakingscamera, gevestigd aan de gevel op de hoek Grote Markt/Poelestraat te Groningen. De beelden van bovengenoemde vechtpartij waren opgenomen door een medewerker van "cameratoezicht" werkzaam op de Gemeenschappelijke Meldkamer Groningen en vastgelegd op een videoband. Deze videoband werd ter beschikking gesteld van het onderzoek. Tijdens het uitkijken van bovengenoemde videoband, zagen wij dat een lange blanke jongeman, gekleed in een zwarte trui/shirt met daaronder een wit shirt en een spijkerbroek wegliep richting de reclamezuil/rijwielstalling. (...). Later bleek dat deze jongeman was genaamd: [slachtoffer]. Wij zagen dat [slachtoffer] tijdens het weglopen werd begeleid door een man, gekleed in een grijs jack waarvan hij een capuchon over het hoofd droeg. Later bleek dat deze man was genaamd: [betrokkene 2]. [betrokkene 2] is gehoord als getuige.

Op de beelden zagen wij dat [slachtoffer] en [betrokkene 2] werden gevolgd door de mij, verbalisant [verbalisant 1], ambtshalve bekende [verdachte] en een ons onbekende man. Deze onbekende man bleek later te zijn genaamd: [betrokkene 3]. Wij zagen dat de verdachte [verdachte] een lichtkleurig shirt droeg met horizontale strepen in de kleuren rose en groen. Verder zagen wij dat [verdachte] een blauwe spijkerbroek droeg en witte schoenen. Wij zagen dat de verdachte [betrokkene 3] was gekleed in een blauwe spijkerbroek en een donkerkleurig zwart jack met capuchon. Wij zagen dat [betrokkene 3] de capuchon over zijn hoofd had. Wij zagen dat de verdachte [betrokkene 3] donkere/zwarte schoenen droeg. Wij zagen dat de verdachte [verdachte] zich "opdrong" tegen [slachtoffer]. (...). Wij zagen op de beelden dat [slachtoffer] met zijn handen/armen kennelijk verontschuldigende gebaren maakte tegen de verdachte [verdachte] en daarbij achteruit liep. Wij zagen dat het latere slachtoffer [slachtoffer] en de getuige [betrokkene 2] zover achteruit werden gedrongen dat ze achter de reklamezuil kwamen, waardoor ze buiten het zicht van de bewakingscamera kwamen. Ook zagen wij dat de verdachten [verdachte] en [betrokkene 3] achter de reklamezuil verdwenen en uit het zicht van de bewakingscamera kwamen. Kort daarna zagen wij dat de verdachte [betrokkene 3] aan de linkerzijde van de reklamezuil weer in beeld kwam. Daarbij trok hij en duwde hij vermoedelijk aan/tegen het slachtoffer [slachtoffer]. Wij zagen op de beelden dat op dat moment de verdachte [verdachte] aan de rechterzijde van de reklamezuil in beeld kwam en werd tegengehouden door twee onbekende mannen. Wij zagen op de beelden dat op het moment dat verdachte [betrokkene 3] met het slachtoffer [slachtoffer] duwde/trok, linksonder een ons onbekende man in beeld kwam. Deze man die later [betrokkene 4] bleek te zijn was gekleed in een blauwe spijkerbroek, donkere/zwart shirt en hij droeg donkere/zwarte schoenen. Wij zagen dat de verdachte [betrokkene 4] vermoedelijk naar het niet goed in beeld zijnde slachtoffer [slachtoffer] liep en met hem begon te vechten. Op dat moment zagen wij ook dat verdachte [betrokkene 3] slaande bewegingen maakte vermoedelijk naar het slachtoffer [slachtoffer]. Vervolgens zagen wij dat het slachtoffer [slachtoffer] aan de rechterzijde van de reklamezuil vallend over gestalde fietsen, weer in beeld kwam. Wij zagen tegelijkertijd dat de verdachte [betrokkene 4] rechts naast de reklamezuil in beeld kwam en als een "razende' met zijn handen/vuisten meerdere keren op het hoofd van het slachtoffer [slachtoffer] stompte/sloeg. Daarbij was het rode shirt dat verdachte [betrokkene 4] onder zijn zwarte trui/shirt droeg, goed zichtbaar. Wij zagen dat de verdachte [verdachte] ook bij het slachtoffer [slachtoffer] wilde komen, maar dat dit niet lukte. Wel zagen wij dat [verdachte] hierna in de richting van een onbekende sloeg, die achter de reklamezuil stond. Wij zagen dat verdachte [verdachte] achter de reklamezuil uit zicht verdween. (...). Wij zagen dat het slachtoffer [slachtoffer] min of meer voorover viel en een ontbloot bovenlijf had. Op dat moment zagen wij op de beelden dat het slachtoffer [slachtoffer] in zijn gezicht werd getrapt door een persoon die achter de reklamezuil stond en witte schoenen droeg. Wij zagen dat het slachtoffer daardoor "uitgeteld' voorover op straat viel en roerloos bleef liggen. Direct nadat het slachtoffer [slachtoffer] in zijn gezicht was getrapt, zagen wij dat de verdachte [verdachte] aan de linkerzijde van de reklamezuil wegliep in de richting van de taxistandplaatsen aan de Grote Markt. Op dat moment was goed zichtbaar dat verdachte [verdachte] witte schoenen droeg en zich achter de reklamezuil bevond toen het slachtoffer [slachtoffer] in zijn gezicht werd getrapt. Verdachte [verdachte] was de enige persoon die witte schoenen droeg en zich achter de reklamezuil bevond toen het slachtoffer [slachtoffer] in zijn gezicht werd getrapt. Wij zagen op de beelden dat, terwijl het slachtoffer [slachtoffer] roerloos op de grond lag, hij nog enkele keren op zijn lichaam werd geslagen door de verdachte [betrokkene 4] met een kledingstuk. Later bleek dit kledingstuk het shirt/trui te zijn van het slachtoffer [slachtoffer]. (...). Wij zagen dat verdachte [betrokkene 4], het roerloos op de grond liggende slachtoffer [slachtoffer] een (l) keer tegen het hoofd trapte.

5. De eigen waarneming van het hof van de beelden die op 24 juni 2007 omstreeks 06:07 uur door middel van bewakingscamera's zijn geregistreerd (afkomstig van een zilverkleurige CD-rom voorzien van het nummer 07-080648).

6. Een proces-verbaal van verhoor, met het nummer PL01KF/07-080649 (het stuk met nummer 38), op 25 juni 2007 op ambtsbelofte opgemaakt door [verbalisant 2] en op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 1], beiden hoofdagent van Regiopolitie Groningen, District Groningen/Haren, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -:

Als verklaring van verdachte [betrokkene 4]

Ik heb net samen met jullie de camerabeelden bekeken. Dit waren beelden van de mishandeling waarvoor ik nu dan ook vastzit. (...). Ik kan u vertellen dat ik erg geschrokken ben van de camerabeelden. Ik ben er gewoon ziek van. Terwijl wij de camerabeelden zaten te bekijken brak mij gewoon het zweet uit. Mijn shirt was na de tijd gewoon nat. (...). Ik herkende [verdachte] en [betrokkene 3] (het hof begrijpt: [verdachte] respectievelijk [betrokkene 3]) aan hun kleding en gezicht. Ik herkende [betrokkene 3] onder andere aan de capuchon die hij droeg op zijn hoofd. (...). Ik wist niet eens dat ik de jongen, het slachtoffer, zo vaak heb geslagen. (...). Ik weet wel dat ik op een gegeven ogenblik nog heb gedacht toen het slachtoffer op de grond lag dat ik moest stoppen. Jullie vertellen mij dat ik toen toch nog een trap tegen het slachtoffer heb gegeven. Dat klopt. Ik heb dat inderdaad gedaan (...). Ik weet ook dat, toen ik de jongen aan het slaan was, door mijn hoofd ging van: het is hij of ik. Ik wilde niet door hem vertrapt worden. (...). Ik ben fout geweest. Ik wil u ook vertellen dat voorafgaand aan de mishandeling ik een woordenwisseling met die jongen heb gehad. Ik was toen iets aan het schreeuwen op straat over Servië. Ik werd toen aangesproken door volgens mij het slachtoffer dat ik dat niet moest roepen. (...). U vraagt mij ook of ik weet hoe het kan dat het slachtoffer knock-out ging op straat. (...). Nu ik de beelden heb gezien begrijp ik waarom [verdachte] en [betrokkene 3] ook aangehouden zijn. Ik heb nu ook gezien dat iemand met witte schoenen het slachtoffer in het gezicht schopte. Ik heb ook gezien dat [verdachte] eigenlijk de enige was daar in de buurt van het slachtoffer met witte schoenen.

7. Een proces-verbaal van verhoor, met het nummer PL01KF/07-080649 (het stuk met nummer 39), op 26 juni 2007 op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 1], hoofdagent van Regiopolitie Groningen, District Groningen/Haren, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -:

Als verklaring van verdachte [verdachte]

Ik was geschrokken van de beelden van de vechtpartij. (...). Ik zei toen ook dat de jongen helemaal niet wilde vechten en wegliep. U vraagt mij of ik iets wil vertellen over de beelden die ik gisteren heb gezien. Nee, de beelden spreken voor zich. Het had gewoon niet moeten gebeuren. Ik ga niet zeggen dat ik die jongen tegen het hoofd heb getrapt. (...). Ik kan eigenlijk niet vertellen waarom ik weer naar hem toe ben gelopen.

8. Een proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van de meervoudige kamer voor strafzaken van Gerechtshof Leeuwarden op 7 juni 2011 (pagina 9) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -:

Nadat het onderzoek ter terechtzitting is hervat deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede:

Het verzoek van de raadsman wordt geclausuleerd toegewezen. De camerabeelden zullen aan de getuige [verbalisant 1] worden getoond voor zover het betreft de beelden waarop is te zien wat er zich bij de reclamezuil heeft afgespeeld. De getuige [verbalisant 1] wordt verzocht om aan te geven wat hij op die beelden ziet. Hierop gaat het hof over tot het vertonen van de camerabeelden (witte cd-rom, voorzien van het nummer 07-080649).

Het hof neemt waar dat de getuige [verbalisant 1] zwijgend en uiterlijk onbewogen kijkt naar het beeldscherm waarop de beelden worden vertoond. Het hof neemt vervolgens waar dat de getuige op enig moment (tijdstip op cd-rom ± 06:08:29) abrupt opveert en zegt: "Boem, daar gaat 'ie." Na deze reactie wordt het vertonen van de beelden nog gedurende een tijdspanne van circa 30 seconden voortgezet. Op de vraag aan de raadsman of de beelden verder nog moeten worden bekeken antwoordt hij ontkennend, waarna de filmvertoning wordt beëindigd. In antwoord op de hem gestelde vragen antwoordt de getuige [verbalisant 1] aansluitend als volgt:

Op de zojuist getoonde beelden heb ik gezien dat een persoon, die ik herken als het slachtoffer [slachtoffer], met min of meer ontbloot lijf voorover leunt en dat deze dan in zijn gezicht wordt getrapt door een persoon die achter de reclamezuil staat en witte schoenen draagt. Voorts heb ik gezien dat het slachtoffer door de trap voorover op straat valt en roerloos blijft liggen en dat een persoon, die ik herken als [verdachte], direct nadat het slachtoffer in zijn gezicht is getrapt aan de linkerzijde van de reclamezuil wegloopt en dat deze persoon witte schoenen draagt.

De raadsman deelt mede, dat hij nog steeds niet ziet wat de getuige [verbalisant 1] zegt te zien. Hierop worden dezelfde beelden nogmaals aan de getuige [verbalisant 1] getoond. Het hof neemt eenzelfde reactie op hetzelfde moment in de film bij de getuige [verbalisant 1] waar. Desgevraagd verklaart de getuige [verbalisant 1] als volgt:

Ik heb wederom gezien dat een persoon met witte schoenen het slachtoffer [slachtoffer] in zijn gezicht trapt en dat deze persoon direct hierna aan de linkerzijde van de reclamezuil wegloopt en witte schoenen draagt. Ik herken die persoon als [verdachte]. Ik zie ook dat een persoon, die ik herken als [betrokkene 3], rechts van de reclamezuil staat en een zwarte capuchon op heeft.’’

6. Het Hof heeft ten aanzien van het bewijs het volgende overwogen:

‘’Overwegingen met betrekking tot het bewijs

De raadsman heeft zich ter terechtzitting van het hof op 25 april 2013 op het standpunt gesteld dat de verdachte op grond van verklaringen van zijn medeverdachte [betrokkene 4] en van [betrokkene 3] en die van de door de verdediging als deskundige aangemerkte [de deskundige] van het ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken.

Het hof deelt het standpunt van de raadsman niet. Het dossier bevat voldoende verklaringen en andere bewijsmiddelen op grond waarvan het primair ten laste gelegde feit bewezen kan worden verklaard. Deze bewijsmiddelen zullen bij een eventueel cassatieberoep in de aanvulling op dit arrest worden opgenomen.

Het hof overweegt in het bijzonder het volgende.

Het hof heeft op de verschillende zittingen de van de gebeurtenis op 24 juni 2007 beschikbare camerabeelden meermalen bekeken, mede vanuit het perspectief van mogelijke alternatieve scenario's. Op grond van de eigen waarneming heeft het hof vastgesteld dat (ook) verdachte aangever [slachtoffer] met kracht tegen het hoofd heeft geschopt. Daaraan is geen twijfel mogelijk.’’

7. Het middel stelt in de kern de vraag aan de orde of het bewezenverklaarde opzet op de dood uit de bewijsmiddelen valt af te leiden. Het middel richt zich in het geheel niet op de in het kader van medeplegen vereiste bewuste samenwerking, maar beperkt zich tot het bij verdachte aanwezige opzet. Die beperking neem ik eveneens bij de bespreking van het middel in acht. Hoewel verdachte weliswaar verklaart geschrokken te zijn van de beelden van de vechtpartij, biedt zijn eigen verklaring geen direct aanknopingspunt voor het bewijs van zijn aandeel en zijn opzet. Daarmee komt de constructie van voorwaardelijk opzet in beeld. Maatstaf daarvoor is kortgezegd of verdachte een aanmerkelijke kans op de dood heeft aanvaard.1 Uit de rechtspraak2 komt het volgende naar voren. De vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, moet worden beantwoord aan de hand van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder de gedraging is verricht. De kans moet naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk zijn te achten. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het –behoudens contra-indicaties- niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg heeft aanvaard.

8. In feitelijke aanleg heeft de raadsman zijn pleidooi volledig geconcentreerd op één enkel punt: verdachte zou in het geheel niet zijn betrokken bij de vechtpartij en kon dus niet worden aangemerkt als medepleger. Wellicht vormt dat de verklaring dat het Hof geen afzonderlijke overweging heeft gewijd aan het bewijs van het opzet. In cassatie schuiven de panelen. Het gaat nu alleen nog om opzet en in ieder geval kan achteraf bezien, worden gezegd dat een overweging inzake het opzet nuttig zou zijn geweest. In de schriftuur wordt immers allereerst rechtspraak genoemd waaruit naar voren komt dat (onder meer) schoppen tegen het hoofd nog niet voldoende is voor het bewijs van opzet op zwaar lichamelijk letsel.3 Ook worden twee gevallen genoemd waarin het schoppen tegen het hoofd wel tot veroordeling voor poging tot zware mishandeling leidde, maar niet tot een veroordeling voor poging tot doodslag.4

9. Uit de aard van de gedragingen kan voor zover het louter gaat om slaan en schoppen tegen het hoofd nog niet zonder meer opzet op de dood worden afgeleid.5 Er moet dus wat bijkomen. Daarbij valt te denken aan de wijze waarop geweld is aangewend en eventueel aan de gevolgen. Gelet op de medische informatie wijzen de lichamelijke gevolgen niet op opzet op de dood (bewijsmiddelen 2 en 3). Het komt dus vooral aan op de wijze waarop geweld is aangewend. Te denken valt aan de mate van geweld, de omstandigheden waaronder geweldstoepassing heeft plaatsgevonden en de volgorde en samenhang van de geweldshandelingen.

10. Voor zover van belang voor het opzet op de dood valt uit de bewijsmiddelen af te leiden dat het geweld in vier ‘fasen’ plaatsvond. Het begint met duwen en trekken, medeverdachte [betrokkene 4] begint te vechten en medeverdachte [betrokkene 3] maakt slaande bewegingen. In de tweede fase stompt en slaat [betrokkene 4] als een ‘razende’ op het hoofd van het slachtoffer. De derde fase is dat het slachtoffer min of meer valt en verdachte hem in het gezicht trapt en de laatste fase wordt gevormd door handelingen van [betrokkene 4]. Hij slaat het slachtoffer nog een aantal malen met een kledingstuk op het lichaam en trapt het roerloos op de grond liggende slachtoffer een keer tegen het hoofd.

11. Er is hier niet louter sprake van slaan en schoppen. Ik licht dat nader toe. De bewijsvoering bevat nadere informatie over die gedragingen. Van betekenis is in dit verband de uit de bewijsoverweging van het Hof blijkende eigen waarneming van het Hof dat (ook) verdachte het slachtoffer met kracht tegen het hoofd heeft geschopt. Uit de bewijsmiddelen blijkt bovendien dat verdachte dit heeft gedaan met geschoeide voet. Er is dus (ook) door verdachte met kracht met geschoeide voet geschopt. Deze schop kan uiteraard niet geïsoleerd worden gezien. Zowel de omstandigheden die er aan voorafgaan als de omstandigheden die er op volgen zijn van betekenis. De schop van verdachte volgt op fase 2: als een razende (naar ik aanneem in de zin van: heftig tekeergaand) stompen en slaan (in meervoud) door [betrokkene 4]. Dan valt het slachtoffer min of meer voorover en schopt verdachte hem op dat moment in het gezicht. Het gevolg is dat het slachtoffer uitgeteld voorover op straat valt en roerloos blijft liggen. In de woorden van [betrokkene 4] ging verdachte knockout. Vervolgens wordt het roerloos op de grond liggende slachtoffer uiteindelijk nogmaals met kracht met geschoeide voet tegen het hoofd getrapt.

11. Twee elementen maken in het bijzonder dat het Hof naar mijn mening uit de bewijsmiddelen kon afleiden dat er sprake was van een door verdachte (en zijn medeverdachten) aanvaarde aanmerkelijke kans op de dood. De eerste krachtige schop met geschoeide voet vindt plaats nadat het slachtoffer zojuist door een medeverdachte als een razende meermalen op het hoofd is geslagen en (zo begrijp ik: ten gevolge daarvan) wankelt. De tweede krachtige schop met de zwarte/donkere schoenen van [betrokkene 4] vond plaats terwijl het slachtoffer roerloos en knockout op de grond lag. Gelet op de omstandigheden waren dit ‘doodschoppen’, vooral ook omdat ze zich richten op het hoofd terwijl daarop al aanzienlijk geweld met kenbare gevolgen (wankelen resp. knockout) is uitgeoefend. In de bewijsmiddelen ligt voldoende besloten dat verdachte opzet op de dood heeft gehad.

12. Het middel faalt. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak zouden behoren te leiden.

13. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie verder De Hullu, Materieel strafrecht 2012, p. 227.

2 HR 25 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003: AE9049, NJ 2003/552 m.nt. Buruma. Niet zelden volstaat de HR in de kern met de eis dat sprake moet zijn van het aanvaarden van een naar algemen ervaringsregels aanmerkelijke kans. Zie HR 29 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI4736, NJ 2010/117 , herhaald in HR 23 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2767.

3 ECLI:NL:RBMAA:2010:BO7567 en idem RBROT:2010:BN8621. In de laatste zaak was doorslaggevend dat niet vast stond dat zo hard geschopt was dat er kans op zwaar lichamelijk letsel was.

4 ECLI:NL:RBSHE:2012:BY3423 (schoppen was niet van zodanige aard en intensiteit dat er een kans op de dood was) en idem RBSHE:2012:BY2412 (met geschoeide voet met kracht tegen het hoofd schoppen).

5 Vgl. ook HR 1 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT1871.